Nieuws

Rb: vaststelling staatloosheid

De vreemdeling stelt te zijn geboren in het huidige Servië en dat hij door zijn Roma afkomst en de systematische discriminatie van Roma niet wordt erkend door de Servische autoriteiten als staatsburger. De minister acht de door de vreemdeling overlegde kopie van zijn geboorteakte als onvoldoende identificerend document om vast te kunnen stellen dat hij staatloos is. DT&V heeft meerdere keren tevergeefs geprobeerd om hem uit te zetten naar Servië. De vreemdeling verzoekt de rechtbank, op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, vast te stellen dat hij staatloos is. 

De rechtbank overweegt als volgt. In de procedure tot vaststelling van staatloosheid mag van de vreemdeling verwacht worden dat hij verklaart over zijn levensloop en de landen waarin hij is verbleven, maar mag niet de eis worden gesteld dat hij een (origineel) identiteitsdocument overlegt. Wanneer er weinig documenten beschikbaar zijn, zal er immers meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de vreemdeling een asielprocedure heeft doorlopen, kan het verloop en de uitkomst van de procedure ook relevant zijn voor de beoordeling van de algemene betrouwbaarheid van de vreemdeling. Met de kopie van de geboorteakte van de vreemdeling tezamen met zijn gestelde levensloop en het feit dat er niet aan de identiteit van zijn ouders werd getwijfeld ten tijde van de asielprocedure, is voldoende onderbouwd dat hij dezelfde persoon is als de op door hem overlegde documenten. Doordat de minister hier eveneens geen twijfels over heeft geuit, staat daarmee de identiteit van de vreemdeling vast. Verder is niet gesteld of gebleken dat van de vreemdeling meer verlangd kan worden om een schriftelijke erkenning te verkrijgen dat hij de Servische nationaliteit bezit. In de uitzettingsverzoeken van de DT&V naar Servië hebben de autoriteiten echter aangegeven dat ze hem niet erkennen als Servische staatsburger. Daardoor staat de staatloosheid van de vreemdeling vast. 

Beschikking: rechtbank stelt vast dat de vreemdeling staatloos is.
Rb Den Haag (MK), C-09-687847, 21.5.26

Rb: vovo ivm terugmelding schijnerkenning door IND

De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. Het kind is door een Nederlander erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&W van de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind….

De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.

Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder wel klopt. Het kind heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. … De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of de terugmelding betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang het kind de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden….

De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep.

Rb Amsterdam NL26.24419, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486

MvA&M: aanpak schijnerkenningen

Het multidisciplinaire expertiseteam is gestart met NVVB en IND, aangevuld met kennis uit gemeenten. Gemeenten kunnen het team consulteren bij complexe casuïstiek. De NVVB organiseert in het najaar een webinar waarin leden van het expertiseteam (IND, NVVB en gemeenten) een presentatie zullen geven en de gemeentemedewerkers handvatten zullen bieden om schijnerkenningen beter te herkennen en vervolgens op te acteren. Daarnaast wordt door de NVVB onderzocht hoe erkenningspogingen centraal geregistreerd kunnen worden.

Verder loopt de pilot tussen OM en IND om te komen tot een standaardwerkwijze voor verzoeken tot vernietiging van erkenningen bij de civiele rechter. Om de aanpak te toetsen en te standaardiseren zijn inmiddels drie zaken aanhangig gemaakt door het OM bij de rechter. De geleerde lessen uit deze zaken worden gebruikt om sneller en consistenter te kunnen optreden wanneer misbruik wordt vermoed of vastgesteld. De uitkomsten van deze pilot worden tevens betrokken bij het onderzoek naar mogelijke wetgevende maatregelen.

Tegelijkertijd is, in samenwerking met NVVB en IND, een pilot opgezet om reeds gedane buitenlandse erkenningen van veelerkenners aan te vechten, onder andere op basis van meldingen van de IND. …

Uit de verkenning is gebleken dat bestaande civielrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten nog beter benut kunnen worden. Het OM zet daarom in op het benutten van de bestaande strafbaarstellingen, zoals mensensmokkel, medeplichtigheid of uitlokking. Ook lopende pilots laten zien dat er substantiële ruimte is om de uitvoering aan te scherpen. Door het concreet maken van deze strafbare gedragingen, actief te signaleren en consequent te vervolgen, wordt de norm versterkt en de afschrikkende werking vergroot. Daarnaast wordt het handelingsperspectief vergroot, waardoor eerder ingrijpen bij vermoedens van oneigenlijk gebruik mogelijk wordt.

https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/13086a22-477f-46e8-a2f6-63d0637019f0, 3.7.26

Rb: behoud recht op opvang voor Griekse statushouder, asielverzoek in NL afgewezen

Het recht op opvang eindigt op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. … De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeer-verplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank is vernietigd vanwege de Griekse status.

Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft, is hij niet ‘rechtmatig verwijderbaar’.

Rb Arnhem AWB26-10743, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454

Rb vovo: opvang tijdens lopende TQ-procedure voor afgewezen Somalische AMV

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers belang bij schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zwaarder weegt dat het belang van de minister. Daarbij is van belang dat verzoeker zich gelet op zijn leeftijd en persoonlijke situatie in een kwetsbare positie bevindt. Bij het niet treffen van een voorlopige voorziening zal verzoeker op straat terecht komen, terwijl hij geen familie of netwerk heeft. Bovendien is eiser vanwege zijn leeftijd beïnvloedbaar. Er bestaat daarom een aanmerkelijk kans dat hij in de illegaliteit verdwijnt dan wel in de criminaliteit belandt. Dit, terwijl nog niet vaststaat of verzoeker definitief geen aanspraak maakt op een verblijfsvergunning regulier buiten schuld en of hij moet terugkeren naar Somalië. …

Bovendien volgt uit het arrest Changu dat er – gelet op het absolute karakter van artikel 4 Handvest– altijd, als vangnet, een opvangvorm beschikbaar moet zijn die onvoorwaardelijk is. Dit geldt reeds voor een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander, zolang hij niet van het grondgebied is verwijderd. Niet valt in te zien dat dit niet zou gelden voor verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker, die niet illegaal op het grondgebied verblijft gedurende de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep tegen het besluit van de minister dat hij geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling en dient terug te keren naar Somalië.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Rb den Bosch 26.4111, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19812

RvS: afgewezen Iraanse asielzoeker kan naar Turkije uitgezet worden met removal order

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Verdrag van Chicago niet kan worden aangemerkt als overnameovereenkomst. Nergens uit dit verdrag volgt namelijk een verplichting voor een verdragsstaat om een persoon over te nemen en toe te laten tot zijn grondgebied, wanneer deze  door een luchtvaartmaatschappij naar die staat is teruggevoerd. Datzelfde geldt voor de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Daaruit volgt alleen dat de staten die partij zijn bij die overeenkomst, zich ertoe hebben verbonden om in hun nationale wetgeving op te nemen dat luchtvaartmaatschappijen en andere vervoerders een controleplicht en een terugvervoerplicht hebben om illegale migratie tegen te gaan.

De rechtbank heeft echter niet onderkend dat voor het aanmerken van Turkije als land van doorreis op basis van de Terugkeerrichtlijn niet is vereist dat vaststaat dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van Turkije. Evenmin is daarvoor vereist dat betrokkene banden moet hebben met Turkije. Tijdens de trialogen tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is bewust ervan afgezien om in artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn als vereiste te stellen dat sprake moet zijn van bestendige banden met het land van doorreis. Er moest worden voorkomen dat afspraken over de wedertoelating van derdelanders — die via het grondgebied van een derde land naar de EU waren gereisd — buiten het bereik van die bepaling zouden vallen. Met de toevoeging ‘andere regeling’ wilde de Uniewetgever verder waarborgen dat, naast communautaire en bilaterale overnameovereenkomsten, ook memoranda van overeenstemming en andere informele regelingen met derde landen in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een land van doorreis….

De Afdeling overweegt dat uit Annex 9 van het Verdrag van Chicago en de daarbij behorende toelichting volgt dat de feitelijke uitvoering van de removal order zal resulteren in verplichtingen voor Turkije die van betekenis zijn voor de terugkeerprocedure van betrokkene. Daardoor is Turkije verplicht om een persoon die is verwijderd uit een staat waar hij ontoelaatbaar is bevonden, te accepteren voor onderzoek naar zijn recht op toelating tot haar grondgebied als die persoon zijn reis vanuit die staat is begonnen. Ook is de verwijderende staat verplicht om de luchtvaartmaatschappij te voorzien van een ‘covering letter’ voor personen die ongedocumenteerd zijn of van wie de reisdocumenten in beslag zijn genomen. De Afdeling leidt uit deze punten af dat een removal order op grond van het Verdrag van Chicago niet vrijblijvend is. Als betrokkene door de luchtvaart-maatschappij naar Turkije wordt terugvervoerd, zullen de Turkse autoriteiten moeten onderzoeken of aan hem toegang moet worden verleend, gelet op zijn eerdere doorreis via Turkije.

