Nieuws

RvS: motivatie betalingsonmacht griffierecht mogelijk tot aan uitspraak

Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, een rechtzoekende een beroep op betalingsonmacht niet uiterlijk voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn moet doen, maar dit nog kan doen totdat op het (hoger) beroep uitspraak is gedaan.

De Afdeling voegt hier nu aan toe dat deze langere uiterste termijn voor een rechtzoekende vreemdeling niet alleen geldt als deze voor de eerste keer een beroep op betalingsonmacht doet, maar ook in een situatie waarin een beroep op betalingsonmacht eerst is afgewezen omdat dat beroep niet was gemotiveerd binnen de termijn die daarvoor was gesteld, zoals hier aan de orde. Zolang het beroep bij de rechtbank dan wel het hoger beroep bij de Afdeling nog niet bij uitspraak niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig betalen van griffierecht, moet in ieder geval in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, de rechtzoekende de mogelijkheid hebben om een verzoek om niet te hoeven betalen nader te onderbouwen naar de situatie op de peildatum, ook als het verzoek al bij griffiersbrief is afgewezen.

RvS 202202271/1/V3, 2.11.22
ECLI:NL:RVS:2022:3121

SvJ&V: toekomst LVV, naast terugkeer ruimte voor individueel perspectief

Voor personen die in aanmerking komen voor de LVV is in de regel tijdens eerdere verblijfsprocedures beoordeeld dat zij niet in Nederland mogen blijven. Gezien die feitelijke achtergrond van de betreffende personen is het dan ook logisch en passend om vertrek als uitgangspunt te nemen. Tegelijkertijd zal bij de uitwerking daarvan ook bezien worden op welke wijze recht kan worden gedaan aan de situatie en het perspectief van de individuele gevallen. Dit wordt samen met de partners uitgewerkt.

Vanuit de LVV zijn t/m 31 juli 2022 in totaal 1371 personen uitgestroomd. Voor 770 hiervan werd een (bestendige of semi-bestendige) oplossing voor hun situatie gevonden. Hiervan gold voor 118 personen dat zij zelfstandig uit Nederland zijn vertrokken.

Tot begin augustus van dit jaar zijn in totaal 450 herhaalde asielaanvragen van LVV-deelnemers ingediend. Hiervan waren er begin augustus 256 beslist, ofwel 57%. Van deze 256 besliste aanvragen werden 185 ingewilligd, ofwel 72%.

begroting vraag 130, 131, 135, 378, 481
https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/documenten/rapporten/2022/11/02/tk-bijlage-1-antwoorden-op-de-feitelijke-vragen-begroting-justitie-en-veiligheid-2023

EHRM IM: recht op opvang asielzoeker België

Deze zaak draait om een Guineese vreemdeling die op 15 juli een verzoek om internationale bescherming in België heeft ingediend. Hij leeft sindsdien op straat. De Brusselse Labour Court heeft Fedasil opgedragen om de vreemdeling op te vangen maar dat heeft Fedasil nagelaten. De vreemdeling heeft zich daarom tot het EHRM gewend om te vragen voor een interim measure waarbij de regering wordt opgedragen het rechterlijk bevel ten uitvoer te leggen en hem noodhuisvesting en materiële bijstand te verlenen om in zijn basisbehoeften te voorzien. Hij klaagt dat zijn rechten onder artikel 3 EVRM, 8 EVRM en artikelen 6 en 13 EVRM samen zijn geschonden.

Het Hof overweegt als volgt. Een interim measure wordt toegekend en de Belgische Staat wordt opgedragen om de beslissing van de Labour Court op te volgen en de vreemdeling in een opvangcentrum onder te brengen en materiële bijstand te geven om in zijn basisbehoeften te voorzien.

Het Hof kent een interim measure toe.
EHRM, no. 49255/22, Camara t. België, 2.11.22
https://hudoc.echr.coe.int/app/conversion/pdf/?library=ECHR&id=003-7477467-10255069&filename=Camara%20v.%20Belgium%20-%20Interim%20measure%20concerning%20an%20asylum-seeker%20without%20accommodation%20.pdf

SvJ&V: vertrek vanuit gezinslocatie

 

zelfstandig

gedwongen na detentie

2022 t/m sept

10

0

2021

35

10

2020

70

10

2019

85

20

vraag 369
https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veil...

