bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Eiseres is geboren en getogen in Nederland. Zij heeft als minderjarige gedeeld in de naturalisatie van haar ouders en zodoende de Nederlandse nationaliteit gekregen. Eiseres verblijft sinds 2009 in Marokko. Zij heeft haar Nederlandse nationaliteit verloren. Haar aanvraag is gericht op wedertoelating als oud-Nederlander. …
De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde voor wedertoelating is dat de vreemdeling een in (Europees) Nederland geboren en getogen oud-Nederlander betreft. De rechtbank overweegt dat de extra eis ‘Als Nederlander geboren’ enkel volgt uit de aanhef van paragraaf B9/2.1 van de Vc “2.1. Als Nederlander in Nederland geboren en getogen oud-Nederlanders”. Voor zover dit al moet worden opgevat als beleid, wordt hiermee het wettelijk kader uit het Vb dus onjuist geïnterpreteerd en overschreden. Aan verweerder is niet de bevoegdheid toegekend om af te wijken van een wettelijk vereiste. De rechtbank overweegt dat beleid buiten toepassing moet worden gelaten voor zover dit in strijd is met een hogere regeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanhef van paragraaf B9/2.1 onverbindend is, omdat deze aanhef in strijd is met artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL25.29691, 21.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20549
idem Rb Amsterdam NL25.29692, 21.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20553
Verzoeker is vijf jaar oud en heeft een ernstige vorm van een autismespectrumstoornis. Uit het advies van het BMA blijkt onder meer dat bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie wordt verwacht, omdat verzoeker dan vanwege zijn stoornis een gevaar kan vormen voor zichzelf of voor de mensen in zijn omgeving. Verzoeker wordt momenteel driemaal per week, zes uur per dag, intensief behandeld in Venray. Gezien de voorgenomen plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel mag worden aangenomen dat deze behandeling niet kan worden voortgezet. Verzoeker wijst er overigens op dat de reisafstand van Ter Apel naar Venray (enkele reis) 4.5 uur bedraagt. Ook gelet op de intensieve behandeling die eiser ondergaat, acht de voorzieningenrechter het niet zonder meer aannemelijk dat verzoeker op korte termijn een vergelijkbare alternatieve behandeling kan krijgen in of vanuit Ter Apel. Een vrijheidsbeperkende locatie is bovendien geen wenselijke plek voor een minderjarige, en dat geldt nog sterker voor verzoeker, gezien zijn medische beperkingen. De minister heeft hier in het verweerschrift geen concrete belangen tegenover gesteld die een afwijzing van het verzoek rechtvaardigen. ….
De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat verzoeker (en zijn moeder) gedurende de bezwaarfase in de opvanglocatie van het COa in Grave mag blijven.
Rb Arnhem NL26.34733, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20272
Volgens DT&V verbleven vorig jaar in totaal 570 vreemdelingen in de VBL in Ter Apel. Gezien de beschikbare capaciteit van 450 plaatsen en het feit dat men er in principe slechts maximaal 12 weken mag verblijven, is dat een vrij gering aantal te noemen.
De DT&V meldt verder dat In het afgelopen jaar in totaal 490 vreemdelingen zijn uitgestroomd uit de VBL. Hiervan zijn er ongeveer:
Dit betekent dat ongeveer de helft van de uitstroom uit de VBL bestaat uit terugkeer en doormigratie, een kwart met onbekende bestemming is vertrokken en bijna een kwart is doorgeplaatst naar een andere opvang van het COA of in vreemdelingenbewaring is gesteld.
