Nieuws

Rb: terugmelding schijnerkenning door IND onjuiste procedure

Onbetwist is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot op heden geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de (terug)melding van de minister op grond van artikel 2.34 van de BRP. De erkenning is nog altijd rechtsgeldig het kind is nog altijd als Nederlander geregistreerd in de BRP. …

Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van het kind, waardoor hij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze heeft verkregen, is het aan de minister om de daartoe aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat het kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit is een procedure op grond van de RWN. …

De minister kan niet zelf een verzoek om vernietiging van een erkenning doen als bedoeld in artikel 1:205, tweede lid van de BW. Zo een verzoek is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of het kind daardoor het Nederlanderschap is verloren.

Zolang die aangewezen weg door de minister niet is gevolgd, dient de minister uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind zoals geregistreerd in de BRP.

De rechtbank hecht er tot slot nog belang aan te benadrukken dat het wettelijk systeem zoals hierboven is beschreven juist bedoeld is om de vaststelling van een schijnerkenning met voldoende waarborgen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, te omkleden. Anders zou een enkel oordeel van de minister dat er sprake is van een schijnerkenning, zonder dat de Nederlandse burger zich daartegen kan verweren, voldoende zijn om in deze procedure vast te stellen dat niet meer hoeft te worden uitgegaan van het Nederlanderschap van het betrokken kind.

Rb Amsterdam NL25.49441, 12.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22675

WI 2026/27 Afgifte van arbeidsmarktaantekening bij verblijf langer dan drie maanden

Met deze werkinstructie wordt duidelijkheid verschaft in welke gevallen een bepaalde arbeidsmarkt-aantekening aangetekend moet worden op de sticker ‘Verblijfsaantekening Algemeen’. Deze sticker houdt verband met de aanvraag om verlening of verlenging van de verblijfsvergunning dan wel met de aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning eerder was verleend. Daarom zijn in deze instructie ook de arbeidsmarktaantekeningen opgenomen zoals die op de verblijfsdocumenten staan.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1420705_1/1/, 6.8.26

Rb: vrijlating want wil terugkeren met IOM

De rechtbank kan verweerder volgen voor zover hij erop wijst dat eiser eerder te kennen heeft gegeven dat hij niet mee wil werken aan terugkeer naar Armenië. Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank echter thans ten onrechte op het standpunt dat geen lichter middel kon worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit het dossier en ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels inziet dat hij moet terugkeren naar Armenië. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de dag voor de zitting met een medewerker van de IOM heeft gesproken en zijn handtekening heeft gezet om terug te keren met hulp van de IOM. Zijn familie zal op de dag van de zitting ook met de IOM spreken en ervoor tekenen om samen met eiser terug te keren naar Armenië. Eiser wil zich daarom bij zijn familie voegen en samen terugkeren. …

Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond.

Rb Rotterdam NL26.42855, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21758

Rb: onterecht grensdetentie Russische LHBTI asielzoeker, status verleend

Eiser heeft de Russische nationaliteit en heeft op Schiphol een asielaanvraag ingediend.

Aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Na het gehoor is de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven, is aan hem toegang tot het Nederlands grondgebied verleend en is de asielaanvraag van eiser ingewilligd….

De rechtbank heeft het beroep van eiser op zitting behandeld. …. Volgens zittingsplaats Amsterdam in haar uitspraken van 17 juli 2026 trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Deze rechtbank onderschrijft de overwegingen van zittingsplaats Amsterdam. Onderhavige zaak is een voorbeeld van een situatie waarin de behandeling van de asielaanvraag zich evident niet leent voor de grensprocedure…..

De rechtbank verricht, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure een zogenoemde ‘pre-toets’ en de uitkomst hiervan leidt tot de conclusie dat de grensdetentiemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De asielaanvraag van eiser leent zich evident niet voor de behandeling in de asielgrensprocedure. De opgelegde maatregel kan daarmee niet strekken tot het gestelde doel van de maatregel en is reeds hierdoor onrechtmatig. ….

