Nieuws

SvJ&V: aanpak arbeidsuitbuiting buiten mensenhandel, ism FNV

De FNV stelt dat er gekeken moet worden naar een nieuw wetsartikel over arbeidsuitbuiting, waarmee maatschappelijk duidelijk wordt gemaakt dat het uitbuiten van werknemers strafrechtelijke gevolgen heeft. In samenwerking met een breed pallet aan stakeholders, onderzoeken JenV en SZW momenteel wat de meerwaarde van een dergelijk artikel zou zijn. Uit deze analyse komt tot nu toe naar voren dat het in de praktijk vooral gaat om situaties van ernstige benadeling, in plaats van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin. Tegen deze vormen van ernstige benadeling kan al strafrechtelijk en bestuursrechtelijk worden opgetreden. Dit vergt wel een integrale benadering van bijvoorbeeld de Inspectie SZW, politie en gemeenten.

Samen met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) wordt momenteel gewerkt aan een handreiking met handelingsperspectieven, die passen bij een gecoördineerde integrale aanpak van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling. Dit moet helpen om situaties die strafrechtelijk niet als mensenhandel kunnen worden beschouwd, maar wel ernstig zijn, effectief aan te pakken met behulp van verschillende handhavingsinstrumenten.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/07/01/tk-moties-en-toezeggingen-op-het-gebied-van-mensenhandel/tk-moties-en-toezeggingen-op-het-gebied-van-mensenhandel.pdf, 1.7.20

Rb: recht op opvang ook in derde procedure; rechter moet zich uitspreken over nova

De vreemdeling heeft, na niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag o.g.v. art. 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, de opvanglocatie van het COA moeten verlaten. Dit omdat de staatssecretaris heeft besloten dat het een derde of latere asielaanvraag betreft terwijl een eerdere opvolgende aanvraag definitief niet-ontvankelijk is verklaard.

De vreemdeling stelt dat het recht op opvang niet is geëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en verzoekt de rechter hem toe te staan zijn beroep in Nederland af te wachten en te oordelen dat hij gedurende die periode recht heeft op (hervatting van de) opvang en verstrekkingen door het COA.

De rechtbank oordeelt als volgt. De stukken die de vreemdeling aan onderhavige opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd dateren allemaal van na de laatste asielprocedure. Het standpunt van de staatssecretaris dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, is nog niet getoetst door de rechter. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het belang van de vreemdeling is derhalve aan te merken als doorslaggevend belang. Het bestreden besluit wordt geschorst, de rechtsgevolgen zijn niet meer van kracht en de opvang en verstrekkingen o.g.v. de Rva 2005 moeten worden hervat. Vovo toegewezen.

Rb Roermond, NL20.4493, 26.6.20

EHRM: Frankrijk mag asielzoekers niet 90dagen op straat laten wachten

The case concerns 5 single men of Afghan, Iranian, Georgian and Russian nationality who arrived in France on separate occasions. After submitting their asylum applications, they were unable to receive material and financial support and were therefore forced into homelessness. The applicants slept in tents or in other precarious circumstances and lived without material or financial support, in the form of Temporary Allowance, for a substantial period of time. All of the applicants complained, inter alia, that their living conditions were incompatible with Article 3 ECHR. The complaint in respect of applicant G.I. was struck out of the list as he could not be contacted.

The Court observed that the applicants were entitled to material and financial support under domestic law, providing they had been authorised to reside in France as registered asylum seekers. As such, it was necessary to highlight the substantial lapse in time between the applicants submitting requests for asylum and the date on which their asylum applications were registered by the relevant authorities. Indeed, applicants N.H., K.T., and A.J. waited over 90 days for their asylum applications to be registered, while S.G.'s application was registered after 28 days. It was also noted by the Court that receipt of the Temporary Allowance was conditional on presenting an asylum seeker's residence permit to the job centre. As a result, N.H., K.T., and A.J. were unable to prove their status for over 90 days and lived in fear of being arrested or deported.

