Nieuws

Rb: meewegen medische klachten en detentie-ervaring bij Dublinbesluit Duitsland

Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Duitsland veel slechte ervaringen heeft gehad, zowel met de autoriteiten als met haar familie, en dat als gevolg daarvan haar psychische klachten ernstig zijn toegenomen. …  Eiseres heeft in Duitsland een toegangsweigering met besluit tot verwijdering naar Irak gekregen en is enige tijd gedetineerd geweest. Deze slechte ervaringen van eiseres in Duitsland kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt….

Aan slechte ervaringen met de autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat komt naar het oordeel van de rechtbank echter wel betekenis toe bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als de vreemdeling met medische stukken aannemelijk maakt dat hij/zij daardoor psychische klachten heeft opgelopen en dat die klachten door de overdracht of de dreiging daarvan (zullen) verergeren. Eiseres heeft met de door haar in beroep overgelegde medische stukken aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in haar geval voordoet. Uit de door haar overgelegde verklaring van de psycholoog en de psychiater volgt dat haar psychische klachten, die in haar land van herkomst zijn ontstaan, door haar behandeling in Duitsland (detentie) zijn geactiveerd en dat die in Duitsland geactiveerde klachten in Nederland zijn geluxeerd door de dreigende uitzetting naar Duitsland, zich uitende in grote angstigheid en een toename van suïcidale gedachten.

Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in deze door eiseres onderbouwde psychische problematiek, die op zijn minst deels gerelateerd is aan haar behandeling in Duitsland en de dreiging van een overdracht aan Duitsland, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Dat heeft verweerder niet gedaan. … De slotsom is dan ook dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in voormelde omstandigheden geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken.

Het beroep is gezien het voorgaande gegrond.
Rb Rotterdam NL25.50133, 13.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2174

Rb: gezin niet naar België, herhaalde asielzoekers krijgen geen opvang

Eisers hebben in België reeds vier keer asiel aangevraagd. Bij overdracht naar België zullen zij dan ook aangemerkt worden als Dublinterugkeerders met een herhaalde asielaanvraag. Eisers hebben er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport volgt dat Dublinterugkeerders die een opvolgende aanvraag indienen geen automatische toegang krijgen tot opvang. Zij kunnen zich inschrijven op een wachtlijst, waarna ze na veelal enkele maanden worden toegelaten tot een opvanglocatie. Uit het rapport volgt dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. Verweerder is op deze situatie in het bestreden besluit niet nader ingegaan en heeft ook niet betrokken in hoeverre het verstoken zijn van opvang in het belang is van de minderjarige kinderen van eisers. …

Verweerder heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat eisers kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten wanneer men geen opvang heeft en dat men tegen een weigering om opvang te verlenen rechtsmiddelen kan aanwenden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hierbij hetgeen de Afdeling daarover eerder heeft geoordeeld. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat alle asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen.

Gelet op het voorgaande bevatten de bestreden besluiten een motiveringsgebrek. De beroepen zijn daarom gegrond. 

Rb Middelburg NL25.53034 en NL25.53036, 5.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2051

Rb: discriminatie nationaliteitsoverdracht kind van moeder die nationaliteit verloor door huwelijk

In deze zaak beoordeelt de rb het beroep van eiser tegen de weigering van de minister om hem het Nederlanderschap te verlenen. Eiser is geboren in 1962 in Parijs en bezit de Franse nationaliteit. Zijn moeder is geboren in 1940 in de Bilt en had ten tijde van haar huwelijk in 1961 de Nederlandse nationaliteit. Door dit huwelijk verloor zij automatisch haar Nederlandse nationaliteit. Eiser stelde dat hij in aanmerking komt voor het Nederlanderschap via optie, omdat zijn moeder oorspronkelijk Nederlands was. De minister wees dit af, omdat de moeder op het moment van eisers geboorte niet de Nederlandse nationaliteit bezat.

De rb bespreekt de toepasselijke regelgeving. Voor 1964 verloren vrouwen door huwelijk automatisch hun Nederlandse nationaliteit, terwijl mannen dat niet deden. Dit leidde tot ongelijke behandeling. Voor kinderen geboren voor 1 januari 1985 gold slechts een beperkte overgangsregeling, waarvoor eiser niet in aanmerking kwam.

