Nieuws

RvS: mogelijk risico soennitische moslim uit Mosul bij vestiging in Baghdad

De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat Bagdad voor de vreemdeling, een soennitische moslim uit Mosul, als vestigingsalternatief voldoet. In het besluit heeft de staatssecretaris gewezen op de uitspraken van 21 november 2016 en 3 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2016:3083, ECLI:NL:RVS:2016:3084, en ECLI:NL:RVS:2017:1744, waarin de Afdeling heeft overwogen dat hij aan de vreemdelingen terecht een vestigingsalternatief in Bagdad heeft tegengeworpen. Over de door de vreemdeling overgelegde rapporten van de UNHCR van mei 2019 (International Protection Considerations with Regard to People Fleeing the Republic of Iraq) en van het EASO van juni 2019 (Country Guidance: Iraq) heeft de staatssecretaris echter geen deugdelijk gemotiveerd en aan de vreemdeling en zijn persoonlijke omstandigheden gerelateerd standpunt ingenomen.

De grief faalt. Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201909083/1/V2, 9.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1612

Rb: Somalisch paspoort bewijst minderjarigheid niet, onzorgvuldig onderzoek Bureau Documenten

Eisers voeren aan dat verweerder niet kan uitgaan van de registratie in Italië op basis van hun paspoorten. Hun paspoorten zijn buiten hen om door hun vader aangevraagd en verkregen. Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers gewezen op het algemeen ambtsbericht inzake Somalië uit 2017 waaruit blijkt dat de procedure fraudegevoelig is. Om hun geboortedata te onderbouwen hebben eisers verschillende documenten overgelegd, te weten een document van ‘Dharkenley district court’, medische geboortecertificaten van Arafat Hospital, drie geboorteaktes met identiteitscertificaten en schoolpassen. Het onderzoek dat verweerder heeft laten verrichten naar deze documenten heeft niet zorgvuldig plaatsgevonden en inhoudelijk is het onderzoek niet inzichtelijk. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht....

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers terecht aangevoerd dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Met betrekking tot het standpunt van Bureau Documenten dat het document van ‘Dharkenley district court’ niet beoordeeld kan worden omdat bij dit document geen vertaling is overgelegd, hebben eisers terecht opgemerkt dat deze vertaling al eerder in de procedure is overgelegd. Dit is erkend door verweerder.... Ook met betrekking tot de conclusies die Bureau Documenten heeft getrokken ten aanzien van de geboorteaktes en identiteitscertificaten volgt de rechtbank eisers in hun stelling dat die niet aansluiten op de bevindingen. ... Dit betekent dat verweerder de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten niet zonder nadere motivering aan zijn standpunt ten grondslag heeft kunnen leggen dat uitgegaan moet worden van de meerderjarigheid van eiseres en eiser 1 op basis van de registratie door de Italiaanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt....

Voorts blijkt uit het bestreden besluit, noch uit het verweerschrift dat verweerder op basis van een individueel onderzoek heeft vastgesteld dat het in het belang van eiser 2 is dat hij aan Italië zal worden overgedragen. In dit kader is van belang dat eisers hebben aangegeven dat hun moeder in Nederland rechtmatig verblijf heeft en dat eisers sinds hun aankomst in Nederland bij haar wonen. Eiser 2 heeft door middel van een DNA-onderzoek aangetoond dat de gestelde moeder zijn biologische moeder is. Voorts hebben eisers een screeningsverslag overgelegd waaruit – samenvattend – blijkt dat Stichting Nidos in de voogdij over eiser 2 is ontslagen en dat het gezag van de moeder over eiser 2 is hersteld, dat zij zorg draagt voor eisers en dat zij blij is dat het gezin weer is herenigd. Ook heeft de opsteller van het screeningsverslag aangegeven dat eisers en de moeder als gezin goed functioneren. Verweerder heeft deze informatie niet kenbaar betrokken.

Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.
Rb Haarlem NL19.11318, NL19.11320 en NL19.11322, 19.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6544

Rb: IND had medisch onderzoek moeten opstarten vanwege asielrelaas (Bacha Bazi)

De rechtbank heeft uiteengezet waarom wordt geconcludeerd dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en zal worden vernietigd en er geen aanleiding is om de rechtsgevolgen in stand te laten.