De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat Annex 9 van het Verdrag van Chicago kan worden aangemerkt als een ‘andere regeling’ en dat de minister Turkije op basis van de removal order kon aanmerken als land van doorreis in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de toelating tot Turkije niet is gewaarborgd en dat alleen al daarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

De grief slaagt. Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam, NL55.2270, 12.2.25 is gegrond. De beroepen zijn alsnog ongegrond. 

RvS 202501011/1/V3, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4028

Rb: vliegtuigtrap terugkeerbesluit en inreisverbod geeft te weinig tijd voor zorgvuldig gehoor

De autoriteiten kiezen ervoor om derdelanders zoals eiseres, die nimmer in Nederland heeft verbleven, bij haar uitreis als het ware op de vliegtuigtrappen een terugkeerbesluit op te leggen in de wetenschap dat dit uitsluitend geschiedt om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Het is namelijk weinig zinvol om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die de Unie verlaat en daardoor reeds aan zijn terugkeerverplichting voldoet nog voordat dat de inkt van het terugkeerbesluit is opgedroogd. Dit betekent dat verweerder zorgvuldig moet handelen en de vreemdeling daadwerkelijk moet horen en uitleg moet geven over de gevolgen van het vaststellen van het terugkeerbesluit en dan ook daadwerkelijk de gelegenheid moet bieden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Door derdelanders op deze wijze bij de uitreis te controleren en nog een terugkeerbesluit in de hand te drukken met de mededeling dat een nader gehoor wel kan plaatsvinden, maar de kans groot is dat de vlucht dan wordt gemist, veronachtzaamt verweerder zijn verplichtingen en geeft hij zich onvoldoende rekenschap van de belangen van, in dit geval, eiseres. Dat deze werkwijze onzorgvuldig is, geldt temeer nu verweerder het uitvaardigen van een inreisverbod als sanctie voor illegaal verblijf beschouwt. Het opleggen van een sanctie vereist zorgvuldig handelen van de autoriteiten.

De rechtbank overweegt dat een verdere beoordeling van de inhoudelijke argumenten niet nodig is omdat reeds gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Dit betekent ook dat verweerder het inreisverbod uit het SIS moet verwijderen.

Het beroep is gegrond.
Rb Roermond AWB 26/2838, 6.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18516

IB 2026/26: afweging familie- en priveleven in EU landen bij opleggen van een inreisverbod

Een IRV heeft Unierechtelijke werking. Door een IRV wordt een vreemdeling namelijk gedurende een bepaalde periode toegang tot en verblijf op het grondgebied van de EU+landen ontzegd. Hierdoor moet bij de beoordeling of artikel 8 EVRM zich verzet tegen het opleggen van een IRV ook het familieleven in de EU+landen worden betrokken. De bewijslast voor het bestaan van familie-, gezins-, of privéleven in een andere lidstaat ligt bij de vreemdeling. De IND heeft namelijk geen inzage in bijvoorbeeld de evenknie van de BRP of Suwinet in de andere EU+landen. De onderzoeksmogelijkheden van de IND zijn dus beperkt.

Familie-, gezins-, dan wel privéleven in een andere lidstaat hoeft niet in de weg te staan aan het opleggen van een (licht) IRV door Nederland, ook al is er geen openbaar orde belang. Het zal afhangen van de individuele feiten en omstandigheden van een zaak.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1418780_1/1/. 9.7.26

WBV 2026/16: beleid schrijnende omstandigheden

De Afdeling heeft op 27 augustus 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin door een vreemdeling in een opvolgende aanvraag een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ wegens schrijnende omstandigheden was aangevraagd. De Afdeling heeft bepaald dat de minister nog altijd over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat die bevoegdheid niet is ingeperkt en dat de minister die bevoegdheid nog steeds zelf kan uitoefenen. Om aan de uitspraak van de Afdeling te voldoen, wordt met het onderhavige WBV het beleidskader over het al dan niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid in tweede of volgende aanvragen vastgelegd.

