Nieuws

Rb: ook bij Dublinbewaring non-refoulementscheck verplicht

De rechtbank oordeelt dat de minister, voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel ikv Dublin-overdracht, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht verzet.

Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, verklaard dat hij bang is om teruggestuurd te worden naar Kroatië. Hij zegt dat de omstandigheden daar slecht zijn en dat hij daar in de bossen veel heeft meegemaakt. Volgens eiser is hij, nadat hij eerder werd teruggestuurd naar Kroatië, daar opgewacht door de Kroatische politie. Eiser kreeg een adres van een opvangkamp, waar hij heeft verbleven in een container. Volgens eiser was het daar verschrikkelijk en werd hij uitgescholden als hij naar de supermarkt ging.

Hoewel er in het geval van eiser wellicht onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Kroatië een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan. De rechtbank oordeelt dat daarom niet deugdelijk is gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt voor overdracht is. Omdat dit een voorwaarde is om eiser op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring te stellen, ziet de rechtbank geen ruimte om een belangenafweging te maken.

Het beroep is gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 mei 2026.
Rb Groningen NL26.24877, 21.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12975

Rb: vrijlating want zelf ticket geboekt met IOM

De bewaring van een vreemdeling moet, volgens VW200, achterwege blijven zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser beschikt over een geldig paspoort en niet is betwist dat voor hem een vlucht staat gepland op 8 april 2026, eiser zijn vertrekwens voldoende heeft geconcretiseerd.

Het betoog van verweerder dat de vertrekwens van eiser, gelet op het risico op onttrekking, als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser nimmer heeft getracht de locatie van zijn paspoort te verbergen en evenmin heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek dat eiser kort na zijn inbewaringstelling contact heeft gelegd met de IOM.

Onder deze omstandigheden had verweerder, vanaf het moment dat eiser in de gelegenheid was om zelfstandig te vertrekken, aanleiding moeten zien om de maatregel van bewaring op te heffen.

Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.16589, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11517

RvS: geen terugkeerland Algerije aannemen bij gesteld Marokkaan

Appellant wijst erop dat niet duidelijk is op basis van welke aanwijzingen de minister aanneemt dat er een link is met Algerije. De minister heeft toegelicht dat appellant stelt dat hij uit een wijk komt die niet in de door hem genoemde regio in Marokko ligt. Bovendien vermoedt de regievoerder, die volgens de minister het Marokkaans Arabisch als moedertaal heeft, dat appellant op basis van zijn accent uit Algerije afkomstig kan zijn. Appellant wijst er terecht op dat niet is gebleken dat de regievoerder deskundig is en dat er geen taalanalyse is afgenomen.

Hoger beroep Tegen Rb Utrecht NL25.32548, 1.8.25, gegrond. 
RvS BRS.25.001180, 8.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2633

Rb: alsnog erkenning al verlopen Chavez-vergunning, oordeel 8EVRM voortgezet verblijf nodig

Eiseres is geboren in 1956 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Ze heeft twee zoons, geboren in 1982 en 1988. Eiseres is in 1994 met haar zoons naar Nederland gereisd. De zoons hebben in 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ze heeft in 2023 een 8EVRM-aanvraag ingediend, die is afgewezen….

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State kan een eerder afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez worden vastgesteld op het moment dat daar rechtsgevolgen aan verbonden kunnen zijn. Dat is hier evident het geval, aangezien de belangenafweging onder artikel 8 van het EVRM daardoor anders zou kunnen uitvallen.

Het feit dat het arrest Chavez-Vilchez dateert van na het bereiken van de volwassen leeftijd van de zoons van eiseres, doet hier volgens de rechtbank niet aan af. Het arrest Chavez-Vilchez heeft vastgesteld welke rechten uit artikel 20 van het VWEU voortvloeien. Dat artikel was reeds van toepassing op het moment dat de zoons van eiseres Nederlandse staatsburgers werden.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoons in de periode tussen 1999 en 2006 het grondgebied van de Europese Unie hadden moeten verlaten als eiseres in die periode Nederland had moeten verlaten. Uit de door haar verstrekte stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de wettelijke, financiële en affectieve last, evenals de dagelijkse zorg, in overwegende mate bij eiseres lag. … Dat betekent volgens de rechtbank dat eiseres in de periode tussen 1999 en 2006 rechtmatig verblijf in Nederland had. Dit rechtmatig verblijf is door verweerder niet meegewogen in de besluitvorming. ….

