Nieuws

RvS: geen recht op toeslagen hoofdpersoon met buitenlandse partner tijdens vovo in beroep

De Afdeling volgt [hoofdpersoon] niet in zijn betoog dat [partner] op het moment dat zij in de procedure tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning een verzoek om voorlopige voorziening indiende bij de rechtbank tot het moment dat de rechtbank uitspraak had gedaan, rechtmatig in Nederland verbleef. Rechtmatig verblijf van de partner van de aanvrager van zorgtoeslag en kindgebonden budget is een vereiste om voor die toeslagen in aanmerking te komen. Indien de partner van de hoofdpersoon een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), heeft de hoofdpersoon geen aanspraak op een tegemoetkoming.

In het besluit op bezwaar van de IND is het bezwaar van [persoon] tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning ongegrond verklaard. In het besluit is vermeld dat na bekendmaking van het besluit [partner] van rechtswege niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft, tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is. [partner] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Nu bij of krachtens de Vw 2000 niet anders is bepaald, volgt uit artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht dat het instellen van beroep tegen het besluit op bezwaar van de staatssecretaris in zo een geval niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4733. [partner] heeft daarom hangende het beroep een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat uitzetting tijdens de beroepsprocedure wordt voorkomen. De situatie die hier aan de orde is, waarin [partner] in afwachting was van een beslissing op een beroepschrift in een reguliere procedure en ter voorkoming van uitzetting in die procedure een verzoek indiende om een voorlopige voorziening te treffen, valt niet onder een van de gronden genoemd in artikel 8 van de Vw 2000. [partner] mocht de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening afwachten. Dit vloeit voort uit een beleidsregel en is geen rechtmatig verblijf bij of krachtens de Vw 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vw 2000. Om die reden is geen sprake van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Awir en had [hoofdpersoon] in die periode dan ook geen recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [partner] geen rechtmatig verblijf had in Nederland en dat [hoofdpersoon] daardoor geen recht had op zorgtoeslag en kindgebonden budget.

RvS 201705530/1/A2, 9.5.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:1572

RvS: geen alleenstaande oudertoeslag bij gehuwden, ook als partner in buitenland woont

Uit artikel 2 van de Wet op het kindgebonden budget, in samenhang met artikel 3 van de Awir en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt, dat om in aanmerking te komen voor een alleenstaande oudertoeslag geen sprake mag zijn van partnerschap. Anders dan [appellant sub 1] meent, betekent de omstandigheid dat [persoon] in het buitenland verbleef niet dat zij daarmee niet meer kon worden aangemerkt als zijn partner nu zij nog steeds waren gehuwd en niet is gebleken dat zij van tafel en bed zijn gescheiden.

RvS 201705530/1/A2, 9.5.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:1572

Rb: geen AZC-opvang onuitzetbaren

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA4652), kan verweerder opvang verlenen in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze niet onder het bereik van artikel 3 van de Rva vallen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0578) voorts geoordeeld dat enkel in zeer beperkte gevallen sprake kan zijn van zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot feitelijke opvang. Eén van die omstandigheden kan een acute medische noodsituatie betreffen.

In dit geval is niet gebleken van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden... Indien eiser aanvoert dat als dergelijke omstandigheden hebben te gelden het feit dat hij niet uitzetbaar is en dat hij vergeefs heeft geprobeerd Nederland te verlaten, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat genoemde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat zij tot feitelijke opvang nopen.

Rb Middelburg 17/13506, 20.4.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5306

HvJ EU : individuele beoordeling nodig bij opleggen inreisverbod vanwege mensenrechtenschending

In this ruling, the CJEU found that the fact that a person has been the subject, in the past, of a decision excluding him from refugee status cannot automatically permit the finding that the mere presence of that person in the territory of the host Member State constitutes a genuine, present and sufficiently serious threat affecting one of the fundamental interests of society.

A case-by-case assessment is necessary before a measure based on grounds of public policy or public security is adopted. This assessment must be based on the personal conduct of the individual concerned, taking into consideration the findings of fact in the decision to exclude that individual from refugee status, particularly the nature and gravity of the crimes or acts that he is alleged to have committed, the degree of his individual involvement in them, whether there are any grounds for excluding criminal liability, and whether or not he has been convicted. It must also take account of the time that has elapsed since the date when the crimes or acts were allegedly committed and the individual’s subsequent conduct, particularly in relation to whether that conduct reveals the persistence in him of a disposition hostile to the fundamental values of the EU, capable of disturbing the peace of mind and physical security of the population. This finding is not precluded by the mere fact that the past conduct of that individual took place in a specific historical and social context in his country of origin, which is not liable to recur in the host Member State. The authorities must additionally weigh the protection of the fundamental interest of society at issue, on the one hand, against the interests of the person concerned in the exercise of his right to freedom of movement and residence as a Union citizen and in his right to respect for private and family life.

