Nieuws

Rb: nog geen zicht op uitzetting naar Noord-Irak

De vreemdeling stelt dat het zicht op uitzetting naar Irak op een redelijke termijn ontbreekt, omdat uitzetting van Iraakse vreemdelingen niet onder dwang mogelijk is en dit tevens blijkt uit een overgelegde verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag, van 26 juli 2018. In hetgeen de vreemdeling aanvoert ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat geen redelijk zicht op uitzetting op korte termijn bestaat.

Niet is gebleken dat de staatssecretaris al een laissez passer (lp) traject is gestart en hoewel de rechtbank de staatssecretaris volgt in de overweging dat de verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag er in zoverre niet toe doet, omdat de staatssecretaris de vreemdeling met behulp van de autoriteiten in Noord-Irak wenst uit te zetten, overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris niet heeft kunnen duiden op welke termijn een (diplomatieke) gesprek met de autoriteiten zal plaatsvinden of wanneer een lp aangevraagd zal worden. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de gegeven toelichting van de staatssecretaris, te weten dat op korte termijn een gesprek met de autoriteiten zal plaatsvinden, onvoldoende concreet om thans te oordelen dat zicht op uitzetting op korte termijn bestaat.

Rb Groningen, NL18.14223, 14.8.18

Rb: vreemdelingendetentie mag als asielzoeker vóór het asielgehoor is ondergedoken

Niet is in geschil dat eiser niet is verschenen om te worden gehoord naar aanleiding van zijn asielverzoek, dat hij met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij niet heeft gereageerd op het door verweerder uitgebrachte voornemen. Verweerder heeft het asielverzoek van eiser daarom niet inhoudelijk kunnen beoordelen en buiten behandeling gesteld.

In het arrest-Gnandie heeft het HvJ EU beoogd van rechtswege schorsende werking toe te kennen aan een terugkeerbesluit dat is genomen onmiddellijk na de afwijzing van een asielverzoek, welke afwijzing inhoudelijk gemotiveerd kon en moest worden. Daarvan is hier geen sprake, en van een mogelijk gevaar van refoulement is - om redenen die geheel aan eiser zijn te wijten - in het geheel niet gebleken. Het arrest van het HvJ EU mist daarom in deze context toepassing: aan het genomen terugkeerbesluit komt niet van rechtswege schorsende werking toe, en eiser kon daarom met het oog op de verwijdering in bewaring worden gesteld.

Rb Zwolle NL18.12720, 25.7.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10789

SvJ&V: nieuwe werkwijze opleggen inreisverbod bij uitreis

Als bij uitreis op een luchthaven door de ambtenaar belast met de grensbewaking wordt geconstateerd dat een vreemdeling illegaal op het grondgebied van de Europese Unie heeft verbleven en de vreemdeling een terugkeerbesluit krijgt of eerder heeft gekregen, moet er tevens een inreisverbod worden opgelegd. In de praktijk bleek dat tussen het moment van constateren van het illegaal verblijf en het moment waarop de vlucht van de vreemdeling vertrekt, vaak te weinig tijd was om een terugkeerbesluit uit te vaardigen en een inreisverbod op te leggen. In dat geval werd de vreemdeling in staat gesteld zijn vlucht te halen zonder dat een terugkeerbesluit was uitgevaardigd en een inreisverbod was opgelegd.

Met de wijziging in onderhavige WBV wordt het proces op de grensdoorlaatpost anders ingericht. Blijkens de tekst van het Return Handbook kunnen lidstaten de procedure tot het opleggen van een inreisverbod ook voltooien nadat de vreemdeling is vertrokken, mits deze procedure is aangevangen terwijl de vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat verblijft. De thans ingevoerde handelwijze voldoet daaraan.

WBV 2018/9, 16.8.18 in staatscourant Nr. 49154, 28.8.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-49154.html

RvS: buitenlands uiterlijk onvoldoende reden identiteitscontrole

In het proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2018 is het volgende vermeld: "(…). Ik verbalisant (…) keek in de laadruimten van het voorgenoemd motorvoertuig en zag daar een donker getinte manspersoon door het raam. Ik zag dat hij zich stijf tegen de laadruimten aan hield. Ik zag dat hij zich klein probeerde te maken. Ik opende de laadruimte en sprak de manspersoon aan. De manspersoon sprak uit "Voodoo" [fon]. (…) Ik en collega (…) verbalisanten hadden gelijk het gevoel dat de manspersoon in de laadruimte een vreemdeling was en mogelijk illegaal in Nederland. (…)"

De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank gelet op de ernst van het gebrek ten onrechte de belangenafweging in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Daarvoor acht de Afdeling doorslaggevend dat het uiterlijk van de vreemdeling een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beslissing hem staande te houden. Dit is in strijd met het vereiste dat er objectieve redenen voor het vermoeden van illegaal verblijf moeten zijn. Reeds daarom valt de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uit.

