Nieuws

Rapp vreemdelingenketen: vertrek eerste halfjaar 2018 en 2019

 

totaal vertrek

gedwongen vertrek

aantoonbaar zelfstandig vertrek

zelfstandig vertrek zonder toezicht

2018-1

10.430

3.100

1.240

6.090

2019-1

12.730

3.170

2.620

6.950

% verschil

+22%

+2%

+111%

+14%

Uit deze cijfers blijkt dat 41% van de vertrekplichtige vreemdelingen aantoonbaar is vertrokken

rapp vreemdelingenketen jan-jun19
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/15/rapportage-vreemdelingenketen-periode-januari---juni-2019, 15.11.19

RvS: achteraf blijkt detentie onrechtmatig ivm status met terugwerkende kracht

De vreemdeling is op 6 september 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De Rb heeft op 27 september het beroep tegen de bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling heeft aan haar verzoek om heropening van het onderzoek o.m. een besluit van 24 september 2019 ten grondslag gelegd, waarin de SvJ&V haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, geldig van 11 mei 2019 tot 11 mei 2024.

De Rb kan het onderzoek heropenen, indien zij van oordeel is dat dit niet volledig is geweest (art. 8:68 lid 1 Awb). Dit is een discretionaire bevoegdheid van de Rb. Doorgaans hoeft de Rb de beslissing over de toepassing daarvan niet nader toe te lichten. In dit geval had de Rb, nu uit het besluit van 24 september 2019 blijkt dat de vreemdeling achteraf bezien gedurende de bewaring steeds rechtmatig verblijf heeft gehad, het verzoek niet zonder nadere motivering mogen afwijzen.

Hoger beroep vreemdeling kennelijk gegrond; vernietigt VK Utrecht 27 september 2019, NL19.21265; wijst de zaak terug.
ABRvS, 201907392/1/V3, 8.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3787

RvS: niet automatisch zwaar inreisverbod bij 1F

Deze zaak gaat over de vraag welke elementen betrokken moeten worden indien de staatssecretaris een zwaar inreisverbod tegen een vreemdeling, aan wie artikel 1(F) is tegengeworpen, wil uitvaardigen. De staatssecretaris moet daarbij beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt, als bedoeld in het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377.

Dat artikel 1(F) op een vreemdeling van toepassing is, kan blijkens het arrest van 2 mei 2018 niet automatisch tot het oordeel leiden dat die vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. De staatssecretaris had ook andere omstandigheden kenbaar in zijn besluitvorming moeten betrekken, wat hij heeft nagelaten. De staatssecretaris zal dit alsnog moeten motiveren.

Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201602747/1/V2, 22.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3954

WBV 2019/19: nieuw Buitenschuld-beleid

Aanleiding voor aanpassing van de Vreemdelingencirculaire is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1973. In verband hiermee is nu in het beleid naast de mogelijkheid dat de DT&V ambtshalve aan de IND een ambtsbericht met positief zwaarwegend advies uitbrengt, opgenomen dat de IND naar aanleiding van een door een vreemdeling ingediende aanvraag de DT&V om een ambtsbericht kan verzoeken. Een dergelijk ambtsbericht kan ook de gemotiveerde mededeling inhouden dat de DT&V de naar aanleiding van het ingediende verzoek gestarte bemiddeling heeft beëindigd, zonder dat een positief zwaarwegend advies kon worden gegeven, of dat de naar aanleiding van het ingediende verzoek door de DT&V gestarte bemiddeling nog loopt, om welke reden de DT&V nog geen zwaarwegend advies kan geven.

De IND zal de DT&V alleen om een ambtsbericht verzoeken als hij zelf over onvoldoende gegevens beschikt om een beslissing op de aanvraag te kunnen nemen. Voorwaarde voor een vergunning is dat de vreemdeling zich voor bemiddeling tot de DT&V moet hebben gewend.

Tot slot geldt nu voor buitenschuld dat de identiteit en nationaliteit geloofwaardig moeten zijn geacht. Met deze aanscherping wordt aangesloten bij de beslispraktijk in asielprocedures, waarbij in beschikkingen expliciet een overweging wordt gewijd aan de geloofwaardigheid van de identiteit en nationaliteit. Alle nadien opgekomen informatie ten aanzien van identiteit en nationaliteit wordt betrokken bij de beoordeling van de vraag of een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

Besluit van 21.11.19 in Staatscourant 2019, 65304, 2.12.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-65304.html

Rb: verblijf bij dochter essentieel voor voorkomen suicide, ondanks oordeel BMA

De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiser van tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet (Vw) afgewezen, omdat uit het advies van BMA blijkt dat vreemdeling onder voorwaarden in staat is om te reizen en omdat de medisch noodzakelijke behandeling aanwezig is in Ghana.

