Nieuws

Rb: opvang in AZC tijdens voorlopige art-64 want rechtmatig

De IND heeft op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend. Dat het BMA de gezondheidstoestand van eiser nog niet heeft beoordeeld, doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel, in lijn met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 13 december 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:15723) dat eiser, anders dan verweerder van oordeel is, op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft.

Dit betekent dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 Vw2000 en dat hij daardoor onder de Rva 2005 valt. Artikel 64 van de Vw 2000 biedt geen grondslag voor een onderscheid tussen een voorlopig en een definitief uitstel van vertrek.

Vanwege het door verweerder gemaakte onderscheid zou bovendien een situatie ontstaan waardoor eiser buiten alle regelingen voor medische zorg valt. Eiser valt immers niet onder de Rva 2005. Hij heeft rechtmatig verblijf en daardoor kan hij geen gebruik maken van de CAK-regeling. Daarnaast kan eiser geen beroep doen op de Wlz omdat hij rechtmatig verblijf geniet op grond van een artikel van de VW2000 dat niet vermeld is in de Wlz. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank tevens in strijd met artikel 34, tweede lid, van het Handvest.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit op een onjuiste motivering berust. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Vverweerder dient een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Rb den Haag AWB - 17 _ 13632, 14.6.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:7055

Rb: recht op COA-opvang in afwachting van beslissing op bezwaar medisch regulier

Aan de vreemdelingen is de afgelopen jaren uitstel van vertrek verleend o.g.v. art. 64 Vw in verband met de medische situatie van de dochter die ernstige epilepsie heeft. Zij hebben een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier op medische gronden, zij mogen de bezwaarprocedure in Nederland afwachten. COA heeft de opvang beeindigd omdat er geen recht meer op bestaat.

Niet in geschil is dat de gezondheidstoestand van de dochter onveranderd en ernstig is. De rechtbank is met de vreemdeling van oordeel dat sprake is van uitstel van verwijdering als bedoeld in art. 9 lid 1 sub b Terugkeerrichtlijn (Tri). Uit de uitleg die het HvJ met het arrest Abdida (ECLI:EU:C:2014:2453) aan de Tri heeft gegeven, volgt dat indien sprake is van uitstel van verwijdering, terwijl medische zorg nodig is vanwege een ernstige ziekte, de lidstaat zich verplicht zoveel mogelijk te voorzien in de elementaire levensbehoeften van de ernstig zieke die niet zelf over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Nu de situatie waarin de vreemdelingen verkeren feitelijk niet verschilt van die waarin uitstel van vertrek is verleend o.g.v. art .64 Vw, is de rechtbank van oordeel dat de huidige situatie van de vreemdeling bij een interpretatie conform de Tri onder reikwijdte valt van de Rva. Het vangnet van art. 10 Vw wordt niet toereikend geacht omdat dit enkel ziet op het verlenen van medische zorg en niet tevens op de elementaire levensbehoeften.

Het beroep is gegrond en met het oog op de finale geschilbeslechting voorziet de rechtbank zelf in de zaak omdat er nog maar één besluit mogelijk is. De Coa-voorzieningen zullen aan de vreemdelingen worden verstrekt.

Rb Haarlem, 18/1398, 29.6.18

RvS: geen opvang in AZC tijdens wachttijd vovo RvS, want gemeente blijft opvang bieden

De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij, zolang de Afdeling nog niet op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep heeft beslist, worden behandeld als waren zij Nederlander of als vreemdelingen met rechtmatig verblijf, zodat zij een beroep kunnen doen op de publieke middelen.

Het treffen van een voorziening als verzocht heeft verstrekkende gevolgen nu de vreemdelingen ten gevolge van de besluitvorming van - en het instellen van hoger beroep door - de staatssecretaris op dit moment niet rechtmatig in Nederland verblijven en geen recht bestaat op de gewenste publieke middelen. Uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken, met name het bericht van de intergemeentelijke sociale dienst van 30 mei 2018, blijkt echter niet dat zij geheel verstoken zullen blijven van hulp indien zij niet meer zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vreemdelingen om gedurende het hoger beroep rechtmatig verblijf te verkrijgen minder zwaar weegt dan het belang van de staatssecretaris in dezen. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen. Wel zal er naar worden gestreefd dat op korte termijn uitspraak op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep wordt gedaan.

Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
RvS 201706415/3/V3, 5.4.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2265

Rb: ivm uitspraak-Gnandi bestaat recht op opvang t/m vovo in beroep

De voorzieningenrechter concludeert uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, Gnandi tegen België, in de situatie dat een opvolgende asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, dat alle rechtsgevolgen van het eerdere terugkeerbesluit van rechtswege blijven geschorst in elk geval totdat de voorzieningenrechter een definitieve uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, waarin hij de feitelijke en juridische aspecten van het afwijzende asielbesluit heeft onderzocht. In dat verband volstaat niet dat verzoeker in Nederland mag blijven in afwachting van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening. In afwachting van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening moet verzoeker ook in de opvang kunnen verblijven.

Rb Haarlem NL18.12014, 2.7.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:7818

RvS: recht op opvang vanaf kennisgeving asielverzoek

Artikel 6 van de Procedurerichtlijn maakt duidelijk dat een asielverzoek geacht wordt te zijn ingediend zodra de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door een asielzoeker ingediend formulier hebben ontvangen.

Voor zover artikel 20 van de Opvangrichtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om de materiële opvangvoorzieningen te beperken in geval van een opvolgende asielaanvraag wijst de Afdeling er op dat dat artikel ziet op individuele situaties en niet voorziet in een generieke uitsluiting.

De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat het bij de staatssecretaris indienen van het model M35-O [kennisgeving] een aanvraag is. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vreemdeling met ingang van de datum van die aanvraag een asielzoeker is die recht heeft op opvang krachtens artikel Rva 2005.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond.
RvS 201706173/1/V1, 28.6.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2157

HvJ EU: geen vreemdelingendetentie tijdens lopende vovo in asielprocedure

Het hoofdgeding betreft drie derdelanders, C, J en S, waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die vervolgens in bewaring zijn gesteld om hun terugkeer voor te bereiden. De Afdeling oordeelt dat, om te beoordelen of de bewaringsmaatregelen rechtmatig zijn genomen, er dient te worden uitgemaakt of een door een lidstaat verleende toestemming om op het grondgebied te blijven, eraan in de weg staat dat het verblijf van de betrokkene als illegaal wordt beschouwd zolang niet op diens verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. Daarop heeft de Afdeling het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing te nemen aangaande of ten eerste het louter indienen van een verzoek om een vovo tot gevolg heeft dat een vreemdeling niet langer illegaal verblijft en ten tweede of het dan van belang is dat het nationale recht – i.v.m. het non-refoulement beginsel – erin voorziet dat de vreemdeling niet zal worden verwijderd voordat een rechterlijke instantie op verzoek heeft beslist dat het beroep tegen de beslissing tot afwijzing niet mag worden afgewacht.

Naar het oordeel van het Hof verzetten EU-richtlijnen zich ertegen dat een derdelander, wiens verzoek om internationale bescherming in eerste aanleg door de bevoegde bestuurlijke autoriteit als kennelijk ongegrond is afgewezen, in bewaring wordt gesteld met het oog op zijn uitzetting wanneer hij legaal op het nationale grondgebied verblijft tijdens de vovo-procedure in beroep.

HvJEU, C-269/18 PPU, C e.a. v Staatssecretaris, 5.7.18
http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=en&num=C-269/18

EP: resolutie over richtsnoeren om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gemaakt 

Het Europees Parlement, (...)

1.  herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de richtlijn hulpverlening en het bijbehorende kaderbesluit verplicht zijn om regelgeving vast te stellen met het oog op de invoering van strafrechtelijke sancties tegen hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf;

2.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de ongewenste consequenties van het hulpverleningspakket voor burgers die humanitaire bijstand verlenen aan migranten en voor de sociale cohesie van het gastland als geheel;

3.  wijst erop dat het verlenen van humanitaire bijstand op grond van het VN-protocol tegen smokkel niet strafbaar mag worden gesteld;

4.  merkt op dat de actoren die humanitaire hulp bieden de nationale autoriteiten helpen om ervoor te zorgen dat bijstand wordt verleend aan mensen in nood, en dringt aan op verdere operationele samenwerking en coördinatie, binnen het geldende rechtskader, tussen de verleners van humanitaire hulp en de bevoegde autoriteiten;

5.  betreurt dat de uitzondering voor humanitaire hulp waarin door de richtlijn hulpverlening wordt voorzien, door de lidstaten slechts zeer beperkt in nationaal recht is omgezet en merkt op dat de uitzondering moet worden toegepast om vervolging te voorkomen, zodat personen en maatschappelijke organisaties die om humanitaire redenen hulp verlenen aan migranten niet worden vervolgd;

6.  verzoekt de lidstaten de in de richtlijn hulpverlening opgenomen uitzondering voor humanitaire hulp in nationaal recht om te zetten en passende mechanismen in het leven te roepen om de handhaving en doeltreffende praktische uitvoering van het hulpverleningspakket te verzekeren, door jaarlijks informatie te verzamelen en te registreren over het aantal personen dat aan de grens of in het binnenland wegens hulpverlening wordt gearresteerd, het aantal ingestelde gerechtelijke procedures en het aantal veroordelingen, alsook informatie over hoe straffen worden vastgesteld en de redenen waarom onderzoeken worden stopgezet;

