Nieuws

Rb: weigering overplaatsing van VBL naar INLIA onvoldoende gemotiveerd

De vreemdeling stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven moet worden en hem de mogelijkheid moet worden geboden om terug te keren naar stichting INLIA in Groningen totdat hij, als zijn psychische problemen zijn verholpen, weer zou vertrekken naar Benin.

De rechter concludeert dat deze procedure gaat over opheffing van de maatregel. Daarbij zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zich feiten en omstandigheden voordoen die van zodanig aard zijn dat voortduren van de maatregel niet langer op zijn plaats is. De vreemdeling wijst hierbij op het tijdsverloop, het feit dat zijn medische situatie meer gebaat is bij een verblijf bij INLIA en het feit dat INLIA ook bereid is hem weer op te nemen.

De minister heeft ten onrechte het bezwaar van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de relevante feiten en belangen. De vreemdeling verblijft al ruim een jaar op de vbl (terwijl de maximale termijn 12 weken is) en heeft medische zorg en begeleiding nodig, die volgens INLIA ook daar kunnen worden geboden. De minister had hem moeten horen over de mogelijkheid van opvang bij INLIA, waar hij eerder stabiel functioneerde en bereid was terug te keren naar Benin. Daardoor is het besluit op bezwaar in strijd met artikel 3:2 en 7:2 Awb en wordt het vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen, hem vooraf horen en opnieuw onderzoek doen, met name naar de verklaringen van INLIA.

Beroep gegrond. 
Rb Groningen NL26.8835, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9813

CBS Terugkeercijfers cohort 2014

Van de bijna 27 duizend asielzoekers die in 2014 instroomden in de COA-opvang zijn er 6 070 na 10,5 jaar weer vertrokken of hebben tijdelijk geen adres: dit is bijna 23 procent van het originele cohort. De meeste asielzoekers die vertrekken doen dit zelfstandig. Een deel van de asielzoekers vertrekt zonder toezicht, ook wel zelfstandig vertrek met onbekende bestemming genoemd: van het instroomcohort 2014 zijn dat er 2 055 na 10,5 jaar ofwel een derde van degenen die zijn vertrokken. Voor een klein deel van de asielzoekers die niet willen vertrekken en geen hulp van de overheid accepteren, gaat de Dienst Terugkeer & Vertrek over tot gedwongen vertrek: van cohort 2014 waren dit er 365 na 10,5 jaar.

https://longreads.cbs.nl/asielenintegratie-2026/, mei26

MvA&M: gevolgen arrest-Aroja 

Het Aroja-arrest maakte duidelijk dat de totale detentietermijn maximaal 18 maanden mag zijn. Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen. ...

Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. …

Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen. 

Antwoord kamervraag 1783, 24.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1783.html

Rb: geen terugkeerbesluit bij refoulementsrisico voor Syrier met strafblad

De subsidiaire beschermingsstatus van deze Syrier, is vanwege een strafrechtelijke veroordeling ingetrokken. Daarbij is vermeld dat er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld vanwege het refoulementrisico. Wel is aan eiser een vertrekplicht opgelegd en is eiser gesignaleerd.

Uit het arrest Tadmur van 26 maart 2026 volgt dat, indien de derdelander niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het beginsel van non-refoulement en er geen ander derdeland is dat als land van terugkeer kan worden aangemerkt, er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Dit staat ook in de weg aan het opleggen van een vertrekplicht op grond van nationale wet- en regelgeving.

De rechtbank komt in de einduitspraak tot de conclusie dat de intrekking rechtmatig is. Verweerder zal wel opnieuw moeten beoordelen of hij ambtshalve een reguliere vergunning zal verlenen gelet op de omstandigheid dat aan eiser geen vertrekplicht kan worden opgelegd en hij op dit moment ook niet in staat is om (rechtmatig) Nederland te verlaten. De rechtbank heeft tot slot uitgelegd waarom de gronden tegen het besluit tot signalering niet slagen.