SvJ&V: Dublindetentie vaker toepassen na onttrekking en bij meerdere Eurodac-treffers

Bij Dublinclaimanten die zich eerder aan het toezicht hebben onttrokken en zich later weer melden bij de COAopvang en jegens wie een overdrachtsbesluit is genomen, wordt stevig ingezet op bewaring. Indien onmiddellijke inbewaringstelling niet mogelijk is, verblijft de vreemdeling eerst tijdelijk in de vrijheidsbeperkende locatie. Daar wordt zo snel mogelijk een maatregel van bewaring opgelegd. Hiermee wordt een duidelijk signaal afgegeven aan Dublinclaimanten dat na vertrek met onbekende bestemming reguliere COAopvang in Nederland niet meer aan de orde is.

In aanvulling hierop zal in het najaar een pilot van start gaan waar aan het begin van de asielprocedure bij Dublinclaimanten met drie of meer Eurodac-treffers steviger ingezet zal worden op bewaring. Het gaat hierbij uiteraard om vreemdelingen voor wie, naast meerdere Eurodac-treffers, ook voldoende gronden voor bewaring aanwezig zijn. De gedachte achter deze pilot is om asielshoppen binnen de EU, en dus ook Nederland, te ontmoedigen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/11/04/tk-juridische-verkenning-op-asielbeslisstop-en-instroombepekering-oa-op-de-voet-van-artikel-111-vw2000/tk-juridische-verkenning-op-asielbeslisstop-en-instroombepekering-oa-op-de-voet-van-artikel-111-vw2000.pdf, 4.11.22

SvJ&V: in toekomst wordt Chavez-aanvraag vanuit bewaring beschouwd als misbruik

Door een aanvraag voor toetsing aan het Unierecht krijgt de aanvrager (procedureel) rechtmatig verblijf. Voor deze situatie bestaat momenteel geen detentiegrondslag, de Vw moeten worden aangepast. In de tussentijd geldt dat alleen in gevallen van misbruik van Unierecht nog in bewaring kan worden gesteld.

In het wetsvoorstel is voorzien dat bewaring alleen mogelijk zal zijn in zaken van gerede twijfel over misbruik. Van gerede twijfel zal sprake zijn indien er een aanvraag om toetsing aan het Unierecht wordt ingediend vanuit bewaring.

begroting vraag 77 over uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:2530, 12.11.21
https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/documenten/rapporten/2022/11/02/tk-bijlage-1-antwoorden-op-de-feitelijke-vragen-begroting-justitie-en-veiligheid-2023

SvJ&V: wetswijziging strafbaarstelling illegaal verblijf door ongewenstverklaring

Het onrechtmatige verblijf in Nederland van een ongewenst verklaarde vreemdeling of een vreemdeling met ‘zwaar inreisverbod’ is strafbaar volgens artikel 197 van het wetboek van strafrecht. Een vreemdeling kan pas strafrechtelijk worden vervolgd, nadat het terugkeerproces is doorlopen en de vreemdeling door zijn eigen toedoen niet is teruggekeerd.

Door de uitleg van bepaalde termen in de Terugkeerrichtlijn komt slechts een zeer klein deel van de vreemdelingen in aanmerking voor een zogenaamd ‘zwaar inreisverbod’ dat strafrechtelijke vervolging mogelijk maakt. Het overgrote deel van de criminele, onrechtmatig verblijvende vreemdelingen valt hier niet onder.

Het doel van de wetswijziging is om het mogelijk te maken deze vreemdelingen ongewenst te verklaren. De wetswijziging zal zich richten op de vreemdelingen die hun terugkeer ontwijken of belemmeren, dus die wel weg kunnen, maar niet weg willen. Bij de handhaving gaat aandacht in het bijzonder uit naar personen die overlast veroorzaken: dit is immers ook de categorie die door hun gedrag in beeld komt van de politie, en daardoor vooral de gevolgen van de ongewenstverklaring zal ervaren.

begroting vraag 98 – 105
https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veil...

