Nieuws

Rb: geen recht op opvang in Gezinslocatie tijdens art-64 procedure, ondanks belang kind

De staatssecretaris heeft aan de vreemdelingen de verplichting opgelegd met een vrijheidsbeperking te verblijven in de Gezinslocatie Amersfoort. De vreemdelingen voeren aan dat de vrijheidsbeperkende maatregelen niet in overeenstemming met het beleid zijn opgelegd. De aanvraag art-64 voor één van de minderjarige kinderen van de vreemdelingen loopt nog. Daarnaast hebben zij geen reisbescheiden. Het vertrek wordt op dit moment dan ook niet voorbereid en de maatregel is dus prematuur opgelegd, volgens de vreemdelingen. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat is besloten een maatregel op te leggen, zodat het gezin in de opvang kan blijven en om te voorkomen dat zij op straat terecht komen.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu de aanvraag nog loopt en er niet aan vertrek wordt gewerkt, is de maatregel niet in overeenstemming met het beleid. Daarin staat immers: ‘aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid (…). Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat de maatregel in het belang van het gezin was, omdat zij anders op straat komen te staan, maakt voorgaande niet anders.

Rb Utrecht, NL19.16502 en NL19.16503, 24.7.19

Rb: recht op opvang en zakgeld van COA vanaf datum inwilliging art-64

De staatssecretaris heeft de vreemdeling uitstel van vertrek verleend in verband met haar bevalling. De vreemdeling heeft vervolgens het COA verzocht om Rva-verstrekkingen voor de periode vanaf de ingangsdatum van het uitstel van vertrek tot de datum van de bevalling. Het COA heeft dit verzoek afgewezen omdat het Rva hiervoor geen voorschriften bevat.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 9 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY8235) heeft geoordeeld dat uit art. 3 lid 3 Rva volgt dat recht op opvang en verstrekkingen ontstaat vanaf de datum waarop het besluit tot inwilliging van de asielaanvraag is genomen. Naar analogie van deze uitspraak ontstaat recht op opvang bij een aanvraag art-64 vanaf het moment dat deze wordt ingewilligd. De rechtbank vindt voor dit oordeel bovendien steun in de toelichting bij de Rva. Vanaf de datum van de inwilliging van de aanvraag voor uitstel van vertrek had de vreemdeling dus recht op opvang en daarbij behorende verstrekkingen. Voor terugwerkende kracht vanaf de ingangsdatum van het uitstel van vertrek bestaan volgens de rechtbank geen aanknopingspunten. 

Rb Groningen, AWB 18/7770, 23.5.19

Rb (vovo): geen uitzettingshandelingen zolang nog niet op beroep is beslist

Uit het arrest Gnandi volgt dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit niet intreden zolang een rechter niet heeft beslist op het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder heeft niet de bevoegdheid verzoekster uit te zetten hangende de beroepsprocedure. Ook volgt uit het arrest dat verzoekster haar status van asielzoeker hangende de beroepsprocedure behoudt.

Uitzettingshandelingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als gevolgen van het terugkeerbesluit, die, gelet op het arrest, dienen te worden geschorst tot aan de uitspraak in de beroepsprocedure.

Verzoekster is bij brief uitgenodigd om te verschijnen op een presentatie bij de ambassade van Nigeria. In de uitnodiging is neergelegd dat met dit interview wordt beoogd de identiteit en nationaliteit vast te stellen om terugkeer mogelijk te maken. Daarnaast blijkt uit het dossier dat voor verzoekster een aanvraag is ingediend bij de Nigeriaanse ambassade voor een laissez passer omdat verzoekster niet over een geldig reisdocument beschikt. Deze handelingen zijn niet anders te interpreteren dan handelingen die zijn gericht op uitzetting van verzoekster. De stelling van verweerder dat verzoekster geen gevolg hoeft te geven aan de uitnodiging doet niet ter zake, omdat het verweerder in de eerste plaats al niet is toegestaan om uitzettings-handelingen te verrichten zolang de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het afwijzende asielbesluit.