Het karakter van vrijheidsontneming verdraagt zich niet met het verbieden van een pre-toets in een procedure als de onderhavige. … Al het handelen van verweerder, en zeker als dit handelen de vrijheidsontneming van een asielzoeker tot gevolg heeft, moet immers door de rechter kunnen worden gecontroleerd en in een zodanige fase van de procedure dat deze controle ook effectief is in die zin dat een onrechtmatige situatie onverwijld kan worden beëindigd door de rechter.

Het is evident in strijd met het Unierecht om aan een asielzoeker een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen uitsluitend vanwege de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Dit betekent ook dat het standaardmatig in de asielgrensprocedure behandelen van asielaanvragen die aan de buitengrens worden ingediend, behoudens de resultaten van een te beperkt onderzoek naar de kwetsbaarheid, en het bij wijze van automatisme in grensdetentie nemen van iedere asielzoeker die aan de buitengrens een verzoek indient behoudens dat zelfde te beperkte onderzoek naar de kwetsbaarheden, niet verenigbaar is met het Unierecht.

Rb Roermond NL26.39342, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21600

Rb: bij grensdetentie krijg je alleen automatisch een advocaat als je asiel vraagt

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een vreemdeling aan wie aan de grens de toegang wordt geweigerd en aan wie een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, in het geval dat de vreemdeling geen asiel aanvraagt, niet automatisch aan een advocaat wordt gekoppeld. De vreemdeling wordt met een informatiefolder op de mogelijkheid gewezen om zelf een advocaat in te schakelen.

De rechtbank stelt vast dat deze informatiefolder in de Engelse taal, een taal die eiser machtig is, aan eiser is uitgereikt. Het is aan eiser, indien gewenst, om zelf op zoek te gaan naar een rechtsbijstandsverlener. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze toelichting voldoende heeft gemotiveerd dat eiser toegang heeft gehad tot een effectief rechtsmiddel.

Rb Middelburg NL26.43303 en NL26.43305, 7.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22123

Rb: integrale afweging incl non-refoulementscheck nodig bij paspoortvereiste en mvv-plicht

De Afghaanse ambassade heeft aan eiser een verklaring afgegeven dat zonder een tazkera geen paspoort kan worden aangevraagd. De door eiser overgelegde informatie van de Afghaanse ambassade acht de rechtbank dermate concreet, dat verweerder niet zonder meer van de informatie in het Ambtsbericht heeft kunnen uitgaan. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste….

De rechtbank oordeelt vervolgens dat verweerder het mvv-vereiste ten onrechte en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel aan eiser heeft tegengeworpen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit het arrest Yön volgt dat de verplichting om vóór binnenkomst in een lidstaat te beschikken over een visum, niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Uit het arrest Yön volgt verder dat verweerder alle omstandigheden in hun onderlinge samenhang moet beoordelen. …

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende alle omstandigheden in samenhang heeft betrokken. Eiser verblijft sinds 2017 in Nederland, is getrouwd met referente die al ruim 25 jaar in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit bezit, en die in zekere mate afhankelijk van hem is. …

Bovendien dient verweerder in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. … De rechtbank constateert dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar het risico voor eiser op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest bij een terugkeer naar Afghanistan en hierbij ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling heeft toegepast met inachtneming van wat eiser heeft aangevoerd.

Rb Middelburg NL25.11394 en NL25.29166, 5.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21909

Rb: afweging verblijf bij (inmiddels overleden) partner, zorgtaken en vrijstelling mvv

Eiseres van Indonesische nationaliteit heeft in 2024 een aanvraag ingediend voor 'verblijf bij partner’. De partner is eind 2024 overleden.
Allereerst heeft eiseres nog procesbelang. Als zij de verblijfsvergunning zou hebben gekregen, zou zij als gevolg van het overlijden van referent in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Als bijzondere omstandigheden heeft eiseres aangevoerd dat referent terminaal ziek was, dat zij zorg aan hem verleende, dat zij al sinds 2017 met hem samenwoonde en dat zij al lang in Nederland verbleef. … De rb is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet van eiseres gevraagd had kunnen worden om de ondersteuning door een derde te laten verlenen. Referent was terminaal ziek, en uiteindelijk is ook gebleken dat zijn ziekte dusdanig ernstig was dat hij daar na een korte periode al aan is overleden. De rb vindt het meer dan logisch dat eiseres de ondersteuning van haar partner in zo'n verdrietige periode niet door een derde heeft laten verlenen.