De rechtbank overweegt dat BMA zich na een eerder gegeven advies, nu wel heeft uitgelaten over de rol van dochter van vreemdeling bij suïcidepreventie en als voorwaarde voor een effectieve behandeling. Het nieuwe advies is naar inhoud inzichtelijk en concludent. Dat het advies van BMA over de gevolgen van een eventuele scheiding met dochter anders luidt dan dat van behandelaar van vreemdeling, maakt dit niet anders. Echter, dit betekent niet dat de rechtbank nu voorbij kan gaan aan de zeer grote zorgen die behandelaar van vreemdeling bij de GGZ heeft geuit over de suïcidaliteit van de vreemdeling. Die zorgen zijn gestoeld op psychiatrisch onderzoek, waarbij op basis van de voorgeschiedenis onder meer melding wordt gemaakt van tweetal pogingen tot suïcide. Psychiater vermeldt dat sprake is van PTSS en dat vreemdeling stemmen hoort die hem opdragen zich te suïcideren. De enige beschermende factor is het gezelschap van zijn dochter, zoals ook in het behandelplan is opgenomen. De door psychiater goed gemotiveerde inschatting van de kans op suïcide is zodanig groot dat men bij de beoordeling of het gelet op de gezondheidstoestand verantwoord was om te reizen en of een behandeling van die toestand in land van herkomst mogelijk was, hieraan niet voorbij had mogen gaan. Het besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Staatssecretaris dient op basis van actuele gegevens over de gezondheidstoestand van de vreemdeling opnieuw te beslissen. Beroep gegrond.

Rb Haarlem, AWB 19/4500, 14.11.19

Rb: geen duurzaam verblijf EU-burger op grond van Chavez

De vraag ligt voor of eiser op grond van zijn Chavez-status aanspraak kan maken op een duurzaam verblijfsrecht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2018 volgt – kortgezegd – dat het afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU niet kan worden aangemerkt als rechtmatig verblijf dat in aanmerking kan worden genomen voor de verkrijging van het duurzaam verblijfsrecht. De jaren dat eiser afgeleid verblijfsrecht heeft tellen dan ook niet mee als rechtmatig verblijf ter verkrijging van een duurzaam verblijfsrecht.

Anders dan bij een verblijfsrecht dat voortvloeit uit artikel 21 van het VWEU, is bij een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU (Chavez) geen sprake van gebruikmaking van het recht op vrij verkeer. Op grond van het arrest Chavez-Vilchez wordt immers aan de derdelander ouder van een minderjarige Unieburger die geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, een afgeleid verblijfsrecht toegekend enkel en alleen om te voorkomen dat het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie te verlaten.

Nu eiser van rechtswege op grond van artikel 20 van het VWEU verblijfsrecht heeft in Nederland en niet is gebleken dat hij verstoken is geweest van bestaansmiddelen, wordt eiser met het bestreden besluit niet het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van Burgers van de Unie ontleende rechten ontzegd. Schending van artikel 7 van het Handvest is niet aan de orde wanneer aan eiser geen duurzaam verblijfsrecht verleend wordt. Dat het huidige verblijfsrecht van eiser slechts tijdelijk is, maakt dit niet anders.

Het beroep is ongegrond.
Rb Den Haag AWB - 18 _ 6051, 15.8.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12629

Rb: geen vergunning bij NLs kind, moeder heeft verblijfsrecht in Spanje en vader kan daarheen

Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiseres verblijfsrecht heeft in Spanje. Eiseres heeft haar stelling dat het voor referente niet mogelijk is om bij eiseres in Spanje verblijfsrecht te verkrijgen, dat zij daardoor genoodzaakt is om met referente naar Marokko te vertrekken en dus het grondgebied van de EU zal moeten verlaten, op geen enkele wijze nader geconcretiseerd of onderbouwd. Eiseres heeft betoogd dat een dergelijk verblijfsrecht aan referente zal worden ontzegd, omdat eiseres niet voldoet aan het middelenvereiste als vastgelegd in artikel 14 van richtlijn 2004/38/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn). Eiseres heeft dat echter op geen enkele wijze aangetoond. Zij heeft geen besluit van de Spaanse autoriteiten overgelegd waaruit blijkt dat een verzoek om gezinshereniging van referente is afgewezen. Bovendien is de stelling dat eiseres niet in staat is om in Spanje middelen van bestaan te verwerven op geen enkele wijze onderbouwd. Eiseres heeft geen medische documenten ingebracht, noch is gesteld of gebleken dat eiseres niet in staat zou zijn om werkzaamheden te verrichten en daarmee middelen van bestaan te verwerven. De conclusie is dat eiseres niet concreet heeft onderbouwd dat referente in Spanje geen verblijfsrecht bij eiseres zal kunnen verkrijgen.

