Nieuws

Rb: statushouders niet naar Bulgarije, verlopen status kan niet herverkregen

De rechtbank overweegt als volgt. Indien de vreemdelingen zullen terugkeren naar Bulgarije bestaat er een aannemelijke kans dat de Bulgaarse autoriteiten zullen overgaan tot intrekking of beëindiging van de vluchtelingenstatus op het moment dat de vreemdelingen zich zullen melden bij de autoriteiten. De omstandigheid dat de statushouders wiens internationale bescherming op grond van deze nieuwe nationale bevoegdheid wordt afgenomen hier een rechtsmiddel tegen kunnen aanwenden is onvoldoende waarborg dat zij niet in een met artikel 4 Handvest strijdende situatie terecht zullen komen. Daarnaast blijkt dat, indien de vreemdelingen geen nieuwe elementen en bevindingen kunnen aandragen voor hun opvolgende aanvragen voor internationale bescherming, er geen inhoudelijke beoordeling zal plaatsvinden. Deze bepaling is daarom evident in strijd met het Verdragsrecht en het Unierecht.

Het is reëel en voorzienbaar dat de Syrische vreemdelingen na terugkeer naar Bulgarije opvolgende aanvragen zullen moeten indienen die niet-ontvankelijk worden verklaard, waardoor het opdragen van de vreemdelingen om zich naar Bulgarije te begeven in wezen neerkomt op indirect refoulement. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen moet toestaan hun rechten die zij ontlenen aan hun declaratoire vluchtelingenstatus hier te lande uit te oefenen.

Rb den Bosch NL22.2064 en NL22.2066, 26.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11120

idem Rb den Bosch NL22.4687, NL22.4689, NL22.4972 en NL22.4974, 26.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11129

SvJ&V: inwilligingscijfers asiel NL tov EU-landen

SvJ&V begroting bijlage: percentages inwilligingen

Volgens de gebruikelijke Nederlandse definities, is het inwilligingspercentage in 2022 t/m week 41 circa 71%.

Onderstaande tabel over asielafdoeningen bevat het totaal aantal afdoeningen van eerste asielaanvragen, herhaalde asielaanvragen en herplaatsing (relocatie) op basis van Eurostat. Hierin worden de Dublinafdoeningen niet opgenomen. Daardoor vallen de inwilligingspercentages hoger uit.

 

Afdoening

Inwilliging

%inwilliging

NL

8.350

6.135

85%

Dld

94.345

58.925

62%

Be

10.805

4.620

43%

DK

540

230

43%

Hongarije

20

15

75%

EU-27

303.495

146.745

48%

begroting bijlage vraag 313
https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/documenten/rapporten/2022/11/02/tk-bijlage-2-bij-de-antwoorden-begroting-2023, 2.11.22

SvJ&V: hoge NLse inwilliging tov EU

Het inwilligingspercentage in een viertal vergelijkbare lidstaten in dezelfde periode was als volgt: Duitsland (62 procent), België (43 procent), Oostenrijk (53 procent), Frankrijk (26 procent). Het betreft inwilligingscijfers van de afdoening in eerste aanleg, zonder bezwaar en beroep.

Nationaal is een trend waarneembaar waarbij sinds 2018 steeds meer wordt ingewilligd en in 2020 werd het punt bereikt dat over de hele breedte (aan nationaliteiten) meer eerste aanvragen werden ingewilligd dan afgewezen.

Een aantal ontwikkelingen heeft bijgedragen aan de hoge inwilligingspercentages.

Er is in Nederland een verschuiving van relatief veel kansarme zaken (sporen 1 en 2) naar een groter aandeel afdoening van kansrijke zaken in spoor 4 met een hoger inwilligingspercentage als logisch gevolg.

Daarnaast is in Nederland het aandeel van de zeer kansrijke nationaliteiten Syrië, Turkije, Jemen en Afghanistan over de jaren heen groter geworden. In 2017 was hun aandeel 25 procent en in 2022 t/m juni is dat 54 procent van de instroom eerste asielaanvragen (t.o.v. 30 procent EU breed). In 2022 betrof 82 procent van de ingewilligde eerste asielaanvragen in Nederland één van deze vier nationaliteiten. Duitsland en Oostenrijk hebben een vergelijkbaar aandeel van deze nationaliteiten in hun totale instroom. Bij België en Frankrijk ligt dat aandeel beduidend lager.

