Nieuws

Rb: terecht opstraatzetting in beroepsfase art-64-procedure

Verzoeker voert aan dat hij ook hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om uitstel van vertrek recht heeft op verstrekkingen zoals bedoeld in de Rva. Verzoeker wijst erop dat in de beschikking van de staatssecretaris van 8 maart 2018 staat vermeld dat de behandeling van een tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht. Deze stelling kan niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Uit deze mededeling kan slechts worden afgeleid dat verzoeker Nederland niet zal worden uitgezet hangende een tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening. Het bestreden besluit strekt daar ook niet toe.

Niet in geschil is dat verweerder bij zeer bijzondere medische omstandigheden gehouden kan zijn om verstrekkingen zoals bedoeld in het Rva toe te kennen aan vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van het Rva vallen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is dat verzoeker door het beëindigen van de verstrekkingen zoals bedoeld in de Rva acuut terecht zal komen in een medische noodsituatie. Verzoeker heeft geen recente medische informatie overgelegd waaruit dat blijkt. In het Medisch Advies van 7 februari 2017 van het Bureau Medische Advisering, dat door de staatssecretaris aan de afwijzing van de aanvraag om uitstel van vertrek ten grondslag is gelegd, blijkt dat verzoeker pas in een medische noodsituatie terecht zou kunnen komen bij een ontregeling van de bloedsuikerhuishouding. De voorzieningenrechter acht het niet op voorhand aannemelijk dat verzoeker er zonder verstrekkingen zoals bedoeld in de Rva niet in zal slagen om zijn bloedsuikerspiegel op peil te houden. Verzoeker blijft immers aanspraak houden op noodzakelijke medische zorg op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw.

Het verzoek wordt afgewezen.
Rb Middelburg AWB 18/3034, 18.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12567

Onderzoek: werk als ongedocumenteerde

The shadow economy in the Netherlands is considered to be relatively small; 9 per cent compared to the 18 per cent average in the EU. Nonetheless, the number of sanctions issued in the Netherlands for the illegal employment of both legal and illegally resident migrants is among the highest when compared to other EU Member States: in 2014, 1084 sanctions were issued, and, in 2015, 981. Still, given the estimated number of irregular migrants in the Netherlands of around 35000, the detection of a mere 332 irregularly staying TCNs by the labour inspectorate in 2014 indicates an overall low risk of getting caught for the illegal employment of irregular migrants….

The sectors considered to be at risk for illegal employment are inter alia construction, retail, the catering industry, temporary employment agencies, agriculture and horticulture, the metal industry, cleaning (with specific focus on fast-food restaurants and hotels), transportation and logistics…. The main type of businesses where illegally staying TCNs were detected in 2014 was the restaurant sector (n = 108). This was followed by market stalls (n = 29), hairsalons (n = 20), and cleaning (n = 18). The main nationalities encountered by the Inspectorate were from China (19 per cent), India (8 per cent), Turkey (8 per cent), Egypt (7 per cent), Morocco (6 per cent), Ghana (5 per cent), Indonesia (5 per cent), Philippines (5 per cent), Pakistan (4 per cent), Iraq (4 per cent), Russia (3 per cent), Brazil (3 per cent), Ukraine (2 per cent), Afghanistan (2 per cent), and Surinam (2 per cent), with the remaining 18 per cent from other countries. In addition, the majority of the detected migrants were male (84 per cent). Chinese migrants were predominantly represented in the restaurant sector (n = 41), and all migrants encountered working at Chinese restaurants (n = 27) were Chinese nationals. Also, 12 of the 15 migrants employed in beauty and/or massage salons were Chinese….Cleaning (n = 73) and food preparation (n = 64) were the main activities performed….

In 40 per cent of cases, the employer is a Dutch national. In 25 per cent of cases (n = 85), the employerhas a non-Dutch nationality. The majority of these non-Dutch employers have a non-EU nationality. In 17 per cent, the employer has dual nationality (including Dutch), and, in 17 per cent, the employer has Dutch nationality and was born in a non-EU country. The case files reveal that more than half of Turkish, Moroccan, and Egyptian migrants are employed in the ethnic economy. Combining this data, it appears that small migrant entrepreneurs are frequently subject to inspections, and, if they have indeed violated the WAV, are frequently fined….

