Nieuws

SvJ&V: plannen wijziging asielprocedure

Eén van de maatregelen behelst het terugbrengen van de geldigheidsduur van de asielvergunning van vijf naar drie jaar. Voor de asielzoeker is hiermee duidelijk dat eerder wordt beoordeeld of hij nog steeds voldoet aan de voorwaarden om in het bezit te zijn van een vergunning. Mocht dat het geval zijn, dan ontvangt hij opnieuw een vergunning van tijdelijke aard. Na twee tijdelijke verblijfsvergunningen wordt - wederom onder de voorwaarde dat er een wettelijke grond voor verlening bestaat - overgegaan tot verblijf voor onbepaalde duur. Ik verwacht het voorstel uiterlijk in mei 2019 aan uw Kamer aan te bieden.

Met betrekking tot de maatregel om pas na een voornemen tot afwijzing van een asielaanvraag rechtsbijstand te verstrekken, is een EAUT uitgevoerd. De resultaten worden in het voorstel verwerkt. Dit ontwerpbesluit gaat dan in consultatie onder gelijktijdige aanbieding aan de beide Kamers in het kader van de voorhangprocedure.

Ten slotte is een wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 voorzien die beoogt het mogelijk te maken af te zien van een gehoor als blijkt dat een herhaalde asielaanvraag geen kans van slagen heeft. Dit voorstel is in consultatie gebracht en ik verwacht het ontwerpbesluit begin mei 2019 voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State te sturen.

Andere plannen betreffen onder andere:

  • Versnellen van de afhandeling van herhaalde asielaanvragen.
  • Doorontwikkelen van het sporenbeleid, gericht op het zo vroeg mogelijk bieden van duidelijkheid over (de kans op) inwilliging.
  • Ontwikkelen van Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocaties waar ketenpartners gezamenlijk worden gehuisvest en in samenhang meerdere fasen - van aanmelding tot terugkeer - in het asielproces tijdig, zorgvuldig en effectief uitvoeren.
  • Meer aandacht voor voorbereiding van en informatiedeling ten behoeve van een effectief terugkeerproces.

kamerstuk 19637-2476, 11.4.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-879617

Rb: voor erkenning kind door vader kan gemeente W-document + geb akte gebruiken

De ambtenaar van burgerlijke stand (ABS) heeft geweigerd een akte van erkenning op te maken waarin verzoeker als vader werd erkend van kind [J] omdat zijn identiteit niet voldoende kon worden vastgesteld. Verzoeker heeft de Sierra Leoonse nationaliteit, J en haar moeder hebben de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt o.g.v. art. 20 VWEU een afgeleid verblijfsrecht te hebben.

Niet in geschil is dat verzoeker geen paspoort heeft. Hij heeft echter onweersproken naar voren gebracht dat hij een paspoort zelf op moet halen in Sierra Leone, wat onmogelijk is nu hij niet over een laissez-passer beschikt en onwenselijk is gezien zijn verblijfsstatus waardoor hij bij het verlaten van de EU niet Nederland in kan reizen. Verzoeker heeft een W-document overgelegd waarop zijn geboortedatum en geboorteplaats vermeld staan. Voorts heeft verzoeker een Certified True Copy van zijn geboortecertificaat ingebracht. Verder blijkt dat verzoeker onder de hierop vermelde gegevens van 2001 tot 2014 ingeschreven heeft gestaan in de BRP. De ABS heeft de juistheid van deze gegevens niet betwist. Uit art. 49 lid 1 aanhef en onder c Besluit Burgerlijke Stand 1994 blijkt dat op een akte van erkenning de geslachtsnaam, voornamen en plaats en de dag van geboorte van de erkenner vermeld dienen te worden. Deze gegevens staan vermeld op het door verzoeker overgelegde (verlopen) W-document en geboorteakte. De ABS had op grond van de beschikbare gegevens de identiteit van verzoeker kunnen vaststellen. Het enkele gegeven dat het W-document is verlopen, maakt niet dat de persoonsgegevens van verzoeker die op dit document staan vermeld, niet meer correct zouden zijn. Bovendien heeft verzoeker voldoende gemotiveerd dat hij onmogelijk een nieuw paspoort met  recentere gegevens in kan brengen. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een schijnerkenning nu niet in geschil is dat verzoeker de biologische vader is van J, hij wekelijks omgang heeft met zijn dochter en J's moeder instemt met de erkenning. De ABS had het bepaalde in art. 8 EVRM en art. 3 en 7 IVRK mee moeten wegen bij zijn besluit. De Rb gelast de ABS alsnog een erkenningsakte op te maken. Beroep gegrond.