De rechtbank heeft overwogen dat verweerder op grond van de twee adviezen van het FMMU, de informatie van de gemachtigde en het verzoek van eiser actief had moeten onderzoeken of medisch onderzoek relevant was, en dit onderzoek vòòr het uitbrengen van het voornemen moeten opstarten gelet op het bepaalde in artikel 18, derde lid, ProcedureRichtlijn gelezen in samenhang met artikel 4 Kwalificatierichtlijn.

Verweerder had het voor het nader gehoor (reeds) aangevraagde iMMO-rapport moeten betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en daarom het verzoek van eiser om de besluitvorming aan te houden totdat het iMMO-rapport beschikbaar zou zijn moeten inwilligen;

Verweerder had eiser in staat moeten stellen om zijn asielrelaas met medische bevindingen te staven omdat er vòòr het uitbrengen van het voornemen aanwijzingen waren voor het bestaan hiervan en de relatie tussen de littekens en het asielrelaas.

Tenslotte oordeelt de rechtbank dat het iMMO-rapport een deskundigenbericht is wat - als het zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is - alleen kan worden weerlegd met een contra-expertise en niet door verweerder.

Rb den Bosch NL18.7451, 15.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6543

Rb: beoordeling schrijnendheid in eerste aanvraag na terugkeer (doofstomme man uit Bosnië)

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Bosnië-Herzegovina wordt gediscrimineerd als gevolg van zijn doofstomheid en hierdoor in een sociaal isolement is geraakt. Hij is tevens getraumatiseerd en heeft enkele malen een suïcidepoging gedaan. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat Bosnië-Herzegovina wordt beschouwd als een veilig land van herkomst. Daarnaast stelt de staatssecretaris dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier in verband met zijn persoonlijke, schrijnende situatie, omdat volgens art. 3.6ba Vb deze vergunning alleen kan worden verleend als nog niet eerder in Nederland een verblijfsvergunning is aangevraagd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Art. 3.6ba Vb bepaalt dat, tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel of verblijfsvergunning regulier onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie op basis van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen

Rb Arnhem, NL20.9774, 6.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6333

Rb: beoordeling medisch in eerste aanvraag na terugkeer (1F’er uit Afghanistan)

De vreemdeling is tussen 1998 en 2006 in het bezit geweest van een vbt-a, waarna hem art. 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Aan onderhavige (tweede) asielaanvraag legt hij ten grondslag dat hij van 2015 tot 2019 in Afghanistan heeft gewoond en daar problemen heeft ondervonden. De vreemdeling stelt onder meer dat het in bepaalde omstandigheden bij een opvolgende asielaanvraag niet nodig is om nieuwe feiten en omstandigheden in te brengen.

De rechtbank stelt voorop dat in rechte vaststaat dat art. 1F kan worden tegengeworpen. De vreemdeling heeft geen argumenten aangedragen op grond waarvan art. 1F niet langer op hem van toepassing zou moeten worden geacht.

De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de aanvraag niet als eerste asielverzoek is behandeld, nu de vreemdeling stelt te zijn teruggekeerd naar Afghanistan en vervolgens feiten en omstandigheden aan die tweede asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd die zich in die (tussenliggende) periode hebben voorgedaan. In dit kader wordt verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 13 mei 2005 (JV 2005,255) en 19 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4354). Niet valt in te zien waarom de staatssecretaris onderhavige asielaanvraag heeft afgedaan als een herhaalde aanvraag en de aanvraag niet op inwilligbaarheid heeft beoordeeld. Derhalve stelt de vreemdeling terecht dat evenmin valt in te zien waarom de staatssecretaris niet ambtshalve heeft getoetst of hij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning of voor toepassing van art. 64 Vw.

Rb Groningen, NL19.26617, 1.7.20

SvJ&V: aanpak arbeidsuitbuiting buiten mensenhandel, ism FNV

De FNV stelt dat er gekeken moet worden naar een nieuw wetsartikel over arbeidsuitbuiting, waarmee maatschappelijk duidelijk wordt gemaakt dat het uitbuiten van werknemers strafrechtelijke gevolgen heeft. In samenwerking met een breed pallet aan stakeholders, onderzoeken JenV en SZW momenteel wat de meerwaarde van een dergelijk artikel zou zijn. Uit deze analyse komt tot nu toe naar voren dat het in de praktijk vooral gaat om situaties van ernstige benadeling, in plaats van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin. Tegen deze vormen van ernstige benadeling kan al strafrechtelijk en bestuursrechtelijk worden opgetreden. Dit vergt wel een integrale benadering van bijvoorbeeld de Inspectie SZW, politie en gemeenten.

