Nieuws

Rb: vier Rotterdamse ex-LVV-bewoners kunnen naar VBL, rest mocht niet op straat

In totaal hebben 23 vreemdelingen beroep ingesteld tegen de beslissing om de LVV-opvang te beëindigen. Aan vier vreemdelingen had verweerder, na de beëindiging van de LVV-opvang, een concreet aanbod gedaan voor opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Aan zestien andere vreemdelingen was geen concreet aanbod gedaan voor opvang in de VBL. Voorts heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van een vreemdeling van wie het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. En twee andere vreemdelingen die geen procesbelang (meer) hadden bij het beroep.

Voor de vier vreemdelingen die naar de VBL waren verwezen komt de rechtbank tot het oordeel dat de beëindiging van de opvang van eisers niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Verweerder heeft eisers een concreet alternatief voor opvang aangeboden, namelijk een plek in de VBL en eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die opvang voor hen niet geschikt of feitelijk niet toegankelijk is. 

Rb Rotterdam AWB 25/17059, AWB 25/18643, AWB 25/17071 en AWB 25/17085, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9852

Voor de zestien vreemdelingen die geen alternatief aanbod kregen oordeelt de rechtbank dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten vernietigd moeten worden. Eisers hebben aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van hun opvang in beginsel in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), terwijl verweerder er op zijn beurt niet in is geslaagd om alle twijfel daarover weg te nemen. Daarbij is van belang dat verweerder aan eisers geen concreet alternatief voor (onvoorwaardelijke) opvang heeft geboden. …..

De rechtbank leidt uit de dossiers af dat eisers zich allen kenmerken door (een meer of mindere mate van) lichamelijke, psychische, cognitieve en/of sociale kwetsbaarheid en, mede als gevolg daarvan, een gebrek aan voldoende zelfredzaamheid. … Deze combinatie van omstandigheden maakt dat eisers allen volledig afhankelijk zijn van de overheid voor hun meest elementaire levensbehoeften: eten, zich wassen en beschikken over woonruimte. Verweerder heeft dit een en ander niet betwist. Dit betekent dat zij zeer waarschijnlijk op straat zullen belanden en verstoken zullen blijven van overige elementaire levensbehoeften (eten en wassen) als verweerder geen alternatieve opvangvoorziening aanbiedt. Hiermee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aannemelijk gemaakt dat zij, gezien hun kwetsbare situatie, als gevolg van de beëindiging van de LVV-opvang terecht zullen komen in een situatie die onder de ondergrens van artikel 4 van het Handvest zakt.….

De beroepen zijn gegrond. 
Rb Rotterdam AWB 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9853

Rb: bij nieuw terugkeerbesluit met nieuw terugkeerland geen doortelling detentietermijn

In het terugkeerbesluit van 29 augustus 2013 staat als nationaliteit vermeld: Ivoriaanse. …. Uit het verlengingsbesluit volgt verder dat eiser eind 2019 in aanraking is gekomen met de NGO Stichting ‘Goedwerk’ waarbij eiser aanvankelijk stelde uit Ivoorkust te komen, maar later toegaf van Ghanese afkomst te zijn. Op 26 februari 2020 is vervolgens een lp verkregen voor Ghana. …

Uit het arrest FMS van het Hof, volgt dat met het wijzigen van het in het terugkeerbesluit vermelde land van bestemming, een zo essentieel punt van het terugkeerbesluit wordt gewijzigd dat daarmee sprake is van een nieuw terugkeerbesluit.

Eerder was de bewaring van eiser gericht op zijn terugkeer naar Ivoorkust. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de onjuiste inlichtingen van eiser ten grondslag lagen aan een de bewaring gericht op terugkeer naar Ivoorkust, gelijk de huidige inlichtingen van eiser ten grondslag liggen aan de bewaring gericht op zijn terugkeer naar Ghana. Met het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025 is daarom naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe terugkeerprocedure gestart. De datum van dat besluit markeert de start van die terugkeerprocedure.

De rechtbank stelt vast dat eiser, ter uitvoering van het terugkeerbesluit gericht op zijn uitzetting naar Ghana, inmiddels in totaal 352 dagen in bewaring zit. De rechtbank stelt vast dat de termijn van achttien maanden inbewaringstelling verstrijkt op 14 oktober 2026 en daarom op dit moment nog niet is verstreken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voortduren van de maatregel niet vanwege termijn overschrijding onrechtmatig is.

