Nieuws

Rb: Somalische moeder krijgt eenhoofdig gezag over NLse kinderen, vader niet betrokken

De moeder van twee in NLse kinderen verzoekt om gezamenlijk gezag. Zij wenst eigenlijk dat dit verzoek gemotiveerd wordt afgewezen i.v.m. haar aanvraag verblijfsvergunning.

De Raad voor de Kinderbescherming ziet niet dat gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is. Het feit dat de vader, die de kinderen wel heeft erkend, niets te maken wil hebben met hun opvoeding zal problematisch worden bij gezamenlijk gezag. De Raad staat achter het continueren van het eenhoofdig gezag van de moeder.

Gebleken is dat de vader en de moeder geen enkel contact met elkaar hebben. Bovendien is er nooit contact geweest tussen de vader en de kinderen. Ook ter zitting is gebleken dat zij de vader niet kennen. Hij is nooit betrokken geweest bij hun verzorging of opvoeding en wenst hierin geen verandering te brengen. De kinderen hebben dus niets van hem te verwachten. Onder deze omstandigheden is het in het belang van de kinderen dat de moeder met het eenhoofdig gezag belast blijft. Vooral omdat, indien de vader mede met het gezag wordt belast, de kans groot is dat de moeder geen verblijfsvergunning krijgt en de vader feitelijk alleen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen komt te staan. Gelet op het ontbreken van iedere band met en betrokkenheid van de vader, is een dergelijke ontwikkeling niet in het belang van de kinderen. Wijst verzoek om de vader mede met het gezag over de kinderen te belasten af.

Rb Midden-Nederland (civiel), C/16/425687/FO RK 16-560, 26.1.17

CRvB: geen bijstand partner met terugwerkende kracht als status met terugwerkende kracht

De bijstand was omgezet van gehuwdennorm naar alleenstaandennorm, omdat de verblijfsvergunning van de partner was ingetrokken. Op 8 april 2014 kreeg de partner met terugwerkende kracht tot 22 januari 2014 weer een verblijfsvergunning. Op 13 augustus 2014 hebben appellanten zich gemeld voor een aanvraag bijstand voor de gehuwdennorm.

In het algemeen wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend, kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Maar dan moet de aanvrager wel gedetailleerd en nauwkeurig opgave doen van schulden die hij heeft gemaakt om in zijn levensonderhoud te voorzien. De door appellanten gestelde schulden bij de zorgverzekeraar en woningverhuurder betreffen betalingsachterstanden en geen schulden om in de kosten van levensonderhoud te voorzien (vgl. ECLI:NL:CRVB:2012:BX6600). Appellanten hebben niet anderszins aannemelijk gemaakt dat sprake is van kosten van levensonderhoud waarin nog niet is voorzien. Reeds gelet hierop, wordt over de periode van 22 januari 2014 tot 13 augustus 2014 geen bijstand naar de gehuwdennorm toegekend.

Hoger beroep appellanten gegrond
CRvB, 15/6535 WWB, 15/6536 WWB, 18.4.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1578

RvS: mantelzorg van buurman wel nodig

In het nieuwe BMA-advies is geconcludeerd dat bij het uitblijven van behandeling van de vreemdeling een medische noodsituatie zal ontstaan onder meer vanwege de ondernomen suïcidepogingen.

Gezien het feit dat de suïcidepogingen zijn gerelateerd aan onder meer de inname van medicijnen waarbij de buurman een belangrijke beschermende rol speelt, voert de vreemdeling terecht aan dat niet inzichtelijk is waarom in het BMA-advies is geconcludeerd dat de door de buurman verleende mantelzorg geen mantelzorg is die noodzakelijk is voor het welslagen van haar medische behandeling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de buurman de medicatie van de vreemdeling beheert, hetgeen ter zitting bij de rechtbank door de buurman is bevestigd en toegelicht en door de staatssecretaris niet is weersproken.

De grieven I en II slagen. Hoger Beroep vreemdeling gegrond.
RvS 201607981/1/V1, 2.5.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:1202

Rb: Irakese vrouw met NLse partner en kinderen niet naar Irak

De vreemdeling is afkomstig uit Kirkuk, woont al 10 jaar in NL, en is gehuwd met een NLse man waarmee zij drie kinderen heeft. In geschil is of de staatssecretaris terecht aan de vreemdeling een vestigingsalternatief in de KAR heeft tegengeworpen.