De rb vindt ook dat het in die situatie niet van eiseres verwacht had kunnen worden om terug te gaan naar haar land van herkomst om een mvv aan te vragen. Daarbij neemt de rb mee dat het aanvragen van een mvv doorgaans langer duurt dan de daarvoor gestelde termijn van drie maanden. 
Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, NL25.6355, NL25.6356, 21.7.26

Rb: meerderheidsclan beschermt niet altijd in Mogadishu

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser kan rekenen op voldoende bescherming van zijn clan. De rechtbank overweegt dat er verdeeldheid bestaat in de Hawiye-clan, waartoe eiser behoort, en dat de clan is onderverdeeld in supporters en tegenstanders van Al-Shabaab. Eiser heeft daartoe gewezen op een rapportage van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED) van maart 2023 en op twee artikelen van de Horn Observer. De minister heeft deze landeninformatie niet bestreden. Daarmee is het betoog dat in [plaats] evenzogoed clanleden van eiser wonen die sympathiek staan tegenover Al-Shabaab niet onaannemelijk. Nu de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig vindt is dan ook niet zonder meer aannemelijk dat eiser zonder hechtere (familie) banden bescherming kan vinden bij Hawiya-clanleden. … Eisers eerdere verblijf van 20 dagen in Mogadishu en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu eiser daar slechts zeer kort heeft verbleven, alleen contact heeft gehad met zijn onderdakgever en verder niet heeft deelgenomen aan het maatschappelijk leven.

Verder blijkt uit door eiser overgelegde landeninformatie dat Mogadishu slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangemerkt als beschermingsalternatief. Steeds moet rekening worden gehouden met persoonlijke kenmerken en een redelijk beschermingsalternatief in Mogadishu is daarom slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk - enkel voor alleenstaande en gezonde jonge mannen of kinderloze koppels zonder kwetsbaarheden, die behoren tot een lokale meerderheidsclan en die voldoende mogelijkheden hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien. …

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in geval van eiser sprake is van een dergelijk bijzonder geval waarvoor een beschermingsalternatief in Mogadishu bestaat. …

Uit voorgaande volgt dat het bestreden besluit meerdere motiveringsgebreken kent en dat het daarom moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. 

Rb Arnhem NL25.33138, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21736

Rb: terugkeer naar Eritrea na legale uitreis geen risico, liegen over asielaanvraag mogelijk

De rechtbank volgt verweerders standpunt dat de datum op het uitreisvisum inhoudt dat eiseres voor die datum Eritrea moet hebben verlaten. Na vertrek kan de houder op elk willekeurig moment naar Eritrea terugkeren. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt nergens uit dat eiseres Eritrea illegaal heeft verlaten. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel uit het AAB blijkt dat een terugkeerder die in het buitenland asiel heeft aangevraagd risico loopt op ondervraging en detentie, van eiseres mag worden verwacht dat zij bij terugkeer ontkent asiel te hebben aangevraagd. Gesteld noch gebleken is dat dit niet van eiseres mag worden verwacht.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Haarlem NL26.30722 en NL26.30724, 28.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22424

Rb: toelichting intrekkingsprocedure Armeense Syriers ikv gelijkheidsbeginsel

De minister heeft het volgende uiteengezet: In 2013/2014 kwamen er aanwijzingen dat in een aantal zaken van etnische Armenen uit Syrië (en Irak) was verzwegen dat zij ook de Armeense nationaliteit hadden. Naar aanleiding daarvan is door de minister onderzoek ingesteld. Dat is eerst gebeurd door het Belgische Vision systeem te raadplegen waaruit treffers kwamen op basis van persoons-gegevens. In de periode 2015-2016 is besloten om bij een Visiontreffer een standaard voornemen tot intrekking uit te brengen. Bij het uitbrengen van deze voornemens is niet van tevoren (uitvoerig) gekeken naar de individuele dossiers. In de besluitvormingsfase werd, rekening houdend met de zienswijzen, nader onderzocht of de minister daadwerkelijk kon overgaan tot intrekking van de vergunning. Er is geen centrale projectlijst waarop deze zaken eenvoudig zijn terug te vinden. Deze zaken zijn evenmin in Indigo.