De grieven slagen in zoverre.
RvS 201802917/1/V3. 21.8.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2814

Rb: kinderpardon alleen voor ex-asielzoekers; geen 8EVRM na 6jr verblijf

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de kinderpardonregeling. Eiser 1 heeft pas in februari 2013, en dus niet ten minste vijf jaar geleden een asielverzoek ingediend. Dat zijn broer al in april 2009 een asielaanvraag heeft ingediend maakt dit niet anders. De broer heeft immers in december 2010 een verblijfsvergunning gekregen bij zijn moeder, die een status had als slachtoffer mensenhandel. De asielaanvraag van de broer kon dus niet mede betrekking hebben op eiser 1. Eiser 1 woonde ook niet bij zijn broer maar bij zijn moeder.

Met betrekking tot het beroep op artikel 8EVRM overweegt de rechtbank dat de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eisers uitvalt. In dit verband heeft verweerder van belang geacht dat het privéleven is geïntensiveerd in een periode waarin de moeder wist, dat het verblijfsrecht van haarzelf en eiser 1 onzeker was. De moeder en eiser 1 hebben een verblijfsvergunning in Nederland gehad, maar dit betrof slechts een tijdelijk verblijfsrecht in afwachting van een strafrechtelijk onderzoek. Nadat het strafrechtelijk onderzoek door de Nederlandse autoriteiten was afgerond, is het verblijfsrecht beëindigd. De Nederlandse overheid heeft derhalve niet door verlening van een niet-tijdelijke verblijfsvergunning uitdrukkelijk ingestemd met het verblijf hier te lande. Hoewel eiser 1 hier tot op zekere hoogte is geworteld – hij is hier te lande geboren, heeft hier ruim zes jaar gewoond, gaat hier naar school en heeft vrienden gemaakt –, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat hij gelet op zijn jonge leeftijd in staat moet worden geacht om zich met de hulp van zijn ouders in het land van herkomst te vestigen.

Rb den Haag AWB - 17 _ 6469, 1.3.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10055

Rb (MK): behandeling hoge bloeddruk in Nepal mogelijk niet toegankelijk

Met de mailwisseling tussen de gemachtigde en het ziekenhuis waar volgens het BMA-advies behandeling mogelijk is, heeft de vreemdeling een begin van bewijs geleverd dat de noodzakelijke zorg niet toegankelijk is. Het ziekenhuis schrijft expliciet dat het een “Travel Medicine Center”is. De vreemdeling behoort als Nepalees dus niet tot de doelgroep. Dit volgt ook uit de formulering van het bericht en de verwijzingen naar Nepalese overheidsziekenhuizen. Hiermee rijst serieuze twijfel of de zorg van het ziekenhuis toegankelijk zal zijn. Ter invulling van de samenwerkingsplicht is het aan de staatssecretaris om deze door de vreemdeling opgeworpen twijfel weg te nemen, mede omdat hij hiertoe meer mogelijkheden heeft.

Rb Arnhem (MK), NL18.433, 27.8.18

Rb: suïcidaliteit vanwege slecht nieuws geen reden vergunning medische behandeling

Het BMA constateerde in deze zaak dat geen sprake is van een gedocumenteerde suïcidepoging, psychosen, psychotische klachten die aantoonbaar hebben geleid tot levensgevaar voor betrokkene of voor personen in haar omgeving of psychiatrische (crisis) opnames in kader van ernstige psychotische klachten, en dat de gedwongen opname wegens suïcidaliteit plaatsvond in het kader van eiseres' reactie op slecht nieuws rond haar verblijfsvergunning.

Dat, zoals de behandelaars hebben gesteld, door een negatief besluit de trauma's van eiseres worden getriggerd en zij vanuit en vanwege het onderliggend ziektebeeld zo heftig op een negatief besluit reageert, laat immers onverlet dat de trigger een negatiefbesluit is.