Eiser voert aan dat de optieregeling in strijd is met art. 9 lid 2 van het VN-Vrouwenverdrag, omdat vrouwen ongelijk werden behandeld in het nationaliteitsrecht. De rb volgt dit standpunt en oordeelt dat art. 9 lid 2 van het VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking heeft en dat de voorwaarde in de RWN (dat de moeder bij geboorte van het kind Nederlands moet zijn) in dit geval in strijd is met dat verdragsartikel. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.

Rb Den Haag, SGR 24/9477, 22.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25577

Rb: vovo in beroep tegen afwijzing art-64 om behoud opvang bij Tussenvoorziening

Verzoekster heeft een art-64aanvraag ingediend, deze is afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de gevolgen van de afwijzing worden geschorst.

Verzoekster heeft verzocht om het vovo-verzoek met spoed te behandelen omdat zij haar onderdak bij de Tussenvoorziening in Utrecht dreigt te verliezen vanwege de negatieve beslissing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiermee het spoedeisend belang is gegeven.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister de door verzoekster verstrekte inlichtingen niet heeft bestreden. Gelet hierop en op de gestelde gevolgen die het bestreden besluit voor verzoekster heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen.

Rb Utrecht NL25.60879, 16.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:692

Rb: lichter middel dan detentie want bezig met hasa-voorbereiding

In het vertrekgesprek van 8 december 2025 heeft eiser voor het eerst gehoord dat er geen beroep was ingesteld tegen het besluit dat verweerder had genomen op zijn aanvraag. Zijn asieladvocaat had een fout gemaakt en de termijn om rechtsmiddelen in te dienen laten verlopen. Eiser is daarop direct met zijn asieladvocaat en in overleg met het COA aan een nieuwe asielaanvraag gaan werken. Op 13 januari 2026 heeft eiser een dagkaart van het COA ontvangen om naar Ter Apel te reizen voor het indienen van zijn nieuwe asielaanvraag. ….

Het komt de rechtbank niet onaannemelijk voor dat de voorbereiding van de nieuwe asielaanvraag enige tijd in beslag heeft genomen en dat eiser daardoor die aanvraag niet eerder kon indienen. Dit mede gelet op de feestdagen eind december. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een plotselinge nieuwe asielaanvraag om uitzetting te frustreren, maar is het een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat eiser op de dag dat hij naar Ter Apel zou afreizen om zijn nieuwe aanvraag in te dienen in bewaring is gesteld. Hoewel uit de bewaringsgronden op zichzelf een risico op onttrekking volgt, wordt dit risico naar het oordeel van de rechtbank gerelativeerd door de aannemelijke verklaring van eiser over het voortzetten van zijn opvang tot hij zou afreizen naar Ter Apel. Eiser was ervan uitgegaan dat hij de behandeling van zijn nieuwe aanvraag in een AZC zou kunnen afwachten en wil dat ook. De rechtbank constateert verder dat verweerder op de zitting niet heeft betwist dat eiser zich aan alle afspraken met DT&V en het COA en aan zijn meldplicht heeft gehouden.

Gelet op dit alles, bezien in samenhang met de overige omstandigheden in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de bewaring nog steeds noodzakelijk is en dat er thans geen andere, minder ingrijpende, maatregelen mogelijk zijn om het (gerelativeerde) risico op onttrekking te ondervangen.

Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.2453, 22.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1305

Rb: schadevergoeding niet-erkende Chavez-vergunning

In beroep tegen de afgewezen Chavez-vergunning is vastgesteld dat sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek omdat geen onderzoek was gedaan naar de afhankelijkheidsverhouding.

