Nieuws

CRvB: geen bijstand in beroepsfase na intrekken status met terugwerkende kracht

Het rechtmatig verblijf van verzoekster is geëindigd door de intrekking van haar verblijfsvergunning bij besluit van 26 juli 2019.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van verzoekster met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van de IND vernietigd en de IND opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 18 december 2019. Door deze uitspraak heeft verzoekster opnieuw rechtmatig verblijf. ...

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor bijstand, omdat de verblijfsvergunning die zij had al was ingetrokken voordat zij deze aanvraag deed.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit naar verwachting met een aanvullende motivering in hoger beroep kunnen standhouden zodat de uitkomst van de aangevallen uitspraak in stand zal kunnen blijven. Voorlopige voorziening afgewezen.

CRvB 21/1727 PW-VV, 9.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2282

European Commission : effective complaints mechanisms for undocumented workers

In a recent communication on the Employers' Sanctions Directive, the European Commission has set out recommendations to governments and EU actions to improve implementation of the Directive, including access to information, justice and remuneration, and temporary residence permits for undocumented workers. Crucially, the Commission recognises that undocumented workers are deterred from filing complaints due to risks of immigration enforcement, including during inspections. It acknowledges the calls for 'firewalls' which would guarantee that irregular migrants detected during inspections would not be referred to immigration authorities for return procedure. Furthermore, the Commission calls for governments to establish safe reporting policies to ensure that irregular migrant workers can report employers in violation and engage with law enforcement without facing immigration consequences, and to improve accessibility of complaint mechanisms to encourage irregular migrants to lodge complaints.

COM(2021) 592 final, 29.9.21
https://ec.europa.eu/home-affairs/minimum-standards-sanctions-and-measures-against-employers-illegally-staying-third-country_en

Rb: zwaar detentieregime moet kunnen leiden tot vrijlating

Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie garandeert het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en vereist daarmee een effectief rechtsmiddel. De rechtbank concludeert dan ook dat de huidige rechtspraktijk niet verenigbaar is met het Unierecht. De Beklagcommissie en de RSJ doen hier niet aan af omdat zij niet bevoegd zijn om bij het vaststellen van gebreken over te gaan tot beëindiging van de detentie.

De rechtbank zal een beroepsgrond die ziet op het detentieregime en/of de wijze van tenuitvoerlegging hiervan, indien de beroepsgrond is te kwalificeren als “arguable claim”, inhoudelijk beoordelen. Waarna eventueel kan worden overgegaan tot beëindiging van de maatregel.

In de huidige zaak klaagt de vreemdeling dat hij onrechtmatig in afzondering is geplaatst onder cameratoezicht. Deze gebeurtenissen dateren echter van voor de periode van bewaring die nu wordt getoetst, waardoor de rechtbank deze niet inhoudelijk kan beoordelen.

Rb den Bosch NL21.14832, 28.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10658

Rb: opheffing inreisverbod Afghaanse 1F’er, uitgezet in 2012

Eiser is op 22 oktober 2012 naar Afghanistan uitgezet. Hij heeft op 12 juli 2019 voor de tweede keer verzocht om opheffing van het inreisverbod. De afwijzing van dit verzoek beoordeelt de rechtbank in deze procedure.

Verweerder heeft ten onrechte het tijdsverloop sinds het vermeende plegen van de misdrijven (en het gedrag van eiser na het plegen van de misdrijf niet bij de beoordeling betrokken.....

Weliswaar heeft verweerder benoemd dat eiser inmiddels 73 jaar oud is en zijn laatste levensfase graag met zijn gezin wil doorbrengen, maar daaruit blijkt niet hoe verweerder deze omstandigheden in samenhang met de overige omstandigheden heeft gewogen. Verweerder heeft het feit dat de misdrijven waar eiser mede verantwoordelijk voor is gehouden, lange tijd geleden zijn gepleegd, namelijk in de periode van 1982 – 1989, niet kenbaar in de weging betrokken, en evenmin dat eiser zich sinds zijn aankomst in Nederland in 1994 tot aan zijn vertrek op 22 oktober 2012 goed heeft gedragen. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat eiser tijdens zijn verblijf een houding heeft aangenomen die mogelijk aanleiding geeft tot de conclusie dat eiser nog immer een actuele bedreiging vormt. Ook is niet kenbaar betrokken dat eisers familieleden inmiddels allen de Nederlandse nationaliteit hebben en in Nederland en Duitsland woonachtig zijn en dat het inreisverbod bijna ten einde loopt.

Verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat zowel afzonderlijk als ook in onderlinge samenhang bezien geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat het in stand laten van het inreisverbod in het geval van eiser niet onevenredig is.

Rb Haarlem AWB 20/127, 12.10.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11202

SvJ&V: aantal inreisverboden; en garantstelling bij visumverlening

In de jaren 2017 t/m 2021 zijn respectievelijk 286, 562, 1.026, 1.700 en 1.239 inreisverboden opgelegd door de Koninklijke Marechaussee. De inreisverboden zijn vanwege verschillende redenen opgelegd, bijvoorbeeld overstay (niet tijdig vertrekken) of illegale inreis. Tot en met 2018 moest het inreisverbod in persoon worden uitgereikt aan de vreemdeling. Vanaf 2019 kon het inreisverbod ook worden nagestuurd. Dit verklaart de stijging in aantallen. De IND en Politie kunnen ook inreisverboden verstrekken. Deze zijn echter in de aantallen niet te onderscheiden van inreisverboden die om andere redenen verstrekt zijn....

Het kan van aanvragers worden verlangd dat zij een bewijs van garantstelling overleggen om te verifiëren of aan de voorwaarden van een visumaanvraag wordt voldaan. Er is op dit moment geen zicht op hoe vaak het voorkomt dat de Staat en/of openbare lichamen aanspraak hebben gemaakt op de garantstelling. De effectuering van de garantstelling verloopt via een civielrechtelijke procedure. Dit maakt het een arbeidsintensieve en dure procedure. Reden voor de IND om tot op heden nog niet hiertoe over te gaan. Momenteel wordt uitgezocht of andere betrokkenen zoals de DT&V, COA, ziekenhuizen of gemeenten wel ooit via deze weg kosten hebben verhaald op de garantsteller.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/10/12/antwoorden-kamervragen-over-visa-voor-kort-verblijf/antwoorden-kamervragen-over-visa-voor-kort-verblijf.pdf, 12.10.21

VN Gehandicapten: onvoldoende psychische zorg in Afghanistan

The author claims that, by deporting him to Afghanistan, the State party would violate his rights under articles 10 and 15 of the Convention, as his removal would lead to a grave risk of suicide and to other risks to his life and health. He claims that he has been diagnosed with long-term mental illnesses, and that the lack of proper medical treatment for his condition in Afghanistan would expose him to a serious, rapid and irreversible decline in his state of health resulting in intense suffering or to a significant reduction in life expectancy.....

The Committee observes that the migration authorities held that the medical care necessary to prevent the author from suffering a violation of his rights under article 15 would be available to him upon return to Afghanistan. The basis for this assessment were reports on the general situation of access to health care in Afghanistan, which, however, reveal the limited availability of psychiatric care and access to medication. Additional reliable sources of information on the situation of health care in Afghanistan consulted by the Committee report a lack of trained professionals (psychiatrists, social workers and psychologists), infrastructure and awareness about mental health issues with very limited resources covering a population of more than 30 million people. The Committee notes that the domestic authorities have, to a large extent, acknowledged these deficiencies, which casts serious doubts on the availability of the health care needed by the author in order to prevent violations of his rights under article 15. Under these circumstances, the State party’s authorities were under an obligation to consider the extent to which the author will actually have access to the required care in Afghanistan and, if serious doubts persist, to obtain individual and sufficient assurances from that State.

