Nieuws

RvS: intrekking verblijfsvergunning terecht want uitgeschreven uit GBA

Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft de staatssecretaris de verblijfsvergunning regulier van de vreemdeling ingetrokken omdat de vreemdeling eerder langer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven. Hij heeft dit besluit per post naar het laatst bekende adres van de vreemdeling verzonden maar daarna per post weer retour ontvangen. De vreemdeling is op 22 januari 2021 in persoon geïnformeerd over het besluit tot intrekking. Deze zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris het besluit tot intrekking op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Daarmee hangt samen de vraag of de vreemdeling al dan niet rechtmatig in Nederland verbleef toen hij in bewaring werd gesteld.

De staatssecretaris heeft het besluit tot intrekking per post verstuurd naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. Uitreiking in persoon was niet mogelijk omdat niet bekend was waar de vreemdeling op dat moment verbleef. De vreemdeling is op 18 april 2019 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen en hij heeft zich daarna niet meer ingeschreven. Dat de staatssecretaris volgens de rechtbank uit de uitschrijving en de retourzending heeft kunnen afleiden dat de vreemdeling niet meer op het bewuste adres verbleef of bereikbaar was, leidt niet tot het oordeel dat de staatssecretaris het besluit tot intrekking niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2401). De staatssecretaris voert verder terecht aan dat de vreemdeling op grond van artikel 4.37, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 gehouden was om de staatssecretaris op de hoogte te stellen van zijn nieuwe adres. Nu de vreemdeling niet aan deze verplichting heeft voldaan, komen de gevolgen van de door hem gestelde omstandigheid dat hij pas op 22 januari 2021 kennis heeft genomen van het besluit tot intrekking voor zijn rekening (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:744).

Dit betekent dat de vreemdeling op 15 februari 2021 geen rechtmatig verblijf had en mocht dus in bewaring gesteld worden.

RvS 202101535/1/V3, 30.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:936

tegen: Rb Utrecht NL21.2474, 2.3.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:2761

RvS: geen uitzetting naar Libië mogelijk

De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in zijn geval zicht op uitzetting niet ontbreekt, omdat de staatssecretaris bij de eerdere besluiten op zijn asielaanvraag is uitgegaan van zijn Libische nationaliteit.

Tussen partijen is niet in geschil dat gedwongen terugkeer naar Libië niet mogelijk is. Verder blijkt dat de staatssecretaris voor de vreemdeling een aanvraag voor afgifte van een laissez-passer bij de Libische autoriteiten heeft ingediend. De staatssecretaris heeft niet aangegeven dat hij zich mede richt op uitzetting naar een ander land dan Libië.

Hieruit volgt dat de uitzettingshandelingen van de staatssecretaris uitsluitend op Libië zijn gericht. Nu de onmogelijkheid van een gedwongen terugkeer naar dit land vaststaat, kan vaststelling van de nationaliteit van de vreemdeling in elk geval geen uitzetting naar Libië bewerkstelligen. Daarom heeft de rechtbank op de grond dat de nationaliteit van de vreemdeling niet is vastgesteld, ten onrechte geoordeeld dat zicht op uitzetting van de vreemdeling naar Libië niet ontbreekt. De inbewaringstelling van de vreemdeling is dus onrechtmatig.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
RvS 202102020/1/V3, 22.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:873

Rb: vergunning mensenhandel kan ingetrokken met terugwerkende kracht, voor voortgezet verblijf kan ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ vereist worden

De bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken vindt haar grondslag in artikel 19 gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3399. De rechtbank overweegt dat de intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb niet in strijd is met verweerders beleid in paragraaf B8/3.2. van de Vc. Daarin is namelijk niet bepaald dat een dergelijke verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.

De intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres stelt, evenmin in strijd met Richtlijn 2004/81/EG. Deze richtlijn, die dus in artikel 3.48, eerste lid, van het Vb is geïmplementeerd, voorziet in een verblijfstitel voor vreemdelingen die slachtoffer zijn van mensenhandel, zolang zij medewerking verlenen aan de autoriteiten bij de bestrijding van mensenhandel. Deze richtlijn voorziet niet in een verblijfstitel voor vreemdelingen van wie er geen medewerking (meer) is of van wie de autoriteiten de medewerking niet (meer) nodig vinden. Dit vindt zijn neerslag in onder meer artikel 14, aanhef en onder e, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de verblijfsvergunning te allen tijde kan worden ingetrokken indien de voorwaarden voor afgifte niet langer vervuld zijn, meer in het bijzonder wanneer de bevoegde autoriteiten besluiten de procedure stop te zetten. De richtlijn bevat geen bepaling die in de weg staat aan het intrekken van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot het moment waarop niet meer aan de voorwaarden werd voldaan.

De intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres stelt, evenmin in strijd met Richtlijn 2011/36/EU. Deze richtlijn voorziet immers niet in een verblijfstitel voor vreemdelingen die slachtoffer zijn van mensenhandel.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder bevoegd is eiseres’ verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken....

De rechtbank overweegt dat het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van voormelde bepalingen niet in strijd is met verweerders beleid in paragraaf B8/3.1. van de Vc. Weliswaar wordt in paragraaf B8/3.1 van de Vc niet de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ gesteld als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3:48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb – een aangifte (en daaruit volgend vermoedelijk slachtofferschap) is daartoe voldoende – maar die paragraaf ziet op een verblijfsvergunning die om een geheel andere reden wordt verleend (namelijk: met het oog op medewerking bij de bestrijding van mensenhandel) dan de verblijfsvergunning die wordt verleend op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb in samenhang bezien met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het VV en paragraaf B9/12 van de Vc (namelijk: ter bescherming van de vreemdeling). Dat er in deze paragrafen van de Vc verschillende voorwaarden staan, maakt deze paragrafen dan ook niet tegenstrijdig. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat artikel 3.51, derde lid, van het Vb verweerder beslissingsruimte biedt, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort en dat het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor voormelde verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf niet onredelijk is.

Het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van voormelde bepalingen is evenmin in strijd met Richtlijn 2004/81/EG. Nog daargelaten dat de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ ook in deze richtlijn besloten ligt – in artikel 3 van de richtlijn staat immers dat de richtlijn van toepassing is op vreemdelingen die “slachtoffer zijn” van mensenhandel – voorziet deze richtlijn, zoals reeds onder 5.5.3. is overwogen, niet in een verblijfstitel voor de vreemdeling van wie er geen medewerking (meer) is of (meer) nodig is bij de bestrijding van mensenhandel. Artikel 3.51, derde lid, van het Vb in verbinding met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het VV en paragraaf B9/12 van de Vc, voor zover hiervoor aangehaald, voorziet daarentegen júíst in een verblijfsrecht voor de vreemdeling van wie er geen medewerking (meer nodig) is.

Rb Rotterdam AWB 20/1945, 28.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:4297

Rb: 8EVRM-afweging nodig bij aanvraag verblijf bij lesbische partner in NL ondanks huwelijk in Iran

De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij biseksueel is en dat er als gevolg daarvan een arrestatiebevel voor haar uitstaat in Iran. De staatssecretaris heeft haar biseksuele geaardheid geloofwaardig geacht, maar acht de ondervonden problemen ongeloofwaardig. Daar is de rechtbank het mee eens.

De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het niet in aanmerking brengen van de vreemdeling voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van familieleven niet strijdig is met artikel 8 van het EVRM. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de vreemdeling in Nederland een relatie met een vrouw heeft gekregen, die ter zitting heeft aangegeven een duurzame en exclusieve relatie met de vreemdeling te hebben. De vreemdeling beoogt haar huwelijk met een man in Iran uitsluitend op afstand voort te zetten. Ook is de staatssecretaris er niet van op de hoogte of de man een verblijfsstatus in Nederland heeft.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem, NL20.21573, 14.4.21

RvS: betere afweging nodig over voldoen aan inkomensvereiste

De rechtbank had in deze zaak geoordeeld dat onzeker was of de vrouw aan het norminkomen zou voldoen. Ze had tussen 2013 en 2016 aanvullende bijstand gehad. Haar huidige inkomen lag onder het norminkomen. De aanvulling vanwege heffingskorting, waardoor alsnog aan de norm voldaan zou zijn, was volgens de rechtbank niet bewezen. Volgens de rechtbank had de Staatssecretaris voldoende een individuele afweging gemaakt.

In het hogerberoepsschrift betoogde de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in dit geval niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling oordeelt dat in die belangenafweging een aantal elementen niet kenbaar door de staatssecretaris zijn meegewogen. Het gaat dan om de door de vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheid dat hij weliswaar met referent getrouwd is terwijl hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning in Nederland, maar wel zijn aanvraag vanuit zijn land van herkomst heeft ingediend en afgewacht. Maar ook dat referent samenwoont met haar zieke, minderjarige zoon, dat referent heeft gesteld dat zij rondkomt van haar inkomen en het verschil tussen het normbedrag en de middelen van bestaan waarover referent beschikt. Daarom is de vraag niet beantwoord of het in het licht van de relevante gegevens en belangen van het individuele geval, in hun onderlinge samenhang bezien, evenredig is dat de staatssecretaris het belang bij het economisch welzijn van Nederland zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van het gezinsleven met referent in Nederland.

