Nieuws

MvOCW: geen structurele verlaging collegegeld vluchtelingstudenten

Voor vluchteling-studenten is gekozen voor een maatwerkaanpak.

Het meest recente voorbeeld van maatwerk is dat instellingen voor ontheemden uit Oekraïne het instellingscollegegeld hebben verlaagd tot het wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2022-2023. Daarnaast hanteert een aantal onderwijsinstellingen ook voor vluchtelingen uit andere landen een laag instellingscollegegeld-tarief. Waar nodig, worden deze studenten ook ondersteund door de Stichting voor vluchteling-studenten (UAF). Omdat het vooralsnog om een beperkt aantal studenten gaat, is de druk op het stelsel, zowel financieel als kwantitatief, beperkt. Dit wordt anders als er gekozen zou worden voor de generieke maatregelen waar in het commissiedebat om gevraagd werd.

Indien financiering van deze doelgroep een structureel karakter zou krijgen, kan dit grote impact hebben op de financiering van het stelsel en de beschikbare onderwijscapaciteit. Ook omdat de kans aanwezig is dat structurele financiering een aanzuigende werking heeft, mede door een groot aanbod Engelstalig onderwijs in Nederland. Dit ook tegen de achtergrond van de wens om internationale studentenstroom te beheersen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2023/01/13/reactie-inzake-structurele-financiering-vluchteling-studenten-in-het-hoger-onderwijs-tz20221139/reactie-inzake-structurele-financiering-vluchteling-studenten-in-het-hoger-onderwijs-tz20221139.pdf, 13.1.23

Rb: wanneer recht op opvang tijdens procedure tegen afwijzing art-64-verzoek?

In deze procedure is de vraag gerezen tot wie eiser zich moest wenden voor continuering van zijn opvang tijdens de procedure tegen het besluit waarin de verlening van artikel 64 Vw is afgewezen.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij de volgende gedragslijn hanteert:
‘Het is mogelijk dat de vreemdeling bezwaar of beroep aantekent tegen een afwijzend besluit op grond van artikel 64 van de Vw. Ook kan de vreemdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank. Wanneer hij of zij gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening indient om in afwachting van dat rechtsmiddel opvang te verkrijgen, kan de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe- of afwijzen. Het indienen van dit verzoek om een voorlopige voorziening geeft geen recht op opvang. Dit kan alleen als de vreemdeling verzoekt dat hij wordt behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Het is ook noodzakelijk dat de IND zich niet verzet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening, en dat in het dictum van de uitspraak van de voorzieningenrechter is opgenomen dat de vreemdeling moet worden behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw.’

Rb Haarlem AWB 21/5413, 6.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:57

WOB-verzoek INLIA: duur afgifte LP per land in jaren 2018-2021

Uit het overzicht blijkt dat de gemiddelde doorlooptijd bij landen van herkomst waarmee een T&O-overeenkomst is gesloten over het algemeen sneller is dan bij landen van herkomst waarmee niet zo'n overeenkomst is afgesloten. Verder blijkt dat de duur van de erkenning van de vreemdeling door de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst in een behoorlijk aantal gevallen langer is dan de wettelijke vertrektermijn van 4 weken. Indien een diplomatieke vertegenwoordiging zoals bijvoorbeeld Guinee in 2019 er dan echter gemiddeld 256 dagen over doet om een vreemdeling te erkennen, dan kan deze nooit voldoen aan de vertrektermijn van 28 dagen. 

