Nieuws

Rb: terecht VBL ondanks verblijf bij INLIA

Eiser voert aan dat er nog een hoger beroep loopt in zijn procedure op grond van artikel 64 Vw. Dit hoger beroep is door de Afdeling aangehouden in afwachting van de uitkomst in andere zaken. Ook betoogt eiser dat de stichting INLIA garant staat voor een vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. Dat eiser niet staat ingeschreven in de BRP is inherent aan zijn verblijfsrechtelijke situatie. Hij is volledig beschikbaar voor alle diensten van de overheid. Gelet op zijn medische omstandigheden acht eiser het van belang om zijn verblijf bij INLIA te kunnen voortzetten. …

De beroepsgronden slagen niet. … Op eiser rust de rechtsplicht uit eigen beweging Nederland te verlaten. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf meer en daarom ook geen recht op opvang en voorzieningen. Ook staat eiser niet met een vaste woon- of verblijfplaats ingeschreven in de BRP en heeft hij ook geen eigen zelfstandige middelen van bestaan. De rechtbank benadrukt dat plaatsing in de VBL niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eiser daadwerkelijk werkt aan zijn vertrek, maar ook dat hiermee aan hem in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg. Buiten de VBL heeft eiser deze voorzieningen niet. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat de medische zorg in de VBL niet toereikend is en van mindere kwaliteit dan de zorg die hij eerder in Groningen heeft gekregen. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat plaatsing in de VBL geen geschikt middel is voor eiser. Gelet op al deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert en dat geen lichter middel kon worden opgelegd.

Het beroep is ongegrond.
Rb Groningen NL25.62427, 10.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2459

Rb: vrijlating want declaratoir rechtmatig verblijf bij EU-partner

De rechtbank oordeelt dat de minister tijdens het gehoor onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven dat hij een vriendin heeft, dat hij bij haar verblijft, dat zijn advocaat papieren heeft en dat zij een aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in orde aan het maken zijn. Naar oordeel van de rechtbank had de minister op basis van deze verklaringen door moeten vragen naar de verblijfsrechtelijke status van eiser, bijvoorbeeld door eiser in de gelegenheid te stellen om documenten te overleggen ter staving van dit verblijfsrecht. Dat de minister dit niet heeft gedaan, betekent dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. De beroepsgrond slaagt.

Het beroep is reeds hierom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

Rb Utrecht NL25.58718, 19.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27241

RvS: beoordeling non-refoulement in detentie en terugkeerbesluit

De Afdeling benadrukt dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring dat er zicht op uitzetting bestaat, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. Dat is anders wanneer de rechter in een procedure over een terugkeerbesluit moet beoordelen of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. Dit verschil in toetsing vloeit voort uit het feit dat een maatregel van bewaring, anders dan een terugkeerbesluit, een ernstige inmenging is in het recht op vrijheid van een vreemdeling en dus een vergaande dwangmaatregel in de terugkeerprocedure is. Om die reden moet de bewaringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting en daarmee het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt, de betrokken vreemdeling onmiddellijk in vrijheid stellen. Zie het arrest Adrar.….

Het Hof overweegt in arrest Adrar dat het arrest geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, maar alleen op de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. Dat neemt niet weg dat een terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring nauw samenhangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting van een vreemdeling uitsluitend worden opgelegd indien de minister voorafgaand aan of gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit heeft genomen. Het terugkeerbesluit is dus een vereiste voor het opleggen van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting….

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt echter ook dat ambtshalve toetsing of beoordeling er niet toe mag leiden dat de rechter buiten de grenzen van het geding treedt. Zo’n situatie doet zich voor als de rechter de rechtmatigheid van een ander besluit toetst of beoordeelt dan van het besluit waartegen beroep is ingesteld. Dat betekent ook na het arrest Adrar nog altijd dat de bewaringsrechter niet mag oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. ….

In dit geval heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene buiten behandeling gesteld. Dat besluit geldt ook als terugkeerbesluit en staat in rechte vast. De rechtbank had in dit geval de motivering in de maatregel van bewaring moeten beoordelen.

In dit geval heeft de minister in het gehoor voorafgaand aan de bewaring gevraagd aan betrokkene of hij wil en kan terugkeren naar Marokko. Daarop heeft hij geantwoord dat hij niet wil terugkeren, omdat hij daar niets te eten en geen onderdak heeft. …. Het is de Afdeling op basis van het dossier, wat betrokkene heeft aangevoerd en de nadere schriftelijke inlichtingen niet gebleken dat in dit geval tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, het zicht op uitzetting ontbrak omdat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzette. De grief slaagt.

Het hoger beroep tegen Rb Roermond NL25.13967, 11.4.25 is gegrond.
RvS BRS.25.000423, 12.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:329

Rb: terecht terugkeerbesluit tijdens vrije termijn, want illegaal werk en registratie in RNI

Eiseres heeft de Colombiaanse nationaliteit. Verweerder heeft haar een terugkeerbesluit opgelegd en dit in het SIS gesignaleerd. …..

