Nieuws

RvS: toegewezen vovo in hoger beroepszaak LVV Rotterdam, aangespannen door Minister

De rechtbank heeft het beroep van de LVV-bewoner gegrond verklaard, en bepaald dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen….

Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. Dat betekent dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.

Tegen Rb Rotterdam 25/17183, 24.4.26
RvS 202601574/2/V1, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3468

Idem tegen Rb Rotterdam 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031, 24.4.26
RvS 202601581/2/V1, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3470

Idem tegen Rb Rotterdam 25/17059, 25/18643 en 25/17085, 24.4.26
BRS.26.002547, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3439

Wijziging Rva (opvang asielzoekers) nav Pact

Nieuw is dat tijdens de vovo-procedure in beroep geen recht op opvang bestaat:

‘In onderdeel a is opgenomen dat de vreemdeling wiens eerste asielverzoek is afgewezen, en voor wie derhalve geen aanspraak op opvangvoorzieningen meer ontstaat, toch tot de opvang van het COA kan worden toegelaten indien hij tegen het besluit beroep instelt en tevens verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de uitspraak in beroep in Nederland mag afwachten, nadat de voorlopige voorziening is toegewezen. Indien de voorzieningenrechter het verzoek toewijst en de vreemdeling de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten, ontstaat, voor de duur van het beroep, een recht op opvang. Het recht op opvang ontstaat echter eerst nadat de voorzieningenrechter het verzoek heeft toegewezen. Het enkele verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening doet derhalve nog geen recht op opvang ontstaan. Immers, de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking blijven van kracht en op de vreemdeling blijft de rechtsplicht rusten Nederland te verlaten. Slechts de uitzetting van de betreffende vreemdeling wordt tijdelijk, dat wil zeggen voor de duur van de behandeling van het verzoekschrift, opgeschort. Eerst na de toegewezen voorlopige voorziening ontstaat, ingevolge artikel 8, onder h van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf in Nederland. In deze situatie kan de vreemdeling, voor de duur van de behandeling van het beroep, aanspraak maken op opvangvoorzieningen.’

Regeling nummer 7645707, 4.6.26 in Staatscourant 2026, 20853, 10.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20853.html

 

Rb: uitzetting Somalie mogelijk

De minister heeft ook ter zitting toegelicht dat er sindsdien is gewerkt aan de betrekkingen met de Somalische autoriteiten, in partnerschap met Bureau Internationale Migratie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze inspanningen hebben ertoe geleid dat er in augustus 2025 één lp is afgegeven en in 2026 tot nu toe drie lp’s zijn afgegeven. Deze lp’s hebben allemaal tot uitzetting naar Somalië geleid. De minister heeft ter zitting toegelicht dat dit ging om uitzetting vanuit strafdetentie en dat het ging om niet meewerkende personen. Verder heeft de minister toegelicht dat er een praktisch probleem bestond bij de uitzetting naar Somalië, omdat de Koninklijke marechaussee (Kmar) die moet escorteren niet wil meereizen tot aan Mogadishu. Er is daarom een oplossing gerealiseerd dat de Kmar een escorte verzorgt tot aan Nairobi (Kenia) en dat de reis van Nairobi naar Mogadishu vervolgens wordt overgenomen door Jubba Airways. Als iemand wordt geweigerd in Mogadishu, dan staat Jubba Airways ervoor in dat de persoon terugkeert naar Nairobi en dan is er een ticket geregeld zodat de persoon kan terugkeren naar Nederland. Gelet op het beschreven proces en de vier recente succesvolle uitzettingen van niet meewerkende vreemdelingen naar Somalië, is de rechtbank van oordeel dat in zijn algemeenheid het zicht op uitzetting naar Somalië niet ontbreekt. Gelet op de weergegeven toelichting is ook verdedigbaar dat niet eerder is gewerkt aan de terugkeer van eiser, aangezien het om recente ontwikkelingen gaat.

In eisers situatie heeft de minister toegelicht dat eiser in juli 2026 in persoon gepresenteerd zal worden. De uitkomst van die presentatie zal worden doorgestuurd naar de Somalische autoriteiten waarna eventueel een nationaliteitsbevestiging zal volgen. Daarna zal de Dienst Terugkeer en Vertrek verzoeken om afgifte van een lp bij de ambassade in Brussel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ook in eisers geval niet ontbreekt.