Beroep deels gegrond, deels ongegrond,
Rb Roermond NL24.24991, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10757

RvS: beleid mensenhandelslachtoffer niet in strijd met Awb

De rechtbank heeft overwogen dat het beleid voor slachtoffers mensenhandel in strijd is met het systeem van de Awb, omdat de politie of Kmar eerst een eigen beoordeling maakt voordat de aanvraag wordt doorgestuurd en dan pas leidt tot een verblijfsvergunning. In deze casus had het OM de aangifte al niet-ontvankelijk verklaard voordat de IND een vergunning had afgegeven.

De minister voert terecht aan dat het noodzakelijk is dat de politie of het OM eerst beoordeelt of de aangifte ook daadwerkelijk een aangifte van mensenhandel is en bijvoorbeeld niet een aangifte van een zedenmisdrijf. Daarbij ligt met het doen van die aangifte nog geen aanvraag voor. Die aanvraag ligt er pas zodra de minister van het bestaan van die aangifte op de hoogte is, dus zodra de minister het desbetreffende formulier heeft ontvangen.

Dat het moment van ontvangst van het Model M55-formulier bepalend is voor de vraag wanneer de aanvraag is gedaan en niet het moment waarop de aangifte is gedaan, en dat geen termijn is bepaald voor het doorsturen van het Model M55-formulier naar de minister, leidt niet tot het oordeel dat het beleid om die reden willekeurig is.

Het beleid is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het vereiste dat de minister het formulier moet hebben ontvangen om als aanvraag te worden aangemerkt, is zowel geschikt als noodzakelijk.

Hoger beroep tegen Rb Groningen NL23.36563, 10.7.24, gegrond.
RvS 202404183/1/V1, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2528

Verblijfblog: analyse cijfers schijnerkenning

Aanvragen voor het Chavez-verblijfsrecht worden in toenemende mate gedaan door gezinnen die in één huishouden samenwonen. Zo woonde in 2022 79% van de kinderen in de Chavez-procedure bij beide ouders, terwijl dit in 2018 nog om 50% ging. Bovendien zijn de kinderen van Chavez-aanvragers vaker in het huwelijk geboren, wat betekent dat er minder vaak sprake is van verwerving van de nationaliteit via erkenning. In 2018 had 43% van de kinderen in de Chavez-procedure de Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, wat in 2022 is gedaald naar 33%. Zijn de ouders gescheiden, dan wonen de kinderen bovendien vaker bij de Nederlandse ouder dan in 2018. Uit deze cijfers volgt dat Chavez-aanvragers en hun kinderen vaker gezinsleven hebben met de Nederlandse ouder. Van een schijnerkenning kan dan geen sprake zijn.

Wel is de stijging in het aantal vermoedens significant: 20 in 2022, 240 in 2024 en 410 in 2025. De stijging in het aantal vermoedens van fraude is in ieder geval niet terug te zien in het aantal kinderen dat de Nederlandse nationaliteit krijgt door erkenning, zo blijkt uit de cijfers van het CBS in de volgende tabel:

1999

2002

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

802

729

202

202

216

161

230

348

369

318

304

Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, bron: CBS

https://verblijfblog.nl/laten-ouders-kinderen-erkennen-voor-verblijfsrechten/, 9.5.26

RvS: risico verwesterde Somalische vrouw vanwege oa kledingkeuze

Vereenzelviging houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat de vreemdeling zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft zij niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard, maar ook over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken. 

Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat bij de vreemdeling geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. De vreemdeling heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen dat de vreemdeling problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor. 

Hoger beroep tegen Rb Middelburg NL23.38739, 15.5.24 gegrond. 
ABRvS 202403099/1, 30.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2475

RvS: risico ivm schuld bij Nigeriaanse mensenhandelaar

De vreemdeling legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij vreest voor ernstige schade wegens represailles van haar mensenhandelaar. De minister stelt dat zij geen reëel risico loopt op ernstige schade.