Alhoewel niet ter discussie staat dat eiseres zich tijdens de staandehouding nog in haar vrije termijn bevond, mocht verweerder eiseres tegenwerpen dat zij op dat moment niet over voldoende middelen van bestaan beschikte. Verder mocht verweerder aan eisers tegenwerpen dat zij arbeid heeft verricht in strijd met de Wav.

Vanwege het voorgaande mocht verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opleggen. Van het verwijderen van de SIS-signalering is dan ook geen sprake.

Rb den Haag NL24.25301, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1496

IB 2026/3: reguliere verblijfsvergunning mogelijk bij inreisverbod, tenzij uitgereisd

Op 5 december 2018 oordeelde de Raad van State dat het hebben van een inreisverbod (IRV) de aanvraag van een reguliere verblijfsvergunning niet in de weg staat als de vreemdeling het grondgebied van de EU+ nog niet heeft verlaten. Artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw blijft dan buiten toepassing. In deze situatie is het IRV nog niet in werking getreden: er is sprake van een niet-actief inreisverbod. Het inreisverbod wordt namelijk pas actief wanneer de vreemdeling de EU+ heeft verlaten.

Het IRV staat rechtmatig verblijf wél in de weg als de vreemdeling de EU+ heeft verlaten en de EU+ vervolgens weer is ingereisd, terwijl het IRV nog niet is verstreken en ook niet is opgeheven. De vreemdeling heeft in dit geval een actief inreisverbod en had niet mogen inreizen: het inreisverbod is immers actief geworden op het moment van uitreis uit de EU+. In dat geval geldt art. 66a, zesde en zevende lid, Vw. Het indienen van een nieuwe reguliere aanvraag of een nieuwe aanvraag voor een EU-document leidt in deze situatie niet tot rechtmatig verblijf.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1402816_1/1/, 13.2.26

Rb: terecht controle in woning

Uit het dossier volgt dat er meerdere meldingen bij de politie zijn gedaan over een adres waar overlast werd veroorzaakt door personen die bekend zijn bij de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). De rechtbank oordeelt dat er op grond van deze meldingen voldoende reden was om het adres te bezoeken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verder toegelicht dat de verbalisanten met toestemming van een van de bewoners de woning hebben betreden, waarna ze eiser aantroffen. Toen ze eiser vroegen om zijn identiteitsdocument, antwoordde hij dat hij geen identiteitsdocument had. Toen eiser zijn naam opgaf, bleek uit de politiesystemen dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Uit het voorgaande blijkt dat de ambtenaren voldoende aanleiding hadden om naar de woning te gaan, dat zij met toestemming van een van de bewoners de woning betraden, en dat er, toen eiser aangaf geen identiteitsdocument te hebben en vervolgens uit het systeem bleek dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, voldoende aanleiding was om eiser vreemdelingrechtelijk staande te houden.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL25.55973, 24.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27228

RvS: aanwezigheid partner voorwaarde voor beschikbaarheid zorg in Nigeria

Uit het BMA-advies van 4 februari 2025 volgt dat 24-uurs aanwezig is in Abuja, maar de BMA-arts heeft ook aangegeven dat, gelet op de specifieke afhankelijkheid van de echtgenoot in het voorkomen van een medische noodsituatie, zij de beschikbare alternatieven voor de zorg die door de echtgenoot worden geleverd voor eiseres, onvoldoende acht. De rechtbank stelt vast dat ter zitting door de minister nadrukkelijk is gesteld dat de aanwezigheid van de 24 uur-uurs zorg in Abuja in deze specifieke situatie afhankelijk is van de aanwezigheid van de echtgenoot van eiseres. Zo is door de minister gesteld dat, indien de echtgenoot van eiseres er niet is, niet aan de voorwaarden van het BMA-advies kan worden voldaan. Nu eiseres voldoende aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de toelating van de Ghanese echtgenoot tot Nigeria, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat en op welke wijze aan de randvoorwaarde zoals door de BMA-arts is gesteld kan worden voldaan. …

In haar enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke zorg voor betrokkene, in de vorm van mantelzorg door haar partner in Nigeria, beschikbaar is. Volgens haar rust de bewijslast dat Nigeria feitelijk toegankelijk is voor haar partner, op betrokkene.