Rb Midden-Nederland zp Lelystad (mk), C/16/461068 / FL RK 18-1128, 22.2.19

CRvB: recht op bijstand bij toegekende vovo in beroepsprocedure wijziging verblijfsvergunning

Appellante betoogt dat zij hangende het beroep tegen de vreemdelingenrechtelijke beslissing op bezwaar ook procedureel rechtmatig verblijf had en dat daarom haar recht op bijstand niet is geëindigd. Het college bestrijdt dit met het betoog dat een toegekende vovo hangende beroep geen (procedureel) rechtmatig verblijf oplevert.

....

Het CRvB oordeelt dat appellante in de periode in geding procedureel rechtmatig verblijf had in Nederland op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Vaststaat dat appellante in de daaraan voorafgaande periode toegelaten was tot Nederland. ...Uit artikel 11, derde lid, van de PW vloeit dan voort dat appellante in de periode in geding gelijk wordt gesteld met de Nederlander. Als gevolg hiervan had appellante ongewijzigd recht op bijstand. De conclusie moet zijn dat de beroepsgrond slaagt.

CRvB 17-3149 PW, 5.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:778

RvS: zieke niet-asiel vreemdeling heeft geen recht op opvang bij COA, staatssecretaris bevoegd

Omdat de vreemdeling nooit asielzoeker is geweest, valt hij (tijdens zijn procedure art-64) niet onder het bereik van de Rva 2005. Voorts heeft het COa hem terecht de gevraagde verstrekkingen onthouden, omdat zich geen acute medische noodsituatie voordoet die het COa tot feitelijke opvang noopte.

Wat betreft het beroep op artikel 8 van het EVRM verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Uit wat de Afdeling daar heeft overwogen, volgt dat een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op verstrekkingen vanwege het COa en meent toch aanspraak te hebben op voorzieningen, zich moet wenden tot de staatssecretaris. Het COa heeft dus geen bevoegdheid om aan de vreemdeling de gevraagde verstrekkingen te verlenen.

Het beroep is ongegrond.
RvS 201805900/1/V1, 20.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:903

RvS: bezwaar tegen Dublin overdracht alleen mogelijk als de situatie is veranderd

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788), is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van zodanig bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3405) moet een vreemdeling in dat geval nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.

Het voorgaande geldt ook in dit geval, waar het gaat om de feitelijke overdracht van de vreemdeling.
RvS 201804222/1/V3, 14.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:837

SvJ&V: voor ongewenstverklaring is actuele bedreiging van de openbare orde nodig

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 8 november 2016, 201507441/1/V3) blijkt dat voor de ongewenstverklaring is vereist dat er sprake is van een werkelijke, actuele, voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Een dergelijke bedreiging hoeft niet uitsluitend te volgen uit een veroordeling tot een misdrijf, maar kan ook bestaan als er nog geen strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Zo kan ook een verdenking wegens een ernstig misdrijf voldoende zijn.

WBV 2019/5, 21.3.19 in staatscourant 16905, 29.3.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-16905.html

SvJ&V: inreisverbod heeft pas effect na uitreis, dus uitstel van vertrek (art 64) wel mogelijk

Op 5 december 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), uitspraak gedaan (AbRS 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998). … De essentie is dat het opleggen van een inreisverbod eerst effect sorteert na het vertrek uit de lidstaten. Een inreisverbod ten aanzien van een nog in Nederland verblijvende vreemdeling brengt niet langer met zich mee dat de vreemdeling met een inreisverbod geen rechtmatig verblijf kan hebben (bij een opvolgende aanvraag bijvoorbeeld) of geen belang heeft bij een beroep in de verblijfsprocedure….

Dit betekent ook dat een analoge toepassing van artikel 64 Vw bij een vreemdeling met een zwaar inreisverbod niet langer aan de orde is, als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten nog niet heeft verlaten. Indien de vreemdeling aan wie een zwaar inreisverbod is opgelegd voldoet aan de voorwaarden van artikel 64 Vw, kan hij in aanmerking komen voor rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, Vw. Het beleid betreffende de toepassing van artikel 64 Vw voor vreemdelingen met een zwaar inreisverbod wordt dus gewijzigd.

