Nieuws

HvJ EU: basisvoorzieningen nooit intrekken bij misdraging door asielzoeker

The Court ruled that the Receptions Directive does not allow sanctions consisting of the withdrawal of material reception conditions on applicants for international protection who have engaged in seriously violent behaviour against public officials relating to housing, food or clothing, in so far as it would have the effect of depriving the applicant of the possibility of meeting their most basic needs. As well, the Court indicated that any other sanctions must comply with the conditions laid down in the Directive, including respect for human dignity and of the principle of proportionality.

HvJ EU case C‑422/21, 1.8.22
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-422/21

Rb: wel presentatie bij ambassade tijdens asielprocedure indien geen dreiging van autoriteiten

De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris in strijd handelt met Europese wetgeving en met de geldende internationale en nationale jurisprudentie door haar te presenteren bij de Nigeriaanse ambassade voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure die bij de rechtbank aanhangig is over de afwijzing van haar asielaanvraag.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit het arrest Gnadi maakt de voorzieningenrechter niet op dat hangende het beroep tegen het terugkeerbesluit alle (voorbereidende) uitzettingshandelingen door de staatssecretaris zijn verboden. Dergelijke uitzettingshandelingen zijn slechts verboden als ze de effectiviteit van (de uitkomst van) het rechtsmiddel aantasten. Een presentatie aan de autoriteiten van een land van herkomst ter voorbereiding van het vertrek van een vreemdeling kan onder omstandigheden afbreuk doen aan de effectiviteit van het rechtsmiddel, met name indien een vreemdeling heeft verklaard problemen van de zijde van die autoriteiten te hebben ondervonden of te vrezen. De staatssecretaris stelt terecht dat in de asielprocedure van de vreemdeling niet gesteld of gebleken is dat zij problemen heeft (ondervonden) met de Nigeriaanse autoriteiten. Ook is niet onderbouwd waarom de presentatie afbreuk doet aan de effectiviteit van het beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de staatssecretaris in dit geval met de voorgenomen presentatie niet strijd handelt met het arrest Gnandi. Het betoog slaag niet.

Rb Den Haag, NL22.8801, 18.5.22

Rb: kaderovereenkomst Indonesie niet gevolgd, en paspoort niet teruggehaald

Eiseres heeft in haar beroepsgronden verwezen naar de “Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten enerzijds en de Republiek Indonesië anderzijds”. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder onder verwijzing naar deze Kaderovereenkomst de Indonesische vertegenwoordiging heeft verzocht om de nationaliteit van eiseres vast te stellen en haar zonder verdere formaliteiten over te nemen. Omdat verweerder beschikt over een kopie van een nog geldig paspoort, welke kopie ook aan het dossier is toegevoegd, had dit aanstonds na inbewaringstelling gekund en dus ook gemoeten om van voortvarend handelen te kunnen spreken.

Het komt de rechtbank voor dat de afspraken zoals vastgelegd in de Kaderovereenkomst tot een spoedigere uitzetting zullen leiden dan de gebruikelijke procedure om een vervangend reisdocument aan te vragen en te verkrijgen zoals beschreven op de website van de DT&V. Deze beroepsgrond slaagt en is een zelfstandige reden om te concluderen dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres heeft gewerkt.

De rechtbank overweegt voorts het navolgende. In het terugkeerbesluit is vermeld dat eiseres op 19 december 2019 is aangetroffen in een slagerij in Den Haag en haar paspoort toen is ingenomen door de politie. Tevens is aan het dossier toegevoegd een “Ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren”. Eiseres heeft in het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel verklaard dat haar paspoort in 2019 is ingenomen door de Avim en dat zij op enig moment daarna bericht heeft gekregen dat zij haar paspoort bij Bureau Documenten kon ophalen maar dat zij dit nimmer heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat bij Bureau Documenten is geïnformeerd of het paspoort van eiseres nog aanwezig is. Verweerder had aanstonds na oplegging van de maatregel contact op moeten nemen met Bureau Documenten en het paspoort van eiseres moeten ophalen of moeten laten opsturen en anders moeten (laten) nagaan aan wie Bureau Documenten dat paspoort heeft afgegeven. Eiseres heeft verklaard mee te zullen werken aan haar vertrek en ook de Covid-test te ondergaan, zodat de feitelijke uitzetting zeer kort na de inbewaringstelling had kunnen worden gepland en gerealiseerd. Verweerder heeft dit niet gedaan, maar simpelweg aangenomen dat het paspoort “kwijt” is, hierin berust en eiseres een financiële compensatie aangeboden. De rechtbank overweegt dat dit een zelfstandige reden is om te concluderen dat verweerder ook vanwege deze omstandigheden onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres heeft gewerkt en dit de bewaring onrechtmatig maakt.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is. Eiseres wordt in vrijheid gesteld en maakt aanspraak op schadevergoeding waarbij de rechtbank de standaardmatig toegekende bedragen zal toekennen.