https://www.inlia.nl/download/1401, 10.1.23

Rb: belangenafweging vreemdelingendetentie oude zieke pakistaan

De vreemdeling voert aan dat de motivering van de belangenafweging die in het kader van het opleggen van een lichter middel dan vreemdelingendetentie is gedaan, onvoldoende is.
De rechtbank overweegt als volgt. De leeftijd van de vreemdeling (geb 1953), waar aan een zwaar gewicht toekomt, is niet meegenomen in de belangenafweging. Weliswaar heeft de vreemdeling bij het gehoor niet gewezen op zijn leeftijd, maar is de rechtbank toch van oordeel dat de staatssecretaris deze feitelijke omstandigheid, die voldoende kenbaar was, in zijn beoordeling had moeten betrekken. Hierbij is met name van belang dat de vreemdeling vanwege zijn leeftijd, dient te worden gerekend tot een groep van kwetsbare personen. Ook heeft de vreemdeling verklaard dat hij problemen heeft met zijn gezondheid, namelijk dat hij een rugoperatie heeft gehad en hier nog last van ondervindt. De enkele motivering dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidzorg in de vrije maatschappij, onvoldoende. Gelet op het voorgaande is er sprake van een motiveringsgebrek en is de maatregel van meet af aan onrechtmatig geweest.

Ten overvloede merkt de rechtbank op, dat op zitting is waargenomen dat de vreemdeling op leeftijd is en broos is. De vreemdeling kon de zitting moeilijk volgen, had stevige pijn en heeft de zitting voortijdig in een rolstoel verlaten. Ter zitting is op zijn leeftijd gewezen en dat hij al jaren een vaste verblijfplaats heeft die bekend is. De staatssecretaris wijst op de strafrechtelijke aanhouding. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee nog altijd onvoldoende gemotiveerd waarom van het toepassen van een lichter middel kan worden afgezien.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL23.570, 19.1.23

RvS: beoordelen afhankelijkheidsrelatie Marokkaanse moeder met meerderjarige NLse dochters

De vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een document voor een afgeleid verblijfsrecht ex art. 20 VWEU. Wegens haar gezondheidssituatie en zorgbehoefte beoogt zij rechtmatig verblijf in Nederland bij haar twee meerderjarige dochters die de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De SvJ&V dient terughoudend om te gaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Gelet op alles wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, kon de SvJ&V in dit geval het bezwaar niet ongegrond verklaren zonder betrokkenen te horen. De rb heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep is gegrond.

De SvJ&V moet een nieuw besluit moeten nemen. Daarbij zal de SvJ&V zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen waarom er volgens hem tussen de vreemdeling en haar twee meerderjarige Nederlandse dochters al dan niet een afhankelijkheidsrelatie bestaat.
Hoger beroep tegen Rb Rotterdam 19/9553, 28.6.21 gegrond, beroep gegrond.

ABRvS, 202104804/1/V2, 12.1.23
ECLI:NL:RVS:2023:106

IB 2023/6: Gevolgen arrest E.K. voor Chavez-verblijfsrecht

Het Hof kwam in het arrest E.K. tot de conclusie dat een lidstaat een derdelander met het Chavez-verblijfsrecht niet de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen mag onthouden met het argument dat het Chavez-verblijfsrecht tijdelijk en afhankelijk van aard is. Hoewel het arrest expliciet ziet op de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, heeft de SvJ&V besloten om de conclusie van het Hof door te trekken naar sociaal referentschap in gezinsmigratiezaken, de nationale reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en naturalisatie. Deze beleidskeuze heeft onder meer tot gevolg dat:

  1. Chavez-verblijfsgerechtigden nu als sociaal referent kunnen optreden in gezinsmigratiezaken; 
  2. zij in aanmerking kunnen komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en
  3. zij kunnen naturaliseren.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1298101_1/1/, 23.1.23

Rb: ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit bij inburgering buitenland

Eiseres heeft de Ethiopische nationaliteit en heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij haar echtgenoot. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan het vereiste van het afleggen van het inburgeringsexamen in het buitenland. Eiseres voert aan dat in de Nederlandse regelgeving ten aanzien van het inburgeringsvereiste een onderscheid wordt gemaakt op basis van nationaliteit. Dit onderscheid is in strijd met artikel 14 van het EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat onderscheid op grond van nationaliteit slechts gemaakt mag worden als sprake is van ‘very weighty reasons’. Het door verweerder gemaakte onderscheid tussen Westerse landen en niet-Westerse landen voldoet niet aan dit criterium.