WBV 2019/5, 21.3.19 in staatscourant 16905, 29.3.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-16905.html

 

HvJ EU: A minor in the guardianship of a citizen of the EU under the Algerian kafala system cannot be regarded as a ‘direct descendant’ of that citizen

Two spouses of French nationality resident in the UK applied to the UK authorities for entry clearance, as an adopted child, for an Algerian child who had been placed in their guardianship in Algeria under the kafala system, which is an institution in the family law of some countries that follow the Koranic tradition. The Supreme Court of the United Kingdom asks the Court of Justice, in essence, whether, under the directive on the freedom of movement, the child can be regarded as a ‘direct descendant’ of the persons who took her in under Algerian kafala, a status which would give her a right of entry to the UK.

The Court states that, given that the placing of a child under the Algerian kafala system does not create a parent-child relationship between the child and its guardian, a child who is placed in the legal guardianship of citizens of the EU under that system cannot be regarded as a ‘direct descendant’ of a citizen of the EU.

However, the Court considers that such a child falls under another concept referred to in the directive on the freedom of movement, namely that of one of the ‘other family members’. That concept is capable of covering the situation of a child who has been placed with citizens of the EU under a legal guardianship system such as Algerian kafala and in respect of whom those citizens assume responsibility for its care, education and protection, in accordance with an undertaking entered into on the basis of the law of the child’s country of origin.

The Court concludes that it is for the competent national authorities to facilitate the entry and residence of a child placed in the legal guardianship of citizens of the EU under the Algerian kafala system as one of the ‘other family members’ of a citizen of the EU, by carrying out a balanced and reasonable assessment of all the current and relevant circumstances of the case which takes account of the various interests in play and, in particular, of the best interests of the child concerned.

Court of Justice - Judgment - Directive 2004/38 - SM - Case C-129/18, 26.3.19
Source: Court of Justice - Press release
Judgment in Case C-129/18 SM v Entry Clearance Officer, UK Visa Section

Rb: apart onderzoek nodig naar verwestering Somalische vrouw

De vreemdeling stelt bij terugkeer risico te lopen op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM omdat zij verwesterd is.

De staatssecretaris stelt dat de vreemdeling niet heeft onderbouwd dat haar gedachtes westers zouden zijn en dat pas wordt geoordeeld of zo’n risico er is als sprake is van een godsdienstige of politieke overtuiging.

Naar het oordeel van de rechter hanteert hij daarmee een onjuiste uitleg van de Afdelingsuitspraken van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735, 3736 en 3737). Met het oog op voornoemde uitspraken en WI 2019/1 heeft de vreemdeling er terecht op gewezen dat zij in de procedure in de gelegenheid gesteld moest worden haar verwestering aan de orde te stellen aan de hand van vier factoren: het gedrag van de vreemdeling in het land van herkomst, de leeftijd die zij had op het moment van haar vertrek, hoe zij zich in Nederland heeft ontwikkeld en haar verblijfsduur in Nederland’. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag is dat niet in die vorm aan de orde gekomen, althans slechts in beperkte mate. De staatssecretaris dient de vreemdeling aanvullend te horen a.d.h.v. voornoemde factoren.

Rb Haarlem, NL18.24368, 25.3.19

RvS: geen risico Riffijnse activisten

De vreemdelingen zijn afkomstig uit Al Hoceima in het rifgebied in Marokko. De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht het lidmaatschap van de Twintig Februari beweging en dat hij in Nederland politieke activiteiten verricht. De gestelde problemen in Marokko met de autoriteiten acht hij ongeloofwaardig.

Met betrekking tot de vraag “Is Marokko een veilig land van herkomst, en zo ja, geldt dat ook voor het Rifgebied?” overweegt de Afdeling als volgt. In de Afdelingsuitspraken van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:209 en ECLI:NL:RVS:2017:210) is overwogen dat Marokko een veilig land van herkomst is. De door de vreemdelingen in deze zaak ingebrachte informatie leidt niet tot een ander oordeel, omdat hieruit niet blijkt dat de situatie wezenlijk verschilt van de situatie die aan de orde was in de uitspraken van 1 februari 2017. Omdat uit de door de vreemdeling en de staatssecretaris overgelegde stukken niet blijkt dat de situatie in het Rifgebied wezenlijk verschilt van de situatie in de rest van Marokko, geldt de conclusie dat Marokko in het algemeen een veilig land van herkomst is ook voor het Rifgebied.

Over wat de vreemdelingen naar voren hebben gebracht over de activiteiten van vreemdeling 1 op internet en over zijn rol binnen de Twintig Februari Beweging geldt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat Marokkaanse autoriteiten alle Marokkanen in de gaten houden waarvan informatie op het internet te vinden is en daaraan bij terugkeer gevolgen verbinden. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat Marokko in hun geval toch niet veilig is.

ABRvS, 201705953/1, 19.3.19

Pagina's