Het beroep is ongegrond.
Rb Zwolle NL26.27807, 2.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1480

DT&V: Wet Terugkeer en Vreemdelingenbewaring

Volgens de nieuwe wet kunnen mensen als zij niet meewerken onder dwang naar een vertrekgesprek worden gebracht of naar een ambassade voor een gesprek om een vervangend reisdocument te verkrijgen. Als een vreemdeling vervolgens blijft tegenwerken kan hij of zij worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van maximaal 5.500 euro. Ook wordt in de nieuwe wet geregeld dat iemand 9 uur in plaats van 6 uur kan worden opgehouden, waardoor de politie en Koninklijke Marechaussee meer tijd hebben om een bewaringsmaatregel voor te bereiden. Verder kan straks steviger worden opgetreden tegen vreemdelingen die met crimineel gedrag zorgen voor ernstige overlast.

NB: de wet moet nog door de EK goedgekeurd worden.
https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/actueel/nieuws/2026/06/18/nieuwe-regels-voor-asiel-en-terugkeer

Rb: opheffen inreisverbod Turkse 1F-er na 10jr buiten NL en geen strafblad

Eiser is van Turkse nationaliteit. Hij heeft in 2001 een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag is afgewezen op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden zijn terroristische activiteiten in Turkije door de militaire vleugel van Dev Sol waarvan eiser drie jaren deel heeft uitgemaakt.

Eiser is op in 2006 vrijwillig met de Internationale Organisatie voor Migratie (lOM) naar Turkije teruggereisd. In de IOM verklaring verklaart eiser dat hij zijn verzoek om toelating als vluchteling en/of verlening van de vergunning tot verblijf intrekt….

De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De verwijzing van de minister naar het feit dat eiser geen spijt of berouw heeft getoond vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat eiser nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele waarden. Het had op de weg van de minister gelegen om eiser hierover te horen, zodat eiser dit had kunnen toelichten. Uit de beoordeling blijkt evenmin hoe het tijdsverloop sinds de 1F-gedragingen is betrokken en op welke wijze de minister heeft onderzocht wat eiser sinds zijn vertrek uit Nederland in 2006 heeft gedaan. Dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in rechte vaststaat, en dat het hierbij gaat om ernstige misdrijven waarvoor eiser geen spijt of berouw heeft getoond is daartoe onvoldoende.

In het besluit is onvoldoende gemotiveerd dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Rb Utrecht NL25.30705, 2.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15396

WI 2026/18: artikel 64 Vw

De WI staat allereest stil bij de inhoud van artikel 64 Vw. Vervolgens wordt ingegaan op de rol van Bureau Medisch Advisering (BMA). Daarnaast wordt de toets aan artikel 64 Vw en de feitelijke toegankelijkheid van de zorg uitgelegd. Verder wordt ingegaan op de verlening en afwijzing van een artikel 64 Vw aanvraag. De rechtsmiddelen tegen een afwijzing van een artikel 64 Vw worden kort aangestipt. Tot slot worden enkele bijzondere procedures toegelicht.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1416830_1/1/, 16.6.26

Rb: beoordelen art-9 document voor Mar moeder NLs kind met status in Spanje

Het Hof heeft in het arrest Safi verduidelijkt dat uit het Unierecht volgt dat verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een document waarmee het afgeleid verblijfsrecht kan worden aangetoond, niet kan afwijzen zonder nader onderzoek te verrichten. De rechtbank overweegt dat verweerder in de gelegenheid moet worden gesteld om nader onderzoek te verrichten om zo allereerst zelf te kunnen beoordelen of alsnog tot verlening van het gevraagde document dan wel verblijfsrecht moet worden overgegaan. ….

De rechtbank verzoekt partijen elkaar en de rechtbank op de hoogte te houden van de voortgang van het onderzoek en de inspanningen die zij leveren om aan deze tussenuitspraak te voldoen en van de resultaten van deze inspanningen.

De rechtbank heeft met partijen besproken dat de verdere voortgang van de procedure en met name de beoordeling of de voorzetting van het onderzoek ter zitting aangewezen is, in overleg met partijen zal plaatsvinden.