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1570/uitstroom-uit-de-vbl-ter-apel-in-2025, 27.7.26
Dienst Terugkeer en Vertrek meldt dat in het eerste halfjaar 2026 totaal 340 mensen naar hun land van herkomst zijn uitgezet. De top 10 ziet er als volgt uit:
|
Nationaliteit |
Aantal |
|
Marokkaanse |
60 |
|
Algerijnse |
60 |
|
Surinaamse |
30 |
|
Turkse |
30 |
|
Nigeriaanse |
20 |
|
Albanese |
20 |
|
Colombiaanse |
20 |
|
Britse |
10 |
|
Georgische |
10 |
|
Tunesische |
10 |
Bron: antwoord van DT&V d.d. 21 juli 2026 op Woo-verzoek van INLIA
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1569/aantal-uitzettingen-in-het-eerste-halfjaar-van-2026, 22.7.26
Eiseres verblijft sinds haar asielaanvraag op 29 oktober 2008 in Nederland. Zij heeft verschillende aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning en voor uitstel van vertrek op medische gronden. Deze aanvragen zijn steeds afgewezen waardoor eiseres geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Niet betwist is echter dat eiseres zich al die tijd niet aan het toezicht heeft onttrokken en dat zij zich in elk geval de laatste periode elke twee weken bij de autoriteiten heeft gemeld. De minister wijst er weliswaar niet ten onrechte op dat in het verleden verschillende maatregelen zijn genomen om eiseres te bewegen Nederland te verlaten maar de rechtbank stelt ook vast dat die maatregelen sinds 2009 geen resultaat hebben gehad.
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat eiseres inmiddels 77 jaar is, voor diverse fysieke aandoeningen medisch-specialistische behandeling heeft, dat zij sinds 2015 feitelijk verzorgd wordt door stichting INLIA en aldaar vast onderdak heeft en zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken. Verder is van belang dat eiseres opnieuw uitstel op medische gronden heeft gevraagd en dat nog niet is beslist op het bezwaar dat is ingediend tegen de afwijzing daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, detentie onevenredig bezwarend is. Beroep gegrond.
Rb Groningen NL26.39339, 24.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20726
Nu eiser is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken, is op dit moment onbekend of hij nog op het grondgebied van de lidstaat Nederland verblijft. Zolang onduidelijk is of eiser op het grondgebied van lidstaat Nederland verblijft, is dan ook geen controle op bescherming tegen non-refoulement nodig. In het geval van weer opduiken op het grondgebied van lidstaat Nederland ligt dat wel anders, maar dat is op dit moment slecht hypothetisch. Het is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis of eiser ooit weer zal opduiken in Nederland. Daarmee blijft dus staan dat er geen procesbelang is zolang hierover onduidelijkheid bestaat vanwege het geen contact meer hebben met de gemachtigde over de procedure, de verblijfplaats op het grondgebied van lidstaat Nederland en er geen relevante feiten en omstandigheden zijn die maken dat sprake is van procesbelang. Dat de minister niet kan registreren of en zo ja, wanneer eiser niet langer op het grondgebied van Nederland verblijft als gevolg van het met onbekende bestemming vertrekken, kan niet voor rekening van de minister komen….
In het hypothetische geval dat eiser weer opduikt op het grondgebied van lidstaat Nederland en hem opnieuw de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn wordt gegeven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven dan wel aan hem een terugkeerbesluit wordt opgelegd om terug te keren naar Syrië, moet op dat moment weer actueel en volledig worden beoordeeld of het beginsel van refoulement wordt geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn.
Rb den Bosch 26.17344, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21403
Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, vereist is.
Het betoog van appellant slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef. De minister heeft aangenomen dat appellant zijn hoofdverblijf in Portugal heeft. Verder is gesteld noch gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het besluit fysiek aanwezig was op het Nederlandse grondgebied. Daarom mocht de minister geen terugkeerbesluit nemen.
Het hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.44453, 18.12.25 is gegrond.
RvS BRS.26.000184, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4180
Uit het dossier volgt dat eiser in 1950 is geboren en de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft. In 2002 is hij naar Nederland gekomenen heeft asiel gevraagd. In 2004 heeft de minister de aanvraag afgewezen. ….