RvS: terugkeerbesluit zonder terugkeerland niet geldig

RvS: terugkeerbesluit ongeldig, geboorteland bekend maar nationaliteit ‘onbekend’

De vreemdeling voert aan onterecht in bewaring te zijn gesteld omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het terugkeerbesluit geen land van terugkeer is genoemd.
De Afdeling volgt de vreemdeling en overweegt dat als geboorteland Frans-Guyana wordt vermeld maar bij nationaliteit “onbekend” is ingevuld. Dat besluit is daarom geen terugkeerbesluit waarop de maatregel van bewaring mag worden gebaseerd.

Hoger beroep tegen Rotterdam NL21.165, 19.1.21 gegrond.
ABRvS 202100555/1, 29.6.22
ECLI:NL:RVS:2021:1364

RvS: terugkeerbesluit ongeldig want meerdere nationaliteiten gebruikt in andere EU-landen

Weliswaar heeft de vreemdeling in Italië steeds verklaard dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft, heeft hij in Nederland de herkomstvragen correct beantwoord en spreekt hij het Pidgin Engels, dat onder meer in dat land wordt gesproken, maar dat maakt het besluit in zoverre nog niet onrechtmatig. Zelfs wanneer de staatssecretaris de gestelde nationaliteit en herkomst geloofwaardig had gevonden, dan nog heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt wie hij is. De vreemdeling heeft namelijk niet afdoende uitgelegd waarom hij in Italië onder zoveel verschillende namen en geboortedata is geregistreerd. Die verschillen zijn niet allemaal te verklaren door de verschillen in fonetische schrijfwijze, waarop de vreemdeling zich heeft beroepen. Voor de zeer uiteenlopende geboortedata heeft de vreemdeling in het geheel geen verklaring gegeven. Hij heeft ook geen identiteitsdocumenten overgelegd en verder niet uitgelegd dat hij niet aan dergelijke documenten kan komen.

De onduidelijkheid over wie hij is, komt voor rekening van de vreemdeling en dat betekent dat de staatssecretaris, ook wanneer hij de gestelde nationaliteit en herkomst geloofwaardig had gevonden, niet van de identiteit die de vreemdeling in Nederland heeft opgegeven, hoefde uit te gaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de identiteit van de vreemdeling ongeloofwaardig heeft kunnen achten en dat de staatssecretaris daarnaar ook geen nader onderzoek hoefde te doen. Dat leidt er in dit geval toe dat de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht het asielrelaas van de vreemdeling niet verder inhoudelijk heeft getoetst.

De grief faalt.

De vreemdeling klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat in het terugkeerbesluit niet hoefde te staan naar welk land de vreemdeling terug moet.

Het besluit voldoet niet aan de vereisten van een terugkeerbesluit. Uit de motivering van het voornemen en het besluit blijkt namelijk niet ondubbelzinnig naar welk land de vreemdeling moet terug keren en daarmee is de rechtsbescherming in de terugkeerprocedure van de vreemdeling niet gewaarborgd.

De grief slaagt.
Het hoger beroep is gegrond. 
RvS 202106010/1/V3, 31.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3106

RvS: 73-jr Irakees met psychische problemen kan waarschijnlijk benodigde zorg niet regelen

De vreemdeling stelt dat hij om medische redenen niet terug kan keren naar Irak. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg in Irak niet beschikbaar is, feitelijk niet toegankelijk is of niet effectief zal zijn.