Rb Roermond NL22.11571 T, 17.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16288

Rb: beoordeling banden gezin zonder vergunning, inwonend bij familie

Eiser heeft in de periode 1992 tot 2005 en van 2012 tot 2019 zonder verblijfsrecht in Nederland verbleven. Van 2005 tot 2012 heeft eiser in België verbleven. Op 31 september 2003 is eiser religieus gehuwd met eiseres. Eiseres verblijft sinds 2003 zonder geldige verblijfstitel onafgebroken in Nederland. Tijdens dit verblijf zijn [eiser 2] en [eiseres 2], een tweeling, en [eiseres 3] geboren. Gedurende deze periode hebben eisers altijd ingewoond bij de broer van eiser en diens echtgenote. Ten tijde van de aanvraag waren de kinderen minderjarig. [eiser 2] en [eiseres 2] waren destijds veertien jaar oud. [eiseres 3] was op dat moment tien jaar oud….

Het beroep is gegrond, omdat de minister geen familieleven heeft aangenomen tussen eisers, tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en tussen de kinderen en hun oom en tante in de zin van artikel 8 van het EVRM. ….

Uit het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat de kinderen gebaat zijn bij continuïteit van hun opvoeding en dat scheiding van hun significante opvoeders, hun oom en tante, gepaard gaat met een verhoogd risico op zowel angstklachten als depressieve gevoelens. Een veilige en zekere basis is van groot belang voor de identiteitsontwikkelingen van de kinderen. Om de continuïteit in de opvoedingsontwikkeling te waarborgen, is het in het belang van de kinderen om hen met hun vader te herenigingen zodat zij met hem kunnen opgroeien in een voor hen vertrouwde Nederlandse omgeving. Bij gedwongen vertrek naar Egypte verwachten de onderzoekers dat de ontwikkeling van de kinderen, bij wie al sprake is van problemen in de ontwikkeling, bij vertrek ernstig wordt bedreigd. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat de kinderen in Nederland zijn geboren en geworteld in de Nederlandse samenleving. …Naar het oordeel van de rechtbank onderstreept dit rapport het standpunt van eisers dat de kinderen sterk geworteld zijn in Nederland.

Door onvoldoende kenbaar de belangen van de kinderen mee te wegen en het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen onvoldoende gemotiveerd te bestrijden, heeft de minister ook niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 januari 2021….

Om de gebreken te herstellen, moet de minister een nieuw besluit nemen waarin in ieder geval de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • het familieleven tussen eisers, eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en tussen de kinderen en hun oom en tante.
  • de banden van eisers met Nederland en hun banden met Egypte.
  • de belangen van de kinderen waarbij als uitgangspunt dient te worden genomen dat de kinderen minderjarig waren ten tijde van de aanvraag.

Verder zal de minister zowel eiseres en de kinderen als eiser (op afstand) opnieuw moeten horen.
Rb Amsterdam NL24.33637 en NL24.33638, 10.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15595

RvS: mogelijk risico terugkeer Somalier zonder netwerk

Betrokkene heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat hij opvalt wegens zijn uiterlijk en dialect, omdat hij is geboren in Saoedi-Arabië en daar jaren heeft verbleven. Ook heeft hij erop gewezen dat hij wegens het ontbreken van sociale banden in Mogadishu gevaar loopt als hij zich daar vestigt. Hij wijst op het algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023, waaruit blijkt dat de veiligheid om zich in een ander gebied te vestigen voornamelijk samenhangt met de individuele omstandigheden en het sociale netwerk van de desbetreffende persoon. De minister is hier in zijn besluitvorming ten onrechte niet op ingegaan. De minister moet dit motiveringsgebrek in het nieuw te nemen besluit herstellen. Daarbij moet de minister rekening houden met de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu.

Het hoger beroep tegen Rb Zwolle NL24.12, 26.7.24 is ongegrond.
RvS 202405326/1/V1, 9.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:3303

IB 2026/17: Consulaire verklaringen Ambassade Somalië

Hoewel normaliter kan worden uitgegaan van documenten van de ambassade van het land van herkomst aangaande de nationaliteit/het staatsburgerschap danwel de geboorteplaats van een vreemdeling, geldt dit niet zonder meer voor documenten van de Somalische ambassade. Daarvoor geldt dat als de vreemdeling verder geen andere ondersteunende verklaringen of documenten heeft, de gestelde nationaliteit danwel de gestelde geboorteplaats/herkomst alsnog ongeloofwaardig kan worden bevonden. Indien (een van) deze documenten is ingediend bij een herhaalde asielaanvraag waar de eerdere aanvraag is afgedaan op ongeloofwaardige nationaliteit/herkomst, al dan niet op basis van een taalanalyse, leidt het overleggen van enkel deze documenten niet tot een ander oordeel dan bij de vorige aanvraag.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1416386_1/1/, 15.6.26

Pagina's