Verweerder heeft toegelicht dat het verschil in behandeling is gelegen in het feit dat uit onderzoek is gebleken dat onderdanen van landen die niet van het inburgeringsvereiste zijn vrijgesteld meer problemen hebben om te integreren in de Nederlandse samenleving. Om de integratie te bevorderen heeft verweerder aan onderdanen van die landen het inburgeringsvereiste opgelegd.

De rechtbank acht dit doel in beginsel legitiem. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet onderbouwd heeft gemotiveerd dat het inburgeringsvereiste een geschikt middel is om dit doel te bereiken. Verweerder heeft immers niet onderbouwd waaruit blijkt dat onderdanen van de landen die zijn vrijgesteld van het inburgeringsvereiste makkelijk in de Nederlandse samenleving integreren dan wel waaruit blijkt dat onderdanen van de landen die niet zijn vrijgesteld problemen bij het integreren ondervinden. Verweerder heeft verder niet onderbouwd welke kenmerken de onderdanen van de landen die niet zijn vrijgesteld van het inburgeringsvereiste gemeen hebben met elkaar waardoor problemen ontstaan met de integratie. Andersom heeft verweerder ook niet onderbouwd in hoeverre de landen die zijn vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, verschillend zijn van de landen die daarvan niet zijn vrijgesteld. Omdat het inburgeringsexamen voor het grootste deel bestaat uit het kunnen beheersen van de Nederlandse taal, heeft verweerder niet onderbouwd waarom een onderdaan van een land als Zuid-Korea, dat is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, geen hinder zal ondervinden bij de inburgering in Nederland ten opzichte van onderdanen uit Ethiopië die verondersteld worden daar wel hinder van te ondervinden.

Rb Haarlem NL21.15468, 23.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:622

Rb: risico besnijdenis 13jr Sierra Leonese dochter

Niet in geschil is dat vrouwenbesnijdenis veel voorkomt in Sierra Leone. In het FGM rapport, waar beide partijen naar hebben verwezen, staat vermeld dat het aantal besneden vrouwen tussen de 15 en 49 jaar 83 procent is. Verder blijkt dat het percentage vrouwen met de Temne etniciteit dat is besneden 88,1 procent is. De meeste meisjes worden volgens dit rapport besneden als ze tussen de tien en veertien jaar oud zijn.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022 blijkt dat het percentage van de vrouwelijke bevolking dat is besneden op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat een vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op besnijdenis. Er zijn volgens de Afdeling namelijk daarnaast nog veel verschillende andere factoren die het risico op besnijdenis in een individueel geval kunnen vergroten of juist verkleinen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorkeur van de ouders, de vraag of andere vrouwelijke familieleden zijn besneden en de leeftijd van de desbetreffende vrouw. Aan de hand van de eigen verklaringen van een vreemdeling en de relevante landeninformatie moet verweerder al deze verschillende factoren kenbaar en in onderlinge samenhang betrekken bij de besluitvorming.

Niet in geschil is dat eiseres niet wil dat haar dochter wordt besneden en dat haar moeder en dus de grootmoeder van [dochter] is overleden. Over de vader van [dochter] is niets bekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de dochter van eiseres het risico loopt te worden besneden. Uit het FGM rapport blijkt namelijk ook het volgende:

‘In een gemeenschap waar vrijwel alle meisjes/vrouwen zijn besneden kan de druk voor de overige meisjes groot zijn zich ook te laten besnijden. Meisjes en hun families kunnen geconfronteerd worden met groepsdruk, afwijzing of stigmatisering als ze deze praktijk niet ondergaan. Zij kunnen het gevoel hebben dat de sociale voordelen van FGM (identificatie, toegang tot middelen en kansen voor huwelijk) zwaarder wegen dan het nadeel van schade voor het meisje. Dit wordt ook wel ‘community decision making’ genoemd.[…]