Dat verzoekster gedurende haar strafrechtelijke detentie niet de feitelijke zorg over haar zoon kon dragen en dat dit werd overgenomen door Nidos en/of een pleeggezin, was tijdelijk. Voorafgaand aan deze detentie en na het beëindigen ervan was en is de zoon van verzoekster volledig afhankelijk van haar en uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat hij wist (en voor ogen hield) dat hij weer bij verzoekster zou gaan wonen. Als verzoekster geweigerd werd, zou de zoon van verzoekster als Nederlander gedwongen worden het grondgebied van Nederland en de Europese Unie als geheel te verlaten, wat volgens de Chavez-Vilchez rechtspraak reden is om verzoekster een afgeleid verblijfsrecht te geven, wat later - na onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) - ook gebeurd is. Als gevolg hiervan had verzoekster langer onrechtmatig verblijf in Nederland en kwam zij niet in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), waardoor zij langer strafrechtelijke detentie onderging.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een schadeveroorzakend onrechtmatig besluit, is de schade voldoende onderbouwd en wordt voldaan aan het causaliteitsvereiste en het relativiteitsvereiste. Hoogte schadevergoeding vastgesteld op €17.900,00 (hierbij is aansluiting gezocht bij de door het LOVS vastgestelde normbedragen in de strafsector voor onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregelen).

Rb Roermond AWB 23/4546 3.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27172

Rb: belangenafweging verblijf bij partner ikv Gezinsherenigingsrichtlijn en 8EVRM en non-refoulements-check Iran

Uit het arrest Yön volgt dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vereist dat de regels voor de uitvoering van de verplichting voor een vreemdeling om vóór binnenkomst te beschikken over een visum, niet verder gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Onder bepaalde omstandigheden, waaronder een vanwege gezondheidsproblemen van een vreemdeling bijzondere afhankelijkheid van referent in combinatie met het feit dat een vreemdeling aan alle materiële vereisten voldoet, kan volgens het Hof toepassing van dit visumvereiste in strijd zijn met dit beginsel.

Concreet betekent dit het volgende. Indien een vreemdeling feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, moet de staatssecretaris beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste indien die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. …  De vraag of een vreemdeling aan alle materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet kan in zo'n geval dus niet pas aan de orde komen nadat de staatssecretaris de vreemdeling heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste, maar speelt al een rol bij de beantwoording van de vraag of die vreemdeling van dat vereiste moet worden vrijgesteld.

De beoordeling voldoet daarmee niet aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets die het Hof voorschrijft. De beroepsgrond slaagt….

Eiser heeft bovendien erop gewezen dat het voor hem en referente niet veilig is in Iran en dat referente de Nederlandse nationaliteit en een zeer goede baan in Nederland heeft. … De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de veiligheidsrisico’s die eiser en referente bij terugkeer in Iran kunnen lopen en de objectieve belemmeringen die daaruit kunnen voortvloeien om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Eiser heeft gewezen op informatie uit het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 en informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten sinds de dood van Mahsa Amini strenger controleren wie het land in- en uitreizen. Ook blijkt daaruit dat Iraanse onderdanen in het buitenland worden gemonitord en dat Iraniërs die lang in het buitenland hebben verbleven en/of een dubbele nationaliteit hebben een verhoogd risico lopen op arrestatie en detentie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit verweerders motivering onvoldoende waarom deze omstandigheden geen objectieve belemmering opleveren om het gezinsleven in Iran te kunnen uitoefenen.

Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de belangenafweging niet blijkt welk gewicht is toegekend aan het feit dat referente in Nederland een goede baan heeft en waarom het belang bij het bewaken van het algemene economische welzijn van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt. De beroepsgrond slaagt….

Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht verweerder om in alle fasen van de terugkeerprocedure - dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit zoals verweerder in het primaire besluit heeft gedaan en bij het handhaven ervan in een besluit op bezwaar zoals in dit geval - het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder de plicht heeft om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen bij het vaststellen van een terugkeerbesluit. … Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder geen deugdelijke actuele refoulementbeoordeling heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt.

Rb Haarlem NL24.27169, 20.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1217

Rb: dienstweigeraar loopt geen risico meer in Syrie

Uit openbare bronnen volgt dat de dienstplicht na de val van het regime Assad (in ieder geval) in het controlegebied van de overgangsregering is afgeschaft en er zijn geen aanwijzingen dat Syrische vreemdelingen die de militaire dienstplicht hebben ontdoken en illegaal zijn vertrokken bij terugkeer risico lopen als dienstplichtontduiker of deserteur te worden gezien.

Het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld is niet aannemelijk gemaakt.