Op 10 mei 2023 heeft hij een aanvraag ingediend vanwege gezins- en priveleven. Zijn dochter is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier, zij heeft twee kinderen die zijn geboren in 2009 en 2012. De zoon van eiser heeft verblijf in Nederland op grond van verblijf bij een Nederlands staatsburger, hij heeft twee kinderen. Een andere zoon van eiser heeft verblijf in Nederland bij een EU-burger, hij heeft één kind.…
De minister heeft aangenomen dat bij eiser sprake is van privéleven. De minister heeft daarom een belangenafweging gemaakt. … De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Eiser wijst er terecht op dat de minister geen initiatieven heeft genomen om eiser uit Nederland te verwijderen. Dit is echter wel een factor die moet worden meegewogen in de belangenafweging. …. De minister heeft er in het besluit, en ook ter zitting, op gewezen dat eiser meerdere keren een aanzegging heeft gekregen Nederland te verlaten. Daarmee is het handelen van overheid gedurende de periode van illegaal verblijf van eiser in Nederland echter onvoldoende bij de belangenafweging betrokken. De rechtbank heeft de minister ter zitting gevraagd op welke manier hij aan de terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan heeft gewerkt maar de minister moest het antwoord daarop schuldig blijven. De rechtbank acht duidelijkheid hierover wel van belang. Niet alleen in het kader van de belangenafweging, zoals hiervoor is overwogen, maar ook in het kader van de vraag of terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan überhaupt mogelijk is, wat van betekenis kan zijn voor de vraag of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Rb Zwolle VK 25/15616, 13.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19415
Het BMA heeft geconcludeerd dat eiseres bekend is met PTSS en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Verder is sprake van verstandelijke beperkingen, morbide obesitas en prediabetes. Eiseres staat voor haar psychische klachten onder behandeling van een psychiater, psycholoog en een casemanager. Bij het uitblijven van deze behandeling verwacht het BMA dat op korte termijn (binnen drie tot zes maanden) een medische noodsituatie ontstaat. Volgens het BMA zijn de door eiseres benodigde behandeling en medicatie op basis van de beschikbare landeninformatie beschikbaar in Nigeria, haar land van herkomst en is deze behandeling voldoende om de verwachte medische noodbehandeling te voorkomen. Verder vermeldt het advies dat eiseres niet kan reizen naar Nigeria, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht plaatsvindt….
De minister heeft verklaard dat eiseres met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is haar eigen inkomen te verdienen en dat de kosten voor de benodigde medische handeling in Nigeria hoog zijn. De minister heeft vervolgens aangegeven dat uit de door eiseres overgelegde e-mails naar verzekeraars blijkt dat zij inspanningen heeft geleverd om aannemelijk te maken dat het voor haar (financieel) niet mogelijk is om zich voor haar ziektekosten te verzekeren. Ook is met het traceerverzoek aan het Rode Kruis een start gemaakt met het aannemelijk maken dat zij (mogelijk) in Nigeria niet door familieleden kan worden ondersteund, maar een resultaat van dit onderzoek is nog niet binnen. Bovendien wordt in het traceerverzoek aangegeven dat eiseres op zoek is naar haar dochters, terwijl eiseres mogelijk een groter netwerk in Nigeria heeft. Verder mist volgens de minister nog een onderbouwing dat eiseres geen beroep kan doen op de overheid.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de toegang tot de beschikbare zorg in Nigeria voor haar niet toegankelijk is. … De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat de enkele omstandigheid dat eiseres niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat zij geen beroep kan doen op een sociaal netwerk in Nigeria of de overheid voor ondersteuning, maakt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen toegang kan krijgen tot de beschikbare zorg in Nigeria….
Ten aanzien van de eventuele ondersteuning door de overheid weegt de rechtbank mee dat alhoewel uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat eiseres in haar individuele geval geen ondersteuning kan krijgen, deze stukken wel aanwijzingen bieden dat het niet aannemelijk is dat personen met psychische klachten in Nigeria door de overheid worden ondersteund. Zo staat in het ‘Medical Country of Origin Information Report’ van april 2022 dat slechts 3,3% van het federale budget voor gezondheidszorg naar de geestelijke gezondheidszorg gaat. Ook staat hierin dat er geen programma’s voor financiële ondersteuning bij geestelijke gezondheidsproblemen bestaan en dat betaling uit eigen zak de meest voorkomende manier is waarop gezondheidszorg wordt verkregen.