Het uitgangspunt van het beleidskader voor tweede of volgende aanvragen is om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij hetgeen is geregeld in artikel 3.6ba Vb. Hieruit volgt dat zeer terughoudend gebruik zal worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid bij tweede of volgende aanvragen. Daarbij geldt nadrukkelijk dat zeer gering gewicht toekomt aan omstandigheden die in Nederland zijn ontstaan na het onherroepelijk worden van de eerste verblijfsaanvraag. Immers, in de eerste in Nederland ingediende aanvraagprocedure wordt in de meeste gevallen al ambtshalve beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie. Als de vreemdeling na afwijzing van de eerste in Nederland ingediende aanvraag toch in Nederland blijft, dan wel na zijn uitzetting naar Nederland terugkeert, komt dit in beginsel voor risico van de vreemdeling en kan dit dus niet leiden tot gebruik van de discretionaire bevoegdheid.

Alleen wanneer er sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden dat nadrukkelijk niet binnen een bestaand verblijfsdoel past en een schrijnende situatie oplevert, kan namens de minister toepassing worden gegeven aan de discretionaire bevoegdheid. Het is ook niet voldoende als de omstandigheden weliswaar bijzonder te noemen zijn, maar (in zijn algemeenheid) op meerdere vreemdelingen van toepassing te beschouwen zijn. De omstandigheden dienen daarom naast bijzonder ook individueel van aard te zijn.

Verder is toegevoegd dat de IND bij tweede of volgende aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel en bij intrekkingen asiel niet ambtshalve of op verzoek toetst aan de discretionaire bevoegdheid. Afwijking van dit uitgangspunt zou ertoe kunnen leiden dat tweede of volgende aanvragen worden ingediend hoofdzakelijk of alleen om een ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen te bewerkstelligen.

WBV 2026/16, 17.3.26 in Staatscourant 2026, 8653, 9.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-8653.html

zie ook IB 2026/27 Beoordeling schrijnende omstandigheden
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1418780_1/1/, 9.7.26

Rb: geen psychische zorg in Ivoorkust

Eiser heeft PTSS en een ernstige depressieve stoornis. Hij heeft last van angsten, herbeleving, nachtmerries, vermijdingsgedrag, sociaal terugtrekgedrag, ernstige ontregeling bij afwijken van routines en somberheid. Verder vindt er nog diagnostiek plaats in verband met een vermoede autismespectrumstoornis. Eiser staat voor zijn klachten onder behandeling bij PsyValens. De behandeling bestaat uit psycho-educatie, EMDR en medicatie (topiramaat, zolpidem en mirtazepine).

Uit de BMA-adviezen volgt dat de zorg die eiser nodig heeft beschikbaar is in Ivoorkust. … Eiser heeft contact gehad met het [medische instelling] . In een e-mail van 15 januari 2026 laat een arts weten dat het ziekenhuis niet uitgerust is om patiënten met psychische aandoeningen te behandelen. Hij verwijst eiser naar het [instelling] van [plaats 2] . Ook met dit centrum heeft eiser contact gehad. Een bij dit centrum werkzame arts laat in een e-mail van 20 januari 2026 weten dat de medicijnen die eiser krijgt speciaal zijn en over het algemeen erg moeilijk verkrijgbaar zijn in [plaats 1] , ook in het [instelling] . De medicijnen zijn meestal niet op voorraad. Verder wordt door de arts meegedeeld dat de kosten van de medicijnen en zorg doorgaans niet gedekt worden door de publieke ziektekostenverzekering in Ivoorkust. Alleen particuliere verzekeringen kunnen mogelijk een deel van deze kosten vergoeden. Voor de medicatie die eiser nodig heeft schat de arts de kosten op € 30,- per week plus € 22,50 per twee weken. Daarbij merkt de arts op dat de totale behandelingskosten hoger kunnen uitvallen. Tot slot merkt de arts op dat gelet op de noodzaak van een voortgezette psychiatrische behandeling een terugkeer naar Ivoorkust medisch alleen verantwoord is als eiser in staat is om alle zorgkosten zelf te dragen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met de e-mails van 15 en 20 januari 2026 aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de beschikbaarheid van de in Ivoorkust aanwezige psychische zorg en medicatie. …

Nu de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de noodzakelijk zorg voor eiser in Ivoorkust beschikbaar is, laat de rechtbank zich niet uit over de vraag of de noodzakelijke zorg voor eiser feitelijk toegankelijk is. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. 

Rb Utrecht NL25.59619, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19067

Pagina's