7.  dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren voor de lidstaten vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke vormen van hulpverlening niet strafbaar mogen worden gesteld, om te zorgen voor een duidelijke en eenvormige toepassing van het huidige acquis, met inbegrip van artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 1, lid 2, van de richtlijn hulpverlening, en onderstreept dat duidelijke criteria een waarborg zijn voor meer samenhang in de strafrechtelijke voorschriften inzake hulpverlening in de lidstaten en het voorkomen van ongewenste strafbaarstelling

B8‑0314/2018 (2018/2769(RSP)) , 5.7.18

France: Constitutional Council safeguards humanitarian assistance to undocumented migrants

On 6 July 2018, the French Constitutional Council delivered its decision in relation to the proceedings against Cédric Herrou and the so-called "crime of solidarity".

The Constitutional Council noted that the freedom to help others with a humanitarian goal, without taking into consideration the legality of their stay in France, can be inferred from the "principle of fraternity", which has constitutional value. It is up to the legislator to ensure that there is a fair balance between the principle of fraternity and the safeguarding of public order. The Constitutional Council observes that assisting a foreigner with his transit in the country does not necessarily lead to an unlawful situation, differently from assisting with the irregular entry into the French territory. Therefore, by condemning all assistance to the transit of an irregularly staying migrant, including assistance motivated by humanitarian purposes, the legislator has not ensured a fair balance between the principle of fraternity and the safeguard of public order. Therefore, the term "for irregular residence" under the first paragraph of Article L622-4 must be declared unconstitutional.

decision no. 2018-717/718 QPC, 6.7.18

Rb: behandeling oogziekte niet mogelijk in Afghanistan

De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit. De rechtbank overweegt m.b.t. toepassing van art. 64 Vw dat uit het BMA-advies blijkt dat uitblijven van behandeling van diabetes en hoge bloeddruk leidt tot een medische noodsituatie. Uitblijven van behandeling van de oogproblemen (macula-degeneratie) van de vreemdeling zal leiden tot verdere afname van haar gezichtsvermogen. Ook is het middel dat gebruikt wordt ter behandeling van de oogproblemen (Aflibercept), of een geschikt alternatief daarvan, niet aanwezig in Afghanistan. Zonder dit middel wordt de vreemdeling binnen een maand blind.

De vreemdeling komt uit Herat en moet voor de noodzakelijke behandeling om een medische noodsituatie te voorkomen op verschillende adressen in Kabul medicijnen voor haar diabetes en hoge bloeddruk gaan halen. Deze factoren zijn ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van 3 EVRM bij terugkeer.

Rb Utrecht, NL18.1018, 22.6.18

Rb: onderzoek nodig naar psychische hulp in Ivoorkust, verklaring ambassade bewijst identiteit

De vreemdeling heeft de Ivoriaanse nationaliteit. Zij stelt suïcidaal te zijn en waarschijnlijk zelfmoord te plegen bij daadwerkelijke uitzetting. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris o.g.v. het Paposhvili-arrest dient uit te zoeken of de vreemdeling daadwerkelijk de benodigde medische behandeling kan krijgen in Ivoorkust.

De vreemdeling heeft haar nationaliteit en identiteit aangetoond d.m.v. een verklaring van de Ivoriaanse ambassade. Ook is in de procedure niet getwijfeld over haar herkomst, waardoor haar nationaliteit vaststaat. Bovendien blijkt uit het Paposhvili-arrest niet dat de nationaliteit d.m.v. een paspoort of identiteitskaart vastgesteld dient te worden.

Nu de nationaliteit vaststaat, dient onderzocht te worden of behandeling kan plaatsvinden in Ivoorkust. Uit het feit dat de kinderen van de vreemdeling uit huis geplaatst zijn, blijkt overduidelijk dat zij momenteel niet voor hen kan zorgen. Uit de second opinion van de GZ-psycholoog blijkt dat de vreemdeling een gevaar voor zichzelf vormt. Ook is zij gezien de ernst van de ziekte niet in staat om te reizen.

De staatssecretaris heeft niet zonder meer kunnen aannemen dat de benodigde medische voorzieningen voor de vreemdeling feitelijk toegankelijk zijn, reeds vanwege het ontbreken van identiteitsdocumenten. Hierdoor heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De uitzetting dient derhalve achterwege te blijven tot en met vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Rb Groningen, AWB 18/518, 22.6.18

Pagina's