Niet is betwist dat eiseres samenwoont met haar oudste zoon en dat haar jongste zoon zeer dichtbij woont. In ieder geval met haar oudste zoon bestaat dus een continue samenwoning vanaf het moment dat zij samen naar Nederland zijn gekomen. Vervolgens acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiseres financieel afhankelijk is van haar zoons.

Eiseres heeft een aanzienlijk aantal stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar zoons met permanente mentale problemen kampen en dat die een belangrijke rol spelen in hoe zij hun levens tot aan de dag van vandaag vormgeven. Hoewel er geen sprake is van mentale problemen die leiden tot permanente ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, is met name voor de gediagnosticeerde autistische spectrumstoornis een stabiele leefomgeving met duidelijke steunfiguren van groot belang. De rechtbank vindt dit een dermate bekend aspect van deze stoornis dat zij dit in deze procedure als een feit van algemene bekendheid beschouwt. Uit de stukken blijkt dat eiseres deze rol altijd heeft vervuld voor haar beide zoons en dat zij dat nog altijd doet. Hoewel de beide zoons zelfstandig zijn en tenminste ook deels hun eigen leven leiden, bestaan er in de huidige situatie naar het oordeel van de rechtbank vanuit de overgelegde diagnoses en de informatie over de band van beide volwassen zoons met hun moeder, in combinatie met de samenwoning en de financiële afhankelijkheid, voldoende bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen. Met andere woorden, uit de uitvoerige informatie die eiseres heeft verstrekt bij haar aanvraag en in beroep blijkt volgens de rechtbank van een band tussen eiseres en haar zoons die de gebruikelijke emotionele band tussen ouders en hun volwassen kinderen overstijgt. Het besluit is op dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Amsterdam NL25.6911c en NL24.8221, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11892

Rb: oordeel eventuele schijnerkenning niet bij minister maar bij gemeente

Vaststaat dat de minderjarige kinderen, voordat zij de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt, door een Nederlander zijn erkend. Dit betekent dat zij Nederlander zijn geworden. De minister dient in deze procedure hiervan uit te gaan.

Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van de minderjarige kinderen, waardoor zij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze hebben verkregen, is het aan de minister om de daartoe op grond van de RWN aangewezen procedure te doorlopen voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat de minderjarige kinderen niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

De rechtbank wijst er tot slot nog op dat het college van [plaats] naar aanleiding van de melding van de minister bij herhaling niet tot aanpassing van de gegevens in de BRP is overgegaan. In de BRP is dus nog steeds vermeld dat de minderjarige kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.

Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL26.16842, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12604

RvS: gewenste toekomstige zorgtaken Chavez-vader niet meewegen

De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij haar oordeel over het verrichten van zorg- en/of opvoedingstaken ook heeft betrokken de intentie van betrokkene om in de toekomst meer invulling te geven aan zorg- en opvoedingstaken en zijn wil om de financiële zorg voor de dochter gelijkmatiger te verdelen. De minister voert terecht aan dat hij bij zijn beoordeling geen rekening hoeft te houden met toekomstige gebeurtenissen. Hij is namelijk niet bevoegd om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. Het is aan de minister om aan de hand van de omstandigheden zoals die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit te beoordelen of betrokkene daadwerkelijk zorg- en/of opvoedingstaken verricht en of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Hoger beroep minister, tegen Rb Amsterdam NL24.8101, 23.9.25, gegrond.
RvS BRS.25.001615, 18.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2708

Rb: voorwaarden schenkingsovereenkomst als inkomensbron gezinsvorming

In bezwaar is aangevoerd dat de financiële zekerheid wordt gewaarborgd door een maandelijkse schenking van € 2.134,- door de ouders van referent. Daarbij is tevens vermeld dat eiseres en referent huurvrij wonen in een appartement van de ouders van referent waardoor zij dit bedrag vrij kunnen besteden aan levensonderhoud. … Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hierna ingaan op de vraag of eiseres aan het middelenvereiste voldoet.

Volgens eiseres is de schenkingsovereenkomst notarieel vastgelegd. Het betreft een onherroepelijke schenking, waarbij is vastgelegd dat de verschuldigde schenkbelasting voor rekening van de schenkers komt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet beschikt over zelfstandige middelen van bestaan. Omdat de belastingdienst door de aangifte op de hoogte is van de schenking, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de verschuldigde schenkbelasting ook daadwerkelijk zal worden betaald. De beroepsgrond slaagt.