Rb den Bosch NL22.16754, 5.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9101

Rb: vrijlating want wil vertrekken met IOM, ondanks verzoek om bewaring te handhaven

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gezien zijn verklaringen (in beroep), zijn geldige paspoort, zijn vliegticket dat hij via het IOM heeft verkregen en de op 26 augustus 2022 geboekte IOMvlucht zijn vertrekwens voldoende geconcretiseerd en is de geuite vertrekwens niet ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt dat het uitdrukkelijke verzoek van eiser om de maatregel niet op te heffen ook als de rechtbank de maatregel onrechtmatig acht, om te voorkomen dat daardoor het geplande vertrek met IOM daags na de zitting niet zou kunnen doorgaan de sterkst denkbare onderbouwing van de geuite vertrekwens is. Dit betekent dat verweerder de bewaring op 26 augustus 2022 had dienen te beëindigen.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 26 augustus 2022 onrechtmatig. De rechtbank zal geen gehoor geven aan het uitdrukkelijke verzoek van eiser om de bewaring gelet op de vlucht van 6 september 2022 (nu) nog niet op te heffen. Indien de rechtbank constateert dat de rechtszoekende onrechtmatig in bewaring is gesteld, zal de rechtbank de maatregel opheffen en de invrijheidstelling gelasten ongeacht de beroepsgronden en overige (praktische) argumenten van partijen. Immers, om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie dient een onrechtmatige inperking op het recht op vrijheid te allen tijde onmiddellijk te worden beëindigd door de rechter die is belast met de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van bewaring. De rechtbank beveelt dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 september 2022.

Rb den Bosch NL22.16758, 5.9.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9100

Rb: wel detentiegeschikt ondanks suicidepoging 1e dag in Rotterdam

Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is. Daarbij wijst hij op de door hem overgelegde samenvatting uit zijn patiëntendossier van 17 mei 2022. Daaruit blijkt dat hij Quetiapine (een antipsychoticum) en Oxazepam (een kalmeringsmiddel) gebruikt.

Verweerder heeft ter zitting de medische problemen van eiser onderkend en meegedeeld dat eiser op 13 augustus 2022 een suïcidepoging heeft gedaan, dat hij in het detentiecentrum te Rotterdam medische hulp krijgt en dat hij daar onder cameratoezicht staat.

De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek op 20 juli 2022 contact heeft gehad met een psychiater van het FACT-team bij het centrum voor transculturele psychiatrie ‘Veldzicht’ te Balkbrug. Deze psychiater ziet geen medisch beletsel om het terugkeertraject voort te zetten. Deze informatie is recenter dan de door eiser overgelegde samenvatting uit zijn patiëntendossier. Uit de toelichting van verweerder ter zitting leidt de rechtbank voorts af dat het personeel van het detentiecentrum te Rotterdam in staat is om adequaat met de medische situatie van eiser om te gaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt is.

Rb Middelburg NL22.16117, 25.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:8666

Informatiebericht 2022/81 Inreisverbod aan derdelander met verblijfsrecht in een andere lidstaat

In dit IB wordt toegelicht wanneer een inreisverbod en wanneer een ongewenstverklaring wordt opgelegd aan derdelanders die verblijfsrecht hebben in een andere lidstaat en zich in Nederland bevinden, n.a.v. ABRvS 26 januari 2018 en 31 januari 2018. Daarnaast wordt in dit IB toegelicht hoe de consultatieprocedure werkt.

IB 2022/81, 2.9.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293861_1/1/

RvS: meerdere landen in terugkeerbesluit kan wel

De staatssecretaris heeft afgezien een land van terugkeer in het terugkeerbesluit te vermelden omdat hij de verklaringen van de vreemdeling over haar identiteit, herkomst en nationaliteit ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent volgens de staatssecretaris niet dat zij in onzekerheid verkeert, omdat zij zelf wel weet om welk land het gaat.

De Afdeling overweegt als volgt. In de Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) is overwogen dat elk terugkeerbesluit een of meer landen van terugkeer moet vermelden. Wanneer de vreemdeling met verschillende derde landen banden heeft of aliassen heeft gebruikt, dan kunnen in het terugkeerbesluit meer landen van terugkeer worden aangewezen. In de onderhavige procedure is niet gebleken dat het noemen van een of meer landen, in dit geval Kenia en/of Tanzania, niet mogelijk was.

De rechtbank heeft in dit geval alleen geoordeeld dat de staatssecretaris moet onderzoeken welk land hij als terugkeerland kan aanwijzen, zonder de omvang van die onderzoeksplicht verder te specificeren. Omdat in deze zaak uit het onderzoek in de asielprocedure al blijkt welke landen als terugkeerlanden in aanmerking komen, hoeft de staatssecretaris slechts te bezien welk land of welke landen hij als terugkeerlanden in het terugkeerbesluit gaat opnemen. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris moet onderzoeken welk(e) land(en) hij als terugkeerland gaat aanwijzen.