The number of falsified documents and lookalike cases encountered by labour inspectors appears to be negligible: in nine cases in 2014, there was some suspicion that documents had been falsified; in ten cases, it was suspected that a migrant had been working after presenting ‘lookalike’ documentation.

Rijken, Conny; De Lange, Tesseltje: Towards a Decent Labour Market for Low-Waged Migrant Workers

Rb: bij aanvraag duurzaam verblijf gezinslid EU-burger onderzoeken of verblijfsrecht bestond

Eiseres voert aan dat zij vanaf 17 september 2011 deel uitmaakte van het gezin van haar moeder en (stief)vader. Omdat zij een familielid was van een EU-burger, kwam haar vanaf dat moment een declaratoir verblijfsrecht toe. Vanaf het moment dat de huwelijksrelatie van haar moeder eindigde, behield eiseres haar verblijfsrecht. In die bepaling wordt gesproken van “de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten”. De echtscheidingsprocedure van de moeder is aangevangen toen de echtgenoot zich nog in Nederland bevond, het huwelijk heeft tenminste drie jaar geduurd, waarvan één jaar in Nederland. Daarom komt aan eiseres onverkort het verblijfsrecht toe als gezinslid van EU-burger en behoudt zij dit verblijfsrecht omdat zij onderwijs volgt......

Eiseres stelt op dit moment een aanspraak te hebben op voorgezet verblijf en verzoekt om een verblijfsdocument om dat recht op dit moment te bevestigen. In een dergelijk geval zal verweerder moeten onderzoeken of op enig moment sprake is geweest van verblijfsrechten op basis van het EU-recht op grond waarop de huidige aanspraak gebaseerd kan zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit heeft nagelaten.

De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat verweerder alsnog zal moeten onderzoek of eiseres op enig moment (vanaf binnenkomst in 2011) rechtmatig verblijf had en of zij thans rechtmatig (voortgezet) verblijf heeft. Verweerder dient eiseressen in de gelegenheid te stellen alle stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of op enig moment sprake is geweest van rechtmatig verblijf, te overleggen.

Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem AWB 18/1037 & AWB 18/1038, 11.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13077

Rb: voor verblijf bij kleinkind is belangenafweging ipv ‘more than normal ties’ het criterium

In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen een minderjarig kleinkind en zijn grootouder(s) als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. De omstandigheden dat eiseres en referente hebben samengewoond, dat de emotionele band tussen hen sterker is geworden door het overlijden van de echtgenoot/vader en dat eiseres financieel ondersteund wordt door referente, maken nog niet dat er tussen hen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiseres heeft immers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benodigde zorg niet door de andere kinderen in haar buurt geboden kan worden.

De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft toegepast voor wat betreft de band tussen eiseres en haar kleinkind. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het kleinkind niet tot het kerngezin van eiseres behoort, zodat meer dan de normale emotionele banden vereist zijn voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen, volgt uit de jurisprudentie van het EHRM dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen kleinkinderen en grootouders niet relevant is of meer dan de normale emotionele banden bestaan. Of familie- en gezinsleven bestaat is een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft dit beleid ten onrechte niet toegepast.

Aangezien uit de feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat eiseres meerdere jaren met haar kleinkind heeft samengewoond in Libanon, volgt dat tussen hen hechte persoonlijke banden bestaan, heeft verweerder niet onderkend dat tussen eiseres en het kleinkind sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, is verweerder gehouden om in dat kader een belangenafweging te maken, hetgeen verweerder heeft nagelaten. Het bestreden besluit is in dit opzicht niet deugdelijk gemotiveerd.

Het beroep is gegrond.
Rb Middelburg AWB 18 / 2482, 16.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12416

RvS: inkomensvereiste bij wajong

 

De Wajong kent een andere systematiek dan de WIA.