Eiseres voert aan dat de schenking duurzaam is omdat deze een looptijd heeft van vijftien maanden. De schenking eindigde per november 2025 omdat de verwachting was dat referent medio 2025 zijn opleiding aan de Universiteit van Amsterdam zou afronden en als leraar in het onderwijs aan de slag zou gaan, waar landelijk een tekort aan is. …. Inmiddels is referent afgestudeerd en heeft hij een baan als verkoper waaruit hij voldoende en duurzame inkomsten ontvangt. Daarnaast heeft eiseres op haar beurt de WO Bachelor Economie en Bedrijfseconomie behaald, de cursus Nederlands A1 en A2 met succes afgerond en haar kansen op een baan en inkomen zijn goed….

De rechtbank overweegt dat uit de zaak Khachab volgt dat de bevoegde autoriteit moet kijken of de gezinshereniger een jaar lang na de datum van indiening van het verzoek om gezinshereniging nog steeds beschikt over voldoende middelen. Daarbij moet een op de toekomst gerichte beoordeling worden gemaakt. In deze beoordeling mag de bevoegde autoriteit wel meewegen hoe de financiële situatie van de gezinshereniger was in de zes maanden voordat de aanvraag werd ingediend. Uit het arrest Khachab volgt verder dat de minister bij zijn beoordeling of eiseres en referente duurzaam beschikken over middelen van bestaan alle relevante omstandigheden moet betrekken. …

De rechtbank overweegt dat de middelen op grond van artikel 3.75 van het Vb in beginsel niet als voldoende duurzaam kunnen worden aangemerkt. …. Echter, de rechtbank is, op grond van het Khachbab arrest, van oordeel dat de minister heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres aangedragen individuele omstandigheden geen reden vormen toch duurzaamheid van het inkomen aan te nemen. Daarbij benadrukt de rechtbank nogmaals dat een hoorzitting bij uitstek de gelegenheid bood om deze omstandigheden nader toe te lichten. …. De rechtbank overweegt dat de minister een onvoldoende toekomstgerichte beoordeling heeft gemaakt, gelet op de goede arbeidsmarktkansen van eiseres en referent. Onder deze omstandigheden, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de schenkingsovereenkomst, gelet op alle omstandigheden, onvoldoende duurzaam is. De beroepsgrond slaagt.

Rb Amsterdam NL25.2371 en NL25.2372, 12.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11876

Rb: Turkije biedt in praktijk niet altijd bescherming tegen dreiging van ex-partner

De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet mag tegenwerpen dat zij in het verleden geen hulp heeft gezocht bij de Turkse autoriteiten. Eiseres verkeerde namelijk al vijf jaar in de situatie waarin zij onder cameratoezicht stond en werd afgeluisterd. Op het moment dat eiseres hulp zocht, bleek bovendien dat haar ex-partner hier via de afluisterapparatuur direct van op de hoogte was. Dit heeft tot meer geweld en dreigementen geleid. Het risico op verergering van de situatie bij het opnieuw inroepen van hulp was dus groot. De minister heeft zich op de zitting nog op het standpunt gesteld dat niet voorstelbaar is dat de ex-partner haar vierentwintig uur per dag in de gaten hield, maar de rechtbank volgt dit standpunt niet. Gelet op de ervaringen van eiseres, waarbij haar eerdere poging om contact op te nemen met de politie direct werd opgemerkt en werd gevolgd door bedreigingen over haar kinderen, kon van haar niet worden verwacht dat zij het risico zou nemen om nogmaals te bellen. Logischerwijs waren er momenten dat haar ex-partner de camera’s en afluisterapparatuur niet in de gaten hield, maar eiseres kon niet weten op welke momenten dat wel of niet het geval was. De rechtbank kan zich voorstellen dat de stap om nogmaals de politie te benaderen voor eiseres te groot was. Daarbij moeten de psychische omstandigheden van eiseres en de kwetsbaarheid van haar positie op dat moment ook niet over het hoofd worden gezien.

De tegenwerping dat eiseres in het verleden onvoldoende hulp heeft gezocht vormt een dragend argument voor de conclusie van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer geen bescherming van de Turkse autoriteiten kan krijgen. Omdat de minister dit niet meer aan eiseres mag tegenwerpen, moet dit punt opnieuw worden beoordeeld.

Daarnaast verwijst de minister naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025 waarin staat dat de politie en rechtbanken in Turkije in staat zijn om zowel beschermende als preventieve maatregelen te nemen, als het gaat om geweld tegen vrouwen….. Eiseres heeft tijdens de zitting uitgelegd dat de Turkse rechter ondanks haar onderbouwing van het huiselijk geweld bij de echtscheiding een omgangsregeling heeft opgelegd. Daarin is bepaald dat zij verplicht is de kinderen contact te laten hebben met hun vader. Als zij die omgangsregeling niet naleeft, loopt zij het risico haar ouderlijk gezag te verliezen. ... De minister moet dit betrekken bij de beoordeling in hoeverre effectieve bescherming in Turkije mogelijk is. Dit geldt ook voor het argument van eiseres dat de Turkse rechter haar ondanks het huiselijk geweld deze omgangsregeling heeft opgelegd en haar daarbij dus geen bescherming heeft geboden.

Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL26.5445, 15.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13164

Rb: risico-analyse Nigeriaans slachtoffer mensenhandel onzorgvuldig

De Afdeling heeft eerder overwogen dat verweerder een persoonlijke risicoanalyse dient te maken in de zin van het Country Guidance rapport Nigeria 2021 (en het nieuwe van 2026) wanneer geloofwaardig wordt geacht dat een vreemdeling uit Nigeria slachtoffer is geworden van mensenhandel. De omstandigheden die moeten worden meegenomen in de risicoanalyse zijn onder andere:

  • het gebied waar iemand vandaan komt ([woonplaats] en in het bijzonder [plaats] is al decennia een centraal knooppunt voor mensenhandel van Nigeria naar Europa);
  • leeftijd, gender en familiesituatie (waarbij wezen, kinderen en alleenstaande vrouwen een hoger risico lopen om (wederom) slachtoffer te worden van mensenhandel);
  • sociaaleconomische achtergrond en opleidingsniveau (laagopgeleidheid, armoede en werkloosheid zijn factoren die kunnen zorgen voor een hoger risico om (opnieuw) slachtoffer te worden van mensenhandel);
  • de beschikbaarheid van een ondersteunend (familiaal) netwerk;
  • het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren (zoals de schuld aan de mensenhandelaren); en
  • de gezondheidssituatie (sommigen hebben ernstige fysieke en psychische klachten nadat zij slachtoffer zijn geweest van mensenhandel. Zij zijn kwetsbaarder om opnieuw slachtoffer te worden).

De rechtbank is van oordeel dat verweerders risicoanalyse niet afdoende is om de afwijzing van de asielaanvraag te dragen. Verweerder heeft bij de risicoanalyse in het bestreden besluit de focus gelegd op de omstandigheid dat geen er sprake zou zijn van concrete (recente) bedreigingen van de mensenhandelaar aan het adres van eiseres of haar familie in Nigeria. De overige omstandigheden van de bovengenoemde risicoanalyse heeft verweerder niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op.

Verweerder heeft geen rekening gehouden met de sociaaleconomische positie van eiseres, haar herkomst uit [plaats], het ontbreken van een netwerk, haar gezondheidssituatie. Over het voodooritueel dat eiseres heeft ondergaan (de juju-eed) heeft verweerder overwogen dat dit niet langer van kracht is omdat voodoorituelen strafbaar zijn gesteld. Uit het ambtsbericht blijkt echter dat het effect hiervan te verwaarlozen is, dat de meeste represailles tegen slachtoffers door mensenhandelaars mentaal en emotioneel van aard waren, door middel van angst als gevolg van de juju-eed, en dat de vrees die een juju-eed tot gevolg had over het algemeen zeer effectief was, waardoor fysieke represailles zelden nodig waren. Verweerder heeft dit evenmin onderkend. Het besluit is dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL25.63117, 15.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12217

RvS: risico tatoeages Afghanistan beter onderzoeken

De vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vreest voor de Taliban wegens zijn tatoeages.
De Afdeling oordeelt als volgt. De vreemdeling heeft een brief van Vluchtelingenwerk overgelegd met informatie uit verschillende bronnen, waaruit volgt dat de informatie over de risico's voor personen met tatoeages aan ernstige schade niet eenduidig is. Er zijn voorbeelden waarbij personen met tatoeages aan ernstige schade zijn blootgesteld. Zo hebben Afghanen met tatoeages verklaard dat zij deze moesten verwijderen toen de Taliban aan de macht kwamen en dat zij sindsdien risico lopen op de dood, afranselingen en gevangenisstraf. Tussen de verschillende districten in Afghanistan bestaan er grote verschillen, wat met zich brengt dat tatoeages in sommige delen van Kabul wel kunnen worden getoond, maar in provincies zoals Kandahar niet. Gelet op deze informatie heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd hoe dit zich verhoudt tot de conclusie dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt vanwege zijn tatoeages.

Hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.36291, 9.4.25 gegrond.
ABRvS 202502610/1, 19.5.26
ECLI:NL:RVS:2026:2810

Pagina's