Rb Utrecht AWB 19/5337, 16.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7917

SvJ&V: nieuwe schrijnendheid-elementen

Met deze brief informeert de SvJ&V de Kamer dat besloten is om twee nieuwe categorieën vreemdelingen aan te wijzen.
►De eerste categorie betreft vreemdelingen die in aanmerking komen voor het getuigen-beschermings-programma. Medewerking van een getuige, bij opsporing of vervolging van strafbare feiten, kan aanleiding geven tot een dreiging. Soms is die dreiging zo ernstig en staat deze in zodanig direct verband met de verleende medewerking, dat er voor de overheid een zorgplicht ontstaat de betrokken persoon voor de duur van de dreiging te beschermen.

►De tweede categorie betreft kinderen t.a.v. wie de Kinderrechter een kinderbeschermings-maatregel heeft opgelegd t.b.v. het wegnemen van een ontwikkelingsbedreiging bij het kind. In dat geval wordt bezien of de kinderbeschermingsmaatregel formeel kan worden overgedragen aan het land van herkomst of aan een Dublin-partner of een ander land binnen de EU waar het kind bescherming geniet, o.g.v. het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Is de kinderbeschermings-maatregel niet formeel overdraagbaar, dan moet de maatregel in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Eindigt de maatregel, dan komt de grond voor verblijf te vervallen. Het verblijfsrecht blijft echter in stand indien de Kinderrechter het noodzakelijk acht de maatregel te verlengen omdat de ontwikkelingsdreiging niet is opgeheven. Ook in het geval het gezag van de ouders op verzoek van de RvdK door de rechter wordt beëindigd, krijgt het kind een verblijfsvergunning.

Als de maatregel wel overdraagbaar is maar dat na anderhalf jaar nog niet is gelukt, wordt alsnog beoordeeld of verblijf kan worden verleend.

TK - Brief SvJ&V inzake twee nieuwe tijdelijk humanitaire vergunningen. 30.7.19

RvS: beoordeling duurzaam verblijf parter EU-burger zonder inkomen en zonder bijstand

Aan de vreemdeling, van Turkse nationaliteit, is o.g.v. zijn relatie met zijn Duitse partner op 18 november 2010 een verblijfsdocument familielid van Unieburger afgegeven. Zijn partner is in 2011 overleden. Op 13 augustus 2015 heeft de vreemdeling een aanvraag voor een document "duurzaam verblijf Unieburgers" ingediend. De vreemdeling is tot 22 december 2011 werkzaam geweest in loondienst. In de periode daarna heeft de vreemdeling niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. De SvJ&V heeft daarom vastgesteld dat de vreemdeling vanaf 22 december 2011 geen rechtmatig verblijf meer heeft.

De vreemdeling voert aan dat hij nooit een beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel en dat hij altijd in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Daarnaast stelt hij dat hij arbeid in loondienst en als zelfstandige heeft verricht.

1. Volgens het beleid van de SvJ&V kunnen Unieburgers of hun familieleden als werknemer of zelfstandige worden aangemerkt als zij reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. In het beleid over zelfstandigen ontbreekt de beoordelingswijze m.b.t. de vraag wanneer de economische activiteit als 'alleen marginaal en bijkomstig' moet worden bestempeld. De SvJ&V moet ook in dat geval, net als bij werknemers, een algehele beoordeling maken van de economische activiteit. Gelet hierop heeft de SvJ&V onvoldoende onderzocht of de vreemdeling vanaf 22 december 2011 zelfstandige was.
2. Uit Hofjurisprudentie in samenhang met de richtsnoeren volgt dat de vreemdeling voor de status ‘duurzaam verblijf’ vijf jaren moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. De bewijslast ligt bij de vreemdeling. De nationale autoriteiten van het gastland mogen van de vreemdeling verlangen dat hij inzicht geeft in het bestaan van beschikbare middelen, de hoogte en de rechtmatigheid ervan alsook dat die voorzien in een zeker bestaansminimum.
3. Indien het familielid in de relevante periode daadwerkelijk geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, heeft het familielid hiermee enig bewijs geleverd dat hij met de middelen die hij tot zijn beschikking heeft gehad, kon leven, zonder ten laste te komen van het socialebijstandsstelsel. De SvJ&V moet, in het geval de economisch inactieve burgers van de Unie of hun familieleden aantonen te beschikken over middelen die aanzienlijk onder een normbedrag liggen, aan de omstandigheid dat zij geen beroep hebben gedaan op het socialebijstandsstelsel dan ook uitdrukkelijk betekenis toekennen.