De WIA bestaat uit twee regelingen: de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (hierna: de IVA) en de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (hierna: de WGA). Volwassenen die medisch geen zicht op herstel of een geringe kans op herstel van hun ziekte of aandoening hebben en meer dan 80% arbeidsongeschikt zijn, worden aangemerkt als personen die weinig tot geen arbeidsmogelijkheden hebben en stromen als zijnde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt de IVA in. Volwassenen die niet volledig (35-80%) of wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn omdat zij kans op herstel hebben, worden aangemerkt als personen die nog arbeidsmogelijkheden hebben en stromen de WGA in.

Onder de Wet Wajong 2010 stromen volledig en blijvend arbeidsongeschikte jongeren, indien zij geen perspectief hebben om op termijn loonvormende arbeid te verrichten, de zogenoemde uitkeringsregeling in. Zij ontvangen een uitkering en worden door het UWV als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt beoordeeld, omdat er duurzaam geen arbeidsvermogen aanwezig wordt geacht. Deze categorie is in verregaande mate vergelijkbaar met IVA-uitkeringsgerechtigden.

Indien de jonggehandicapte niet volledig arbeidsongeschikt is, stroomt hij de zogenoemde werkregeling in. Ook jonggehandicapten die volledig arbeidsongeschikt zijn en een duurzame medische beperking hebben, kunnen echter de werkregeling instromen, indien het UWV van oordeel is dat zij perspectief hebben om arbeidsvermogen te ontwikkelen en het op termijn verrichten van loonvormende arbeid dus niet duurzaam is uitgesloten. De jonggehandicapte wordt in dat geval door het UWV, ook indien hij in een medisch stabiele situatie verkeert, waarin kans op herstel niet wordt aangenomen, niet als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt beoordeeld. In zoverre is deze categorie op een wezenlijk punt niet vergelijkbaar met WGA-uitkeringsgerechtigden, omdat, voor zover het om volledig arbeidsongeschikten gaat, bij een WGA-uitkering het UWV wel een reële kans op herstel aanneemt en de arbeidsongeschiktheid dus niet als duurzaam beoordeelt. De jongeren in de werkregeling ontvangen een geldelijke bijdrage, de zogeheten inkomensondersteuning, en/of arbeidsondersteuning, zoals werkaanbod, jobcoach, loondispensatie en werkplekvoorzieningen.

Een persoon die volledig arbeidsongeschikt is en in een medisch stabiele situatie verkeert zal derhalve onder de WIA door het UWV wel als duurzaam arbeidsongeschikt worden aangemerkt, maar onder de Wet Wajong 2010 niet.

De gedachte achter de werkregeling is dat de jonggehandicapte rond zijn 18e jaar nog volop in ontwikkeling is. Voor de jongere, bij wie perspectief op het verrichten van loonvormde arbeid aanwezig wordt geacht, stelt het UWV een zogeheten participatieplan op. In het participatieplan is vastgelegd in welke vorm de arbeidsondersteuning wordt gegoten. Indien de jonggehandicapte toch geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kan ontwikkelen, wordt hij alsnog als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt beoordeeld en stroomt hij alsnog de uitkeringsregeling in. Deze definitieve herbeoordeling van de resterende verdiencapaciteit zal uiterlijk plaatsvinden als de jonggehandicapte de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt en ten minste zeven jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad, aldus de wetsgeschiedenis.

Een jongere kan rechtsmiddelen aanwenden tegen het besluit van het UWV en daarmee alsnog als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden aangemerkt, maar dan verliest die jongere het recht op arbeidsondersteuning. De staatssecretaris kan dat niet van een jongere verlangen, omdat hij dan in een nadeliger positie komt, omdat hij immers zijn recht op arbeidsondersteuning verliest.

De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling desgevraagd naar voren gebracht dat het niet de bedoeling van het beleid is dat jonggehandicapten die onder de werkregeling vallen tot in lengte van dagen gezinshereniging in Nederland wordt onthouden. In één zaak heeft hij alsnog gezinshereniging toegestaan. In die zaak was het UWV niet in staat invulling te geven aan een participatieplan, omdat betrokkene wegens haar specifieke situatie geen reële kandidaat was voor de arbeidsmarkt en re-integratie en naar verwachting was aangewezen op dagbesteding. Gelet hierop was volgens de staatssecretaris in die zaak de afstand tot de arbeidsmarkt zo groot dat hij, anders dan in de voorliggende zaak, heeft geconcludeerd dat handelen overeenkomstig het vrijstellingsbeleid onevenredig is in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen.