De Afdeling oordeelt als volgt. Het standpunt van de minister dat het bestaan van een geldschuld bij een mensenhandelaar geen reëel risico op ernstige schade meebrengt, wordt niet gevolgd. Van de vreemdeling mag niet worden verwacht dat zij een afbetalingsregeling treft met een mensenhandelaar. De hoogte van de geldschuld is in zoverre relevant, dat een hogere schuld een grotere kans inhoudt dat de mensenhandelaar naar de vreemdeling op zoek gaat.  

Het risico op ernstige schade kan ook niet als laag worden beschouwd. Hoewel fysieke represailles pas voorkomen als mentale en emotionele represailles niet het gewenste effect hebben, kunnen ook mentale en emotionele represailles tot ernstige schade leiden. Daarbij maakt het niet uit dat de vreemdeling al een substantieel deel van haar schuld heeft betaald. 

Alles bezien heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren.

Hoger beroep tegen Rb Utrecht NL23.35808, 4.2.25 gegrond.
ABRvS 202501255/1, 30.4.36
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2369

Rb: prejudiciële vraag over staatloze palestijnen zonder verblijfsrecht in land van herkomst

Verzoekers zijn een gezin bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter uit Libië. Verzoekers zijn door UNRWA geregistreerd. Zij zijn niet afkomstig uit het werkgebied van UNRWA en kunnen niet aannemelijk maken dat zij eerder bescherming en/of bijstand aan UNRWA hebben gevraagd en ook hebben verkregen. Verzoekers bezitten geen nationaliteit en zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor enig land en hebben thans van geen enkel derdeland toestemming voor toelating en/of verblijf….

De rechtbank vraagt zich af of de omstandigheid dat verzoekers niet afkomstig zijn uit een sector van het werkgebied van UNRWA en zich daarom niet kunnen begeven ‘naar een sector van het werkgebied van die organisatie waar deze staatloze vroeger gewoonlijk verbleef’, reeds moet worden aangemerkt een situatie waarin de bescherming of bijstand van UNRWA -voor verzoekers- moet worden geacht te zijn opgehouden en verzoekers daarom ‘ipso facto’ voor de voorzieningen uit richtlijn 2011/95 in aanmerking komen.

Indien het Unierecht niet op deze wijze moet worden uitgelegd heeft te gelden dat verzoekers en verweerder geen terugkeerverplichting kunnen uitvoeren. Libië kan niet als land van terugkeer worden aangemerkt gelet op de vereisten die richtlijn 2008/115 en de rechtspraak van het Hof hieraan stellen. De rechtbank vraagt het Hof in dat geval om te verduidelijken hoe deze situatie zich verhoudt met artikel 1 van het Handvest.

Indien een door UNRWA erkende staatloze Palestijnse vluchteling zich niet onder bescherming van UNRWA kan stellen maar aan hem niet de voorzieningen van richtlijn 2011/95 toekomen, wordt aan de omstandigheid dat de internationale gemeenschap de betreffende staatloze Palestijn reeds als vluchteling heeft erkend, geen betekenis toegekend. Terwijl een erkende vluchteling uit Griekenland wel in Nederland herbeoordeeld wordt. De rechtbank vraagt zich af of dit verenigbaar is met het Handvest, waarin iedere discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.

De rechtbank stelt hierover prejudiciële vragen en houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van het arrest.
Rb Roermond NL23.31905, NL23.31907 en NL23.31908 verwijzing, 4.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10567

WI 2026/5: beoordeling staatloze Palestijnen onder UNRWA-mandaat

De (staatloze) Palestijnen die onder het mandaat van UNRWA vallen zijn door de internationale gemeenschap al erkend als vluchtelingen. In artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag is daarom neergelegd dat het verdrag niet van toepassing is op personen die al bescherming of bijstand genieten van (organen of instellingen van) de Verenigde Naties. Als de staatloze Palestijnse vreemdeling bescherming of bijstand geniet van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA), kan hij enkel in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Is die bescherming of bijstand van UNRWA echter opgehouden om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, dan heeft hij automatisch (ongeacht het asielrelaas) recht op de vluchtelingenstatus. Uiteraard zijn andere uitsluitingsgronden nog wel van toepassing.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1411859_1/1/, 29.4.26

Pagina's