Tot slot weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat eiseres blijkens de medische stukken een ernstige verstandelijke beperking en een zeer beperkt eigen doenvermogen heeft. Zo kan eiseres niet lezen of schrijven en heeft zij bij veel activiteiten hulp nodig. Daardoor is onzeker of eiseres, zelfs als ondersteuning door een sociaal netwerk of de overheid in Nigeria aanwezig is, in staat zou zijn van deze ondersteuning gebruik te maken.
Dit alles tezamen maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare zorg in Nigeria in haar individuele situatie niet feitelijk toegankelijk is.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL25.21285 en AWB 24/2964, 30.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21378
Uit de landeninformatie volgt dat in geheel Irak, ook in de KAR en in de regio Duhok waar eisers vandaan komen, nog altijd sterke tribale tradities gelden, vrouwen ondergeschikt zijn aan de man en vrouwen in zijn algemeenheid slachtoffer worden van gender gerelateerd geweld waarbij de daders vaak vrijuit gaan. Daarbij is ook sprake van eerwraak op vrouwen die zich niet naar de geldende tribale standaarden gedragen, zoals het hebben van relaties buiten het huwelijk. De instituties binnen de KAR, die de vrouwen zouden moeten beschermen, kiezen daarbij vaak partij voor de daders, ook in geval van eer gerelateerd geweld. Gelet op deze informatie en het gegeven dat ook binnen de stam van de moeder blijkens haar verklaringen voorbeelden van eer gerelateerd geweld bestaan, waaronder de verklaring over een nichtje dat dood gevonden is in een rivier, is het risico op vervolging dat de dochters bij terugkeer vanwege hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen lopen ook niet slechts een mogelijkheid, maar (meer dan) redelijk waarschijnlijk. Gelet op het arrest Ebilum, zoals hiervoor besproken, is daarmee de vereiste drempel voor een gegronde vrees voor vervolging behaald. In de tussenuitspraak is ook reeds overwogen dat de dochters niet beschikken over een binnenlands beschermingsalternatief. Dat betekent dat de dochters in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus….
Ten aanzien van de dochters zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de dochters internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus genieten per datum van de aanvraag…. Aangezien de dochters hun aanvraag om een verblijfsvergunning op minderjarige leeftijd hebben gedaan, komen de ouders en – via de ouders – de overige van rechtswege in aanmerking voor een verblijfstitel zolang aan de dochters internationale bescherming wordt verleend, en voor zover zij niet zelfstandig op andere gronden internationale bescherming genieten.
Dit betekent dat, nu eerst nog een nader onderzoek ten aanzien van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” moet worden verricht, er ook nog geen geactualiseerd en uitputtend onderzoek kan worden gedaan naar de asielmotieven “vrees voor besnijdenis” en “vrees voor uithuwelijking” ten aanzien van de ouders en overige kinderen, omdat een risicobeoordeling op grond van deze motieven beïnvloed kan worden door de geloofwaardigheid van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking dochters”. Bijgevolg kan op dit moment nog niet definitief worden vastgesteld of de ouders en de overige kinderen op grond van zelfstandige asielmotieven voor internationale bescherming in aanmerking komen. Nu reeds is vastgesteld dat de dochters op grond van hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen internationale bescherming toekomt, betekent dit dat aan de ouders en overige kinderen op grond van het bepaalde in artikel 23 Verordening (EU) 2024/1347 een verblijfsrecht kan worden toegekend, zonder dat nog nader onderzoek naar de zelfstandige asielmotieven is vereist….
De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ouders en de overige kinderen een verblijfsrecht overeenkomstig artikel 23 Verordening (EU) 2024/1347 hebben en dat aan hen een verblijfsvergunning en verblijfstitel moet worden toegekend.
Rb Groningen NL23.29544, 23.39546 en 23.29548, 28.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21092