4. De SvJ&V heeft de omstandigheid dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken, althans niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheid niet leidt tot een ander standpunt. Hij heeft onvoldoende in ogenschouw genomen dat ook sprake kan zijn van voldoende middelen van bestaan wanneer geringe middelen tegenover structureel lage uitgaven staan, te meer nu de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel.
Hoger beroep vreemdeling gegrond; vernietigt VK Middelburg 14 april 2017, nrs. 16/26302 en 16/29683; beroepen gegrond.

ABRvS, 201704060/1/V3, 25.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2502

RvS: beter motiveren intrekken status zoon, 20 jaar in NL, vaders status ingetrokken ivm fraude

De staatssecretaris heeft de omstandigheid dat de zoon niet zelf verantwoordelijk is voor de door de vader gepleegde fraude en dat hij daarvan niet op de hoogte was, slechts betrokken door te overwegen dat fraude niet mag lonen en dat voor de intrekking van de verblijfsvergunningen van de zoon niet is vereist dat hij zelf wist van de fraude die aan de verkrijging van die verblijfsvergunningen ten grondslag heeft gelegen. Hij heeft deze situatie daarmee ten onrechte niet daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken. De staatssecretaris had moeten beoordelen of intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd evenwichtig en redelijk is gelet op de omstandigheid dat de zoon gedurende langdurig verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd terwijl hij niet wist dat dat verblijf op fraude was gebaseerd en hij zelf niet verantwoordelijk is voor die fraude. Daarbij is tevens van belang dat de zoon gedurende zijn periode van langdurig verblijf in Nederland is opgeleid, een universitaire studie volgt en sociale banden heeft opgebouwd en dat uit het arrest niet volgt dat aan die omstandigheden eerst doorslaggevend belang toekomt indien die omstandigheden als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Gelet daarop, heeft de staatssecretaris geen evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen verricht en staat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in de weg aan de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de zoon. De grief, voor zover het de zoon betreft, slaagt.

Wat betreft de moeder, heeft de staatssecretaris evenmin in de besluitvorming betrokken dat zij niet zelf verantwoordelijk is voor de door de vader gepleegde fraude en dat zij daarvan niet op de hoogte was. De grief, voor zover het de moeder betreft, slaagt alleen al daarom.

De staatssecretaris zich ten opzichte van de moeder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen heeft verricht. Voor haar staat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg aan de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

RvS 201604795/3/V1, 16.7.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:2405

Rb: Marokkaanse activist toch A-status, ondanks afgewezen asielaanvraag en beroep

De vreemdeling betoogt dat hij zijn actieve deelname aan demonstraties in de Rif en een tweetal buitengerechtelijke arrestaties, laatstelijk in juni 2017, aannemelijk heeft gemaakt en Marokko voor hem geen veilig land van herkomst is. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling na zijn problemen in juni 2017 nog ruim een half jaar in Marokko zijn leven heeft geleid en daarna in staat is geweest Marokko legaal te verlaten. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de vreemdeling na juni 2017 heeft deelgenomen aan een demonstratie en dat hij van deze gebeurtenis ook foto's heeft gepost op sociale media, en dat hij hierdoor in Marokko kennelijk geen problemen heeft ondervonden aan de zijde van de autoriteiten. Dat de politie een bezoek zou hebben gebracht aan de woning van de vreemdeling heeft hij, zoals de staatssecretaris terecht heeft gesteld, onvoldoende onderbouwd. Het is derhalve niet aannemelijk dat de vreemdeling op enigerlei (strafrechtelijk) zal worden vervolgd, noch dat hij zich bij voorkomende problemen niet zou kunnen wenden tot andere (hogere) autoriteiten, dan de autoriteiten waarmee hij in het Rif-gebied in de problemen zou zijn gekomen.

