bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft uitgelegd of en waarom de opgelegde maatregel in dit geval nodig is. De minister heeft namelijk niet uitgelegd waarom niet aan eiseres’ vertrek kan worden gewerkt, terwijl zij bij INLIA verblijft. Ook heeft de minister niet gesteld dat daadwerkelijk wordt gevreesd dat eiseres zal onderduiken. Daarbij is van belang dat eiseres ruim 77 jaar oud is, voor diverse fysieke aandoeningen een medische specialistische behandeling ondergaat en sinds 2015 feitelijk al wordt verzorgd door INLIA. Eiseres heeft daar haar (zorg)netwerk. Uit de recente valpartijen van eiseres, zoals benoemd in het vertrekgesprek en op de zitting, blijkt bovendien dat zij fragiel en kwetsbaar is. De rechtbank is van oordeel dat gezien de specifieke situatie van eiseres van de minister mag worden verwacht dat hij uitlegt waarom in dit geval en op dit moment de noodzaak bestaat om eiseres te onderwerpen aan verzwaard toezicht in de vorm van de vrijheidsbeperkende maatregel.
De minister heeft geen andere redenen gegeven voor het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel dan de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en het niet tijdig maken van een afspraak bij het IOM. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk is.
Het beroep is gegrond.
Rb Groningen NL26.42456, 24.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23947
De voorzieningenrechter stelt vast dat op de door DT&V ambtshalve ingevulde lp-aanvraag de volledige naam van verzoeker, zijn geboortedatum en zijn geslacht worden vermeld. Ook wordt op het formulier vermeld dat verzoeker gehuwd is en worden de naam van zijn echtgenote en de naam van zijn kind genoemd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de verstrekking van deze gegevens voor verzoeker een schadelijke strekking kunnen hebben. Verzoeker heeft tijdens het vertrekgesprek van verklaard dat wanneer er contact wordt opgenomen met de Pakistaanse autoriteiten, zij zijn familieleden kunnen traceren en zijn familie daardoor gevaar zal lopen. Daarnaast heeft hij gewezen op het algemeen ambtsbericht van 2024 over Pakistan, waarin staat dat naaste familieleden van (vermeende) Baloch separatisten het slachtoffer kunnen worden van arrestatie of gedwongen verdwijning en dat familiehuizen in het midden van de nacht worden binnengevallen of in brand worden gestoken als vorm van collectieve bestraffing voor (vermeend) separatisme. Verzoeker heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij toen hij in 2022 naar Pakistan op vakantie ging door de Pakistaanse autoriteiten is ondervraagd. Daarbij zijn vragen gesteld over welke familieleden er in Pakistan wonen en wat hij in de Verenigde Arabische Emiraten doet. Verzoeker heeft in dit gehoor ook verklaard dat hij in Pakistan door twee personen in een auto is geduwd en vervolgens is bedreigd en mishandeld. Voorts heeft verzoeker verklaard dat zijn ouders bij een inval zijn geslagen en mishandeld en dat zijn familie is bedreigd. In 2023 is er volgens verzoeker ook een inval geweest waarbij twee broers van zijn vrouw zijn meegenomen en pas later weer zijn vrijgelaten.
Gelet op de door verzoeker gestelde problemen met de Pakistaanse autoriteiten en de door verzoeker gestelde vrees van hemzelf en zijn familieleden voor de Pakistaanse autoriteiten, kan in dit stadium van de asielprocedure niet worden uitgesloten dat de verstrekking van de persoonsgegevens van verzoeker aan die autoriteiten een schadelijke strekking hebben voor verzoeker en/of zijn in Pakistan bevindende familieleden. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het belang van verzoeker bij het verbieden van het indienen van de lp-aanvraag in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de minister bij een doeltreffend en voortvarend verwijderings- en terugkeerbeleid.
