Nieuws

Rb: wel onderdak ondanks niet-meewerken, psychische problematiek

De rechtbank verwijst naar Afdelingsuitspraak van 26 nov. 2015 (nr. 201500577/1), waarin is overwogen dat de staatssecretaris kan volstaan met een aanbod van onderdak in een VBL onder de voorwaarde dat hij meewerkt aan zijn vertrek. Daarbij benadrukte de Afdeling dat de staatssecretaris uit het oogpunt van zorgvuldigheid rekening moet houden met het feit dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor, indien uit hetgeen de vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen te overzien.

De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat hij zijn eigen handelen niet kan overzien, een lijvig patiëntendossier van GGD Amsterdam overgelegd waarin de medische geschiedenis van 18 feb. 2013 t/m 14 juni 2016 wordt beschreven. Uit dit dossier blijkt o.a. dat hij op en af dakloos is, dat hij aan meerdere ernstige psychische stoornissen lijdt, dat hij ernstig zelfbeschadigend gedrag vertoont, dat hij waarschijnlijk zwak begaafd is, dat er sprake is van verslavingsproblematiek en dat een steunnetwerk ontbreekt. Zonder nadere motivering rechtvaardigt deze medische problematiek niet de conclusie dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem, 16/22607, 7.3.17

RvS: vragen over meewerkcriterium bij toelating tot de VBL

De Afdeling wenst door de staatssecretaris te worden voorgelicht over de feitelijke gang van zaken bij onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie (hierna: de VBL).

  • Hoe geeft de staatssecretaris toepassing aan de meewerkvoorwaarde ? Gelden er naast het oprecht en geloofwaardig verklaren van de bereidheid om mee te werken aan vertrek bij voorbaat andere eisen aan de medewerking aan vertrek, zoals de eis van zicht op dat vertrek binnen 12 weken, verwoord in de Leidraad Terugkeer en Vertrek?
  • Hoe gaat de staatssecretaris te werk bij de beoordeling van de oprechtheid en de geloofwaardigheid van de bereidheid mee te werken aan terugkeer? Hoe gaat de staatssecretaris te werk bij de inschatting van het zicht op vertrek? Kan de staatssecretaris voorbeelden geven van die ervaringen bij herkomstlanden als Burundi, Rwanda, Tanzania, Somalië, Eritrea, Egypte en Ghana?
  • ln welk stadium vindt bij verblijf in de VBL de beoordeling plaats van de vraag of de vreemdeling voor een buiten-schuld-vergunning in aanmerking komt?
  • Hoe gaat de staatssecretaris om met de vraag of de vreemdeling psychische klachten heeft die interfereren mët z¡jn vermogen om zich bij voorbaat bereid te verklaren aan zijn vertrek uit Nederland mee te werken?

De Afdeling verzoekt u voormelde vragen schriftelijk te beantwoorden en uw antwoord zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk dinsdag 28 maart 2017, aan haar toe te zenden.

Europese Commissie : aanbevelingen verbetering terugkeerproces

This Recommendation provides guidance on how the provisions of ReturnDirective 2008/115/EC should be used for achieving more effective return procedures, and call on the Member States to take the necessary measures to remove legal and practical obstacles to return. For instance :

(10) For the purpose of effectively ensuring removals of illegally staying third-country nationals, Member States should:

  1. use detention as needed and appropriate in the cases provided for in Article 15(1) of Directive 2008/115/EC, and in particular where there is a risk of absconding as provided for in points 15 and 16 of this Recommendation;
  2. provide in national legislation for a maximum initial period of detention of six months that can be adapted by the judicial authorities in the light of the circumstances of the case, and for the possibility to further prolong the detention until 18 months in the cases provided for in Article 15(6) of Directive 2008/115/EC;
  3. bring detention capacity in line with actual needs, including by using where necessary the derogation for emergency situations as provided for in Article 18 of Directive 2008/115/EC.

(11) In relation to illegally staying third-country nationals who intentionally obstruct the return processes, Member States should consider using sanctions in accordance with national law. These sanctions should be effective, proportionate and dissuasive and should not impair the achievement of the objective of Directive 2008/115/EC.