NB: ondanks deze uitspraak is een A-status verleend.

Rb Rotterdam, NL18.9397, 11.6.19

WBV 2019/12: nieuw landenbeleid Iran

Ik heb besloten om niet langer transseksuelen als groep apart op te nemen in het landenbeleid Iran. De LHB’s (dus zonder de Transseksuelen) wijs ik in het nieuwe beleid aan als risicogroep. LHBT’s komen hiermee te vervallen als groep van bijzondere aandacht.

Voor wat betreft de categorie ‘tot het christendom bekeerde moslims die hun geloof openlijk belijden, bijvoorbeeld door het bijwonen van kerkdiensten’ geldt dat deze niet langer als een aparte groep in het beleid behouden wordt. Wanneer moslims zich bekeren tot het christendom en vervolgens hun geloof openlijk belijden, kunnen zij afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval behoren tot een van de volgende groepen die in het landenbeleid aangewezen zijn:

  • christenen die actief zijn voor ‘nieuwe kerken’ of evangeliseren;
  • leden van huiskerken die bijeenkomsten bijwonen;
  • afvalligen van het islamitisch geloof die hun afvalligheid actief uitdragen (risicogroep).

De risicogroepen yarsani’s en de christenen komen te vervallen in het landenbeleid Iran. Tevens zal de risicogroep christenen komen te vervallen.

Het huidige ambtsbericht geeft aan dat afvalligen negatief in de belangstelling van de autoriteiten kunnen komen te staan als zij daar openlijk voor uitkomen. Dit kan leiden tot arrestaties en strafrechtelijke vervolging. Daarom is besloten deze groep te behouden als risicogroep.

De risicogroep Soefies is in het landenbeleid aangescherpt tot Gonabadi soefi’s.

WBV 2019/12, 22.7.19 in staatscourant42462, 26.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-42462.html

Rb: mogelijk 3 EVRM risico voor Hazara uit district Muqur, provincie Ghazni

De vreemdeling beroept zich (oa) op de veiligheidssituatie in Afghanistan en in het bijzonder het district Muqur in de provincie Ghazni. ... De staatssecretaris heeft de beslissing onvoldoende gemotiveerd nu daarin enkel verwezen wordt naar het ambtsbericht van 7 maart 2019. Uit de ingebrachte informatie blijkt dat in mei 2019 12 districten in Ghazni onder controle staan van de Taliban en dat 7 districten worden betwist. Er is dus geen sprake meer van overheidscontrole. Voorts is er op gewezen dat het geweld van de Taliban in het bijzonder gericht is tegen Hazara’s.

De staatssecretaris dient aan de hand van de feitelijke situatie bezien of een etnische of religieuze groep binnen zijn leefomgeving in een kwetsbare positie verkeert doordat hij door een andere groep negatief wordt bejegend. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de recente stukken die de vreemdeling heeft overgelegd, aan de stelling van de vreemdeling dat hij als Hazara uit Muqur behoort tot een risicogroep omdat hij afkomstig is uit een leefgebied waar hij tot de (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoort die aldaar ernstige problemen ervaart, voorbij is gegaan.

Rb Groningen, NL19.13880, 11.7.19

WBV 2019/11: nieuw landenbeleid Afghanistan

Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP.

Groepen die (verhoogd) risico lopen slachtoffer te worden van willekeurig geweld zijn:

  1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;
  2. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt; én
  3. niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

WBV 2019/11, 16.7.19 in staatscourant 41281, 16.7.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-41281.html

Pagina's