Nieuws

RvS: nieuw toetsingskader verzoek wijziging persoonsgegevens in BRP

Het bestaande toetsingskader

Voorop staat dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Volgens deze rechtspraak zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

Nuancering toetsingsmaatstaf

Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2022:1198 heeft de Afdeling deze rechtspraak genuanceerd, in die zin dat voor wijziging van geregistreerde gegevens niet langer is vereist dat onomstotelijk vaststaat dat de eerder geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn. Voortaan moet worden beoordeeld of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van een hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het betreffende gegeven, of worden de betreffende gegevens, in de brp gewijzigd....

Dit betekent dat het college opnieuw moet beslissen op het door [appellante] gemaakte bezwaar, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.

RvS 202101149/1/A3, 4.5.22
ECLI:NL:RVS:2022:1300

zie ook RvS 202006766/1/A3, 4.5.22
ECLI:NL:RVS:2022:1198

EHRM : wettelijke basis nodig voor binnentreden woning ongedocumenteerde & handboeien alleen indien noodzakelijk

Op 19 maart 2015 werd een nieuw Bevel Grondgebied te Verlaten ten aanzien van verzoekster uitgevaardigd, samen met een beslissing tot terugleiding naar de grens en vasthouding. Diezelfde dag werd door de Dienst Vreemdelingenzaken instructies gegeven om de woning van verzoekster te controleren en verzoekster op te pakken indien zij inmiddels niet vrijwillig het grondgebied verlaten had. Toen verzoekster de deur van haar woning opende, werd ze door de politie gearresteerd en geboeid afgevoerd naar een gesloten centrum.

Verzoekster bracht de zaak voor het EHRM en beriep zich op een schending van artikel 8 EVRM wegens het onrechtmatig betreden van haar woning en het onnodig gebruik van handboeien.

Volgens het EHRM staat het vast dat de politie zich voor een controle naar de woning van verzoekster begaf, maar bestaat er discussie over het feit of de politie al dan niet verzoeksters woning betrad. Op basis van de verklaringen van verzoekster oordeelt het EHRM dat er een inmenging van het recht op eerbiediging van de woning door de overheid was.

Het EHRM brengt in herinnering dat een inmenging in het recht op eerbiediging van de woning enkel kan plaatsvinden binnen een wettelijk kader, om zo de betrokkene voldoende en adequaat te beschermen tegen een arbitrair overheidsoptreden. Het EHRM stelt vast dat in casu de inmenging in de woning van verzoekster zonder wettelijke basis gebeurde en dat nergens uit blijkt dat verzoekster toelating gaf om haar woonst te betreden. Het principe van de onschendbaarheid van de woning is uitdrukkelijk in artikel 15 van de Belgische Grondwet vervat. De inmenging in het recht op eerbiediging van de woning van verzoekster ontbeerde dan ook een wettelijke basis, zodat er volgens het EHRM sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.

Omdat de noodzaak van het gebruik van handboeien volgens het EHRM door de overheid niet werd aangetoond, stelde het Hof ook op dit punt een schending van artikel 8 EVRM vast. 

Op basis hiervan veroordeelde het EHRM België dan ook tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster.
EHRM AFFAIRE SABANI c. BELGIQUE (Requête no 53069/15), 8.3.22
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-216023

Rb: geen zicht op uitzetting naar Gambia

Eiser heeft bijna negen weken in bewaring doorgebracht. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 21 december 2021 bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Gambia een aanvraag om een laissez-passer (LP) heeft ingediend. Op 30 december 2021, 20 januari 2022 en 10 februari 2022 heeft verweerder gerappelleerd bij de Gambiaanse autoriteiten. Voorts heeft verweerder op 8 maart 2022, 14 maart 2022 en 15 april 2022 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Verder staat in de voortgangsrapportage vermeld dat op 4 april 2022 een LP-set opnieuw is verstuurd naar de DIA. Uit deze voortgangsrapportage kan niet worden opgemaakt dat de Gambiaanse autoriteiten op enig moment hebben gereageerd op de LP-aanvraag, ondanks dat verweerder driemaal heeft gerappelleerd en, zo begrijpt de rechtbank, nogmaals een LP-set heeft opgestuurd. Verder is niet gebleken van een (geplande) presentatie aan de Gambiaanse autoriteiten. Gelet hierop en de informatie uit het overgelegde rapport van de Europese Commissie is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Anders dan ten tijde van het eerste beroep tegen de maatregel van bewaring zijn er nu duidelijke indicaties dat de Gambiaanse autoriteiten niet meewerkt. De beroepsgrond slaagt.