Het uitgangspunt van een beoordeling als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez is de vraag of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding met eiseres, dat referente gedwongen wordt het grondgebied van het EU in zijn geheel te verlaten als eiseres geen verblijfsrecht heeft in Nederland. In dit geval is daarvan geen sprake. Referente wordt niet gedwongen het grondgebied van de EU in zijn geheel te verlaten. Er is geen sprake van de situatie dat referente het nuttige effect van het burgerschap van de Unie wordt ontnomen.

Voorts volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat door afwijzing van de aanvraag het contact van referente met haar vader verloren zal gaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vader van referente gezien zijn Nederlandse nationaliteit gebruik kan maken van zijn recht van vrij verkeer en zo het contact met referente in Spanje kan onderhouden. Ook kan referente zich gezien haar Nederlandse nationaliteit op elk gewenst moment naar Nederland begeven. Daar komt bij dat eiseres niet heeft onderbouwd dat de vader geen verblijfsrecht in Spanje toekomt. Eiseres heeft geen afgewezen aanvraag van haar echtgenoot tot het verkrijgen van verblijf in Spanje overgelegd. Verder heeft eiseres haar stelling, dat haar echtgenoot geen verblijf toekomt omdat hij niet aan het middelenvereiste kan voldoen vanwege zijn arbeidsongeschiktheid, onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Uit de brief van WerkSaam blijkt niet dat de echtgenoot blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Bovendien is niet gebleken dat eiseres zich niet op reguliere gronden rechtmatig bij referente in Nederland zou kunnen voegen, zodat referente in Nederland contact met beide ouders kan onderhouden. Van een zodanige aanvraag en afwijzing daarvan is niet gebleken.

Het beroep is ongegrond.
Rb Haarlem AWB 19/2947, 28.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12909

Rb: Baghdad niet veilig voor Sunni uit Mosul

De staatssecretaris acht de vrees voor problemen met IS bij terugkeer niet geloofwaardig vanwege het vestigingsalternatief in de stad Bagdad. ....
De rechtbank is voorts van oordeel dat de staatssecretaris, gelet op hetgeen uit de rapporten van UNHCR van mei 2019 en EASO van juni 2019 volgt, zich niet zonder meer op het standpunt kan stellen dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij, nadat hij toegang heeft gekregen tot Bagdad, de nodige moeite doet om sponsors en een brief van de mukthar te verkrijgen om zich er te kunnen vestigen. De rechtbank acht de verwijzing door de staatssecretaris naar het UNHCR rapport van april 2019 te summier in het licht van de hiervoor aangehaalde bronnen. De vreemdeling behoort tot de in de rapporten met name genoemde groep – Soenni Arabier uit voormalig IS-gebied (Mosul) – van wie wordt gerapporteerd dat deze in toenemende mate onder druk wordt gezet om vanuit het voorgestelde gebied van relocatie terug te keren naar de gebieden van herkomst. Derhalve is er in het algemeen geen sprake, aldus het UNHCR-rapport, van een vestigingsalternatief gezien de door de autoriteiten gestelde vereisten voor toegang en duurzame vestiging.
De staatssecretaris dient dan ook op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling een afweging te maken van de mogelijkheid dat hij aan de administratieve voorwaarden voor toelating zal kunnen voldoen. Deze beoordeling heeft niet plaatsgevonden.

Rb Roermond, NL19.4160, 20.11.19

RvS: bij intrekken asielvergunning toetsen aan 8EVRM

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet toetst aan artikel 8 van het EVRM gelet op rechtspraak van het EHRM. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat in paragraaf C5/4 van de Vc 2000, waarin het beleid over intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is neergelegd, expliciet staat dat artikel 3.86 van het Vb 2000 in zijn geheel van toepassing is. Dus ook het zeventiende lid van dat artikel, waaruit volgt dat moet worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De grief faalt.

Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
RvS 201809164/1/V2, 25.11.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:3960

SvJ&V: afhandeling asielverzoeken

 

totaal

1e aanvraag

2e ev aanvraag

nareiziger

herplaatsing

hervestiging

2018-1

14.360

8.330

1.360

4.110

140

420

2019-1

15.040

10.590

1.680

1.720

10

1.040

% verschil

+5%

+27%

+24%

-58%

-93%

+148%

De kans op toelating bij een eerste asielaanvraag in de eerste helft van 2019 was 27%, bij een herhaalde aanvraag was dit 10% blijkt uit de nieuwste Rapportage Vreemdelingenketen.

Van de 7.260 eerste asielverzoeken in de eerste 4mnd van 2019 zijn er 4040 afgewezen vanwege Dublin, van de 7200 eerste asielverzoeken in de tweede 4mnd van 2019 zijn er 3.800 afgewezen vanwege Dublin.

rapp vreemdelingenketen jan-jun19
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/15/rapportage-vreemdelingenketen-periode-januari---juni-2019, 15.11.19
https://ind.nl/over-ind/Cijfers-publicaties/Paginas/Migratieradar.aspx

Pagina's