De Afdeling ziet in hetgeen hierboven is overwogen aanleiding om van de staatssecretaris te verlangen dat hij, ook in gevallen waarin het UWV in staat is geweest een participatieplan op te stellen, nader onderzoek verricht en zich ervan vergewist of en in hoeverre het desbetreffende participatieplan tot arbeidsparticipatie heeft geleid. Op basis van de resultaten van dat onderzoek en aan de hand van de specifieke omstandigheden van elk geval, waaronder de reële kans om binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste te voldoen, is het aan de staatssecretaris om een besluit nemen.

Het lag op de weg van de staatssecretaris om bij zijn onderzoek naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden bij het UWV informatie in te winnen over de uitvoering die is gegeven aan het participatieplan en daarbij de specifieke omstandigheden van dit geval te betrekken. De staatssecretaris heeft dat niet gedaan.

De grief slaagt in zoverre.
Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201707830/1/V1, 17.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3405
idem RvS 201706876/1/V1, 17.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3407

Rb: geen risico Ethiopische refugee sur place, nieuwe president

Niet in geschil is dat eiseres heeft deelgenomen aan demonstraties tegen de Ethiopische regering, daarin een opvallende rol heeft gespeeld (schreeuwen in megafoon), dat eiseres interviews heeft gegeven voor ESAT met daarbij het OMN logo in beeld, en dat zij met naam en toenaam op facebook van ESAT bij demonstratiefilmpjes en interviews wordt genoemd. De Ethiopische autoriteiten volgen oppositieactiviteiten in het buitenland nauwkeurig. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat niet aannemelijk is geworden dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van de activiteiten van eiseres in Nederland.

De vraag is vervolgens wat dit nu voor eiseres betekent als zij terug moet keren naar Ethiopië. Uit het nieuwe ambtsbericht van 2 juli 2018 blijken enkele voor deze zaak relevante positieve ontwikkelingen sinds het aantreden van de nieuwe premier, de Oromo Aiby Ahmed Ali begin april 2018. Bij zijn inauguratie sprak de nieuwe premier zijn verontschuldigingen uit voor het optreden van de autoriteiten de afgelopen jaren waarbij demonstranten waren omgekomen. Hij riep op tot eenheid en

het aangaan van de dialoog met oppositiegroeperingen. Premier Abiy heeft de eerste maanden na zijn inauguratie een grote hoeveelheid aan hervormingen aangekondigd en deels ook doorgevoerd. Duizenden politieke gevangenen werden vrijgelaten. In het buitenland verblijvende oppositieleden kregen amnestie en media kanalen als ESAT en OMN zijn niet langer verboden. Internetrestricties op honderden nieuwssites uit de diaspora werden opgeheven. In het kader van de hervormingen van premier Abiy keurde het Ethiopische parlement begin juli 2018 unaniem een voorstel goed om het ONLF, het OLF en PG7 van de nationale lijst met terroristische organisaties te schrappen. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de algemene situatie voor oppositiegroepen in Ethiopië in het algemeen is verbeterd en dat eiseres bij terugkeer naar Ethiopië, ondanks haar activiteiten hier in Nederland, geen risico loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
Rb Amsterdam NL17.12225, 20.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12746

SvJ&V: Eritrese legale uitreizigers lopen geen risico meer bij terugkeer

Het nieuwe ambtsbericht Eritrea geeft aan dat Eritreeërs, die legaal zijn uitgereisd op basis van een uitreisvisum, zonder problemen kunnen terugkeren (geen risico op bestraffing), ook in het geval dat ze niet op tijd terug zijn gekeerd. Het beleid is daarop aangepast.

Wbv 2018/13, 28.10.18 in staatscourant 62195, 1.11.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-62195.html

Rb vovo: geen schorsende werking beroepsfase in derde asielprocedure zonder nova

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 juli 2018 terecht besloten dat een Oekraïens gezin een vierde asielprocedure niet in Nederland mag afwachten. Dat heeft de voorzieningenrechter vandaag beslist.