Het beroep is gegrond en de maatregel is met ingang van 17 maart 2022 onrechtmatig.
Rb Middelburg NL22.6589, 4.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:4379

RvS Conclusie: afwegen evenredigheid tegenwerpen contra-indicatie ouder bij kinderpardon

Aanvragen kinderpardon worden beoordeeld ‘in de context van het gezin’, hetgeen impliceert dat handelen van een ouder dat in strijd is met bepaalde contra-indicaties wordt toegerekend aan het kind en de rest van het gezin, zodat het kind en het gezin niet in aanmerking komt voor een vergunning.

Deze conclusie betreft de contra-indicaties ‘gevaar voor de openbare orde’ en het ‘niet kunnen aantonen van de identiteit’. Concreet werpt de voorzitter de vraag op of het tegenwerpen aan het kind van handelen van een ouder dat in strijd is met een contra-indicatie, evenredig is....

Volgens de StaatsRaad is toerekening van het handelen van de ouder aan het kind om te voorkomen dat een ouder waarvoor een contra-indicatie geldt toch een vergunning krijgt, alleen noodzakelijk als daadwerkelijk het risico bestaat dat die ouder een verblijfsrecht kan ontlenen aan het verblijfsrecht van het kind. Het enkele feit dat de ouder, waarvoor de contra-indicatie geldt, minder geneigd zal zijn om aan zijn/haar vertrekplicht te voldoen als het kind in kwestie een verblijfsvergunning heeft gekregen, kan geen reden zijn om dat kind een vergunning te onthouden. Het onsuccesvolle uitzettingsbeleid kan naar mijn opvatting geen rechtvaardiging vormen voor het verschil in behandeling die het gevolg is van die toerekening.

Ten slotte is de vraag aan de orde wanneer het risico dat de ouder, waarvoor de contra-indicatie geldt, op grond van artikel 8 EVRM een verblijfsrecht kan ontlenen aan het verblijfsrecht van het kind, nog daadwerkelijk bestaat. ... Het toerekenen van het contra-indicatief handelen van een ouder aan het kind om te voorkomen dat de ouder een afgeleid verblijfsrecht krijgt, voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste als het risico op toekenning van dat verblijfsrecht daadwerkelijk reëel aanwezig is. Is dat niet meer het geval, omdat de ouders inmiddels zijn overleden, de kinderen geen jongvolwassenen zijn waarvan wordt aangenomen dat zij met hun ouders gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM hebben, of meerderjarig zijn, dan kan dit middel niet worden toegepast. In dat geval moet vanwege het vereiste van noodzakelijkheid een voor het kind minder ingrijpend middel worden toegepast waarbij de vergunning alleen ten aanzien van de ouder waarvoor de contra-indicatie geldt, wordt geweigerd. Dat die weigering van de vergunning vanwege toekenning van de vergunning aan het kind moeilijker geëffectueerd kan worden, doet daaraan niet af....

In het Unierecht ziet men twee benaderingen van het concept ‘openbare orde’. Een strikte benadering, waarbij een vreemdeling pas een gevaar voor de openbare orde is als hij een ‘werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging’ van de samenleving is, waarbij de aard en ernst van het strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen ervan in de beoordeling moeten worden betrokken. En, een minder strikte benadering, waarin voor toepassing van het concept de eis van een ‘werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging’ niet geldt, maar wel moet worden voldaan aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is een zeer ernstig strafbaar feit nodig voor uitsluiting van een vreemdeling... Ook zou gekozen kunnen worden voor een tussenweg. Volgens die tussenweg is aan de ene kant de aard en ernst van het strafbaar feit van belang en aan de andere kant het tijdverloop sinds het plegen van het feit, alsmede het gedrag van betrokkene gedurende die tijd. ...Volgens mij zijn deze drie benaderingen alle verdedigbaar, waarbij ik een lichte voorkeur heb voor de tussenweg. Ik laat de keuze verder aan de Afdeling.

Ten slotte past een korte opmerking over 1(F)-ers. Momenteel wordt aan de contra-indicatie ‘gevaar voor de openbare orde’ van de Afsluitingsregeling in elk geval voldaan, als de IND de vreemdeling bij beschikking artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen. In het algemeen lijkt mij deze regel zeker verdedigbaar. Wel wijs ik erop dat de Afdeling, onder druk van de rechtspraak van het Hof van Justitie, haar opstelling ten aanzien van 1(F)-ers de laatste jaren iets heeft versoepeld. Enigszins kort door de bocht komt die versoepeling erop neer dat de 1(F)-er in verband met de opheffing van een inreisverbod aannemelijk kan maken dat hij niet langer een actuele bedreiging voor de samenleving vormt, waarbij zijn gedrag en het tijdverloop een rol spelen. Daarbij is van belang of de 1(F)-er verantwoordelijkheidsbesef en oprecht berouw heeft getoond en zijn leven aantoonbaar en duurzaam heeft gebeterd. Bovendien speelt de ernst van de verweten 1(F)-misdrijven een rol. Deze rechtspraak lijkt mutatis mutandis ook relevant voor de Afsluitingsregeling. Als de omstandigheden zodanig zijn dat de opheffing van het inreisverbod gerechtvaardigd is, zijn diezelfde omstandigheden ook voldoende om de contra-indicatie niet langer te laten gelden.