Commission Recommendation (EU) 2017/432 (352.96 ko), 7.3.17
Making return procedures more effective

Rb: adoptie alleenstaande libische minderjarige door vrijwilligster Vluchtgarage goedgekeurd

Het te adopteren kind heeft op 31 mei 2014 in Nederland asiel aangevraagd. Sinds 23 september 2014 verblijft het kind illegaal in Nederland. De (alleenstaande) vrouw is in 2009 toestemming verleend voor het opnemen van een eerste buitenlands kind. De toestemming is verlengd tot 24 augustus 2017. Tot een interlandelijke adoptie is het nooit gekomen.

De Rb stelt op basis van de verklaring van de ouders vast dat zij toestemming geven voor de verzochte adoptie. De Rb heeft de overtuiging dat de adoptie in het belang van het kind is. Hij is opgegroeid in het gezin van zijn oom en tante, waar het hem ontbrak aan liefde en aandacht. Rond zijn veertiende is hem verteld dat de man die hij als zijn oom beschouwde zijn vader was. Zijn ouders wilden niets met hem te maken hebben. Hij is als minderjarige in Nederland aangekomen, belandde op enig moment op straat en verbleef enige tijd in de vluchtgarage. De vrouw heeft hem via vrijwilligerswerk leren kennen en heeft hem vanaf december 2014 verzorgd en opgevoed. Zij beschouwt hem inmiddels als haar zoon en hij beschouwt haar als zijn moeder. Tevens is komen vast te staan dat hij, nu en naar redelijkheid is te voorzien, niets meer van zijn ouders te verwachten heeft. Nu ook overigens aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, is het verzoek voor toewijzing vatbaar.

Stelt vast de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens; spreekt de adoptie uit; beveelt de inschrijving van de vastgestelde geboortegegevens in de BRP; stelt vast dat het kind geslachtsnaam X heeft gekozen.

Rb Noord-Holland (mk, civiel), C/15/243244 / FA RK 16-2916, 1.2.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:785

Rb: oordeel behandelmogelijkheid anders voor kinderen

Uit de brief van Centrum' 45 van 24 juli 2014 blijkt dat stress bij jonge kinderen een ernstig risico vormt voor de directe ontwikkeling van kinderen, waardoor de door het BMA gehanteerde criteria voor een medische- psychiatrische noodsituatie die worden toegepast bij volwassen, niet zonder meer toepasbaar zijn op kinderen. Derhalve mocht de staatssecretaris niet van de BMA- adviezen uitgaan. Voorts heeft de staatssecretaris niet gereageerd op de bezwaargrond dat in het BMA-advies van 4 april onbelicht blijft dat het samenstel van individuele en psychische problemen bij de andere gezinsleden een ernstig risico voor de psychische ontwikkeling vormt.

Rb Haarlem, 16/5691, 16/5692 en 16/5693, 24.2.17

Rb: medisch oordeel nodig bij Afghaanse HIV-patient met zwaar inreisverbod

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van vreemdeling afgewezen en tegen hem een zwaar inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Vreemdeling voert aan dat staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door in zijn geval geen advies te vragen bij het BMA. Hij is met HIV besmet en gebruikt medicatie. Niet is bekend of die medicatie ook in Afghanistan voorhanden is en of het niet voorhanden zijn daarvan het ontstaan van een medische noodsituatie tot gevolg zal hebben dan wel een schending oplevert van art. 3 EVRM.

Rechtbank oordeelt als volgt. Het ligt op de weg van staatssecretaris om het BMA de vraag voor te leggen of de vreemdeling direct na terugkeer komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden zoals bedoel in art. 3 EVRM. Ook de vraag of vreemdeling in staat is om te reizen vergt onder de gegeven omstandigheden een medische beoordeling die staatssecretaris niet zelfstandig kan maken. Het beroep van vreemdeling is gegrond.

Rb Rotterdam, Awb 17/2639, 3.3.17

Rb: afwijzing voortgezet verblijf mensenhandelslachtoffer niet zorgvuldig gemotiveerd