De vreemdeling heeft o.a. aangevoerd dat zij ten onrechte niet door de staatssecretaris is aangemerkt als een alleenstaande vrouw. Weliswaar is zij in NL gehuwd, maar kan haar man haar niet volgen naar de KAR omdat zij de zorg heeft voor hun drie in NL geboren kinderen. De staatssecretaris heeft gesteld dat de echtgenoot haar naar Irak kan volgen omdat hij ook de Irakese nationaliteit heeft.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris de gevolgen van deze verhuizing niet heeft betrokken in de belangenafweging. Immers, de kinderen hebben niet de Iraakse nationaliteit dus zij zouden dan alleen achter moeten blijven in NL. De staatssecretaris deze relevante omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling. Zij heeft bovendien betoogt dat de situatie veranders is, o.a. gelet op het aantal kinderen dat betrokken is bij de zaak en de grotere mate van gebondenheid aan NL van de oudere kinderen. Deze grond slaagt. Bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd.

Rb Den Bosch, 16/23357, 26.4.17

RvS: prejudiciele vragen over inburgeringsplicht bij voortgezet verblijf

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft 10 mei 2017 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg over de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak wil van het Hof van Justitie weten of de regeling in het Nederlandse Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij de aanvraag moet worden afgewezen als het inburgeringsexamen niet is behaald, in overeenstemming is met de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn. In de Gezinsherenigingsrichtlijn staat dat een vreemdeling die is toegelaten in het kader van gezinshereniging na een verblijf van meer dan vijf jaar, recht heeft op een 'autonome verblijfstitel', zoals een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. De richtlijn bepaalt verder dat de voorwaarden over de verlening van de autonome verblijfstitel in nationaal recht worden vastgesteld, maar de richtlijn geeft niet aan wat deze voorwaarden zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak wil van het Hof van Justitie weten of deze voorwaarden uit integratievoorwaarden mogen bestaan, zoals het halen van een inburgeringsexamen.

RvS 201600860/1/V2 en 201604637/1/V2, 10.5.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:1252

HvJ EU: ongedocumenteerde ouder van NLs kind mag in NL blijven indien bijzondere band

Het Hof (Grote Kamer) in antwoord op prejudiciële vragen van de CRvB van 18 maart 2015 verklaart voor recht:

1. Art. 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de EU, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, Unieburger, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die derdelander is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die derdelander is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

2. Art. 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een derdelander, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die derdelander de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die derdelander is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van Unieburger ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de derdelander verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.

HvJEU, C-133/15 (Chavez-Vlichez), 10.5.17
https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2017-05/cp170048nl.pdf

RvS: eerdere valse informatie geen reden om later aanvraag verblijf bij partner te weigeren

Uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt niet dat een lidstaat die een aanvraag voor gezinsvorming eerder heeft afgewezen vanwege onjuiste gegevens, een nieuwe aanvraag op dezelfde grond mag afwijzen, ook al worden dan wel de juiste gegevens verstrekt en voldoet de aanvrager aan de vereisten voor gezinshereniging. De Gezinsherenigingsrichtlijn kent de lidstaten ook niet de bevoegdheid toe om in die situatie als sanctie een aanvraag af te wijzen.

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 is dan ook in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en in zoverre onverbindend. De staatssecretaris is niet bevoegd om een aanvraag in die situatie op deze grond af te wijzen.  

De grieven slagen. Het hoger beroep is gegrond.

RvS 201604740/1/V1, 26.4.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:1109

idem RvS 201606280/1/V1, 26.4.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:1166

Rb: onjuiste naam geen reden voor intrekken vergunning Somalier

De rechtbank overweegt dat met de intrekking van een verblijfsvergunning vanwege onjuiste gegevens slechts wordt beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien juiste gegevens waren verstrekt. Met de intrekking wordt niet beoogd leed toe te voegen, dit is louter reparatoir van aard. Om die reden is is opzet van de betrokken partij niet van belang. De oorzaak van het opgeven van de verkeerde naam is dan ook niet relevant.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de vergunning bij opgave van de juiste gegevens ook had verleend. De staatssecretaris mag de vergunning dan ook niet intrekken. Beroep gegrond.

Rb Utrecht, 16/6577, 20.4.17

SvV&J: vergoeding medisch onderzoek in asielzaken

Als medisch onderzoek nodig is voor de beoordeling van asielverzoeken, dan vraagt de IND het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) of het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). De eerste aanvraag voor een forensisch medisch onderzoek is in maart 2016 ingediend bij NFI/NIFP. De IND heeft tot nu toe in veertien gevallen een forensisch medisch onderzoek door NFI of NIFP relevant geacht. In twee zaken is de asielaanvraag na een medisch onderzoek ingewilligd. In twee zaken is de asielaanvraag afgewezen, waarvan in één zaak de rechter op 3 april 2017 het beroep ongegrond heeft verklaard, omdat het relaas ondanks het medisch onderzoek ongeloofwaardig werd geacht. In de overige tien zaken is op dit moment nog geen beslissing op de asielaanvraag genomen.