Verder volgt uit de data dat ook het inwilligingspercentages van bovengenoemde vier nationaliteiten in Nederland de afgelopen jaren is gestegen en het huidige percentage hoger ligt dan EU breed. Op basis van de Eurostat data is het inwilligingspercentage in Nederland in 2022 t/m juni voor alle vier de herkomstlanden zeer hoog....

Het Kabinet acht het zinvol om de wijze van totstandkoming en de uitvoering van het landgebonden asielbeleid secuur tegen het licht te houden. Tevens zal kritisch worden bezien waar de ruimte ligt om binnen het huidig landgebonden asielbeleid rechtvaardig en restrictief tot besluitvorming te komen. Hierbij wordt ook de praktijk van vergelijkbare lidstaten betrokken.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/11/04/tk-actuele-situatie-asielketen/tk-actuele-situatie-asielketen.pdf, 4.11.22

Rb: ongeloofwaardig herkomstland, toch terugkeerland vermelden in terugkeerbesluit

De rechtbank overweegt als volgt. De gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst zijn niet aannemelijk gemaakt, nu de vreemdeling hier vrijwel geen vragen over heeft beantwoord. De stelling van de vreemdeling dat hij aan geheugenverlies lijdt volgt de rechtbank niet, nu uit het rapport van MediFirst blijkt dat de vreemdeling wel gebeurtenissen terug kan halen en vertellen. De door de vreemdeling overgelegde kopie van zijn geboorteakte, kan niet op authenticiteit worden onderzocht. Ook als de akte authentiek is, kan deze de identiteit niet aantonen omdat er een andere voornaam en geboortedatum op staan dan de vreemdeling zelf heeft opgegeven. Het overgelegde rapport van gehoor van zijn gestelde vader kan dit ook niet omdat niet kan worden afgeleid dat de vreemdeling zijn zoon is. De rechtbank ziet geen reden om een taalanalyse op te laten stellen, nu de verklaringen van de vreemdeling geen aanleiding geven om de gestelde nationaliteit en herkomst aan te nemen.

Voor zover de vreemdeling stelt dat het tegen hem uitgevaardigde terugkeerbesluit onrechtmatig is, volgt de rechtbank dit wel. De staatssecretaris heeft geen land van herkomst vermeld.
Beroep gegrond
Rb Haarlem, NL22.16220, 16.9.22

RvS: in terugkeerbesluit moet terugkeerland duidelijk zijn, nationaliteit onvoldoende

De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 juni 2021 onder meer overwogen dat in elk terugkeerbesluit moet worden vermeld naar welk land de vreemdeling moet worden verwijderd. Aan deze eis is ook voldaan als het land van terugkeer ondubbelzinnig uit de motivering kan worden afgeleid.

De rechtbank heeft overwogen dat het voor de vreemdeling met het besluit van 23 april 2021 al duidelijk was dat hij moest terugkeren naar Bangladesh. De vreemdeling klaagt terecht dat in het besluit geen land van terugkeer is genoemd, maar alleen het land van nationaliteit. Dit besluit is daarom niet aan te merken als een terugkeerbesluit, dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen om iemand in bewaring te kunnen stellen.

Dat is anders in het besluit van 1 april 2022. Ook in dit besluit staat geen land van terugkeer genoemd, maar het land van terugkeer kan wel ondubbelzinnig uit de motivering worden afgeleid. In het besluit staat namelijk dat het geboorteland van de vreemdeling Bangladesh is en dat hij de Bengalese nationaliteit heeft. Verder wordt hem daarin de verplichting opgelegd terug te keren naar zijn land van herkomst of naar een ander land buiten de EU waar zijn toelating gewaarborgd is. Uit deze combinatie blijkt voldoende duidelijk dat de staatssecretaris de vreemdeling heeft verplicht om terug te keren naar Bangladesh. Hier is daarom wel sprake van een terugkeerbesluit, dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen om iemand in bewaring te kunnen stellen. Gelet hierop, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit van 1 april 2022 onverplicht en ten overvloede is genomen.

RvS 202202474/1/V3 en 202202932/1/V3, 12.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2918

Rb: menselijke maat toepassen voor Liberiaanse amv met ernstige ptss

Uit het nader gehoor blijkt onder meer dat eiser kampt met PTSS en dat traumagerichte therapie niet start omdat er -kort gezegd- een te hoog risico op suïcide ontstaat bij een dergelijke behandeling....