In light of these circumstances, the Court concluded that the three applicants had been unable to justify their status for a long-period (over 90 days) and had therefore been forced into homelessness without access to sanitary facilities or other material support. As such, the French authorities had failed in their duty towards the applicants, causing them to live in inhuman and degrading conditions. The Court therefore found a violation of Article 3 ECHR in respect of applicants N.H., K.T., and A.J. It added that the fourth applicant, S.G., had received a Temporary Allowance after 63 days in total, at which point he was provided with means to meet his basic needs, and therefore did not reach the severity required to find a violation of Article 3 ECHR.

EHRM N.H. and others v France (Application No. 28820/13), 2.7.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-203295

Rb: vrijlating want psychische problemen (veldzicht) ondanks niet-meewerken

Beroep gegrond. De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 lid 1 onder a Vw opgelegd. ... Op basis van de specifieke psychische omstandigheden van de vreemdeling oordeelt de rechtbank dat het voortduren van de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De vreemdeling is vanwege zijn psychische toestand overgeplaatst naar Veldzicht, het Centrum voor Transculturele Psychiatrie. Door de psychische toestand is de vreemdeling niet in staat de terugkeergesprekken met DT&V te voeren en kan dus niet aan de uitzetting worden gewerkt, terwijl de vreemdeling al vijf maanden in bewaring zit. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het belang van vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld prevaleert boven het belang van de staatssecretaris om de maatregel te laten voortduren. 

Rb Rotterdam, NL20.12045, 18.6.20

Info: aantallen in detentie

Er verblijven nog zo'n 260 personen in vreemdelingendetentie, wat fors minder is dan in de periode vóór de coronacrisis. Toen schommelde het aantal rondom de vierhonderd.

Nederland heeft tussen 11 maart en 31 mei 390 mensen vrijgelaten uit vreemdelingendetentie. Hieronder bevinden zich zeventig zogeheten Dublin-claimanten, zij worden voorlopig opgevangen in asielzoekerscentra. Nog eens zestig vreemdelingen zijn met behulp van ngo’s naar het land van herkomst vertrokken. Het overige deel, 260 vreemdelingen, is op straat beland. Ze hebben vanwege hun status geen recht op opvang. 

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/opvallend-veel-vreemdelingen-vrijgelaten-uit-detentie-merendeel-belandt-op-straat~b9f395ab/, 30.6.20

Rb: geen 20 VWEU voor verblijf bij zieke NLse partner

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is aangetoond dat referent zodanig afhankelijk is van eiseres, dat hij zich in Nederland zonder zijn aanwezigheid niet staande kan houden en dus op geen enkele wijze van haar kan worden gescheiden. Ook is niet gebleken dat referent de zorg en hulp die hij stelt nodig te hebben enkel van eiseres kan krijgen. Hoewel het begrijpelijk is dat referent eiseres graag in zijn nabijheid wil hebben, en andersom, en de aanwezigheid van eiseres een positieve uitwerking op referent zou hebben, is niet gebleken van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A.. Eiseres kan daarom geen afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 VWEU ontlenen.

Rb Haarlem AWB 19/5707, 1.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5943

SvJ&V: geen wijziging asielbeleid Syrie

De algehele veiligheidssituatie en mensenrechtenschendingen die gepleegd worden door het Syrische regime en ook andere partijen, zijn onverkort zorgwekkend. In een aantal Syrische provincies is sprake van ernstige militaire escalatie en een toename van gewapende confrontaties, waardoor opnieuw sprake is van grootschalige binnenlandse ontheemding. Ook in de gebieden die onder controle zijn gekomen of gebleven van de Syrische regering, bleef de situatie zorgwekkend. De acties van het regime vormen een grote bron van onveiligheid. Het ambtsbericht maakt melding van “een totaal ontbreken van een rechtsstaat”. In deze gebieden was het meest sprake van willekeurige detenties van activisten, terugkeerders en anderen die werden beschouwd als opposanten. In verschillende detentiecentra van de Syrische veiligheidsdiensten worden op grote schaal en systematisch martelingen gepleegd.

Het ambtsbericht geeft mij geen aanleiding om het beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Syrië aan te passen.
https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/30/tk-landenbeleid-syrie/tk-landenbeleid-syrie.pdf, 30.6.20

SvJ&V: geen 15c Libie, wel nieuwe risicogroepen

Op basis van het ambtsbericht ben ik van mening dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In het huidige beleid voor Libië staan de volgende risicogroepen opgenomen.