De voorzieningenrechter verbiedt de minister een lp-aanvraag in te dienen bij de Pakistaanse autoriteiten totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
Rb Amsterdam NL25.64233, 19.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23403
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden volstaan met een lichter middel. Het feit dat eiser nu heeft voldaan aan de meldplicht heeft de minister in het geheel niet betrokken. Toen eiser zich meldde op het politiebureau heeft hij meteen verklaard dat hij een partner in Nederland heeft met wie hij samenwoont. Hij heeft haar personalia en hun woonadres genoemd. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat hij mee wil werken aan zijn vertrek en dat zijn partner garant staat. Eiser heeft een paspoort aangevraagd teneinde terug te keren naar Suriname in afwachting van de mvv-procedure. Een kopie van deze aanvraag bevindt zich in het dossier. …
Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL26.45610, 14.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23093
De minister heeft zich in het besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een vertrekplicht op betrokkene rust en dit in het nadeel van betrokkene meegewogen in de belangenafweging. Gelet op het arrest Tadmur moet de minister in de belangenafweging juist betrekken dat op betrokkene geen vertrekplicht rust, vanwege zijn refoulementsrisico. Ook heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet af te wijken van zijn beleid, nu hij deze bevoegdheid wel heeft betrokken bij de besluitvorming. De grief faalt.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister niet hoeft te motiveren hoe lang de situatie van de uitgestelde verwijdering van betrokkene kan voortduren, voordat deze onverenigbaar wordt met het Unierecht. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de minister bij het nemen van het nieuwe besluit niet kan weten hoe lang het refoulementrisico in het land van herkomst nog actueel zal zijn, omdat dit afhankelijk is van onzekere toekomstige ontwikkelingen in dat land. Daarnaast is van belang dat de minister niet op voorhand kan motiveren wanneer het gedrag van betrokkene geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging meer vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het toekomstige gedrag van betrokkene is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waar de minister niet op vooruit kan lopen. Of hieruit nog steeds een bedreiging volgt, kan de minister daarom pas op het moment van het indienen van een nieuwe aanvraag door betrokkene beoordelen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Deze grief slaagt.
Het hoger beroep van de minister is gegrond. ... Dit betekent dat de minister in het nieuwe besluit deugdelijk moet motiveren waarom de intrekking van de asielvergunning ondanks het ontbreken van de vertrekplicht evenredig is, maar dat hij niet hoeft te motiveren hoe lang de situatie van de uitgestelde verwijdering van betrokkene kan voortduren.
RvS BRS.26.002696, 21.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4895
Deze zaak betreft een Burundese moeder met Britse kinderen. De vader verblijft in Engeland.
Verweerder heeft het privéleven van de kinderen inhoudelijk getoetst. Hierin heeft verweerder meegewogen dat zij in Nederland zijn geboren, inmiddels zeven en negen jaar oud zijn, zij hier naar school gaan en banden hebben opgebouwd. Daar zet verweerder tegenover dat de banden van de kinderen in en met Nederland zijn opgebouwd doordat eiseres hier kinderen heeft gekregen nadat voor haar duidelijk was dat haar verblijf hier niet langer toegestaan was. Eiseres is ook afhankelijk van een eventueel verblijfsrecht van de kinderen voor verblijf hier, terwijl de keuze om naar Nederland te komen onder de verantwoordelijkheid van eiseres valt. Dat de kinderen in de tussentijd banden met Nederland hebben opgebouwd komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Daar komt bij dat de kinderen nog jong zijn, zij banden hebben met Engeland vanwege hun Britse nationaliteit en het nog regelmatige contact met hun vader, en er geen sprake is van een objectieve belemmering voor de kinderen om in Engeland of Burundi te wonen. Van een subjectieve belemmering is evenmin gebleken en het feit dat algemene omstandigheden in Burundi anders zijn dan in Nederland is onvoldoende reden om hen alsnog een verblijfsrecht toe te kennen….