RvS 202006602/2/V2 en 202006606/2/V2, 18.5.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1440

Rb: uitstel van vertrek voor Marokkaan met HIV

De vreemdeling stelt door zijn hiv-besmetting niet terug te kunnen keren naar Marokko. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat Marokko voor de vreemdeling een veilig land van herkomst is.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het USDOS-rapport van 11 maart 2020 volgt niet dat de vreemdeling, vanwege zijn hiv-besmetting, zal worden aangemerkt als LHBTI, voor wie Marokko geen veilig land van herkomst is. Daarnaast blijkt hieruit dat er een Nationaal Strategisch Plan is opgezet om discriminatie aan te pakken.

In een aanvullend besluit is aan de vreemdeling uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verleend, omdat het verstrekken van de HIV-remmers een medische behandeling van blijvende aard is.

Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten.
Rb Rotterdam NL21.3996, 16.11.21
ECLI:NL:RBDHA:2021:12620

RvS: inkomensvereiste voor arbeid als zelfstandige

De SvJ&V heeft de aanvraag van de vreemdeling, die strekt tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor 'arbeid als zelfstandige', afgewezen omdat hij niet voldoet aan het middelenvereiste.

De Afdeling volgt de vreemdeling in haar betoog dat in het Vb geen onderscheid wordt gemaakt tussen situaties waarin de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en situaties waarin dat niet het geval is. De wetgever heeft daarmee de uit het arrest Chakroun volgende rechtsregel dat het bestuursorgaan bij een beoordeling van het middelenvereiste altijd een individuele afweging moet maken, omgezet in nationale wet- en regelgeving zonder dat deze rechtsregel in die regelgeving is beperkt tot gevallen van gezinshereniging of gezinsvorming.

De rb heeft ten onrechte overwogen dat de IND het gemiddelde inkomen per boekjaar betrekt bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn en dus niet tussen meerdere boekjaren middelt. De vreemdeling voert terecht aan dat de Afdeling heeft overwogen dat voor het bepalen van het gemiddelde inkomen in de relevante periode van anderhalf jaar de aanvrager niet zou mogen middelen tussen boekjaren. De rb heeft de SvJ&V op deze punten dus ten onrechte gevolgd.
Hoger beroep vreemdeling kennelijk gegrond; vernietigt VK Den Haag 8 januari 2021, 20/1799; beroep gegrond.

ABRvS, 202101023/1/V1, 25.4.22
ECLI:NL:RVS:2022:1185

HvJ EU: geen inkomensvereiste Chavez; en geen samenwoningsverplichting partners/ ouders

Het Hof verklaart voor recht:
1. Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat een verzoek om gezinshereniging, wanneer het wordt ingediend ten gunste van een derdelander die een gezinslid is van een Unieburger die de nationaliteit van deze lidstaat bezit en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, afwijst op de enkele grond dat deze Unieburger voor zichzelf en dit gezinslid niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het nationale socialebijstandsstelsel, zonder dat is onderzocht of tussen deze Unieburger en dit gezinslid een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht aan dit gezinslid, deze Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie in zijn geheel te verlaten en aldus het effectieve genot zou verliezen van de belangrijkste rechten die hij aan zijn status van Unieburger ontleent.

2. Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd, ten eerste, dat er van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van dit artikel, niet reeds sprake is op de enkele grond dat de onderdaan van een lidstaat, die meerderjarig is en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, en zijn echtgenoot, die meerderjarig en derdelander is, gehouden zijn om samen te leven krachtens de verplichtingen die uit het huwelijk voortvloeien overeenkomstig het recht van de lidstaat waarvan de Unieburger onderdaan is en waar het huwelijk is gesloten en, ten tweede, dat wanneer de Unieburger minderjarig is, de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van dit artikel, aan de ouder van dit kind, die derdelander is, moet worden gebaseerd op de inaanmerkingneming, in het belang van het kind, van alle betrokken omstandigheden. Wanneer deze ouder duurzaam samenwoont met de andere ouder, die Unieburger is, van deze minderjarige, wordt een dergelijke afhankelijkheidsverhouding op weerlegbare wijze vermoed.

3. Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van dit artikel aan een minderjarig kind, dat onderdaan van een derde land is, van de echtgenoot, die zelf onderdaan van een derde land is, van een Unieburger die nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, wanneer uit de verbintenis tussen deze Unieburger en zijn echtgenoot een kind is geboren dat Unieburger is en nooit gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, en dit kind verplicht zou zijn om het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten indien het minderjarige kind, dat onderdaan van een derde land is, werd gedwongen om het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten.

HvJ EU C-451/19 and C-532/19, 5.5.22
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-451/19

IB 2022/23 - Duurzame relaties bij EU-aanvragen: 6mnd samenwoning niet vereist

EU-burgers en hun familieleden hebben, bij voldoen aan de voorwaarden op grond van Richtlijn 2004/38, rechtmatig verblijf in Nederland. Naast familieleden kunnen ook derdelands partners begunstigden zijn van de verblijfsrichtlijn. De voorwaarde is in dat geval dat er sprake is van een ‘deugdelijk bewezen duurzame relatie’.

De huidige definitie van een ‘deugdelijk bewezen duurzame relatie’ is volgens de Vc:
• voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EUrecht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden; of
• gezamenlijk een kind hebben.
In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.”

Recentelijk is er een nota geaccordeerd door de SvJ&V om de interpretatie zoals nu opgenomen in de Vc te wijzigen, zodat meer maatwerk mogelijk is als er nog geen sprake is van zes maanden samenwoning. Geldigheid: 1 maart 2022 t/m 1 september 2022

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1286944_1/1/

SvJ&V: beleid Witrusland

Op basis van de informatie in het ambtsbericht geeft de situatie van oppositieleden, politieke activisten, journalisten en mensenrechtenactivisten die significante kritiek uiten op de autoriteiten aanleiding tot zorgen. Zij worden aangewezen als risicogroep. Dit betekent dat zij met geringe individuele indicaties aannemelijk kunnen maken dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat.

Voor transpersonen geldt dat zij in het dagelijks leven te maken krijgen met ernstige vormen van discriminatie en agressie. Daarnaast is sprake van institutionele marginalisering. Ook zij worden aangemerkt als risicogroep.

Uit het ambtsbericht blijkt dat het overheidsbeleid in Belarus gericht is op opvang bij familieleden of andere gezinnen in huis. Daarnaast bestaat er opvang waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Er is echter geen onafhankelijk toezicht op de leefomstandigheden en er zijn signalen dat kinderen uit sociaal zwakkere families in opvangtehuizen minder goed eten en onderwijs krijgen. Ik heb daarom besloten dat de opvang door de autoriteiten niet als toereikend wordt beschouwd. Dit betekent dat in algemene zin niet wordt aangenomen dat adequate opvang beschikbaar is, tenzij in individuele gevallen uit nader onderzoek anders blijkt.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/05/12/tk-landenbeleid-belarus/tk-landenbeleid-belarus.pdf, 12.5.22

Rb: herbeoordeling Tunesië als veilig land van herkomst nodig

De vreemdelingen, een man en vrouw uit Tunesië, hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat de familie van de vrouw hen niet toestond om met elkaar te trouwen. Deze aanvragen zijn afgewezen. De staatssecretaris acht de verklaringen geloofwaardig. Echter, in de besluiten wordt Tunesië aangemerkt als veilig land van herkomst.

De rechtbank overweegt als volgt. De situatie in Tunesië is veranderd sinds het voornemen, waardoor herbeoordelingen als veilig land van herkomst hebben plaatsgevonden, en de vreemdelingen hebben met stukken aangevoerd dat de situatie ook na de herbeoordeling is veranderd. Dit wordt niet anders door het betoog van de staatssecretaris dat hij niet verplicht is een nieuw voornemen uit te brengen gelet op de uitspraak van Rechtbank Haarlem van 29 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:8324) en art. 39 Vw. Het is zijn verantwoordelijkheid om zorgvuldig opnieuw op asielaanvragen te beslissen en te bezien of hij een nieuw voornemen moet uitbrengen. Dit is niet enkel het geval bij een andere afwijzingsgrond.

Omdat de vreemdelingen hun argumenten pas in beroep konden inbrengen, kon de staatssecretaris hier in het asielbesluit niet meer op reageren. De vreemdelingen zijn hiermee in hun belangen geschaad. Beroep gegrond.

Rb Rotterdam NL22.5588 en NL22.5592, 25.4.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3928

Pagina's