Verweerder heeft het asielrelaas ongeloofwaardig mogen achten en zich formeel mogen verweren tegen de andere verzoeken om verblijfsaanvaarding. Ook indien alle besluiten in alle procedures uiteindelijk juridisch juist zouden blijken te zijn, zou het naar het oordeel van de rechtbank wenselijk zijn, zeker nu verweerder uitdraagt invulling te willen geven aan “de menselijke maat in het vreemdelingenrecht”, om zich ervan te vergewissen of berust kan worden in verblijfsaanvaarding omdat eenvoudigweg niet onaannemelijk is dat de gevolgen voor eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst buitengewoon ernstig kunnen zijn. Eiser heeft verklaard geen volwassen familieleden te hebben tot wie hij zich kan wenden. Het is ongewis of eiser de begeleiding van vrijwilligers die hij thans ontvangt zal kunnen verkrijgen in Liberia. Ook indien verweerder mocht concluderen dat sprake is van adequate opvang en daarom niet tot verblijfsaanvaarding hoeft te worden overgegaan of een mogelijk te verlenen verblijfsrecht na bereiken van meerderjarigheid is beëindigd, is niet onvoorzienbaar welke gevolgen terugkeer voor eiser zal hebben als het gaat om het basale in staat zijn om te overleven. De rechtbank geeft verweerder daarom sterk in overweging om zich niet alleen van de juridische merites van de onderhavige procedures rekenschap te geven, maar ook van de persoon van eiser zoals die uit de medische stukken blijkt en zoals waargenomen ter zitting en zich bewust te zijn van de (on)mogelijkheden van eiser om zich in Liberia als jongvolwassene zelfstandig staande te houden en in wezen in staat te zijn om te overleven.

Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld om te voldoen aan de opdracht van de rechtbank.
Rb den Bosch NL21.11233T, 12.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10437

RvS: geen paspoort nodig voor beoordelen toegankelijkheid zorg

Bij besluit heeft de staatssecretaris de aanvraag van vreemdeling (Marokkaans) om uitstel van vertrek afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, omdat de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet met originele en officiële documenten heeft aangetoond. Hierdoor is niet getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg. Het beroep is vervolgens gegrond verklaard, omdat ondeugdelijk gemotiveerd was waarom hier niet aan getoetst kon worden. Vreemdeling is in 2011 met een laissez-passer, afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, naar dat land uitgezet en de staatssecretaris twijfelt niet aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling.

De Afdeling overweegt als volgt. Uit het besluit van de staatssecretaris blijkt dat er niet wordt getwijfeld over de identiteit en nationaliteit van vreemdeling, wat het per direct mogelijk maakt om onderzoek te doen naar de feitelijke toegankelijkheid van beschikbare medische zorg. Daarnaast volgt uit Europese jurisprudentie en nationaal beleid ook dat er eerst moet worden beoordeeld of er twijfel is over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg en daarvoor zijn geen originele en officiële documenten over de identiteit en nationaliteit nodig als de identiteit en nationaliteit anderszins aannemelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om de feitelijke toegankelijkheid te onderzoeken.

Hoger beroep ongegrond.
ABRvS 202103593/1/V1, 13.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:2957

RvS: oordeel over verblijfsrecht moeder van meerderjarig geworden NLs kind

De vreemdeling heeft de Chinese nationaliteit. Zij is in 2014 naar Nederland gekomen samen met haar NLse zoon. Op 15 januari 2019 is de zoon meerderjarig geworden. De vreemdeling heeft daarna een nieuwe aanvraag voor verblijf bij haar zoon ingediend....

De vreemdeling heeft in bezwaar bewijsstukken overgelegd om de gestelde bijzondere afhankelijkheids-relatie tussen haar en haar zoon nader te onderbouwen, zoals het feit dat hij een taalontwikkelings-stoornis en een beperkt sociaal netwerk heeft, nog schoolgaand is en financieel van haar afhankelijk is. Zij heeft verder betoogd dat haar rol bij de begeleiding en behandeling van haar zoon essentieel is, omdat de professionele behandelaars maar beperkt beschikbaar zijn en deze behandelaars haar juist om deze reden om hulp hebben gevraagd. Om de situatie van haar zoon nader te kunnen toelichten heeft zij ook expliciet verzocht om te worden uitgenodigd voor een hoorzitting. Onder deze omstandigheden was nader onderzoek op zijn plaats geweest naar de wijze waarop de vreemdeling betrokken is bij de behandeling en begeleiding van haar zoon. De vreemdeling heeft voldoende concrete omstandigheden aangevoerd die erop wezen dat zij er een groot belang bij had om te worden gehoord.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 202104291/1/V3, 18.10.22
ECLI:NL:RVS:2022:2983