Het beroep is ongegrond.
Rb Zwolle NL26.15674, 9.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8418

Rb: detentieperioden van vóór implementatie Terugkeerrichtlijn tellen niet mee bij 18mnd max

Het arrest Aroja ziet op de situatie dat de afzonderlijke periodes van bewaring zijn gebaseerd op één en hetzelfde besluit dat is genomen op grond van de Terugkeerrichtlijn. Deze richtlijn had uiterlijk op 24 december 2010 geïmplementeerd moeten zijn. Dat is niet gebeurd. Pas op 15 december 2011 is de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Het besluit van 14 december 2010 is dus niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Aroja in deze situatie daarom niet van toepassing is. …

Tussen partijen is niet in geschil dat op 22 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De rechtbank stelt vast dat eiser op basis van dat terugkeerbesluit nog geen achttien maanden in totaal in bewaring heeft gezeten. Ook heeft verweerder geen verleningsbesluit hoeven nemen, omdat er ook nog geen periode van in totaal zes maanden bewaring is verstreken.

De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Haarlem NL26.14515, 10.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9260

Rb: maatschappelijke gevolgen van stoppen verslavingszorg niet beoordeeld

Het BMA-advies is onvoldoende inzichtelijk en concludent. Het door de behandelaar gelegde verband tussen methadonbehandeling en de psychische problematiek van eiser is niet betrokken. Ook is niet betrokken dat eiser zich voor de behandeling in een situatie van sociaal-maatschappelijke teloorgang bevond en dat de behandeling nodig is ter behandeling hiervan. Verder is niet betrokken de door behandelaar genoemde gevolgen en risico’s van stopzetting van de methadonbehandeling. Naast sociaal-maatschappelijk zijn dat overdosering, infecties zoals hepatitis en psychische decompensatie. Anders dan de minister stelt, zijn deze gestelde risico’s niet (uitsluitend) gebaseerd op eigen persoonlijke opvattingen van de behandelaar maar op studies en onderzoeken die de effectiviteit van een methadonbehandeling onderschrijven. Gelet op het verleden van eiser en de algemene bronnen die in het GGD-advies zijn genoemd, ligt het in de rede dat het BMA duidelijk maakt waarom het niet verwacht dat bij eiser geen medische noodsituatie zal ontstaan. De minister kon niet zonder nader onderzoek en motivering van het BMA-advies uitgaan.

Nu het standpunt van de minister dat stopzetting van methadonbehandeling in het geval van eiser niet tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden geen stand houdt, kan de minister evenmin gevolgd worden in zijn standpunt dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de zaak die aanleiding gaf tot het Cannabis-arrest. De rechtbank haalt in dit kader de volgende passages aan uit het Cannabis-arrest:

 “93. In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van het Handvest.”

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL24.17004 en NL24.17007, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9141

Rb: non-refoulementsonderzoek nodig bij alle genoemde landen, ondanks neg BMA advies

De rechtbank is van oordeel dat de minister het risico op refoulement ten onrechte niet nader heeft onderzocht door na te gaan of de door eiseres benodigde medische behandeling beschikbaar is in de landen die in het terugkeerbesluit worden genoemd. Het standpunt van de minister dat eerst moet worden vastgesteld welke identiteit en nationaliteit eiseres heeft, zodat kan worden vastgesteld naar welk land eiseres daadwerkelijk zou moeten terugkeren alvorens een refoulementbeoordeling moet wordt gemaakt, kan gelet op het arrest Ararat geen standhouden. …. De gemachtigde van de minister heeft op zitting niet bestreden dat het praktisch niet onmogelijk is voor de minister om te onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandelingen beschikbaar zijn in de drie genoemde landen van het terugkeerbesluit.

Het voorgaande betekent dat de minister had moeten onderzoeken of de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Soedan, Ethiopië of Eritrea beschikbaar is. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.

Het beroep is gegrond 
Rb Amsterdam NL25.1982, 14.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9185

Rb: voor NLerschap via optie als staatloze geen verblijfsvergunning nodig

Eiseres is in Nederland geboren. Zij is vanaf haar geboorte staatloos. Op 21 mei 2025 heeft de vader namens eiseres een optieverklaring afgelegd en verweerder verzocht om een bevestiging dat zij het Nederlanderschap verkrijgt.

Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres geen toelating in Nederland heeft. Zij is niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. Op grond daarvan heeft verweerder beslist dat de bevestiging moet worden geweigerd, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat minstens drie jaar sprake moet zijn van toelating.

Het Staatloosheidsverdrag staat deze weigeringsgrond niet toe. De eis dat het verblijf rechtmatig moet zijn is een aanvullende eis, die niet valt te verenigen met de tekst en de strekking van de betreffende verdragsbepaling. Met alleen het toevoegen van de Vijfjaarsoptie in art 6 onder q RWN, is het Nederlandse nationaliteitsrecht nog steeds niet afdoende in lijn met het internationale recht. Verweerder handelt in strijd met het Staatloosheidsverdrag door eiseres - gedurende twee jaar - een verdragsschendende voorwaarde tegen te werpen. Daaraan voegt de rb nog toe, dat het eisen van een "stabiel hoofdverblijf' voor toepassing van de Vijfjaarsoptie, neerkomt op het stellen van een ongeoorloofde aanvullende voorwaarde op het Staatloosheidsverdrag. Hoewel het begrip terminologisch ontleend lijkt te zijn aan de tekst van het Staatloosheidsverdrag, wordt aan dit criterium een invulling gegeven die naar het oordeel van de rb niet met het verdrag valt te verenigen.

