Nieuws

Rb: bewaring tunesisch gezin onrechtmatig, kinderen niet gehoord

Eiseres is Tunesische nationaliteit en geboren in 1984. Haar zoon is geboren in 2017 en de dochter in 2020. … De rechtbank is van oordeel dat de zoon en de dochter ten onrechte niet zijn gehoord en dat ten onrechte niet naar hun mening is gevraagd voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring…..

De rechtbank volgt de minister niet in de stelling dat niet is gesteld of gebleken dat de kinderen de leeftijd en rijpheid hadden om naar hun mening over de maatregel te worden gevraagd. Ten eerste is dat niet wat artikel 12 IVRK voorschrijft, de volgorde is anders. De kinderen wordt om hun mening gevraagd en aan die mening wordt passend belang gehecht, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid. ….

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de maatregelen van bewaring van de zoon en de dochter onrechtmatig waren vanaf het begin. Deze onrechtmatigheid werkt door in de maatregel van bewaring van eiseres, die daardoor ook van aanvang af onrechtmatig is.

Rb Den Bosch 26.14874, 26.14880 en 26.14888, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7646

Rb: detentie na einde LVV mag wel, niet regelmatig gemeld

Eiser stelt dat hij de afgelopen jaren in de LVV heeft verbleven en daarmee in beeld bij zowel de Nederlandse autoriteiten als DtenV was. De minister heeft het verblijf van eiser in de LVV per 31 december 2024 beëindigd waardoor niet aan eiser kan worden verweten dat hij bij de minister uit beeld is geraakt. Eiser heeft zich daarna éénmaal gemeld bij de vreemdelingenpolitie en hij is bij de autoriteiten in beeld gebleven door middel van zijn postadres.

De rechtbank oordeelt dat eiser na zijn verblijf in de LVV, tot zijn inbewaringstelling geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Hiermee heeft eiser zich dus geruime tijd aan het toezicht onttrokken. Verder bezit eiser geen identiteitsbewijs en heeft hij geen aantoonbare activiteiten ondernomen om aan vervangende documenten te komen. Voor zover eiser contact heeft met een casemanager, heeft dit tot op heden nog niet geleid tot vertrek….

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL26.11918 NL26.12030, 23.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8547

RvS: detentie terecht ondanks verblijf bij INLIA

minister heeft er terecht op gewezen dat betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije of Libië, meldplichten heeft gemist, illegaal in Nederland heeft verbleven en na het terugkeerbesluit niet zelfstandig is vertrokken. De minister betoogt terecht dat hij hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel kon volstaan, ondanks de verklaring van betrokkene dat hij bij stichting INLIA verblijft en via die organisatie een traject zou starten waarbij hij zou werken en tegelijkertijd aan de terugkeer naar zijn land van herkomst zou werken.

De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Groningen NL24.19061, 14.5.24, is gegrond. 

RvS BRS.24.000182, 9.4.26
ECLI:NL:RVS:2026:1902

Rb: bij geringste aanwijzing mensenhandel moet grensdetentie worden opgeheven

De minister heeft de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het beleid inzake mensenhandel.

De rechtbank overweegt als volgt. … De vreemdeling heeft verklaard dat zij bij haar reis is geholpen door een Zuid-Afrikaanse pastor en dat zij niets betaald heeft voor haar reis. Gelet op deze verklaring has de minister toepassing moeten geven het beleid slachtoffers mensenhandel.  Dat moet de minister immers al doen bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel, waar in dit geval sprake van is. Nu uit het beleid ook volgt dat de bewaring wordt opgeheven als de bedenktijd wordt verleend heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de detentie niet na het aanmeldgehoor op te heffen.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL26.9822, 5.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5834

Rb: prejudiciele vragen over non-refoulementscheck bij meerdere herkomstlanden

Als de gestelde nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet geloofwaardig wordt geacht in een asielprocedure, ontstaat een schijnbaar tegenstrijdige situatie. Enerzijds is verweerder verplicht minimaal één land van bestemming te noemen. Anderzijds lijkt niet (goed) mogelijk om dan een refoulementbeoordeling te maken.