Overwogen is dat eiseres zelf als minderjarige naar Nederland is gekomen, zij tussentijds niet aantoonbaar buiten Nederland is geweest, zij vrijwilligerswerk heeft verricht en in de jaren dat zij hier is geweest een sociaal netwerk op heeft gebouwd. Desalniettemin heeft eiseres er zelf voor gekozen om haar banden met Nederland te intensiveren terwijl zij wist zij hier niet langer mocht verblijven en heeft zij niet meegewerkt aan een vrijwillige terugkeer. Haar sociale banden met Nederland zijn daarbij, ondanks haar vrijwilligerswerk, beperkt. Bovendien betreft het – vanwege het gebrek aan eerder rechtmatig verblijf – een eerste toelating, dus is haar uitgangspositie minder sterk. Verder wordt eiseres tegengeworpen dat zij geen geldig paspoort heeft, er geen sprake is van een objectieve belemmering om in Burundi haar privéleven uit te oefenen en dat niet is gebleken dat zij geen familie of netwerk in Burundi meer heeft. Daarbij heeft verweerder haar ook tegengeworpen dat niet is gebleken dat zij zich niet zonder netwerk in Burundi zou kunnen vestigen. Tenslotte spreekt eiseres zowel de Nederlandse als Burundese taal, is er onvoldoende grond om een subjectieve belemmering aan te nemen en tellen de jaren dat zij in Nederland heeft verbleven niet zonder meer in haar voordeel nu zij haar formatieve jaren in Burundi heeft doorgebracht.
Rb den Haag NL25.43879, NL25.43880 en NL24.41636, 21.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22557
Eiser heeft op 11 mei 2023 een aanvraag ingediend om als economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelander in Nederland te verblijven.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser niet voldoet aan het vereiste om duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan…..
Hoewel de rechtbank, net als verweerder, van oordeel is dat de door eiser overgelegde stukken best wat vragen oproepen, neemt dit niet weg dat eiser ten tijde van het bestreden besluit – en ook al ten tijde van de aanvraag - voldoende saldo op zijn bankrekening had staan om een jaar van te leven zonder een beroep te hoeven doen op sociale voorzieningen. De stelling van verweerder dat niet aan het duurzaamheidsvereiste wordt voldaan omdat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn uitgavenpatroon en het dus niet kan worden uitgesloten dat het saldo op eisers bankrekening te weinig is om een jaar op bijstandsniveau van te leven, volgt de rechtbank niet. ...
De stelling van verweerder dat ook niet aan het duurzaamheidsvereiste wordt voldaan omdat er vlak voor de verblijfsaanvraag hoge stortingen zijn gedaan en het er dus op lijkt dat dit alleen is gedaan om aan het middelenvereiste te voldoen, volgt de rechtbank evenmin. …. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een persoon op wiens naam een bankrekening is gesteld in beginsel de beschikking heeft over het bedrag dat op die rekening staat. De stelling van verweerder dat het banksaldo (deels) is opgebouwd met leningen, doet aan het voorgaande niet af. Uit het arrest Oti volgt dat ook inkomsten die door een derde ter beschikking worden gesteld kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of aan het middelenvereiste is voldaan. Verder volgt uit dit arrest dat een vreemdeling niet kan worden verplicht om aan te tonen dat hij definitief en onbeperkt over middelen, zoals een ter beschikking gestelde lening, kan beschikken alsof het een eigen inkomen of vermogen betreft en dat het enkele feit dat na het verblijf een terugbetalingsverplichting geldt ten aanzien van bepaalde middelen niet van invloed is op de vraag of de vreemdeling gedurende het voorgenomen verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat over voldoende middelen zal beschikken. Leningen kunnen dus in beginsel worden meegenomen bij het bepalen van het vermogen van de langdurig ingezeten derdelander en de rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat eiser geen informatie heeft verschaft over de leningen die hij is aangegaan, geen aanleiding om in eisers geval tot een ander oordeel te komen. …
Verweerder heeft daarom de aanvraag van eiser om als economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelander in Nederland te verblijven ten onrechte op die gronden afgewezen.
