Nieuws

Rb: werkwijze aanvraag LP en zicht op uitzetting Vietnam

Verweerder heeft uiteengezet wat de werkwijze is ten aanzien van LP-aanvragen voor Vietnam. De LP-aanvraag wordt digitaal en per post naar de Nederlandse ambassade in Hanoi verzonden. De contactpersoon van de Nederlandse ambassade zendt vervolgens de LP-aanvraag door naar de verantwoordelijke Vietnamese autoriteiten: het Vietnamese Ministry of Public Security (MPS). Reacties van MPS worden doorgestuurd door de Nederlandse ambassade in Hanoi naar de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). DT&V onderhoudt geen directe contacten met de Vietnamese autoriteiten. Iedere drie weken worden rappels door DT&V per e-mail aan de Nederlandse ambassade in Hanoi verstuurd met het verzoek te rappelleren bij de Vietnamese autoriteiten en DT&V te informeren wanneer dat heeft plaatsgevonden.

De rechtbank volgt eiseres niet. Het is niet in geschil dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting naar Vietnam. Verder heeft verweerder toegelicht dat de LP-aanvraag en de rappels zijn ingediend bij de Nederlandse ambassade in Hanoi. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de LP-aanvraag en de rappels van 2 januari 2024 en 26 januari 2024 door verweerder op onjuiste wijze zijn verzonden.

Het beroep is ongegrond.
Rb Middelburg NL24.3831, 13.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1981

Rb: zicht op uitzetting Algerije

Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht nog steeds zicht op uitzetting naar Algerije aan te nemen. In 2024 zijn in totaal 26 lp-aanvragen aanvragen gedaan waarvan er 10 tot een nationaliteitsbevestiging hebben geleid en bovendien is er eenmaal een lp afgegeven voor een gedwongen uitzetting. Tot slot heeft de consul in januari 2024 aangegeven in 2024 ook in gevallen van een ‘no-show’ onderzoek naar identiteit en nationaliteit te zullen doen, hetgeen uitzetting aannemelijker maakt.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. .... De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende duidelijk heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser zicht op uitzetting naar Algerije kan worden aangenomen. Daartoe acht de rechtbank doorslaggevend dat de omstandigheden waaronder op 4 oktober 2023 en op 12 december 2023 een lp is afgegeven voor een gedwongen vertrek vanuit vreemdelingenbewaring, ook op eiser van toepassing zijn. De door de staatssecretaris gegeven cijfers bevestigen bovendien dat de afgifte van de lp op 4 oktober 2023 niet slechts incidenteel was; er is dan ook geen reden om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.

Rb Groningen NL24.3994, 20.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2111

RvS: psychische zorg in Nigeria van mindere kwaliteit, maar voldoende

In het BMA-advies staat dat de vreemdeling klachten heeft die voortkomen uit een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis. Volgens het BMA leidt het uitblijven van behandeling naar verwachting tot een toename van angst- en stemmingsklachten, valt een toename van suïcidaliteit niet uit te sluiten en zou het kunnen komen tot concrete handelingen. Bij het uitblijven van behandeling verwacht het BMA daarom een medische noodsituatie. De in Nigeria beschikbare behandeling, waaronder een CGT-behandeling en zo nodig een (crisis)opname, is niet één op één vergelijkbaar met de behandeling die de vreemdeling in Nederland krijgt, maar is wel voldoende om een medische noodsituatie te voorkomen, aldus het BMA.

Uit de brieven van de behandelaars blijkt dat CGT-behandeling geen geschikte vervanging is van de schematherapie die de vreemdeling in Nederland krijgt en dat CGT-behandeling geen verbetering kan geven. Tussen partijen is niet in geschil dat de in Nigeria aanwezige behandeling van mindere kwaliteit is dan de behandeling die in Nederland kan worden gegeven. Dat is in de BMA-nota ook uitdrukkelijk onder ogen gezien. Zoals de staatssecretaris echter terecht aanvoert, is het feit dat de aanwezige behandeling in Nigeria van mindere kwaliteit is dan de behandeling die de vreemdeling in Nederland kan krijgen, niet relevant; dat is immers niet de maatstaf. De maatstaf is of de in Nigeria beschikbare behandeling voldoende is om een medische noodsituatie te voorkomen. En dat is ook wat het BMA in het advies en de nota’s heeft beoordeeld. Het BMA is bij die beoordeling kenbaar ingegaan op de brieven van de behandelaars en heeft geconcludeerd dat uit die brieven niet blijkt dat de CGT-behandeling in Nigeria onvoldoende is om een medische noodsituatie te voorkomen. In het licht daarvan heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het BMA-advies en de BMA-nota’s onzorgvuldig tot stand zijn gekomen op het punt van de voorgeschreven alternatieve behandeling in Nigeria.

Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam 21/2434, 26.4.22 is gegrond.
RvS 202203276/1/V1, 22.2.24
ECLI:NL:RVS:2024:741

RvS: halfzus van Spaanse Unieburger heeft afgeleid verblijfsrecht

De vreemdeling en haar moeder hebben de Braziliaanse nationaliteit. Zij heeft geen contact met haar vader. Haar moeder heeft een vriend die ook de Braziliaanse nationaliteit heeft. Uit die relatie is een dochter geboren die de Spaanse nationaliteit heeft. De vreemdeling verbleef op dat moment in Nederland, waar zij is geboren en het grootste gedeelte van haar leven gewoond heeft. In 2019 kwamen de moeder van de vreemdeling en haar vriend met hun dochter, de halfzus van de vreemdeling, naar Nederland. De halfzus van de vreemdeling heeft in Nederland van rechtswege rechtmatig verblijf als Unieburger. De moeder van de vreemdeling en haar vriend hebben een verblijfsrecht als de primaire verzorgers van een minderjarige Unieburger die gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verkeer en verblijf. De aanvraag van de vreemdeling om een afgeleid verblijfsrecht bij haar halfzus te verkrijgen is afgewezen.

De Verblijfsrichtlijn geeft aan een ‘ander familielid’ van een Unieburger alleen het recht dat haar binnenkomst en verblijf wordt ‘vergemakkelijkt’. In het Vb 2000 is hun positie echter gelijkgesteld aan de positie van familieleden die rechtstreeks een verblijfsrecht aan de richtlijn kunnen ontlenen. ...

De vreemdeling en haar halfzus wonen in gezinsverband samen. Ze zijn allebei minderjarig en voor materiële en immateriële zorg afhankelijk van hun moeder en haar vriend. Dat betekent dat zij niet louter om praktische redenen samenwonen, maar in familieverband opgroeien. Omdat zij als zussen in dat familieverband samenleven, moet worden aangenomen dat zij een hechte en duurzame band met elkaar delen. Dit veronderstelt dat zij bij een gedwongen scheiding allebei zouden lijden onder het gemis van de ander. Bovendien zou een van hen dan haar moeder moeten missen. Ze hebben elkaar dus nodig. De staatssecretaris legt niet uit waarom deze indirecte afhankelijkheid door inwoning niet meegewogen hoeft te worden in de beoordeling ....

Anders dan de staatssecretaris betoogt, leidt het feit dat de vreemdeling en haar moeder tweemaal een periode van elkaar gescheiden zijn geweest niet tot een ander oordeel. De toekenning van een verblijfsrecht is namelijk niet (primair) afhankelijk van de relatie tussen de vreemdeling en haar moeder. Doorslaggevend is of de vreemdeling op het toetsingsmoment in het land van herkomst bij haar halfzus inwoont of heeft ingewoond. ... Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vreemdeling op grond van de Verblijfsrichtlijn in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht. ... De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden.

De staatssecretaris moet opnieuw een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar nemen. Daarbij moet hij ervan uitgaan dat de vreemdeling een familielid van een Unieburger is dat in het land van herkomst bij haar inwoont.

RvS 202106327/1/V3, 15.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:645

Rb: heroverweging rol vader ikv 8EVRM en Chavez

Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij verblijft sinds 1992 in Nederland en heeft samen met zijn ex-echtgenote vier kinderen. Zijn ex-echtgenote en de kinderen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit. In 2019 heeft de staatssecretaris eisers asielvergunning voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken. Dit besluit staat in rechte vast. In 2022 heeft eiser een aanvraag voor verblijf bij zijn gezin ingediend op grond van artikel 8 van het EVRM. Deze aanvraag is afgewezen, daarbij is nav ambtshalve toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez niet gebleken van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. Tevens is niet gebleken van een zodanige afhankelijkheid van eiser dat de kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten. In bezwaar heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarna de staatssecretaris bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond heeft verklaard....

