bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
In het besluit staat dat eiseres een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Zij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiseres recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.
De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis meer. Zij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat het procesbelang van eiseres bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.
Rb Utrecht AWB 26/4828 (en 19 andere), 19.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17664
Uit het Adrar-arrest blijkt dat de bewaringsrechter zich er zo nodig ambtshalve van moet vergewissen dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de verwijdering en de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid dient te stellen als dit wel zo is. Er volgt geen automatische vrijlating als de administratieve autoriteit geen refoulementbeoordeling heeft verricht.
Artikel 3 lid 3 Tri verzet zich niet tegen het opnemen van meerdere landen van bestemming in het terugkeerbesluit. Voor de eerbiediging van het non-refoulementbeginsel volstaat dat de vreemdeling naar ten minste één van de landen van bestemming kan worden verwijderd. Als de vreemdeling niet meewerkt, kunnen er dus meerdere landen van bestemming aangemerkt worden. Terugkeerbesluiten moeten hun feitelijke en rechtsgronden vermelden. Een terugkeerbesluit met meerdere landen van bestemming moet dus de redenen bevatten waarom elk van deze landen wordt genoemd, op grond van feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op de verklaringen of ander bewijsmateriaal. De vermelding van meerdere landen van bestemming draagt bij aan een doeltreffend terugkeerbeleid indien de vreemdeling niet meewerkt.
Alleen als het non-refoulementsbeginsel de verwijdering naar alle landen in het terugkeerbesluit tegenhoudt, moet de vreemdeling in vrijheid worden gesteld. Als de vreemdeling niet meewerkt aan de vaststelling van het land van bestemming, kan de rechterlijke beoordeling slechts betrekking heeft op de beschikbare betrouwbare informatie, en zal die beoordeling zo nodig slechts van algemene aard zijn.
HvJ EU C-182/26 (Hardeker), 25.6.26
ECLI:EU:C:2026:518
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=CELEX:62026CJ0182
Betrokkenen zijn een moeder en haar twee minderjarige zoons met de Nigeriaanse nationaliteit. De moeder is in 2012 met haar toenmalige partner naar Nederland gekomen. De kinderen zijn in 2012 en 2015 in Nederland geboren. Betrokkenen hebben op 31 januari 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling. De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in zijn daarna volgende besluitvorming gehandhaafd….
De rechtbank heeft een motiveringsgebrek vastgesteld in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het besluit op bezwaar. Volgens de rechtbank heeft de minister doorslaggevend geacht dat betrokkenen in Nederland hebben verbleven zonder verblijfsvergunning. Volgens de rechtbank heeft de minister niet onderkend dat aan de in het BIC-rapport beschreven ontwikkelingsschade gewicht moet toekomen in het voordeel van betrokkenen, ook als dat niet meer dan gebruikelijke ontwikkelingsschade zou zijn. Verder heeft de minister volgens de rechtbank er onvoldoende gewicht aan toegekend hoe belangrijk het voetballen van de kinderen is voor hun banden met Nederland. … De minister legt onder verwijzing naar die belangenafweging uit dat hij in het voetbaltalent van de kinderen en de informatie over ontwikkelingsschade in het BIC-rapport geen aanleiding ziet om af te wijken van het beleid in de Afsluitingsregeling.
Uit het oordeel van de Afdeling in hoger beroep volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister zijn belangenafweging ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Gelet daarop slagen de beroepsgronden. De Afdeling oordeelt dat de minister in zijn belangenafweging niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op het belang van de kinderen en overige individuele omstandigheden. De Afdeling ziet in deze zaak aanleiding voor definitieve geschilbeslechting.
De Afdeling heeft de overtuiging dat voor betrokkenen uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en de overige individuele omstandigheden in deze zaak. Daaronder vallen onder meer de eerder genoemde individuele omstandigheden en het feit dat de kinderen, tijdens hun verblijf van tien en veertien jaar, banden met Nederland hebben opgebouwd. De kinderen hebben deze banden met Nederland in ieder geval opgebouwd door het volgen van onderwijs, hun sociale contacten en sport. De Afdeling neemt gelet daarop aan dat een ‘fair balance’ van alle af te wegen relevante feiten en omstandigheden leidt tot een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen. De Afdeling bepaalt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor de uitoefening van hun privéleven in Nederland.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van Rb Amsterdam NL22.22976, 22.12.23
RvS 202400459/1/V1, 1.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:3813
Eiser is geboren in 1970 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser verblijft al sinds 2000 in Nederland. Hij leeft vooral op straat en maakt gebruik van inloopvoorzieningen. In Ghana heeft eiser nog één zus (61) en zijn moeder (92). Eiser lijdt aan diverse medische klachten: hartfalen, leverfalen, longfalen en diabetes. Hij staat onder controle van een cardioloog en huisarts en slikt dagelijks zes verschillende medicijnen. Vanwege deze medische klachten wenst eiser uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.
