RvS: permanente arbeidsongeschiktheid alleen aangenomen bij IVA-uitkering, niet bij WIA

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1164) is het aan een referent om zo nodig rechtsmiddelen in te stellen tegen een besluit van het UWV indien daarin volgens die referent ten onrechte geen uitkering op grond van de IVA wordt verleend omdat terugkeer op de arbeidsmarkt volgens die referent niet dan wel nauwelijks is te verwachten. De staatssecretaris voert terecht aan dat hij met de beoordeling of de referente in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste in beginsel een adequate invulling heeft gegeven aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en de eisen die het Hof van Justitie, gezien de individualisering van de behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, daaraan stelt (vgl. het arrest Chakroun en de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1231).

Weliswaar is de referente vanaf 18 maart 2009 volledig arbeidsongeschikt, maar het UWV heeft zich op grond van het oordeel van een verzekeringsarts op het standpunt gesteld dat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat de verwachting dat de belastbaarheid verbetert, redelijk tot goed is. Het UWV heeft daarom besloten de referente een uitkering op grond van de WGA te verlenen en niet op grond van de IVA. De staatssecretaris is terecht van de besluitvorming van het UWV uitgegaan en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan de referente was om daartegen desgewenst rechtsmiddelen in te stellen. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat dit is gebeurd, zodat van de juistheid van die besluitvorming moet worden uitgegaan. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft aangevoerd.

De grief slaagt.
RvS 201701787/1/V1, 18.5.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:1648