De Afdeling concludeert dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke zorg voor haar feitelijk toegankelijk is, maar of die zorg beschikbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of de zorg beschikbaar is, ligt de bewijslast bij de minister. De minister moet toelichten hoe zij voldoet aan het door het BMA gestelde vereiste dat de partner in Nigeria aanwezig is. De verwijzing naar een openbare bron waaruit volgens de minister blijkt dat de partner van betrokkene bij de Nigeriaanse autoriteiten een verblijfsvergunning van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten kan aanvragen, waarmee hij rechtmatig verblijf zou kunnen krijgen, is onvoldoende. De minister heeft hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten de partner van betrokkene een verblijfsvergunning zullen verlenen. Evenmin is de toelichting van de minister dat zij betrokkene niet zal uitzetten als zij, gelet op de reisvereisten, de medische overdracht niet kan regelen, voldoende. De aanwezigheid van de partner van betrokkene is niet alleen een reisvereiste, maar tevens een beschikbaarheidsvereiste. Is die partner aanwezig, dan bestaat er in het kader van de beschikbaarheid van de noodzakelijke zorg geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Echter, de minister heeft niet gewaarborgd dat de noodzakelijke zorg in de vorm van de partner beschikbaar was op het moment dat zij besloot betrokkene geen uitstel van vertrek te verlenen.

De grief tegen Rb Groningen NL25.6915, 14.5.25 slaagt niet.
RvS BRS.25.000701, 26.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:390

Rb: Prejudiciële vraag: moet IND ikv non-refoulementscheck ook toegankelijkheid zorg toetsen?

Eiser is ernstig ziek en wordt thans in Nederland behandeld. Uit het BMA-advies volgt dat indien de medische behandeling niet wordt voortgezet, er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. In het BMA-advies is vermeld dat de noodzakelijke medische behandeling beschikbaar is in Guinee.

De rb overweegt dat, indien een medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar, maar na terugkeer niet daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor de ernstig zieke vreemdeling, de medische noodsituatie zich zal voordoen. In het hoofdgeding rijst in dit verband de vraag of verweerder, die gedurende de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 onder meer verplicht is om rekening te houden met de gezondheidssituatie van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische behandeling en niet kan volstaan met het nagaan of deze of een vergelijkbare medische behandeling in het land waar de terugkeerverplichting op ziet in het algemeen beschikbaar is. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid moet de ernstig zieke derdelander aantonen dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen na terugkeer voor hem niet feitelijk toegankelijk zal zijn. De rb vraagt zich af of deze bewijslastverdeling verenigbaar is met het Unierecht.

Meer in het bijzonder vraagt de rb zich af of verweerder, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en de verplichtingen die verweerder heeft, hij zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg om na te gaan of het refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit en de verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling. 

De rb acht het noodzakelijk om gelet op deze rechtsvraag een nadere verduidelijking van het Hof te verkrijgen en stelt daarover een prejudiciële vraag. Schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Rb Roermond, NL23.12804, 27.1.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:1324

Rb: alsnog vrijstelling mvv vereiste verblijf bij doodzieke partner (inmiddels overleden)

Eiseres heeft op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ om bij haar Nederlandse echtgenoot te verblijven. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt niet over een mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling daarvan. Op 16 juni 2025 is referent overleden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beroepszaak….

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiseres op uitoefening van gezinsleven met haar echtgenoot onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van referent. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de overgelegde verklaring van de longarts waaruit blijkt dat referent uitgezaaide longkanker had, dat zijn levensverwachting onzeker is, maar er een reële kans is dat deze korter is dan drie maanden. …  Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat referent mee kan gaan naar Marokko.

De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat verweerder tegenwerpt dat referent – in de laatste maanden van zijn leven – mee zou kunnen reizen naar Marokko, dan wel van eiseres verlangt dat zij haar echtgenoot in deze situatie achterlaat om in Marokko te een mvv te halen, wetende dat hij waarschijnlijk in die tussentijd zou sterven. Met de nodige terughoudendheid toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vasthouden aan het mvv vereiste in deze zaak niet heeft geleid tot schending van artikel 8 van het EVRM.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en daarin beoordelen of eiseres op enig moment kan worden geacht aan de voorwaarden van de vergunning te hebben voldaan en vervolgens of zij om die reden nu recht heeft op een vergunning verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, dan wel of zij op grond van de huidige situatie in aanmerking komt voor een vergunning verband houdend met artikel 8 van het EVRM.

Rb den Haag NL25.14983 en NL24.35610, 27.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27134

Rb: risico politiek activist Venezuela

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat de huidige situatie in Venezuela erg onzeker is.

De rechtbank acht de aanvullende motivering van de minister in het verweerschrift onvoldoende concreet en volledig om op basis daarvan te concluderen dat er voor eiseres gelet op haar politieke overtuiging geen risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM. Bovendien blijkt uit deze informatie ook dat als gevolg van de afgekondigde noodtoestand meer politie, leger en collectivos op straat aanwezig zijn en dat er checkpoints zijn ingesteld waar mensen worden gefouilleerd en wordt gecontroleerd of zij online berichten hebben geplaatst over de militaire actie van de Verenigde Staten.

Gelet hierop is het beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.50019, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1999

Pagina's