Indien de IND een onderzoek niet relevant acht voor de beoordeling van de asielaanvraag, heeft de vreemdeling de mogelijkheid zelf een onderzoek te initiëren. Uitgangspunt is dat medisch onderzoek op initiatief van de vreemdeling wordt vergoed als het onderzoeksrapport bepalend is voor de inwilliging van de asielaanvraag. Hierin zijn de volgende situaties te onderscheiden:

  1. Indien de vreemdeling in zijn eerste asielprocedure een medisch rapport inbrengt nog voordat hij een voornemen tot afwijzing heeft ontvangen, krijgt hij de kosten niet vergoed. De IND dient immers een reële gelegenheid te hebben om zelf te beoordelen of een medisch onderzoek relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag.
  2. Indien de vreemdeling in zijn eerste asielprocedure een medisch rapport inbrengt nádat hij een afwijzend voornemen heeft ontvangen en het rapport is doorslaggevend voor de inwilliging, dan kan hij de kosten in beginsel wel vergoed krijgen.
  3. De vreemdeling die pas in het kader van een opvolgende asielaanvraag een medisch rapport inbrengt, krijgt dat in beginsel niet vergoed. In dat geval is er doorgaans een situatie waarin noch de IND, noch de rechter een medisch onderzoek relevant heeft geacht.
  4. Er zijn echter situaties denkbaar waarin vergoeding wel aan de orde is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de vreemdeling het medisch rapport tijdens de eerste asielprocedure zo spoedig mogelijk heeft opgevraagd, maar niet in die eerste procedure kon inbrengen, omdat noch de IND, noch de rechtbank in diens verzoek aanleiding zag de beslissing of uitspraak aan te houden. Als dat rapport vervolgens bepalend is voor de inwilliging van de opvolgende asielaanvraag, ligt het in de rede om de kosten voor het medische onderzoek te vergoeden.

Bij het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) worden de meeste medische onderzoeken door vreemdelingen aangevraagd. Andere vreemdelingen leveren incidenteel brieven van huisartsen of psychologen aan bij de IND.

Volgens cijfers van iMMO zijn in de periode tussen 5 maart 2012 en 15 maart 2017 in totaal 895 verzoeken tot het verrichten van een medisch onderzoek ontvangen, waarvan 31 verzoeken in 2017. In totaal heeft iMMO – na voorselectie – 474 medische rapportages uitgebracht. Van deze zaken is in 245 zaken – al dan niet in samenhang met ander steunbewijs – door de IND een vergunning verleend. De overige aanvragen zijn ofwel nog in behandeling bij de IND, ofwel door de IND afgewezen op grond van andere informatie. Ik merk hierbij op dat uit deze cijfers niet is af te leiden in welke zaken het iMMO-rapport een doorslaggevende factor is geweest bij het inwilligen van de aanvraag.

Uit een inventarisatie van de IND is naar voren gekomen dat in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 juli 2016 er 56 asielaanvragen zijn ingewilligd in zaken waarin een iMMO-rapport is ingebracht. In 22 van deze zaken heeft het iMMO-rapport een doorslaggevende rol gespeeld bij de inwilliging. In de overige zaken was naast een iMMO-rapport ook ander steunbewijs voorhanden.

In een brief in antwoord op vragen van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Haarlem, van 29 augustus 2016 heeft iMMO aangegeven dat de IND, al dan niet op last van de rechter, in 2014 in 11 gevallen het onderzoek heeft betaald, in 2015 in 12 gevallen en in 2016 (tot het moment van ontvangst van de brief) in 2 gevallen. De IND kan geen geautomatiseerde aantekening in het dossier maken in welke gevallen een dergelijk rapport heeft geleid tot een vergoeding van de kosten. Uit handmatig dossieronderzoek door de IND blijkt dat in 2016 in ieder geval in twee gevallen door de rechter is geoordeeld dat de IND de kosten van een dergelijke rapportage moet vergoeden, omdat de rapportage als doorslaggevend voor de beoordeling is aangemerkt.

Gezien de lage aantallen voorzie ik geen gevolgen voor de begroting.
Kamerstuk 34088 nr. G, 11.5.17
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34088-G.html

HvJ EU: geen eindtermijn voor terugname statushouder

Rechtbank Minden had prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. De rechtbank vroeg of de bepalingen en de beginselen van de Dublinverordening die de termijnen regelen voor de indiening van een terugnameverzoek van toepassing zijn op een situatie waarin een derdelander die reeds door een lidstaat subsidiaire bescherming is verleend een aanvraag doet in een andere lidstaat. Het Hof verklaart daarover dat die bepalingen en de beginselen van verordening niet van toepassing in een situatie dat de asielzoeker al verblijfsrecht heeft.

HvJEU, C-36/17 (Ahmed), 5.4.17
http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=en&num=C-36/17

Pagina's