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Nederland gezinsleven heeft met zijn ex-echtgenote en hun vier minderjarige kinderen. Ook is niet in geschil dat weigering van verblijfsrecht inmenging in het gezinsleven oplevert.

De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging en daarvoor is het volgende van belang. In het bestreden besluit is verwezen naar het besluit van 2019 en de uitspraak van 2020. Daarbij zijn alle destijds van belang zijnde feiten en omstandigheden betrokken. .... Er is echter sprake van een gewijzigde situatie door tijdsverloop, met name doordat eiser sindsdien zijn rol als vader verder heeft ingevuld.

Eiser heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard over zijn zorg- en opvoedtaken binnen het gezin. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verklaringen van de school van de kinderen, van de GGD en van een vriend overgelegd. Verder is van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij op vijf minuten loopafstand van zijn gezin is gaan wonen, dat hij de kinderen bijna dagelijks ziet, dat hij ze elke week op maandag tot en met vrijdag naar school brengt en ophaalt, ze met regelmaat in de weekenden ziet, dat hij ze naar sport brengt, dat hij de kinderen naar de GGD en het ziekenhuis brengt en dat hij met de kinderen in het park speelt. Ter zitting heeft de ex-echtgenote van eiser, onder ede, deze invulling van zijn rol bevestigd. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de twee oudste kinderen af en toe bij hem blijven slapen. De verklaringen dienen in samenhang te worden gezien met de overgelegde objectieve bewijsstukken van de school en de GGD. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de gestelde zorg- en opvoedtaken voldoende zijn onderbouwd. Dit is van belang, omdat hiermee sprake is van een veranderde situatie ten opzichte van de eerder gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.

De staatssecretaris heeft deze stukken en verklaringen benoemd in het bestreden besluit. Maar slechts is overwogen dat de moeder sinds de geboorte van de kinderen de primaire verzorger is, haar rol veel groter is dan de rol van eiser, dat het goed gaat met de kinderen en dat de moeder verklaard heeft de verzorging van de kinderen alleen op zich te kunnen nemen. Daarmee heeft de staatssecretaris niet duidelijk gemaakt welk gewicht wordt toegekend aan de gewijzigde situatie en de rol die eiser nu heeft binnen het gezin. Daarnaast blijkt hieruit ook niet welk gewicht wordt toegekend aan de gevolgen voor de kinderen bij een vertrek van eiser uit Nederland, waarbij zijn rol zou wegvallen. Tot slot heeft de staatssecretaris gewezen op het belang van de openbare orde. Gelet op vorenstaande moet dit belang echter opnieuw afgewogen worden tegen eisers belangen. Daarbij moet de verstreken tijd sinds de laatste strafbare feiten betrokken worden en de verklaring van eiser dat hij niet meer verslaafd is en niet meer onder toezicht van de reclassering staat. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond.

Daarnaast blijkt uit Europese jurisprudentie dat bij de belangenafweging niet kan worden volstaan met de constatering dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen. Er moet beoordeeld worden of vestiging in dat land een ‘certain degree of hardship’ (een subjectieve belemmering) met zich brengt. Omdat dit in het bestreden besluit niet is gebeurd, bestaat ook op dit punt een motiveringsgebrek. Ook hierom is het beroep gegrond....