Volgens het BMA heeft de vreemdeling verhoogde bloeddruk en mogelijk een hartinfarct doorgemaakt. Hij heeft pijn op de borst bij inspanning en parkinsonisme. Als behandeling uitblijft, bestaat er een risico op ernstige complicaties, zoals een hartinfarct. Daarnaast constateert de BMA-arts dat de vreemdeling lijdt aan een schizoaffectieve psychose en paranoïde depressief is. Vanwege crisissituaties is hij meermaals opgenomen geweest. De psychotische klachten van de vreemdeling kunnen bij het uitblijven van een behandeling toenemen, waardoor de vreemdeling een gevaar voor zichzelf of zijn omgeving zou kunnen vormen. De BMA-arts verwacht daarom op korte termijn een medische noodsituatie bij het uitblijven van een medische behandeling.

De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voor hem noodzakelijke medische behandeling feitelijk toegankelijk is. Hij betoogt dat hij geen inkomen en geen sociaal netwerk heeft in Irak, waardoor de voor hem noodzakelijke zorg niet toegankelijk zal zijn.

Volgens de Afdeling is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. ... Vanwege de ernstige meervoudige medische problematiek van deze vreemdeling had de staatssecretaris in dit geval nader onderzoek moeten doen en uitgebreider moeten motiveren waarom de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de behandeling in Irak voor hem feitelijk niet toegankelijk is. De vreemdeling heeft namelijk een complex lichamelijk en psychisch ziektebeeld waarvoor hij verschillende soorten medicatie en behandelingen moet krijgen. De BMA-arts heeft bovendien vastgesteld dat op zeer korte termijn een medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van de medische behandeling. Dit betekent dat de vreemdeling voortdurend heel intensieve zorg nodig heeft. De behandelaar van de vreemdeling heeft erop gewezen dat de vreemdeling voor het slagen van de behandeling afhankelijk is van een goed functionerend steunsysteem. De BMA-arts heeft daarover gezegd dat het aan de staatssecretaris is te beoordelen of dit steunsysteem feitelijk aanwezig is. De staatssecretaris gaat er met de vreemdeling van uit dat hij in Irak alleen een neef heeft. Uit het advies van het BMA blijkt verder dat een deel van de voor de vreemdeling noodzakelijke behandeling aanwezig is in Basra, zodat de vreemdeling, die in Bagdad woont, een lange reis zal moeten maken. Deze omstandigheden alsmede de gevorderde leeftijd van de vreemdeling maken dat ernstig kan worden betwijfeld of de voor de vreemdeling noodzakelijke medische behandeling in Irak feitelijk toegankelijk is.

Hoewel het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat dit niet zo is, is in dit geval zeer onzeker of hij daartoe voldoende in staat is, gezien zijn psychische problematiek, te weten de ernstige paranoia en schizoaffectieve stoornis. Het BMA heeft immers  vastgesteld dat de vreemdeling een gestoorde waarneming van de werkelijkheid heeft. Dit kan een negatieve invloed hebben op de mogelijkheden van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij geen inkomen heeft en er geen sociaal netwerk voor hem is in Irak.

Onder deze omstandigheden is het aan de staatssecretaris om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. De grief slaagt.

Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond.
RvS 202104237/1/V2, 27.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3102

Rb: mogelijk risico ivm dreigende detentie Tunesië

De vreemdeling stelt dat hij in 2007 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en deze nog moet uitzitten in Tunesië. Ook stelt de vreemdeling te vrezen door een steekpartij in Nederland en de daaruit voortvloeiende problemen in Tunesië. De staatssecretaris acht de openstaande gevangenisstraf, de problemen door de steekpartij ongeloofwaardig en stelt dat Tunesië een veilig land van herkomst is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vreemdeling aan de hand van de kopie-documenten een begin van bewijs heeft geleverd ten aan zien van zijn openstaande gevangenisstraf. De vreemdeling dient de gelegenheid te krijgen om de originele documenten over te leggen en zo nodig te laten onderzoeken op authenticiteit om te laten zien dat hij inderdaad nog een openstaande gevangenisstraf heeft. De staatssecretaris zal dan moeten motiveren of Tunesië voor deze vreemdeling specifiek een veilig land van herkomst is, gelet op de detentieomstandigheden en het feit dat hij al enkele jaren in detentie heeft doorgebracht in Tunesië.

Vovo toegewezen.
Rb Utrecht, NL22.19434, 27.10.22

Pagina's