De ouders zijn naar eigen zeggen in 2001 Nederland binnengekomen en woonden sindsdien zonder verblijfsvergunning in Nederland. Tijdens dat verblijf zijn hun kinderen hier geboren. De ouders hebben sinds 2013 drie asielaanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen. Kort voordat het gezin op 7 juli 2018 zou worden uitgezet naar Oekraïne hebben ze een vierde asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft op 7 juli 2018 besloten dat zij de uitkomst van deze aanvraag niet in Nederland mogen afwachten. Het gezin is vervolgens op 7 juli 2018 uitgezet naar Oekraïne. Het gezin heeft tegen de uitzetting bij de staatssecretaris bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat zij alsnog de uitkomst van de vierde asielprocedure in Nederland mogen afwachten. De ouders en de dochter zijn nu in Oekraïne. De twee zoons zijn inmiddels weer in Nederland.

De staatssecretaris kan bepalen dat een vreemdeling de beslissing op zijn asielaanvraag niet in Nederland mag afwachten. Daarvoor moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste voorwaarde is dat sprake is van een tweede herhaalde asielaanvraag terwijl een eerdere herhaalde asielaanvraag definitief is afgewezen. Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan.

De tweede voorwaarde is dat de vreemdeling bij de nieuwe asielaanvraag geen nieuwe relevante informatie heeft verschaft. De vertegenwoordiger van het gezin voerde onder andere aan dat er psychische problemen zijn bij de oudste zoon en de dochter. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter, zijn dergelijke problemen niet relevant bij de beoordeling van een asielaanvraag. Verder voerde de vertegenwoordiger aan dat de kinderen in Nederland geboren zijn, nooit in Oekraïne hebben gewoond en de taal niet spreken. Ook dit is niet relevant in deze vierde asielprocedure. Deze omstandigheden zijn bovendien al eerder naar voren gebracht en beoordeeld en dus niet nieuw. Daarom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook aan de tweede voorwaarde voldaan. Dat betekent dat de ouders en hun dochter niet naar Nederland mogen komen om alsnog de beslissing op hun vierde asielaanvraag hier af te wachten. Ook de twee zoons, die nu weer in Nederland zijn, mogen de beslissing op hun vierde asielaanvraag niet hier afwachten.

Rb Utrecht AWB 18/5094, 31.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12816

Rb vovo: gezin minderjarige kinderen voorlopig geen Dublinoverdracht Italie

De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdelingen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeksters niet mogen worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep.

Op de zitting heeft de staatssecretaris aangegeven nader onderzoek te willen doen naar de situatie in Italië voor gezinnen met minderjarige kinderen die als Dublinclaimanten terugkeren. De staatssecretaris verzet zich dan ook niet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek toe.

Rb Amsterdam, NL18.17552 (vovo), 23.10.18

SvJ&V: doorlooptijden asielprocedures en kansen in beroep

De gemiddelde doorlooptijd van alle eerste asielaanvragen die in juli en augustus 2018 zijn afgedaan bedraagt circa 19 weken. De IND behandelt eerste asielaanvragen in verschillende zogenoemde «sporen» met verschillende doorlooptijden. De doorlooptijd van aanvragen van vreemdelingen die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst (spoor 2) is in juli en augustus 2018 circa 3 weken. De doorlooptijden van asielzaken in de algemene asielprocedure (AA) bedraagt in juli en augustus 2018 circa 16 weken (spoor 4). Meer complexe zaken die worden behandeld in de verlengde asielprocedure (VA) zijn in juli en augustus na circa 44 weken afgerond....

Uit cijfers van de IND blijkt dat de voorraad eerste asielaanvragen 7.640 procedures bedroeg (eind augustus 2018)....

In 2018 (tot en met augustus) is 12% van de beroepen van vreemdelingen in de AA procedure gegrond verklaard. In de VA procedure is 19% gegrond verklaard. In 2018 (tot en met augustus) is 1% van de hoger beroepen van vreemdelingen in de AA gegrond verklaard. In de VA procedure is dit ook 1%.

Antwoord kamervraag 349, 23.10.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20182019-349.html

Pagina's