Uit het arrest Chavez-Vilchez blijkt dat bepaald dient te worden welke ouder de daadwerkelijke zorg verleend voor het kind en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. ...De rechtbank is van oordeel dat de zorg- en opvoedtaken van eiser ten onrechte als niet meer dan marginaal zijn aangemerkt. .... In het verlengde hiervan heeft de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheid van eiser dat de kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten. De staatssecretaris heeft overwogen dat de kinderen zich in het verleden ook konden redden zonder eiser, dat het goed ging met de kinderen ten tijde van de hoorzitting en dat de moeder heeft aangegeven dat zij het zal redden zonder eiser. Hiermee is echter geen antwoord gegeven op de vraag wat het vertrek van eiser zou betekenen voor de kinderen. Er dient immers uitgegaan te worden van de huidige situatie, waarbij eiser inmiddels al jaren daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht. Daarnaast ging het weliswaar goed met de kinderen ten tijde van de hoorzitting, maar dat is in aanwezigheid van eiser terwijl hij zijn rol als vader in Nederland vervult. Het is zeer wel mogelijk dat de moeder het zal redden zonder eisers aanwezigheid in Nederland, maar zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven rechtspraak is dit relevant maar volstaat het niet om vast te stellen of die afhankelijkheidsrelatie bestaat. Tot slot zijn de leeftijden van de kinderen wel genoemd, maar is niet gebleken dat de staatssecretaris onderzoek heeft gedaan naar de lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van de affectieve relatie met eiser en het risico voor het evenwicht van de kinderen als zij gescheiden worden van eiser. Dit mag wel verwacht worden, omdat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht en de ex-echtgenote verklaard heeft dat de kinderen niet zonder hun vader kunnen, dat ze de kinderen samen wil opvoeden en dat de kinderen beschadigd zouden raken als hun vader er niet is. Gelet hierop is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Het beroep is gegrond.

Rb Middelburg NL23.27754, 14.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2061

RvS: India als veilig land van herkomst herbeoordelen

Als de staatssecretaris India wil blijven aanmerken als veilig land van herkomst, moet hij eerst de situatie in India opnieuw herbeoordelen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:738.

Hoger beroep tegen Rb den Haag NL22.4108, 28.4.22 gegrond.
RvS 202202732/1/V2. 14.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:597

RvS: risico sikhs India

India is aangewezen als veilig land van herkomst, met uitzondering van Jammu en Kashmir en met uitzondering van religieuze minderheden. Ook is verhoogde aandacht gevraagd voor personen die kritisch zijn tegen de overheid en als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden.

De Afdeling overweegt als volgt. De vreemdeling is Sikh en de staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat hij als boer heeft deelgenomen aan de boerenprotesten in India en hierdoor problemen heeft ondervonden van de Bharatiya Janata Party, een van de grootste politieke partijen van India. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet onder een van de uitzonderingscategorieën valt....

Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL22.1808, 4.3.22 gegrond.
ABRvS, 202201498/1, 14.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:596

Rb: geen risico bij deelname NLse pro-Oromo demo’s

Verweerder is afgegaan op de informatie in het Ambtsbericht dat de Ethiopische autoriteiten onvoldoende capaciteit en middelen hebben om politieke activiteiten in het buitenland te controleren. Eiser heeft daartegen ingebracht dat deze informatie genuanceerd moet worden. Het Ambtsbericht put uit vertrouwelijke bronnen die niet zijn bevestigd door openbare bronnen. Eiser merkt verder op dat monitoring van de demonstratie in Nederland niet alleen vanuit de ambassade van Ethiopië kon plaatsvinden, maar ook in Ethiopië vanwege de uitzending van OMN.

De rechtbank is van oordeel dat eisers stellingen geen aanknopingspunten bieden voor twijfel aan het Ambtsbericht. Dat de aangehaalde informatie is ontleend aan vertrouwelijke bronnen, die niet konden worden geverifieerd door openbare bronnen, doet aan de betekenis ervan niet af. Het gaat namelijk niet om één bron, maar om ‘veel vertrouwelijke bronnen’. Daarbij komt dat eiser geen stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat de Ethiopische autoriteiten er wel in slagen om politieke activiteiten in het buitenland te monitoren....

De OMN videobeelden van de demonstratie geven het beeld van een grote groep mensen. Dat eiser daarop is te zien, betekent nog niet dat hij opvallend aanwezig was. Daarom slaagt ook het beroep op het arrest van het Hof van 21 september 2023 niet. Immers, daarin is bepaald dat bij het beoordelen of er een gegronde vrees voor vervolging is, rekening moet worden gehouden met de vraag of de politieke overtuiging de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gewekt of kan wekken....

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat of kan komen te staan van de autoriteiten van Ethiopië.