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen slechts in geschil is of de staatssecretaris zich kon stellen dat de aanvraag om een vbt-regulier onder een beperking wordt afgewezen, omdat de vreemdeling niet wegens bijzondere individuele omstandigheden blijvend op verblijf in NL is aangewezen. Uit het besluit rijst vooral het beeld dat bij de staatssecretaris de gedachte leeft dat eventuele vaagheden in een mensenhandel-relaas wijzen op een verzonnen verklaring en dat een meer gedetailleerde verklaring een dergelijk relaas meer aannemelijk maakt. Dit terwijl uit diverse onderzoeken over het onderwerp mensenhandel zijn uitgebracht, volgt dat dit niet per se een juiste gedachtegang is. Ook volgt uit die onderzoeken dat slechts een beperkt aantal aangeefsters/aangevers tot het afleggen van gedetailleerde verklaringen in staat is.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris bij het nemen van het besluit had moeten kijken naar de 'rode lijn' in het relaas en naar het fysieke bewijs dat dit ondersteunt. Daarnaast oordeelt de rechtbank had de staatssecretaris voornoemde lijn in het relaas meer moeten destilleren uit de proces-verbalen van de politie Rotterdam, nu daarin de verklaringen over hetgeen de vreemdeling zou zijn aangedaan en is overkomen, zijn neergelegd. Gelet op de inhoud van de sepotbrief heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat het oorzakelijk verband tussen de verwondingen van de vreemdeling en haar relaas niet is aangetoond. Anders dan bij asielzaken is deze procedure niet met kenbare waarborgen omkleed, terwijl de staatssecretaris hierin veel verwacht van (mogelijk) kwetsbare personen, te weten (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel. Dit klemt, omdat de handelswijze van de staatssecretaris in deze - nu de formulering in het besluit hier en daar niet even gelukkig is - het risico op secundaire victimisatie in zich draagt.

Beroep gegrond.
Rb Rotterdam, 16/16296, 1.3.17

Rb: Nigeria - wel risico besnijdenis dochter bij terugkeer

De rechtbank stelt vast dat uit het ambtsbericht blijkt dat het voor hervestiging van vrouwen belangrijk is dat zij in hun nieuwe woonplaats een netwerk hebben van familieleden of personen met dezelfde regionale en etnische afkomst. Vast staat dat de vreemdeling geen hulp van familie kan inroepen. Uit het ambtsbericht blijkt niet van organisaties die zich bezig houden met hervestiging van vrouwen. Dat de vreemdeling niet wilt dat haar dochter besneden wordt kan niet leiden tot een ander oordeel. Uit het rapport van UNICEF van juli 2013 'Female Genital Mutilation/Cutting' staat dat 75% van de besneden vrouwen een moeder heeft die tegen besnijdenis is. Ook het feit dat het landelijk strafbaar is kan hier niet aan afdoen, omdat uit het ambtsbericht blijkt dat er vrijwel geen aangifte wordt gedaan.

Gelet op het het ambtsbericht waarin staat dat alleenstaande vrouwen in Nigeria zich in een extra kwetsbare positie bevinden, en gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, dat de vreemdeling geen familie heeft in Nigeria, 18 jaar oud is, geen onderwijs heeft genoten, nooit zelfstandig heeft gewerkt of in haar levensonderhoud heeft voorzien, en een dochtertje van één jaar oud heeft, maakt dat haar positie extra kwetsbaar is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling met haar dochter in staat zal zijn zich in Nigeria de handhaven en daar een nieuw sociaal leven netwerk op te bouwen en zich daar dus opnieuw te vestigen. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat de dochter van de vreemdeling in Nigeria geen reëel risico loopt op besnijdenis daarmee ook onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Rb Groningen, 17/1128, 13.2.17

RvS: India veilig herkomstland

De staatssecretaris heeft zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat India een veilig land van herkomst is.

RvS 201608479/1/V2, 10.3.17
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:641

Rb: Guinee - niet in algemeen bescherming tegen huiselijk geweld en andere misdrijven

De rechtbank overweegt dat aangiften door de politie wisselend worden behandeld. Het hangt sterk af van de sociale achtergrond of iemand bescherming kan krijgen. De rechtbank volgt de vreemdeling in het standpunt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft gesteld dat in Guinee in het algemeen bescherming wordt geboden tegen huiselijk geweld en andere misdrijven. Uit het ambtsbericht blijkt onvoldoende dat in Guinee sprake is van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen. Evenmin blijkt daaruit voldoende dat slachtoffers van dergelijke handelingen in het algemeen toegang tot een dergelijke bescherming hebben. Voorts blijkt onvoldoende dat Ngo's – waarvan er geen enkele met naam wordt genoemd in het ambtsbericht – , in plaats van of naast bescherming door de autoriteiten, in het algemeen de vereiste doeltreffende bescherming kunnen bieden.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij ter zake van de door hem ondervonden problemen in Guinee de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond.

Rb Haarlem, 17/2575, 2.3.17

Pagina's