Na een Visiontreffer werd er verder onderzoek gedaan, bijvoorbeeld in het land waar het visum was afgegeven. Als een visumdossier werd ontvangen waarin een kopie aanwezig was van het Armeense paspoort waar de Armeense nationaliteit uit bleek, bestond er in beginsel geen aanleiding voor nader onderzoek door de minister en ging hij in principe over tot intrekking van de verleende asielvergunning. Verder kon er eerder via Dienst Terugkeer en Vertrek een onderzoek worden uitgezet bij de Armeense autoriteiten om te verifiëren of de vreemdeling die nationaliteit daadwerkelijk had. Nadat de diplomatieke betrekkingen tussen de minister en de Armeense autoriteiten hierdoor op gespannen voet kwamen te staan, is Dienst Terugkeer en Vertrek gestopt met het toepassen van deze onderzoeksmethode. In enkele zaken is een individueel ambtsbericht uitgezet. Om dat onderzoek op te kunnen starten is toestemming van de vreemdeling vereist. Het waren ook langdurige en kostbare onderzoeken waardoor ook dit instrument niet altijd even geschikt bleek. Naast deze ervaringen met verschillende onderzoeksmethodes, is het streven volgens de minister telkens geweest om proceseconomisch en zo efficiënt mogelijk te voldoen aan de bewijslast. Door tijdsverloop tussen het moment van afgifte van het visum, de Visiontreffer en het moment van nader onderzoek, was hetzelfde onderzoek ook niet altijd mogelijk. Zo waren visumdossiers daardoor soms niet meer beschikbaar ivm de bewaartermijn bij de diplomatieke post. Het was bij een Visiontreffer bovendien niet van meet af aan helder wanneer aan de bewijslast voor intrekking was voldaan. …

De minister heeft alle door eiser ingebrachte 25 zaken uiteindelijk kunnen herleiden tot personen in Indigo en hun zaken beoordeeld. Hieruit is in deze zaken van Syrische personen met de Armeense nationaliteit en een Visiontreffer de volgende lijn te halen.

> Bij de zaken die wel tot een intrekking hebben geleid was in de regel wel een compleet visumdossier ontvangen waardoor wel een persoonsmatch kon worden gemaakt met de treffer in Vision en/of er was sprake van andere informatie op grond waarvan duidelijk werd dat deze personen de Armeense nationaliteit hadden.

> In de andere zaken kon de minister niet voldoen aan de bewijslast voor intrekking van de asielvergunning. Veelal ontbrak er een visumdossier van een of meer personen in het dossier. …. Daarnaast speelde er soms een bijzondere omstandigheid, bijvoorbeeld wanneer één van de gezinsleden overleden was in Nederland of dat er (jonge) kinderen in het gezin waren die al lange tijd (meer dan 5 jaar) in Nederland waren….

De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser in essentie een beroep op het gelijkheidsbeginsel inhouden, onder verwijzing naar 25 zaken waarin de minister uiteindelijk niet in alle zaken tot intrekking van de verblijfvergunning is overgegaan….

In eerdere uitspraken is kortgezegd geoordeeld dat de minister zijn vaste gedragslijn en het verschil in onderzoeksmethoden voldoende heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is dat sprake is geweest van willekeur. …. De rechtbank is van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de overige gevallen waarin de minister niet over is gegaan tot intrekking niet rechtens gelijk, althans vergelijkbaar zijn. Hieruit volgt dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Rb Amsterdam NL23.32412 en NL23.32413, 12.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22636

Pagina's