Rb Middelburg NL23.31984, 13.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1984

Rb: risico aanhanger Fano Ethiopie

De politieke overtuiging van eiser is niet in geschil en ook is niet in geschil dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de Fano. Deze bestonden onder meer uit het rekruteren van nieuwe leden en financiering van de Fano. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn politieke overtuiging en de inhoud van zijn werkzaamheden voor de Fano onvoldoende beoordeeld in het licht van de algemene informatie (het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022) over het handelen van de Ethiopische autoriteiten in dat kader. In de aanvullende gronden van beroep van 30 november 2023 heeft eiser ook verwezen naar dit algemeen ambtsbericht. Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing van zijn eerdere stelling in de zienswijze ten aanzien van de positie van de Fano en haar leden verwezen naar berichtgeving van Reporters Sans Frontières, een artikel in Trouw en een rapport van Freedom House. Er is onder andere gewezen op informatie uit het ambtsbericht waaruit blijkt dat de federale overheid van Ethiopië de term extremistische/radicale Fano niet alleen gebruikt om bandieten te bestrijden, maar ook om de arrestatie van mensen die kritisch staan tegenover de regering te legitimeren. Ook is in het ambtsbericht opgenomen dat leden van de Fano gearresteerd waren en werden beschuldigd van het rekruteren en trainen van jongeren zonder de toestemming van de nationale verdedigingskrachten en politie-instellingen. .... De rechtbank acht deze informatie van externe bronnen in het licht van eisers asielrelaas en de gestelde problemen vanwege zijn werkzaamheden voor Fano als voor zijn vrees bij terugkeer naar Ethiopië van belang, zodat verweerder ten onrechte niet is ingegaan hierop.

Ter zitting heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie aangenomen dat er bij eiser sprake is van een politieke overtuiging, maar is hij zich op het standpunt blijven stellen dat de politieke overtuiging niet leidt tot vluchtelingschap vanwege de mate van eisers overtuiging en de activiteiten die hij heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende is ingegaan op eisers verklaringen over zijn politieke overtuiging, de inhoud van zijn verrichtte werkzaamheden voor de Fano en de door hem ingebrachte informatie, zodat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven.

Rb Middelburg NL23.14783, 15.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2119

Rb: mogelijk risico kritische journalist el Salvador nav recente politieke ontwikkelingen

Het is niet in geschil dat eiser in El Salvador werkzaam is geweest voor diverse NGO’s en dat eiseres daar werkzaam is geweest bij een televisiezender die kritisch was op de autoriteiten (Canal 11).

Uit de door eisers aangehaalde bronnen blijkt het volgende. Op 27 maart 2022 is in El Salvador de noodtoestand uitgeroepen en deze is inmiddels verlengd. Dit heeft tot gevolg gehad dat niet alleen het bendegeweld hard is aangepakt, maar dat ook de mensenrechtensituatie is verslechterd. Het aanpakken van de criminele bendes is onder meer gepaard gegaan met willekeurige arrestaties alsook met mishandeling, marteling en enkele overlijdens van mensen in hechtenis. Daarnaast wordt het recht op vrijheid van vergadering en het recht op toegang tot informatie beknot. Kritiek op het beleid sinds de noodtoestand wordt de kop ingedrukt. Kritische uitingen in de media en berichtgeving over bendegeweld zijn zelfs strafbaar gesteld. Maatschappelijke organisaties zoals NGO’s die zich inzetten voor de mensenrechten worden afgeschilderd als tegenstanders van het regime en worden aangevallen.

Verweerder heeft er op dit punt op gewezen dat eisers legaal zijn uitgereisd, dat eiseres heeft verklaard dat zij voorheen in El Salvador geen problemen heeft ondervonden van de autoriteiten, en dat in rechte vast staat dat eisers vrees vanwege zijn eerdere werkzaamheden voor NGO’s niet aannemelijk is. Daarbij heeft verweerder miskend dat eisers in november 2021 uit El Salvador zijn vertrokken en dat de hiervoor geschetste ontwikkelingen zich nadien hebben voorgedaan. Verweerder heeft zich daarom onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers als voormalig NGO-medewerker en voormalig (kritisch) journalist bij terugkeer naar El Salvador niet te vrezen hebben voor de autoriteiten....

Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers ten onrechte opnieuw afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond.
Rb Middelburg NL23.30438 en NL23.30439, 19.2.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2191

Pagina's