Rb Rotterdam NL24.42224, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23569
De minister heeft er terecht op gewezen dat referent een fulltime baan heeft, waarmee hij ten minste het wettelijk minimumloon verdient. Met zijn loon onderhoudt hij zichzelf en ondersteunt betrokkene gedeeltelijk financieel. Betrokkene heeft verklaard dat het niet nodig is dat zij referent financieel ondersteunt als zij zou werken. De minister heeft zich op basis van deze feiten en omstandigheden deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet. ….
De minister heeft zich dus deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat referent geen familie- en gezinsleven heeft met betrokkene op grond van het jongvolwassenenbeleid.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL23.40747, 20.5.25 is gegrond.
RvS BRS.25.000711, 17.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4768
Alleen indien het (overgrote deel van het) gezin direct voor de komst naar Nederland tenminste een jaar in de andere lidstaat heeft gewoond, wordt behoudens bijzonderheden, aangenomen dat het gezin zich in de andere EU-lidstaat kan vestigen. Onder deze omstandigheden is in beginsel geen strijd met het recht op familie- en gezinsleven. Het gezin kent die andere EU-lidstaat door dat eerdere langdurige feitelijke verblijf immers goed en heeft eerder laten zien dat hun gezinsleven daar kan worden uitgeoefend alsmede dat de belangen van de kinderen of het kind door een verplaatsing naar die andere EU lidstaat niet worden geschaad.
Mogelijk, maar niet altijd, is in geval van een voorafgaand verblijf van tenminste een jaar in een andere EU lidstaat, waarbij gezinsleven aldaar is opgebouwd of bestendigd, ook een verblijfsrecht op grond van vrij verkeer (artikel 21 VWEU) ontstaan. Een dergelijk verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU gaat altijd voor op een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU.
Nu eiser het certificaat van de Djamaat heeft overgelegd, daarin wordt bevestigd dat hij tot de Ahmadi geloofsgemeenschap behoort en TOELT het certificaat heeft geverifieerd, is de rechtbank van oordeel dat (het geloofwaardig is dat) eiser tot de Ahmadi gemeenschap behoort. Hetgeen verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken over het kennisniveau van eiser en over wat hij al dan niet heeft meegemaakt in Pakistan – wat er ook van die motivering zij – hoort thuis in de beantwoording van de vraag hoe eiser zijn geloof wenst te uiten en belijden bij terugkeer naar Pakistan en wat hem dan te wachten zou staan. Dat onderdeel van de motivering doet echter niet af aan de geloofwaardigheid van het behoren tot de Ahmadi geloofsgemeenschap, wat immers is aangetoond met het certificaat.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser opnieuw zal moeten beoordelen en er daarbij vanuit moet gaan dat eiser Ahmadi is.
Rb den Haag NL26.6231 en NL26.6232, 8.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22126
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat, ondanks dat hij aanneemt dat (gedwongen) rekrutering voor het federale leger dan wel milities die vechten aan de zijde van dit leger tegen rebellerende groepen in de regio’s Amhara en Oromia wel degelijk plaatsvindt, eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt in dit verband. …. Eiser heeft immers verklaard dat van bevelen die persoonlijk worden uitgedeeld of anderszins persoonsgerichte rekrutering geen sprake is, maar dat sprake is van bevelen afkomstig van de provincie om in bepaalde wijken (willekeurig) bepaalde aantallen jongeren op te pakken. Over de wijze waarop volgens eiser (gedwongen) wordt gerekruteerd, heeft de minister zich niet expliciet uitgelaten. Eiser heeft ook verklaard dat zijn broer tegen zijn wil in is gerekruteerd en dat een aantal jongeren uit de buurt in dat verband thuis en op straat is opgepakt. Niet is gebleken dat de minister niet van die verklaringen van eiser uitgaat.
Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende motiveert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt om bij terugkeer gedwongen te worden gerekruteerd voor het federale leger of milities die aan de zijde van het federale leger vechten. De besluitvorming kent op dit punt dan ook een gebrek.
Rb Arnhem NL25.48443, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22633