De conclusie van het BMA-advies blijft in stand, dat het uitblijven van behandeling van eiseres niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn.

Rb Utrecht AWB 17/12736 en AWB 17/12737, 4.9.18

Rb: zelfstandige met Spaanse vergunning verdient genoeg voor vestiging in NL

Verweerder mag van de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft, stukken verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten en waaruit blijkt dat hij uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.

De effectiviteit van de Richtlijn mag hierdoor en hierbij echter niet ondermijnd worden. Langdurig ingezetenen moeten daadwerkelijk gebruik kunnen maken van het recht van verblijf in een andere lidstaat om daar te werken als werknemer of als zelfstandige, om er een studie te volgen, of om zich daar te vestigen zonder een economische activiteit uit te oefenen (punt 19 van de preambule). Dit betekent dat de eisen die de lidstaten stellen niet het effect mogen hebben dat zij de uitoefening van het recht van verblijf uiterst moeilijk of onmogelijk maken.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand dat de inkomensvereisten overeenkomstig het Chakroun-arrest wordt uitgelegd. In alle gevallen moet dan ook een concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager worden gemaakt om te beoordelen of eiser duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.

Niet is in geschil dat eiser in het verleden nimmer een beroep heeft gedaan op de openbare kas en dat ook nu niet doet. Eiser heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat hij met zijn gezin leeft van de inkomsten die hij genereert uit zijn twee horecabedrijven. Het lag daarom op verweerders weg om bij eiser te vragen naar nadere financiële stukken. Van verweerder mocht meer onderzoek verwacht worden dan nu heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen en nader onderzoek moeten doen. De rechtbank stelt voor de nieuw te nemen besluiten een termijn van acht weken.

Rb Amsterdam AWB 17/16358 en AWB 17/16357, 4.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10521

Rb: geen risico alleenstaande verwesterde vrouwen in Noord-Irak

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat zij als vrouw bij terugkeer naar Noord-Irak een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De situatie in Irak is niet dusdanig dat iedere vrouw bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk redenen hebben om aan te nemen dat zij in het bijzonder risico lopen om te worden onderworpen aan maatschappelijke, juridische en sociale beperkingen of slachtoffer te worden van eergerelateerd, seksueel en huiselijk geweld. Zij hebben verklaard in het verleden geen discriminatie te hebben ondervonden. Dat dit komt doordat zij op jonge leeftijd Irak hebben verlaten, doet er niet aan af dat er geen aanwijzingen in de relazen van eiseressen te vinden zijn die ertoe leiden dat eiseressen persoonlijk een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiseressen hebben niet verklaard dat bijvoorbeeld vrouwelijke familieleden met ernstige discriminatie te maken hebben gehad.

De overlegde brief van Vluchtelingenwerk heeft specifiek betrekking op de positie van jongeren met een seculier gedachtegoed, op de positie van christenen dan wel op de situatie in delen van Bagdad en Zuid-Irak. Nu eiseressen islamitisch zijn, zijn deze bronnen voor de positie van eiseressen bij terugkeer naar Noord-Irak niet relevant.

De beroepen zijn ongegrond.
Rb den Haag NL18.1525 & NL18.1534. 28.2.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10156

Rb: risico besnijdenis Guinee, herkomst platteland bewezen

Het standpunt van de staatssecretaris dat geen oordeel kan worden gegeven over of de vreemdeling en haar dochter zich bij terugkeer aan besnijdenis kunnen onttrekken, kan niet standhouden zonder nadere motivering. Dat de vreemdeling uit Kankan komt staat vast, de staatssecretaris heeft haar stelling dat zij op het platteland woonde niet betwist. Wel blijkt volgens hem uit het Facebookaccount van de vreemdeling dat zij een sociaal vangnet heeft in Conakry, al dan niet tot stand gekomen via (Facebook-) vrienden, maar hij werpt haar geen vestigingsalternatief aldaar tegen. In het licht hiervan is hij ook onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de uitspraak van het VN Comité voor de Rechten van het Kind van 25 januari 2018 (CRC/C/77/D/3/2016), waarin onder meer is overwegen dat art. 19 IVRK niet afhankelijk kan worden gesteld van de mogelijkheid van de moeder om druk van de familie en de gemeenschap te weerstaan.

Rb Haarlem, NL17.4468, 5.9.18

Pagina's