Bij het uitblijven van behandeling en medicatie voor de hypertensie, de hartritmestoornissen, de verhoogde bloeddruk en bij het uitblijven van het gebruik van antistolling verwacht het BMA een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Het BMA is tot de conclusie gekomen dat de in Ghana beschikbare behandelmogelijkheden voldoende zijn om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. De aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw is om deze redenen afgewezen….
Eiser voert aan dat vijf van de zes medicijnen in theorie worden gedekt door de Ghanese nationale zorgverzekering, het NHIS6. Drie van de medicijnen die hij gebruikt vallen onder de gereguleerde medicatie in Ghana. Meerdere bronnen geven echter aan dat de gereguleerde prijzen zo laag zijn dat die niet op grote schaal in Ghana gehanteerd kunnen worden: of de medicatie is niet beschikbaar of er moeten extra bijdrages worden betaald. Veel zorgaanbieders geven aan dat zij de NHIS verzekering niet accepteren. Eiser verwijst hierbij naar publieke bronnen, zoals de meest recente MedCoi rapportage van het Europese Agentschap van Asiel en de aangeschreven instellingen die de NHIS weigeren. Als er al enige vergoeding is, is die dusdanig klein door allerlei extra ‘fees’ dat de totale prijs van de benodigde medicatie onbetaalbaar is voor eiser. Daarnaast wordt het medicijn Apixaban niet door het NHIS vergoed. Eiser kan de kosten van de medicatie niet betalen waardoor deze medicatie feitelijk niet toegankelijk is voor hem. Ook kan eiser geen hulp of financiële bijdrages verwachten van familie. De moeder van eiser is op hoge leeftijd en ontvangt incidenteel steun van zijn zus. De zus van eiser heeft een beperkt inkomen voor haar eigen gezin en kan eiser niet onderhouden. Voor zover door de minister gesteld wordt dat eiser financiële steun van maatschappelijke organisaties of de overheid in Ghana zou kunnen krijgen, doet deze — niet onderbouwde — stelling geen recht aan de economische situatie in Ghana. Op overheidswebsites, internetbronnen en in het eerder aangehaalde MedCoi rapport wordt nergens gesproken van financiële steun voor zorgkosten van Ghanese arme ouderen. De uitzondering hierop is het LEAP programma, waar eiser niet onder valt. De situatie van eiser, arm en geen geld om medicatie te betalen, is in Ghana niet dusdanig uitzonderlijk dat hiervoor particuliere of publieke voorzieningen zijn.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voor hem benodigde beschikbare medische zorg feitelijk niet toegankelijk is. … Eiser heeft inderdaad geen stukken overgelegd van de door het BMA genoemde instellingen waaruit volgt dat zij de NHIS niet accepteren. Eiser heeft echter in beroep wel stukken overgelegd waaruit blijkt dat via e-mail, contactformulier en telefonisch geprobeerd is contact op te nemen met beide instellingen, maar zonder resultaat. Verder heeft eiser op zitting toegelicht dat zijn zwager in persoon langs is geweest bij de instellingen. Bij deze instellingen heeft de zwager van eiser allerlei informatie te horen gekregen maar niets schriftelijk op papier. Daarnaast heeft eiser stukken overgelegd van reacties van niet door het BMA genoemde instellingen, die eiser heeft aangeschreven, en die de NHIS niet als verzekering accepteren. Eiser heeft dus meerdere inspanningen verricht om aannemelijk te maken dat de door het BMA genoemde instellingen de NHIS niet als verzekering accepteren. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank de enkele motivering dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat de door het BMA genoemde instellingen de NHIS niet als verzekering accepteren onvoldoende.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij zijn benodigde medicatie niet op andere wijze, met vermogen dan wel hulp van familie of netwerk, kan bekostigen. De rechtbank volgt dat niet. De rechtbank gaat uit van een gemiddeld inkomen in Ghana van € 188,- per maand. Nog daargelaten of eiser dit gemiddelde inkomen zou kunnen genereren in Ghana, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet voldoende zou overhouden om van te kunnen leven. Eiser zou nog slechts € 20,- tot € 40,- per maand overhouden naast de kosten van zijn medicatie. De rechtbank stelt vast dat de minister deze berekening niet heeft betwist. Daarnaast is niet in geschil dat de kosten voor het medicijn Apixaban omgerekend ongeveer € 130 per maand bedragen en dat deze medicatie niet wordt vergoed door de NHIS. Ook heeft eiser, zo staat in de besluitvorming, aannemelijk gemaakt dat de kosten voor een private zorgverzekering, ten aanzien van zijn inkomen, hoog zijn. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn familie niet kan bijdragen met financiële hulp voor de kosten van zijn medicatie. Verder heeft eiser in beroep twee verklaringen van Ghanese kerken, een reactie van Oxfam Novib Ghana en twee onbeantwoorde e-mails aan Ghanese ministeries overgelegd. Niet valt in te zien hoe eiser nader moet onderbouwen dat er geen instellingen zijn bij wie hij kan aankloppen, nu er geen enkel aanknopingspunt is voor het bestaan van dergelijke maatschappelijke of publieke instellingen.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er zodanige twijfel bestaat over de feitelijke toegankelijkheid van de voor eiser noodzakelijke zorg dat die toegankelijkheid niet zonder meer aannemelijk is. Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam AWB 24/13491 en NL23.23639, 26.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17761
De rechtbank overweegt dat er een afgeleid verblijfsrecht kan blijven bestaan op grond van het Unierecht nadat een familielid meerderjarig is geworden. Uit het arrest K.A. volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een dergelijk afgeleid verblijfsrecht kan bestaan, indien een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiseres om dit aannemelijk te maken. De beantwoording van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een individuele beoordeling door de minister van de aangevoerde feiten en omstandigheden. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
Allereerst is de rechtbank in dit verband van oordeel dat minister de voorgeschiedenis en de huidige situatie onvoldoende in onderlinge samenhang heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank geven de (medische) voorgeschiedenis – die uiteindelijk de reden is geweest voor het vertrek van eiseres en haar kinderen vanuit Aruba naar Nederland - en de aard van de door eiseres zorgtaken voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat – anders dan de minister stelt – wel sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen eiseres en de tweeling als bedoeld in het arrest K.A. Eiseres heeft zich vanaf de geboorte van de tweeling actief ingespannen om de benodigde behandelingen en operaties voor de tweeling te faciliteren, zowel op Aruba als in Colombia. Na het overlijden van de vader van de tweeling in 2013, is eiseres er alleen voor komen te staan en heeft zij de volledige zorg- en opvoedtaken van de tweeling op zich genomen. In 2019 bleek de zorg op Aruba niet meer toereikend. Eiseres heeft toen besloten om hun bestaan in Aruba achter te laten, zodat de tweeling in Nederland kon worden behandeld. Aangenomen kan worden dat door deze ingrijpende gebeurtenissen een onafscheidelijke band is ontstaan tussen de tweeling en eiseres die dieper gaat dan de gebruikelijke band tussen een ouder en kind. Deze hoge mate van afhankelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank door de minister onvoldoende onderkend.
Verder overweegt de rechtbank dat - zoals eerder al is overwogen - de tweeling onder behandeling staat bij een speciaal schisisteam in het RadboudUMC. …. Door elk bewijsmiddel afzonderlijk van elkaar te beoordelen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde (medische) afhankelijkheid niet aannemelijk is gemaakt door eiseres. …. Eiseres biedt immers niet alleen dagelijkse fysieke en praktische begeleiding, maar ook dagelijkse begeleiding op het gebied van het psychische welzijn.
Het standpunt van de minister dat van meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij in toenemende mate zelfstandig functioneren, gaat naar het oordeel van de rechtbank voorbij aan de aard van deze zaak en is onvoldoende toegespitst op de ontwikkeling van de tweeling. …. Het vooruitzicht dat eiseres Nederland zou moeten verlaten, geeft de tweeling veel spanning. Deze spanning heeft zich de afgelopen tijd geuit in mentale en fysieke klachten.