De vragen:

  • moet in een situatie als deze op het moment van de vaststelling van een terugkeerbesluit een refoulementbeoordeling worden gemaakt waarbij wordt uitgegaan van het land van bestemming dat in het terugkeerbesluit is vermeld, ook al staat niet vast dat de vreemdeling de nationaliteit heeft van of afkomstig is uit dat land en daar ook naar zal terugkeren?
  • indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet in dat geval een refoulement-beoordeling worden gemaakt alsof de nationaliteit en herkomst wel vaststaan, of kan worden volstaan met een beoordeling die alleen is gebaseerd op de algemene situatie in het land van bestemming, al dan niet in combinatie met hetgeen bekend is over de vreemdeling? Is daarbij onderscheid te maken in de beoordeling die het bestuursorgaan en de rechter in die situatie moeten maken en, zo ja, op welke wijze?

Rb Haarlem NL25.24480, 27.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7121

zie ook Rb Amsterdam NL25.46030 en NL25.46031, 10.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6477

Rb: belang kind met Down-syndroom meewegen bij beoordeling mensenhandelslachtoffer

De wet- en regelgeving voorziet in de mogelijkheid om aan de vreemdeling die niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel om de reden dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten niet tot vervolging over te gaan voortgezet verblijf toe te staan, indien zij aannemelijk maakt dat van hem/haar om redenen die rechtsreeks verband houden met mensenhandel niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. In deze bepalingen ligt de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ besloten….

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de psychische klachten van eiseres bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op welke punten het relaas van eiseres tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. ….

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het privéleven van eiseres. Eiseres heeft een dochter met het downsyndroom en heeft gewezen op het zorgnetwerk – zowel professionele hulpverleners als feitelijke verzorgers – dat om hen heen staat. Ook heeft eiseres gewezen op de jarenlange psychische zorg die zij ontvangt en haar daarmee in verband staande verminderde draagkracht. De rechtbank acht deze zorgstructuur onderdeel van het privéleven van eiseres en haar dochter. De minister had daarom moeten motiveren dan wel onderzoeken of en waarom deze omstandigheden niet maken dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. Dit is te meer het geval, nu bovengenoemde vorm van handhaven mede is ontstaan door de lange besluitvorming, hetgeen te verwijten is aan de minister.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende kenbaar de belangen van de jonge kinderen van eiseres heeft betrokken. … De brief van GGZ Drenthe schetst dat de dochter van eiseres waarschijnlijk wordt uitgesloten van de maatschappij gelet op haar verstandelijke beperking en dat het de vraag is of de zoon van eiseres voldoende aandacht zal krijgen gelet op de zorgen over zijn zusje en de problematiek van eiseres zelf. In dat licht bezien kan de minister eiseres niet onverkort tegenwerpen dat het haar verantwoordelijkheid is om de kinderen aandacht, steun en verzorging te geven die zij nodig hebben om op te groeien en had gemotiveerd moeten worden waarom deze brief het oordeel van de minister niet anders maakt.

Het beroep is gegrond.
Rb Groningen NL25.46660, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7858

Rb: voldoende opvang AMV in Ethiopie beschikbaar

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor eiser adequate opvang aanwezig is in Ethiopië. De minister heeft in het bestreden besluit op deugdelijke wijze gewezen op de opvangmogelijkheden in Ethiopië bij Bright Star Relief en dat mag worden aangenomen dat dit tehuis kan worden aangemerkt als adequate opvang. De rechtbank acht verder van belang dat de minister heeft toegezegd dat voorafgaand aan de feitelijke uitzetting, bij Bright Star Relief wordt gecheckt of aldaar aan eiser daadwerkelijk opvang kan worden geboden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze handelwijze en toezegging van de minister voldoende waarborgen voor het daadwerkelijk opvang verkrijgen bij Bright Star Relief wanneer eiser terugkeert naar Ethiopië.

De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Rb Groningen NL25.61282, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7419

Rb: belang minderjarig kind, werk en nieuwe relatie meewegen bij intrekken vergunning vader

Eiser is in 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning bij zijn toenmalige partner. Vervolgens zijn aan zijn zoon en dochter ook verblijfsvergunningen verleend. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 2021 omdat zijn relatie vanaf die datum was verbroken. Daarnaast heeft de minister aan de kinderen ambtshalve een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden verstrekt. Eiser stelt dat de minister een verblijfsvergunning aan hem dient te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM wegens de uitoefening van het gezinsleven met zijn momenteel meerderjarige zoon en minderjarige dochter. ….