CJEU Joined Cases C-331/16 and C-366/16, 2.5.18
http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-331/16&language=en

Rb: medische toets anders bij kinderen

Uit het artikel in ‘Medisch Contact’ blijkt dat de schrijvers van oordeel zijn dat de indicatoren suïcidaliteit, psychose en gedwongen opname ten onrechte de suggestie kunnen wekken dat geen medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van behandeling, doordat die indicatoren zich bij kinderen weinig voordoen, en dat ook andere factoren moeten worden betrokken bij de vraag of bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan bij jonge kinderen met psychische problemen. ... Zij bevelen aan:

  • dat de huidige parameters aangevuld zouden moeten worden met voor kinderen relevante parameters en dat een langere termijn dan drie maanden wordt aangehouden;
  • dat toxische stress en de schadelijke invloed daarvan wordt meegenomen in de beoordeling;
  • dat wordt meegenomen welke mate van externe stress wordt veroorzaakt door de bedreigende leefsituatie en hoe het staat met de ouderschapscompetenties binnen de opvoed- en hechtingsrelatie inclusief het effect hiervan op het kind.

Uit de brief van de behandelaars van eiser van Centrum ’45 blijkt dat eiser een kwetsbare jongen is met zwakke cognitieve vermogens die opgroeit in een complexe omgeving. Zo is sprake van een zeer belast gezin met twee ouders met chronische post-traumatische stress stoornis gecombineerd met een ernstige depressie, een oudere zus met psychiatrische problematiek en een jonger zusje met ontwikkelde gedragsproblemen. De kinderen groeien op in een psychosociale context met veel spanning en stress. Zij wonen in een AZC waar geregeld gezinnen gedwongen worden opgehaald door de politie om te worden uitgezet, waar eiser ook angstig voor is. Eiser is volgens de DSM-IV classificatie gediagnostiseerd met, onder andere, een ernstige depressieve stoornis, KOPP problematiek (Kind van Ouders met Psychiatrische Problemen), zwakbegaafdheid en problemen in de primaire steungroep. Voorts is vermeld dat eiser weinig steunbronnen om zich heen ervaart. Centrum ’45 concludeert dat de inschatting is dat het abrupt stop zetten van de behandeling (individuele psychotherapie gecombineerd met ouderbegeleiding) tot een verergering van de klachten zal leiden, met name angst- en paniek en toename van suïcidale gedachten. Gezien het gebrek aan holding binnen het gezin is dit zeer zorgelijk, aldus de behandelaars.

Het BMA komt tot de conclusie dat het uitblijven van de behandeling van eiser, ondanks een te verwachte toename van klachten (angst, somberheid, suïcidale gedachten gekoppeld aan wanhoop), gelet op het toestandsbeeld zelf en de voorgeschiedenis niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Eiser is niet psychotisch of suïcidaal en de voorgeschiedenis laat geen relevante incidenten (gedwongen opname, suïcidepogingen) zien. Ook komt wel gewicht toe aan het feit dat eiser geen medicatie gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel aan verweerder toegegeven kan worden dat het artikel uit ‘Medisch Contact’ niet specifiek ziet op eiser en niet is opgesteld door de behandelaren van eiser, de strekking van dat artikel wel degelijk relevant kan zijn bij de beoordeling van de medische situatie van eiser. Niet in geschil is immers dat eiser een minderjarige is met psychische problematiek waarvoor hij behandeld wordt en waarmee zijn ouders hem, gelet op hun eigen psychische problematiek, onvoldoende kunnen helpen. ... Gelet op één en ander is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de motivering dat het artikel uit ‘Medisch Contact’ van algemene strekking is en niet is geschreven door de behandelaren van eiser en om die reden niet als rechtens relevant novum kan worden aangemerkt. Uit oogpunt van zorgvuldigheid had het op de weg van verweerder gelegen om voornoemd artikel voor te leggen aan het BMA voor een reactie. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Rb den Haag AWB - 17 _ 12517, 28.3.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:4096

SvJ&V: Richtlijn 2016/801 voor toelating studenten en onderzoekers

De richtlijn regelt de voorwaarden voor derdelanders voor toegang en verblijf als onderzoeker (en gezinsleden), student, stagiair of vrijwilliger in het kader van het Europees vrijwilligerswerk.

  • Studenten en onderzoekers kunnen gebruikmaken van intra EU-mobiliteit als zij aantoonbaar voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Zo kunnen zij, met behoud van de Nederlandse verblijfsvergunning, naar één of meer andere lidstaten verhuizen om daar een deel van het onderwijsprogramma te volgen of onderzoek uit te voeren.
  • De richtlijn regelt ook de toelatingsvoorwaarden voor stagiairs en vrijwilligers uit derde landen.  Derdelanders die als vrijwilliger in het kader van het Europees vrijwilligerswerk naar Nederland willen komen, moeten straks een overeenkomst sluiten met de uitwisselingsorganisatie. Ook hoger opgeleide derdelanders die ten hoogste 2 jaar geleden zijn afgestudeerd, kunnen in Nederland stage lopen.