The Committee considers that the State party’s assertion that the author’s expulsion will be enforced in such a manner so as to minimize his suffering cannot suffice in this regard. Therefore, the Committee is of the view that individual assurances would have been particularly important in the circumstances of the present case given that the author left Afghanistan at a very young age 13 years ago, and reports indicate that returnees may face particular challenges in accessing health-care services. In such circumstances, the Committee considers that there remain serious doubts as to whether the author would indeed have access to adequate medical treatment to prevent a violation of his rights under article 15 of the Convention in Afghanistan.

It is therefore unable to conclude that the domestic authorities’ assessment has not been arbitrary as regards the existence of a real risk of irreparable harm for the author in his country of origin. In the light of the above considerations, the Committee is of the view that the author’s removal to Afghanistan would, if implemented, violate his rights under article 15 of the Convention

VN Convention on the Rights of Persons with Disabilities, CRPD/C/25/D/58/2019, 11.10.21
https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/15/treatybodyexternal/Download.asp...

VN: belang van het kind leidend bij leeftijdsonderzoek

De zaak betreft een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn en in detentie is gezet. Op basis van een medisch onderzoek is hij meerjarig verklaard. Hiervan is geen bewijs in zijn dossier opgenomen. Vervolgens is er een uitzettingsbevel tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn leeftijd geen rekening is gehouden met het belang van het kind, gezien het soort medische test dat is gebruikt en het feit dat er geen voogd of vertegenwoordiger is aangewezen om hem bij te staan.

Het Comité merkt op dat de vaststelling van de leeftijd van een jongere die beweert minderjarig te zijn, van fundamenteel belang is, aangezien de uitkomst bepaalt of deze persoon als kind recht zal hebben op nationale bescherming dan wel daarvan zal worden uitgesloten. Daarom is het noodzakelijk dat er een behoorlijke procedure bestaat om de leeftijd van een persoon vast te stellen, alsmede de mogelijkheid om de uitkomst via een beroepsprocedure aan te vechten. Zolang die procedure loopt, moet de vreemdeling het voordeel van de twijfel krijgen en als een kind worden behandeld. Het belang van het kind moet tijdens het gehele proces van leeftijdsbepaling voorop staan. Ook moet een dergelijk onderzoek verricht worden door gespecialiseerde kinderartsen en moet het worden uitgevoerd op een snelle, kindvriendelijke, genderbewuste en cultureel passende wijze.

In het onderhavige geval is er voldoende bewijs dat erop wijst dat het leeftijdsonderzoek (röntgenfoto van polsgewricht) niet nauwkeurig is verricht en dat het onderzoek een grote foutmarge heeft. Het mag daarom niet als enige methode worden gebruikt voor het vaststellen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn en documenten overlegt die deze bewering ondersteunen. Ook heeft de vreemdeling geen toegang gekregen tot de medische rapporten en hij heeft geen voogd toegewezen gekregen die hem tijdens de procedure begeleidde. Het belang van het kind is niet de eerste overweging is geweest bij het vaststellen van zijn leeftijd, hetgeen in strijd is met de artikelen 3 en 12 IVRK. 

VN-Kinderrechtencomité, CR/C/86/D/63/2018, 24.2.21
https://undocs.org/CRC/C/86/D/63/2018

RvS : Sri Lankaanse Aava bende ontmanteld, geen individueel risico meer

De staatssecretaris heeft in zijn besluit deugdelijk gemotiveerd dat de Sri Lankaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden en optreden tegen de leden van de Aava bende. ...De staatssecretaris heeft erop gewezen dat in het rapport van de UK Home Office van mei 2020 staat dat de politie de leider en meerdere leden van de Aava bende heeft opgepakt. Ook heeft hij erop gewezen dat in het Country Report van Sri Lanka van juli 2020 staat dat de politie ook lagere leden van de Aava bende heeft opgepakt. Verder staat in dat rapport dat de politie speciale operaties heeft opgezet om de Aava bende te bestrijden. Ten slotte heeft de staatssecretaris bij zijn besluit betrokken dat in een bericht van nieuwskanaal Ada Derana van 3 oktober 2018 staat dat de politie actief optreedt tegen bendegeweld en dat in een artikel van de Tamil Guardian van 9 april 2020 staat dat de politie leden van de Aava bende heeft gearresteerd. De rechtbank heeft met haar oordeel ten onrechte de informatie uit het rapport van de UK Home Office van mei 2020, het Country Report van Sri Lanka van juli 2020 en de nieuwsberichten die de staatssecretaris bij zijn beoordeling heeft betrokken, buiten beschouwing gelaten en niet onderkend dat uit die informatie volgt dat de Sri Lankaanse autoriteiten ook optreden tegen leden van de Aava bende....