De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiser op uitoefening van gezinsleven met de dochter onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die belangen niet meer gewicht toekomt.

Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het standpunt dat de dochter ervoor kan kiezen om in Nederland te blijven terwijl eiser terugkeert naar Suriname, omdat dan een gezagsvacuüm zou ontstaan gelet op haar minderjarigheid. De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft daarom tot gevolg dat de dochter haar vader naar Suriname zal moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het aan de dochter toegekende zelfstandige verblijfsrecht wordt aangetast en illusoir wordt gemaakt. …

Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij momenteel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij zijn werkgever. Hij werkt in de zorg. De rechtbank is van oordeel dat uit de belangenafweging niet volgt of het feit dat eiser werkzaam is, in het voordeel of in het nadeel van eiser is meegewogen. …

De rechtbank overweegt verder dat de minister ten onrechte de nieuwe relatie van eiser niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. …

De rechtbank komt tot de slotsom dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken.

Het beroep is gegrond 
Rb Amsterdam NL25.9215 en NL25.9216, 20.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7231

Rb: mogelijk 15c in Mogadishu, individuele omstandigheden en lang verblijf in westen meewegen

Eiser is afkomstig uit Mogadishu, dat onder controle staat van de Somalische overheid. Verweerder neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c. In de EUAA Guidelines van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld, zodat een lager niveau van individuele elementen nodig is om aan te tonen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een teruggekeerde burger een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer in de zin van artikel 15c. Verwezen wordt naar het aantal veiligheidsincidenten in de periode van 1 april 2023 tot 31 juli 2025. ….De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde EUAA Guidelines die van na het ambtsbericht 2025 dateren, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan in Mogadishu.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser op jonge leeftijd (16 jaar) Somalië heeft verlaten en in Europa verblijft, hij geen netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheidsclan waarvan de leden volgens algemene bronnen worden gediscrimineerd.

Eiser is ongeveer twintig jaar niet meer in Somalië geweest en is verwesterd. Uit het algemeen ambtsbericht 2023 en 2025 volgt dat terugkeerders uit westerse landen, in het bijzonder indien zij vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hebben verbleven, doorgaans eenvoudig herkenbaar zullen zijn. Zij worden bijvoorbeeld herkend vanwege een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen, gesticuleren of hun houding. Zij hebben vaak moeite om zich de dagelijkse gewoontes eigen te maken, zijn kwetsbaar voor afpersingen en overvallen, en kunnen met discriminatie en uitsluiting te maken krijgen. Ook meldt het ambtsbericht 2025 dat de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid is dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen, en vaak konden deze personen geen werk vinden.

Het standpunt van verweerder dat eiser niet verplicht is om zich in bepaalde districten op te houden en naar veiligere districten kan gaan, omdat hij niet gebonden is aan een sociaal netwerk, acht de rechtbank in het licht van deze informatie dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarmee miskent verweerder dat uit de door eiser aangehaalde bronnen juist blijkt dat het van belang is om een sociaal netwerk te hebben bij terugkeer om ernstige schade te voorkomen.

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Rb Haarlem NL25.43419 en NL25.43420, 30.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8167

zie ook Rb Roermond NL24.25742, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7555

Rb: risico terugkeerders Libië beter onderzoeken

De rechtbank is van oordeel dat de minister moet onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië geen risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst er terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht van juli 2025 volgt dat iemand die in 2024 vrijwillig terugkeerde naar Libië drie dagen na zijn terugkeer zou zijn opgepakt en begin mei 2025 nog steeds in detentie zat. Verder volgt uit het ambtsbericht dat twee Libische vrouwen die gedwongen terugkeerden vervolgens in een detentiecentrum in Radaa zijn geplaatst. Tot slot volgt uit het ambtsbericht dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie….

De rechtbank is van oordeel dat het op weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer dan wel nader te motiveren waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.50899, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7309

Pagina's