Rb den Bosch 24.41930, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1454

RvS: geen bescherming genitale verminking Senegal

In deze zaak ligt de vraag voor of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bescherming kan inroepen tegen dreigende vrouwelijke genitale verminking.

De minister heeft in dit verband niet zonder meer aan haar besluit ten grondslag mogen leggen dat vrouwelijke genitale verminking in Senegal bij wet verboden is en dat er ook vervolging plaatsvindt. Appellant voert namelijk terecht aan dat uit de landeninformatie blijkt dat in Senegal bij dreigende vrouwelijke genitale verminking geen, of in elk geval nauwelijks, vervolging plaatsvindt. Hoewel de minister in hoger beroep verwijst naar enkele gevallen waarin daders en familieleden zijn veroordeeld voor vrouwelijke genitale verminking, baseert zij zich daarbij op een bron die slechts vijf gevallen noemt over de periode 2004 tot en met 2010. Dat biedt weinig inzicht in het totaal aantal aangiftes in die periode, terwijl het aantal strafvervolgingen in elk geval gering is in verhouding tot het grote aantal vrouwelijke genitale verminkingen sinds het verbod daarop in 1999. Bovendien is de verslagperiode niet recent en waren de opgelegde straffen laag en veelal voorwaardelijk. Dit duidt er niet op dat de Senegalese autoriteiten redelijke maatregelen tot voorkoming van vrouwelijke genitale verminking treffen.

De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat het mogelijk is om een beroep te doen op de bescherming van ngo’s. Deze organisaties beperken zich grotendeels tot informatieverspreiding en bieden doorgaans geen langdurige materiële hulp. Daarnaast constateert de Afdeling dat de ngo’s kleinschalig en lokaal van aard zijn en bovendien vooral op minderjarigen gericht lijken. Met deze verwijzingen heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat appellant bij deze organisaties daadwerkelijk bescherming kan inroepen indien gerechtelijke vervolging uitblijft. Ook het bestaan van overheidsinstanties en nationale actieplannen die gericht zijn op het bestrijden van gedwongen uithuwelijking en/of vrouwelijke genitale verminking, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft niet toegelicht dat deze inzet daadwerkelijk voorziet in bescherming van vrouwen tegen dergelijke praktijken.

De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.27381, 20.8.24 is gegrond.

RvS 202405413/1/V1, 29.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:516

Rb: risico bij terugkeer Nigeriaan vanwege HIV (art-64 toegekend)

Uit landeninformatie blijkt dat personen met HIV in Nigeria te maken krijgen met stigmatisering. Daarnaast blijkt uit het AAB15 dat leden van de LHBTI-gemeenschap het zwaar hebben in Nigeria: zowel nationale als islamitische strafwetgeving criminaliseren seks tussen individuen van dezelfde sekse en leden van de LHBTI-gemeenschap genieten geen juridische bescherming tegen discriminatie. Er is volgens het landenbeleid dan ook sprake van een risicoprofiel als iemand lid is van de LHBTI-gemeenschap. Uit andere landeninformatie blijkt een verband tussen de stigmatisering vanwege HIV en LHBTI16. Dit wijst erop dat dat eiser als HIV-besmette te maken kan krijgen met toegedichte homoseksualiteit.

Het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf bij terugkeer in Nigeria een homoseksuele geaardheid wordt toegedicht vanwege zijn HIV, is onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom eiser moet onderbouwen dat hij als persoon dit soort zaken zal meemaken.

Verweerder moet bovendien ingaan op de vraag of eiser vanwege de mogelijke stigmatisering dusdanig zal worden gediscrimineerd dat hij zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat het voor hem onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarbij is relevant op welke wijze eiser vanwege zijn HIV mogelijk zal worden gestigmatiseerd. Ook is relevant wat daarvan de mogelijke gevolgen zullen zijn, bijvoorbeeld voor wat betreft de toegang tot medische voorzieningen.

Eiser heeft op dit moment een verblijfsvergunning voor een jaar op medische gronden, dus een situatie dat eiser het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege het ontbreken van de noodzakelijke medische behandeling doet zich nu niet voor.

Deze beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL24.38136, 8.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:773

Pagina's