De staatssecretaris heeft zich verder in het besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit de stukken die de vreemdeling heeft overgelegd niet valt af te leiden dat de Aava bende banden heeft met de autoriteiten. De staatssecretaris heeft bij zijn beoordeling recentere documenten betrokken dan de vreemdeling. Uit deze meer recente bronnen valt af te leiden dat de autoriteiten bescherming bieden en optreden tegen leden van de Aava bende. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het niet zonder meer aannemelijk is dat de geloofwaardig geachte problemen van de vreemdeling in de categorie zaken vallen die de Sri Lankaanse autoriteiten oppakken, omdat de Aava bende mogelijkerwijs banden heeft met de Sri Lankaanse autoriteiten.

De grief slaagt.
RvS 202103152/1/V1, 12.10.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2261

Rb: geen beëdigde vertaling documenten vereist

De vreemdeling heeft WhatsAppberichten overlegd waarvan de staatssecretaris ter zitting erkent dat deze mogelijk wel steun bieden aan het asielrelaas. Dit is niet vermeld in het aanvullend besluit.

De vreemdeling heeft de berichten kosteloos laten vertalen door AVB vertalingen. Dit betreft niet een beëdigde vertaling. De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie 2020/5 volgt dat gezien het belang van stukken de vertaling in principe door een beëdigd vertaler moet worden geleverd, maar dat dit geen wettelijk vereiste is. Uit de officiële voorlichtingsfolder die asielzoekers krijgen blijkt ook niet dat dit een beëdigde vertaling moet zijn. De staatssecretaris heeft dit ook niet van de vreemdeling gevraagd.

Rb Arnhem, NL21.7306, 19.10.21

RvS: mogelijk dat Eritreeër uit 2002 geen geboorteakte of andere identiteitsdocumenten heeft

De SvJ&V heeft de asielaanvraag afgewezen omdat hij de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet geloofwaardig vindt. De rb ging hierin mee, onder meer omdat de vreemdeling niet heeft uitgelegd waarom hij geen geboorteakte, mobiliteitskaart en schoolpas heeft overgelegd.

De SvJ&V heeft ten onrechte gesteld dat niet valt in te zien waarom de vreemdeling geen identificerende documenten heeft overgelegd. Zo heeft de vreemdeling er terecht op gewezen dat uit het algemeen ambtsbericht Eritrea uit 2018 blijkt dat geboorteakten ten tijde van zijn geboorte in 2002 alleen werden verstrekt in stedelijke gebieden, terwijl de SvJ&V niet heeft gesteld of onderbouwd dat de vreemdeling uit zo'n stedelijk gebied komt. Hier komt in hoger beroep bij dat in het algemeen ambtsbericht Eritrea uit 2020 staat dat niet alle kinderen in Eritrea bij hun geboorte worden geregistreerd. De rb heeft ook onvoldoende onderbouwd waarom de SvJ&V niet ten onrechte van de vreemdeling heeft verlangd dat hij een schoolpas zou overleggen. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat hij zijn schoolpas is kwijtgeraakt en dat hij dat ook in het eerste gehoor heeft verklaard, maar dat de SvJ&V hier niet op is ingegaan. Verder is het onduidelijk waar de rb op doelt met de door haar genoemde mobiliteitskaart. In geen van de door de SvJ&V aangehaalde ambtsberichten wordt dat als een in Eritrea voorkomend document genoemd.

Hoger beroep vreemdeling kennelijk gegrond; vernietigt Rb Rotterdam NL19.7929, 18.11.20; beroep gegrond.
RvS 202006647/1, 22.9.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:2108

Pagina's