Rb: Chavez voor pleegmoeder na rapport Raad voor Kinderbescherming

In de uitspraak van 3 februari 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken dat [A] een moeilijke jeugd heeft gehad, dat zijn moeder het gezin heeft verlaten en dat hij een deel van zijn leven in een pleeggezin is opgegroeid. Verweerder had bij zijn beoordeling moeten betrekken dat de moeilijke jeugd van invloed kan zijn op de mate van affectieve relatie met eiseres en het risico dat voor het evenwicht van [A] zou ontstaan als hij van eiseres zou worden gescheiden. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat - als verweerder geen aanleiding ziet om op basis van de gegevens die nu beschikbaar zijn een verblijfsrecht aan eiseres toe te kennen - verweerder dit nader moet motiveren en/of nader onderzoek moet verrichten, waarbij hij het hogere belang van het kind en alle relevante omstandigheden moet betrekken.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek van de Raad voor Kinderbescherming volgt dat eiseres meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. De Raad is immers tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie van [A] met eiseres, dat het belang van [A] geschaad wordt bij vertrek van eiseres, omdat – kort gezegd – de Raad vreest dat het verlies van een moederfiguur voor [A] , voor de vierde keer in zijn leven, voor onherstelbare schade zorgt. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie tussen [A] en eiseres. Dat er meerdere elementen een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een Chavez-Vilchez situatie - zoals financiële afhankelijkheid en de juridische verhouding - is correct, maar naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval, gelet op alle bijzonderheden van deze zaak en met inachtneming van het hogere belang van het kind, een dusdanig zwaar gewicht toegekend te worden aan de emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en [A] , dat hiermee de zodanige afhankelijkheid in de zin van het arrest is gegeven, zoals ook de Raad concludeert.

Gelet op de gang van zaken in deze procedure ziet de rechtbank geen reden om verweerder op te dragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank voorziet daarom zelf in deze zaak, door het bezwaar gericht tegen het primaire besluit gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank stelt vast dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder moet een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet aan eiseres verstrekken.

Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht AWB 21/4484 en AWB 21/4485, 7.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10868

IB 2022/96: toelating afhankelijke familieleden bij EU-burger

Dit Informatiebericht gaat over de voorwaarden voor verblijfsrecht van familieleden van EU-burgers die niet behoren tot het kerngezin. Deze worden toegelaten als sprake is van een relatie van afhankelijkheid ‘die gebaseerd is op een nauwe, duurzame persoonlijke band die is ontstaan in hetzelfde huishouden en in het kader van een gemeenschappelijk huiselijk leven, welke verder gaat dan louter samenwonen om praktische redenen. Het is aan het familielid om deze band aan te tonen.’

Om te toetsen of er sprake is van zo’n dergelijke band is onder meer van belang:

  • De hechtheid van de betrokken familierelatie;
  • De reciprociteit en de intensiteit van de band. De band moet van dien aard zijn dat als het andere familielid in het gastland niet zou kunnen inwonen bij de Unieburger, minstens een van beiden daaronder zou lijden;
  • Duur van het samenleven.

Dit gaat niet zo ver dat die band zodanig is dat de Unieburger zijn vrij verkeer-rechten niet zou uitoefenen indien het andere familielid hem niet zou kunnen vergezellen of volgen. Dan zou je immers dit andere familielid gelijkstellen met familieleden die worden genoemd in artikel 2, tweede lid, Richtlijn 2004/38.

IB 2022/96, 20.10.22

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1295324_1/1/

SvJ&V: nog geen wijziging Iran-beleid

Indien de protesten en de situatie zich verder ontwikkelen zal bezien worden of er een verdergaande mate van bescherming of een maatregel zoals bijvoorbeeld een besluit en vertrekmoratorium vereist is. Op basis van de momenteel beschikbare informatie zie ik daar echter geen aanleiding toe.... Ik houd de situatie van transgenders continu in de gaten en bij de informatieuitvraag voor het volgende ambtsbericht zal de minister van Buitenlandse Zaken worden gevraagd om nog nadrukkelijker in te gaan op de positie van transgenders.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2022/10/20/tk-antwoorden-op-vragen-tijdens-commissiedebat-over-het-vreemdelingen-en-asielbeleid-d-d-19-oktober-2022/tk-antwoorden-op-vragen-tijdens-commissiedebat-over-het-vreemdelingen-en-asielbeleid-d-d-19-oktober-2022.pdf, 20.10.22

Pagina's