https://ind.nl/nieuws/Paginas/Nieuwe-regeling-verbetert-mobiliteit-binnen-de-EU-voor-onderzoekers-en-studenten-uit--%E2%80%98derde-landen%E2%80%99.aspx, 17.5.18
Zie ook WBV 2018/2, 4.5.18 in Staatscourant nr. 26337, 15.5.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-26337.html
Zie ook 155e wijziging van het VV 2000, 26.4.18 in Staatscourant nr. 26646, 16.5.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-26646.html

HvJ EU : onderzoek belang EU-kind op gezinsleven met ouder verplicht, ondanks inreisverbod

The CJEU has clarified the circumstances in which a relationship of dependency may justify a derived right of residence for a family member of an EU citizen who has never exercised his right of freedom of movement. If the family member is an adult, he can, as a general rule, be considered capable of living an independent life apart from the members of his family. Therefore, a derived right of residence is only conceivable in exceptional circumstances, where there could be no form of separation of the individual concerned from the family member on whom he/she is dependent. Where the EU citizen is a minor, the degree of dependency must be based on the best interests of the child and in consideration of all circumstances, such as the age of the child, the child’s psychical and emotional development, the emotional ties with the parents, and the risks of separation. The existence of a family link, whether natural or legal, is not sufficient to establish such a relationship of dependency. Similarly, cohabitation is a relevant, but not a necessary, element in that assessment.

The CJEU also found that it is immaterial (1) that the relationship of dependency comes into being after the imposition of an entry ban, (2) that the entry ban has become final at the time the third-country national submits the application for residence for family reunification purposes, and (3) that the ban was justified by non-compliance with an obligation to return. A derived right to residence can be refused on public policy grounds only if it is apparent from a specific assessment of all the circumstances, and taking into account the principle of proportionality, best interests of the children concerned and fundamental rights, that the person concerned represents a genuine, present and sufficiently serious threat to public policy.

CJEU Case C-82/16 K.A. and others, 8.5.18
http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=en&jur=C,T,F&num=c-82/16

EHRM: risico vrouwenbesnijdenis- Guinee

Applicant is a Guinean woman who had her asylum application rejected in the Netherlands. She claims that a removal to her country of origin would violate Article 3 ECHR as her daughter and her would risk being subjected to female genital mutilation.The case has been settled before a decision was made.

EHRM 14778/18, 10.4.18
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-182844
Betreft Rb Utrecht, 16/23207, 2.2.17

Rb: risico recrutering door Taliban, oudere broer draagt mantelzorg voor 13jr PTSS-broer

Eisers hebben verder aangevoerd te vrezen voor rekrutering in Afghanistan en gewezen op het ambtsbericht waaruit blijkt dat gedwongen rekrutering, soms met geweld, van zowel meerder- als minderjarigen in Afghanistan door onder meer de partij ALP, de Taliban en IS voorkomt. Verder is gewezen op het rapport van Asylos waarin is vermeld dat jonge mannelijke terugkeerders zonder sociaal netwerk kwetsbaar zijn voor rekrutering in Afghanistan. De rechtbank overweegt dat in dit geval aannemelijk is dat een sociaal netwerk in Afghanistan ontbreekt. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat sprake zal zijn van een rekruteringsrisico bij uitzetting van eisers naar Afghanistan.

In dit geval zou rekrutering van eiser 1 en/of eiser 2 betekenen dat eiser 2 zonder zijn broer in Afghanistan moet verblijven, terwijl eisers niet in dat land zijn opgegroeid, een sociaal netwerk ontbreekt, eiser 2 minderjarig (nu dertien jaar) is, PTSS heeft en volledig afhankelijk is van eiser 1. In dit geval kan daarom niet zonder nadere motivering gezegd worden dat een rekruteringsrisico bij uitzetting geen schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren. De opmerking in het verweerschrift dat eisers samen kunnen terugkeren en dat eiser 1 een 24-jarige fysiek fitte volwassen man is, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de omstandigheden van dit geval.

Beroepen gegrond.
Rb Middelburg NL17.821 en NL17.822, 25.4.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5296

Rb: christelijke opvoeding zoon is risico bij terugkeer naar Iran

De vreemdeling heeft aan deze opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot het christendom. ... Met betrekking tot de christelijke opvoeding van de zoon van de vreemdeling overweegt de rechtbank dat in rechte vast is komen te staan dat de bekering naar het christendom van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Dat het feit dat de zoon naar een christelijke school en kerk gaat het gevolg is van de keuzes van de vreemdeling, doet er niet aan af dat de zoon feitelijk naar deze kerk en school gaat en daar actief meedoet en betrokkenheid toont. De opvoeding is, anders dan de staatssecretaris gesteld heeft, niet beperkt tot de huiselijke kring maar omvat ook het school- en kerkbezoek. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hier geen gewicht aan wordt toegekend. Het lag op zijn weg om te motiveren waarom het school- en kerkbezoek van de zoon en diens eigen geloofsbelevenis voor de staatssecretaris niet maken dat hij geen onoverkomelijke aanpassingsproblemen zal ondervinden bij terugkeer naar Iran. ...Gelet op het voorgaande is het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en wordt het vernietigd.

Beroep gegrond.
ACS, Rb Utrecht, NL18.6885, 7.5.18

Pagina's