  • LHBT’s;
  • (bekeerde) christenen;
  • (staatloze) Palestijnen;
  • politieke activisten;
  • mensenrechtenactivisten;
  • leden van het justitieel apparaat;
  • werknemers van non-gouvernementele organisaties;
  • journalisten;
  • vrouwen die werkzaam zijn in de publieke sector;
  • vreemdelingen die behoren tot een stam waarvan bekend was dat zij loyaal waren aan het bewind van Gaddafi; en
  • vreemdelingen die als (onder)officier hebben gediend tijdens het Gaddafi regime.

Naar aanleiding van het ambtsbericht ben ik van mening dat er een aantal nieuwe risicogroepen aan het beleid toegevoegd dienen te worden. Zo volgt uit het ambtsbericht dat personen die oppositioneel gekant zijn of als opposant gezien worden door de verschillende feitelijke machthebbers in Libië risico lopen op willekeurige arrestaties en detenties, ontvoering, intimidatie, gericht geweld of moord. Daarnaast zijn vrouwen die politiek of anderszins maatschappelijk actief zijn onvoldoende belicht binnen de bestaande risicogroepen. Ten aanzien van Gaddafi-loyalisten kan voorts niet zonder meer gesteld worden dat zij in heel Libië een risico op vervolging lopen. Ten slotte vloeit uit het ambtsbericht voort, dat in aanvulling op mensenrechtenactivisten, ook mensenrechtenadvocaten risico op vervolging lopen.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/30/tk-landenbeleid-libie/tk-landenbeleid-libie.pdf, 30.6.20

SvJ&V: nieuw beleid Guinee voor vrouwen en kinderen

Uit het ambtsbericht blijkt dat vrouwen die zich zelfstandig verplaatsen of zich elders vestigen dan hun gebied van herkomst in Guinee risico’s lopen op seksueel geweld: uit verschillende passages van het ambtsbericht blijkt dat een vrouw die zelfstandig woont en/of alleenstaand is wordt aangezien voor prostituee.

In het ambtsbericht staat verder dat minderjarige slachtoffers van geweld volgens het VN-comité voor de rechten van het kind onvoldoende toegang hebben tot het rechtssysteem, met name in gevallen van seksueel geweld. Uit het ambtsbericht blijkt dat rechtsbijstand niet bestaat in Guinee, en dat, afgezien van de regio Conakry, weinig tot geen advocaten beschikbaar zijn om minderjarigen en volwassenen die slachtoffer zijn van geweld bij te staan.

Aan de informatie uit het ambtsbericht verbind ik de conclusie dat het voor minderjarigen die te vrezen hebben voor geweld, net als voor vrouwen, niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te krijgen.

Het ambtsbericht geeft geen aanleiding tot een inhoudelijke beleidswijziging met betrekking tot genitale verminking. Zowel op het platteland als in de grote steden ligt het percentage besneden vrouwen rond de 95%.... In de Vc 2000 wordt aangegeven dat de IND voor Guinee geen binnenlands beschermingsalternatief aanneemt als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor genitale verminking of (seksuele) geweldpleging, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen....

Uit het ambtsbericht blijkt echter dat La Maison du Bonheur, een opvanghuis in de regio Conakry, als adequate opvang voor minderjarigen kan worden aangemerkt. In Guinee bestaat daarmee een adequate opvangvoorziening voor alleenstaande minderjarigen. De DT&V zal in elke individuele zaak waar feitelijke terugkeer aan de orde is, bekijken of er op dat moment ook daadwerkelijk plek is in het opvanghuis.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/06/30/tk-landenbeleid-guinee/tk-landenbeleid-guinee.pdf, 30.6.20

RvS: toelichting nova in kennisgevingsformulier vereist

Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling terecht wegens onvolledigheid buiten behandeling gesteld. De vreemdeling heeft op het kennisgevingsformulier of bij de zienswijze geen nadere informatie verstrekt. Het is aan een vreemdeling om dergelijke stellingen die aan een opvolgende asielaanvraag ten grondslag liggen te onderbouwen en te staven. Bij een opvolgende asielaanvraag is het niet aan de staatssecretaris om daarover door middel van onderzoek duidelijkheid te krijgen.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201904465/1/V2, 17.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1385

Pagina's