De grieven slagen.
Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202005437/1/V2, 28.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:927
tegen Rb den Haag AWB - 20 _ 333, 7.9.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8733

Rb: huiselijk geweld Iran kan vluchtgrond zijn, geen bescherming door overheid

De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij door haar echtgenoot werd mishandeld en verkracht, zij een buitenechtelijke relatie had en hiervan problemen heeft ondervonden, .... De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen.

De staatssecretaris heeft niet ongeloofwaardig kunnen achten dat de vreemdeling een buitenechtelijke relatie had. De staatssecretaris heeft niet kunnen tegenwerpen dat de vreemdeling niet kan vertellen hoe vaak ze bij hem thuis is geweest aangezien ze meer dan een jaar een relatie hebben gehad. De verschillende verklaringen over de foto’s en filmpjes acht de rechtbank niet tegenstrijdig. De ongeloofwaardigheid van de buitenechtelijke relatie is onvoldoende gemotiveerd.

De staatssecretaris heeft ook niet in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat de vreemdeling als afvallige van de islam is aan te merken. Zonder nadere toelichting van de staatssecretaris valt niet in te zien waarom iemand die nooit in de islam heeft geloofd, niet op een latere leeftijd nog een aversie tegen de islam kan ontwikkelen. Dit geldt des te meer omdat de staatssecretaris wel geloofwaardig acht dat de vreemdeling onder het mom van de regels van de islam is verkracht en mishandeld en zich onderdrukt heeft gevoeld door de regels die aan vrouwen voorschrijven om zich op een bepaalde manier te gedragen.

Uit de algemene ambtsberichten over Iran blijkt dat onder meer seksueel geweld binnen het huwelijk niet strafbaar is en dat er ook geen wet is die huiselijk geweld verbiedt. Met de enkele stelling dat aangifte tegen huiselijk geweld in Iran mogelijk is, is onvoldoende gemotiveerd dat er door de autoriteiten in Iran in het algemeen bescherming wordt geboden tegen huiselijk geweld. 

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL21.4245, 23.4.21

SvJ&V: beoordeling bij veilig land van herkomst

Aanvragen van asielzoekers uit veilige landen van herkomst worden afgehandeld in een verkorte procedure, spoor 2. Nav de RvS-uitspraak dient de motivering van de plaatsing op de lijst te worden aangevuld. Lopende procedures worden zoveel mogelijk afgerond. Of dat mogelijk is, beziet de IND per zaak. Nieuwe instroom uit veilige landen van herkomst wordt in beginsel ingedeeld in spoor 2. In voorkomende gevallen valt enige vertraging in de besluitvorming niet uit te sluiten, aangezien de behandeling van de aanvraag mogelijk moet wachten totdat de herbeoordeling van het betreffende land is afgerond. Het streven is echter die vertraging zo kort mogelijk te houden.

Voor zaken die in beroep lopen, geldt dat deze worden doorgezet voor zover de aanwijzing als veilig land geen onderwerp van geschil is. Indien dat wel zo is, dan beziet de IND per zaak welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden.

Ten aanzien van Marokko, Algerije, Tunesië en Georgië wordt de rechtbank zo nodig verzocht om gelegenheid te bieden het gebrek in de herbeoordeling op korte termijn te repareren. Voor andere veilige landen van herkomst, waarvoor de aanwijzing als veilig land van herkomst bepalend is voor de motivering van het afwijzend asielbesluit en het motiveringsgebrek niet in beroep kan worden hersteld, zal de IND de asielaanvraag opnieuw moeten beoordelen.

Voor eventuele opvolgende asielaanvragen van vreemdelingen uit veilige landen van herkomst, die zich op de Afdelingsuitspraak beroepen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten of omstandigheden. De vreemdeling moet onderbouwen waarom de uitspraak in zijn geval moet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure. Wanneer een onderbouwd beroep op de uitspraak wordt gedaan, beziet de IND per aanvraag of het mogelijk is een beslissing te nemen of dat verdere behandeling moet worden aangehouden totdat de herbeoordeling van het betreffende land is afgerond.

Het is van belang om op te merken dat asielzoekers de aanwijzing van hun land van herkomst als een veilig land altijd al konden aanvechten. Ook konden zij al argumenten aanvoeren om aannemelijk te maken dat het land in hun specifieke geval niet veilig is.