Beroep gegrond.
Rb Den Haag (mk), SGR 25/6093, 3.3.26

Rb: Chavez-vergunning verlengen omdat NLs kind pas met 17 naar NL kwam

Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de MvA&M aan de moeder van het NLse kind een Chavez verblijfsdocument afgegeven en bepaald dat het tot 22 oktober 2022 geldig is omdat referente dan achttien jaar oud wordt. Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de MvA&M de aanvraag van de moeder om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht per 22 oktober 2022 is geëindigd.

De rb neemt in aanmerking dat referente vanaf haar geboorte altijd met eiseres in gezinsverband heeft samengewoond, vanaf 2004 tot 2021 in Nigeria en daarna in Nederland. Op het moment van aankomst in Nederland was referente zeventien jaar oud. Zij sprak de taal nog niet goed en zij is een opleiding gaan volgen waarbij eiseres haar in alles, zowel mentaal als financieel, heeft bijgestaan…. De rb overweegt dat de overgang naar het volwassen worden in stappen gaat en dat een minderjarige bij het zetten van deze stappen in zijn algemeenheid begeleid wordt door zijn ouders, verzorgers en andere personen in het sociale netwerk. Aan de hand van de afgelegde verklaringen en overgelegde stukken stelt de rb vast dat referente stappen heeft gezet, maar dat zij nog volop in het proces zit van het volwassen worden. Door het verhuizen op zeventienjarige leeftijd naar Nederland heeft zij relatief kort tijd gehad om de stap te kunnen zetten naar het onafhankelijk van haar familieleden leiden van haar leven en in haar geval is het te kort gebleken. Op het moment dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres niet zou doorlopen na de achttiende verjaardag van referent, blijft referente alleen achter in Nederland terwijl zij eiseres nodig heeft bij het zetten van de noodzakelijke stappen naar volwassenheid. De rb acht het dan ook niet voorstelbaar dat indien eiseres terugkeert naar Nigeria referente zich in Nederland zelfstandig zou kunnen handhaven. 

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam (mk), NL24.17703, NL24.17705, 31.3.26

Rb: belangenafweging vrijstelling mvv verblijf bij partner, 24jr in NL en partner ziek

De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit niet is vermeld dat eiseres op het moment van de beslissing op bezwaar al 24 jaar in Nederland verbleef. Dit element is niet kenbaar meegewogen in de belangenafweging. Alleen al om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Daar komt bij dat eiseres heeft gesteld dat zij zich nooit heeft onttrokken aan het toezicht van verweerder. Zij voert aan dat verweerder op de hoogte was van haar langdurige onrechtmatige verblijf maar nooit is overgegaan tot uitzetting. De rechtbank constateert dat dit wordt bevestigd door het bestreden besluit waarin staat dat verweerder aan eiseres in 2013 een terugkeerbesluit heeft opgelegd, maar dit nooit aan haar heeft uitgereikt. Verweerder dient dit alsnog in de belangenafweging te betrekken.

Verweerder dient ook de huidige medische situatie van referent te betrekken in de belangenafweging.

Beroep gegrond.
Rb Amsterdam 24/10632 en 24/10633, 9.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8209

IB 2026/7: Richtsnoeren MVV Iran en Midden-Oosten ivm actuele overmachtssituatie

Wanneer voor Iraniërs in het kader van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in Nederland wordt voldaan aan alle inhoudelijke verblijfsvoorwaarden, behalve aan het MVV-vereiste, wordt tijdelijk vrijgesteld van het MVV-vereiste door toepassing van de hardheidsclausule. Deze zaken worden niet met voorrang afgehandeld, gelet op de mogelijkheid dat de situatie op korte termijn wijzigt.

Voor de overige landen in het Midden-Oosten is de werkwijze niet afwijkend van het reguliere beleid.
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1406776_1/1/, 20.3.26

IB 2026/12 Middelenvereiste - eigen vermogen

In de beslispraktijk is behoefte aan verduidelijking van het middelenvereiste wanneer iemand eigen vermogen heeft. Als vuistregel kan ervan uit worden gegaan dat het eigen vermogen voldoende en duurzaam is, als men beschikt over een vermogen dat gelijk of groter is dan het normbedrag (per maand, inclusief vakantiegeld) vermenigvuldigd met 36 maanden (3 jaar). Daarmee toont de aanvrager aan dat er voldoende vermogen is om zich in de nabije toekomst van te onderhouden zolang hij of zij met de vergunning in Nederland woont, en dat er dus geen beroep op de algemene middelen hoeft te worden gedaan. Het eigen vermogen moet vrij opneembaar zijn.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1410427_1/1/, 15.4.26

Pagina's