Gelet op dit samenstel van omstandigheden, in combinatie met de ontwikkeling van de tweeling, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarbij de tweeling zodanig afhankelijk is van eiseres dat zij op geen enkele manier van haar gescheiden kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiseres geen aanspraak kan maken op voorgezet verblijfsrecht op grond van het arrest K.A….
Het beroep is gegrond.
Rb Zwolle NL26.4799, 22.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16927
Omdat eiser door de rechtbank-uitspraak niet langer beschikt over rechtmatig verblijf en eiser als gevolg hiervan per 3 juli 2026 uit de opvang zal worden geplaatst, is de spoedeisendheid van de verzochte voorlopige voorziening een gegeven.
De voorzieningenrechter oordeelt voorts dat het verzet van verzoeker niet zonder meer geen redelijke kans van slagen heeft. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat in de rechtbank-uitspraak niet is beoordeeld of zich in het geval van verzoeker op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in het arrest Bahaddar.
Hierbij is van belang dat verzoeker in het verzetschrift heeft aangevoerd dat de veiligheids- en humanitaire situatie in Syrië, meer specifiek in Aleppo, zorgelijk is. Verder blijkt dit ook uit de algemene bekende informatie over de actuele veiligheidssituatie in Syrië.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat verzoeker de behandeling van zijn verzetschrift in Nederland mag afwachten en heeft eveneens tot gevolg dat verzoeker daardoor rechtmatig verblijf in Nederland verkrijgt en recht heeft op Rva voorzieningen zoals onder meer opvang in het COa.
Rb Middelburg NL26.36685, 2.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18154
Uit het beleid van de minister volgt dat bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, in ieder geval in samenhang wordt bezien of er grootfamilie en eventueel een (plaatselijke) meerderheidsclan is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.
Uit de landeninformatie van VWN volgt dat elke Somaliër Mogadishu kan binnenkomen, maar dat connecties nodig zijn om je daar ook te kunnen vestigen. Clanbescherming werkt ook niet automatisch, en kan afhankelijk zijn van de waarde die een clanlid heeft voor de gemeenschap… Uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 202510 volgt verder dat de grootfamilie van de vrouw de voornaamste actor van bescherming is en dat vrouwen die behoren tot een (plaatselijke) meerderheidsclan wel op enige mate van bescherming konden rekenen, maar dat die bescherming zeker voor vrouwen werd beperkt door ongelijke man-vrouw verhoudingen.
Het enkele behoren tot een meerderheidsclan vindt de rechtbank gelet op de hierboven beschreven landeninformatie onvoldoende om aan te nemen dat clanbescherming beschikbaar is voor eiseres in Mogadishu. De minister moet motiveren waarom eiseres, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming terug kan vallen op haar clan. De minister heeft het asielrelaas van eiseres geloofwaardig geacht en dus is niet in geschil dat eiseres is verstoten door haar familie nadat zij getrouwd is met haar man, die tot een andere/lagere stam behoort. … Gelet op het beeld dat naar voren komt uit de landeninformatie over clanbescherming en gelet de individuele situatie van eiseres heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres, als vrouw zijnde en zonder clannetwerk in Mogadishu, toch kan terugvallen op clanbescherming. …
Hoewel de oom van de man van eiseres en diens dochter in beginsel als grootfamilie kunnen worden aangemerkt, maken de individuele omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dat niet voldoende is gemotiveerd dat eiseres voor opvang en bescherming kan terugvallen op de aanwezigheid van deze grootfamilie. Hierbij vindt de rechtbank om te beginnen van belang dat eiseres geen contactgegevens van deze familieleden heeft en dat zij ook niet weet in welke wijk in Mogadishu zij heeft verbleven….