Hoger beroep tegen Rb Haarlem NL21.19246, 18.1.22 ongegrond.
ABRvS 202200540/1, 29.8.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2506

HvJ EU: Chavez-status niet tijdelijk

Een Ghanese vrouw met een verblijfsrecht in Nederland op grond van artikel 20 VWEU heeft een verzoek gedaan om verblijf langdurig ingezetenen. Haar zoon (2002) heeft de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat verzoeksters verblijf op basis van artikel 20 VWEU tijdelijk van aard is, waardoor ze niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft de volgende vragen gesteld aan het Hof:

Het Hof heeft de vragen als volgt beantwoord. 

De eerste vraag gaat over of het een aangelegenheid van de lidstaten is om te bepalen of het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU tijdelijk van aard is. Het Hof overweegt dat deze bepaling binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, waardoor het begrip ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ op het grondgebied van alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd.

Vervolgens is de vraag gesteld of ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ het verblijf ogv artikel 20 VWEU omvat van een derdelander. Van belang is of het verblijf van het begin af van korte duur was bedoeld. Het Hof overweegt dat het verblijf van derdelanders op het grondgebied van een lidstaat op grond van artikel 20 VWEU niet dat objectieve kenmerk vertoont. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt namelijk dat bij de erkenning van verblijf ogv van 20 VWEU er onder andere gekeken moet worden naar de intensiteit van de afhankelijkheidsverhouding tussen derdelander en gezinslid. In geval van een vastgestelde afhankelijkheid, moet de Unieburger daadwerkelijk kunnen genieten van de aan zijn status ontleende rechten zolang de afhankelijkheidsrelatie met de derdelander voortduurt. Deze afhankelijkheidsverhouding is in beginsel niet van korte duur. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het verblijf op grond van artikel 20 VWEU van een derdelander op het grondgebied van een lidstaat een verblijf ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard’ vormt.

HvJEU (Grote Kamer) C-624/20, 7.9.22
ECLI:EU:C:2022:639
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-624/20

IB 2022/80: more than normal emotional ties

De Afdeling heeft op 13 juli 2022 geoordeeld dat er bij 8 EVRM-aanvragen altijd een belangenafweging moet plaatsvinden, ongeacht of er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De vaststelling of familie- of gezinsleven ex art. 8 EVRM bestaat, beïnvloedt de belangenafweging.

Dit informatiebericht geeft aan hoe te handelen in zaken waarbij getoetst moet worden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

IND Informatiebericht 2022/80 , 26.8.22
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1293784_1/1/

Rb: onderzoek politieke overtuiging koerdische dienstweigeraar nodig

De vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is gevlucht vanwege de dienstplicht. De staatssecretaris acht dit geloofwaardig, maar stelt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet is aannemelijk geworden dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege de dienstweigering op grond van zijn Koerdische etniciteit. Uit het Thematisch Ambtsbericht Dienstplicht Turkije van 11 juli 2019 blijkt dat Koerdische dienstplichtigen een zware ontgroening en marteling ondergaan, maar de vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voldoende ernstig is dat gesproken kan worden van vervolging. Echter heeft de staatssecretaris onvoldoende onderzocht of er sprake is van gegronde vrees voor onevenredige of discriminatoire behandeling op grond van een politieke overtuiging, nu uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van maart 2021 blijkt dat dienstplichtweigeraars onevenredig of discriminatoir bestraft kunnen worden indien zij hun dienstweigering koppelen aan politieke motieven of familieleden hebben die bekend staan als PKK’ers. Uit verklaringen en overgelegde documenten blijkt dat veel familieleden zijn betrokken bij de HDP en de opa van de vreemdeling verdacht werd van het helpen van de PKK en is gearresteerd. Gezien de actieve onderzoeksplicht van de staatssecretaris had het op zijn weg gelegen om aanvullende vragen over de betrokkenheid van de vreemdeling en zijn familie bij een Koerdische stichting te stellen, net als over aan wat voor activiteiten de vreemdeling heeft meegedaan en of het gaat om activiteiten in Nederland of ook in Turkije, zeker nu een politieke overtuiging en het deelnemen aan demonstraties voor een Koerdische stichting relevant is.

Ook is onvoldoende onderzocht of er sprake is van gewetensbezwaren op grond van een andere diepgewortelde overtuiging die heeft geleid tot de dienstweigering en of gewetensbezwaren in Turkije erkend worden en of er niet-militair alternatief is voor de militaire dienstplicht. De staatssecretaris heeft daarom gehandeld in strijd met zijn onderzoeksplicht.

Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, NL21.12451, 25.8.22

Pagina's