Georgië, Marokko en Tunesië zijn inmiddels herbeoordeeld. De landen worden als veilig beoordeeld, met de volgende kanttekeningen:

  • Georgië: met uitzondering van de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan en met verhoogde aandacht voor de mogelijkheid dat het anders kan zijn voor LHBTI’s.
  • Marokko: met uitzondering van (online) journalisten en (mensenrechten)activisten, die kritiek uitoefenen op de Islam, het koningshuis en/of de Marokkaanse regering, onder meer vanwege het officiële standpunt van de regering betreffende de Westelijke Sahara. Hieronder vallen ook de Hirak Rif-activisten en journalisten die verslag deden over de situatie in het Rifgebergte en de demonstraties aldaar. Daarnaast met uitzondering van LHBTI’s en met verhoogde aandacht als het gaat om personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging.
  • Tunesië: met uitzondering van LHBTI’s en personen die aannemelijk kunnen maken dat ze een zogenoemde S17-maatregel op hun naam hebben staan.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/04/28/antwoorden-kamervragen-over-de-kwalificatie-veilig-land-in-asielzaken/antwoorden-kamervragen-over-de-kwalificatie-veilig-land-in-asielzaken.pdf, 28.4.21

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2021/05/06/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-georgie-marokko-en-tunesie/tk-herbeoordeling-veilige-landen-van-herkomst-georgie-marokko-en-tunesie.pdf, 6.5.21

IND: helft asielverzoeken in 2020 is ingewilligd

In 2020 werden 13.670 eerste asielaanvragen ingediend en werd op 17.350 eerste asielaanvragen besloten. Het percentage inwilligingen was 49% - in 2019 25% en in 2018 21%.

https://ind.nl/Documents/Tabel%20NL%202020.pdf

Rb: geen Dublinoverdracht Polen voor lesbische vrouw

De staatssecretaris heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is. Polen heeft het overnameverzoek aanvaard.  (...)

De rechtbank volgt de vreemdeling in haar standpunt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen minstens ernstig onder druk staat. Deze vaststelling brengt echter niet met zich dat alleen hierom al geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming van de asielprocedure dat gevreesd moet worden dat eiseres een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling of dat overdracht aan Polen anderszins uitgesloten moet worden geacht. Gelet op Afdelingsuitspraak ECLI:NL:RVS:2019:282, naar aanleiding van het L.M.-arrest (ECLI:EU:2018:586) kan in het vreemdelingenrecht alleen in het geval van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken volgt dat er grote zorgen zijn over de vraag of de universele mensenrechten van leden van de LHBTI-gemeenschap in Polen nog wel worden gerespecteerd. Deze grote zorgen maken dat er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat de vreemdeling vanwege haar seksuele geaardheid en het gegeven dat haar seksuele geaardheid de inhoud is van haar asielrelaas, een reëel gevaar loopt dat haar grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico zal lopen op schending van artikel 4 EU-Handvest en artikel 3 EVRM. Het persoonlijk relaas van eiseres biedt bovendien aanknopingspunten voor de juistheid van deze stelling. De staatssecretaris heeft dit onvoldoende onderkend.

Beroep gegrond.
Rb Groningen, NL21.1431, 28.4.21

RvS: erkenning kinderen uit bigame relatie wel mogelijk, ook naturalisatie

A. heeft zijn kinderen bij aktes van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats], erkend. De rb heeft terecht vastgesteld dat een bigaam huwelijk niet als nietigheidsgrond voor de erkenning geldt.

Anders dan de MvBZ betoogt, leidt de prejudiciële beslissing van de HR van 19 mei 2017, JV 2017/162 niet tot een ander oordeel. In die beslissing was sprake van een situatie waarbij het tweede huwelijk niet meer polygaam was omdat het eerste huwelijk inmiddels was ontbonden. De HR heeft geoordeeld dat die ontbinding niet meebrengt dat een voor de ontbinding uit het tweede huwelijk geboren kind o.g.v. art. 3 lid 1 RWN Nederlander wordt. Vervolgens heeft de HR erop gewezen dat het kind o.g.v. art. 4 RWN wel Nederlander kan worden als de inmiddels niet meer polygaam gehuwde vader het kind erkent. De HR heeft daarmee geen oordeel gegeven over de vraag of een erkenning door een nog wel bigaam gehuwde vader niet mogelijk en daarmee nietig is. Gelet op het voorgaande leidt strijd met de openbare orde niet tot nietigheid van een erkenning.

De rb heeft daarom terecht geoordeeld dat de erkenningen rechtsgeldig zijn en dat de kinderen daarmee het Nederlanderschap hebben verkregen. Dat betekent dat de minister de paspoortaanvragen ten onrechte niet in behandeling heeft genomen.
Hoger beroep MvBZ ongegrond; bevestigt rb Zeeland-West-Brabant 4 februari 2020

ABRvS, 202001793/1/A3, 7.4.21
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:721

Pagina's