De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Rb Zwolle NL25.45937, 15.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16180
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom eiser, als niet-praktiserend moslim, bij terugkeer naar Afghanistan niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel geen reëel risico loopt op ernstige schade. In het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ verklaart eiser dat hij dingen die hij volgens de islamitische normen en waarden moet doen, niet deed. Hij bad niet en deed niet met de ramadan mee. Eiser verklaart dat de taliban tegenwoordig mensen van straat pikken en dwingen naar de moskee te gaan en dat als iemand niet weet hoe hij moet bidden, diegene dan in de problemen komt. Verder heeft eiser verklaard dat hij een christelijke partner en een dochter heeft. Hij is niet getrouwd en dit wordt volgens eiser door de islam en de taliban als een misdaad gezien. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij al jaren geen moskee meer bezoekt maar een kerk. Dit heeft verweerder allemaal niet bestreden. Het beeld dat eiser schetst dat de taliban nu mensen oppakken als zij niet meedoen aan het gebed, wordt bevestigd door het Algemeen Ambtsbericht van december 2025. Op het overtreden van de moraalwet staan verschillende, uiteenlopende, straffen.
Het beroep is gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen.
Rb Haarlem NL25.51497, 25.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17750
Eiser heeft een vierde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij skolioseksueel is, wat in zijn geval betekent dat hij zich aangetrokken voelt tot personen met een vrouwelijk lichaam en een mannelijk geslachtsdeel. Hij stelt dat hij vanwege zijn skolioseksuele gerichtheid niet terug kan keren naar Libië, omdat dat daar niet is toegestaan. Ter onderbouwing van zijn asielaanvraag heeft eiser onder meer diverse foto’s, een aantal brieven van vrienden, brieven van medewerkers van ASKV en een onderzoeksrapport van Together Psychologie overgelegd….
In de eerste plaats geldt hiertoe dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom van eiser, gezien zijn referentiekader, verwacht mag worden dat hij over zijn persoonlijke belevingen, gevoelens en gedachten rondom zijn ontwikkeling concreter en diepgaander moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan. Het gaat de rechtbank hierbij dan vooral om het intelligentieniveau van eiser. Uit het onderzoeksrapport van Together Psychologie van 27 oktober 2023 blijkt dat eiser een IQ heeft van (ongeveer) 75, dat deze score duidt op een ‘laag’ niveau en dat van zijn leeftijdsgenoten slechts 7% lager scoort dan eiser. Verder blijkt uit de verklaring van de gedragsdeskundige van ASKV dat eiser bekend is met een lvb (licht verstandelijke beperking) en dat dit in gesprekken met hem ook naar voren komt. De gedragsdeskundige schrijft dat het voor eiser moeilijk is om alle vragen te begrijpen, om over zijn emoties te praten, om zich goed uit te drukken op een verbale manier en woorden te geven aan zijn ervaringen en gevoelens en om vragen over diepgewortelde gevoelens te begrijpen en te beantwoorden. Uit deze stukken, in samenhang bezien, volgt dus dat het voor eiser, gezien zijn lvb, erg lastig is om te reflecteren op en te verklaren over emoties, gevoelens, gedachten en belevingen. Gelet hierop vindt de rechtbank het niet zo vreemd dat eiser in reactie op een vraag over de ontwikkeling van zijn gerichtheid in eerste instantie verklaart over seksuele contacten. …
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ter zitting ondeugdelijk gemotiveerd op het nadere standpunt heeft gesteld dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid. Dit ter zitting aangevoerde nieuwe ‘dragende argument’ kan het standpunt van verweerder dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is dan ook niet dragen.
Rb Rotterdam NL25.20949, 4.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17324
Het is belangrijk om het authentieke, individuele verhaal boven tafel te krijgen. De IND houdt hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling. Afhankelijk van het referentiekader en wat van de vreemdeling verwacht mag worden is het niet noodzakelijk alle thema’s aan bod te laten komen. Hiermee wordt rekening gehouden in de besluitvorming.
De thema’s worden niet als ‘checklist’ gebruikt. Ook wordt er geen (standaard) vragenlijst gebruikt. Na het vrije relaas moeten vooral open vragen gesteld worden. Daar waar nodig moet worden doorgevraagd op de gegeven antwoorden. Het blijft te allen tijde een individuele beoordeling en elke (lhbtiq+-)vreemdeling is uniek.
Bij het stellen van de vragen dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin de vreemdeling diens seksuele gerichtheid, genderidentiteit en/of -expressie in woorden kan vatten. Dit zal immers per persoon verschillen. Niet iedere vreemdeling is gewend om over diens persoonlijke gevoelens en ervaringen te praten.