De opmerking van verweerder op zitting dat de dochter van eiseres geen deel hoeft te nemen aan de gemeenschap, waarbij verweerder erop wijst dat het aantal besneden vrouwen in Freetown het laagste is van Sierra Leone, is onvoldoende voor een ander oordeel. Verweerder heeft niet geconcretiseerd hoe de dochter van eiseres zich in een land als Sierra Leone aan die gemeenschap zou kunnen onttrekken. Ook al zouden eiseres en haar dochter ergens anders in Sierra Leone gaan wonen, dan betekent dat niet dat er vanuit de gemeenschap waar ze dan terecht zouden komen geen druk meer zou zijn. Uit het FGM rapport blijkt weliswaar dat in de afgelopen jaren een daling heeft plaatsgevonden in het uitvoeren van FGM in alle provincies in Sierra Leone, maar nog steeds is sprake van heel hoge percentages. Bovendien is de daling in de Western Area, waar Freetown toe behoort, niet noemenswaardig.

Verweerder heeft, gelet op het feit dat de dochter van eiseres momenteel dertien jaar is, onvoldoende gemotiveerd dat zij geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Rb Zwolle NL22.9344, 17.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:464

Rb: legale uitreis uit Iran mogelijk via omkoping

Op zitting heeft de staatssecretaris – in reactie op het door eiser overgelegde artikel ‘Kan een Iraanse asielzoeker die in negatieve belangstelling van autoriteiten staat, legaal Iran zijn uitgereisd?’ - gesteld dat de omstandigheid dat omkoping voor komt, niet betekent dat dit in deze zaak ook is gebeurd. Gelet op de door eiser gestelde (ernstige) gebeurtenissen acht de staatssecretaris de kans zeer klein dat het voor eiser door omkoping mogelijk is geweest Iran uit te reizen.

De rechtbank overweegt dat eiser in het nader gehoor concreet en uitgebreid heeft verteld hoe de uitreis is verlopen en dat de uitreis eerst is uitgesteld omdat de persoon die de paspoortcontrole zou verrichten niet aanwezig was, wat de gang van zaken op het vliegveld was (paspoortcontrole) en dat sprake was van omkoping. Gelet op de concrete verklaringen van eiser en de omstandigheid dat omkoping mogelijk is, heeft de staatssecretaris zonder nadere motivering niet kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is omdat eiser op legale en gecontroleerde wijze Iran heeft kunnen verlaten. Dat de mogelijkheid van omkoping in verband staat met de aard en de ernst van de beschuldigingen dan wel de mate waarin iemand wordt gezocht, zoals de staatssecretaris stelt, is de rechtbank niet gebleken.

Beroep gegrond.
Rb Groningen NL20.2069, NL20.2071, NL20.2074, NL20.2076, NL20.2078 en NL20.2080, 13.1.23
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:279

RvS: ondanks eerder gebruikte valse identiteit, asielvergunning Syrier niet ingetrokken

Voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vereist dat het verkeerd weergeven of achterhouden van feiten of het verstrekken van valse documenten, doorslaggevend is geweest voor verlening van deze verblijfsvergunning.

Hoewel niet in geschil is dat de vreemdeling onjuiste identiteitsgegevens heeft gebruikt, staat in dit geval vast dat die onjuiste identiteitsgegevens niet doorslaggevend zijn geweest voor het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op grond van de juiste identiteitsgegevens heeft de staatssecretaris hem namelijk een nieuwe verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte heeft ingetrokken. Dat betekent dat hij vanaf 18 juli 2016 rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland.

De grief faalt.
RvS 202106391/1/V1, 25.1.23
ECLI:NL:RVS:2023:230

vgl ook RvS 202005589/1/V3, 25.1.23
ECLI:NL:RVS:2023:248

Pagina's