Samen met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) wordt momenteel gewerkt aan een handreiking met handelingsperspectieven, die passen bij een gecoördineerde integrale aanpak van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling. Dit moet helpen om situaties die strafrechtelijk niet als mensenhandel kunnen worden beschouwd, maar wel ernstig zijn, effectief aan te pakken met behulp van verschillende handhavingsinstrumenten.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/07/01/tk-moties-en-toezeggingen-op-het-gebied-van-mensenhandel/tk-moties-en-toezeggingen-op-het-gebied-van-mensenhandel.pdf, 1.7.20

Rb: recht op opvang ook in derde procedure; rechter moet zich uitspreken over nova

De vreemdeling heeft, na niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag o.g.v. art. 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, de opvanglocatie van het COA moeten verlaten. Dit omdat de staatssecretaris heeft besloten dat het een derde of latere asielaanvraag betreft terwijl een eerdere opvolgende aanvraag definitief niet-ontvankelijk is verklaard.

De vreemdeling stelt dat het recht op opvang niet is geëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en verzoekt de rechter hem toe te staan zijn beroep in Nederland af te wachten en te oordelen dat hij gedurende die periode recht heeft op (hervatting van de) opvang en verstrekkingen door het COA.

De rechtbank oordeelt als volgt. De stukken die de vreemdeling aan onderhavige opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd dateren allemaal van na de laatste asielprocedure. Het standpunt van de staatssecretaris dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, is nog niet getoetst door de rechter. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het belang van de vreemdeling is derhalve aan te merken als doorslaggevend belang. Het bestreden besluit wordt geschorst, de rechtsgevolgen zijn niet meer van kracht en de opvang en verstrekkingen o.g.v. de Rva 2005 moeten worden hervat. Vovo toegewezen.

Rb Roermond, NL20.4493, 26.6.20

EHRM: Frankrijk mag asielzoekers niet 90dagen op straat laten wachten

The case concerns 5 single men of Afghan, Iranian, Georgian and Russian nationality who arrived in France on separate occasions. After submitting their asylum applications, they were unable to receive material and financial support and were therefore forced into homelessness. The applicants slept in tents or in other precarious circumstances and lived without material or financial support, in the form of Temporary Allowance, for a substantial period of time. All of the applicants complained, inter alia, that their living conditions were incompatible with Article 3 ECHR. The complaint in respect of applicant G.I. was struck out of the list as he could not be contacted.

The Court observed that the applicants were entitled to material and financial support under domestic law, providing they had been authorised to reside in France as registered asylum seekers. As such, it was necessary to highlight the substantial lapse in time between the applicants submitting requests for asylum and the date on which their asylum applications were registered by the relevant authorities. Indeed, applicants N.H., K.T., and A.J. waited over 90 days for their asylum applications to be registered, while S.G.'s application was registered after 28 days. It was also noted by the Court that receipt of the Temporary Allowance was conditional on presenting an asylum seeker's residence permit to the job centre. As a result, N.H., K.T., and A.J. were unable to prove their status for over 90 days and lived in fear of being arrested or deported.

In light of these circumstances, the Court concluded that the three applicants had been unable to justify their status for a long-period (over 90 days) and had therefore been forced into homelessness without access to sanitary facilities or other material support. As such, the French authorities had failed in their duty towards the applicants, causing them to live in inhuman and degrading conditions. The Court therefore found a violation of Article 3 ECHR in respect of applicants N.H., K.T., and A.J. It added that the fourth applicant, S.G., had received a Temporary Allowance after 63 days in total, at which point he was provided with means to meet his basic needs, and therefore did not reach the severity required to find a violation of Article 3 ECHR.

EHRM N.H. and others v France (Application No. 28820/13), 2.7.20
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-203295

Rb: vrijlating want psychische problemen (veldzicht) ondanks niet-meewerken

Beroep gegrond. De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 lid 1 onder a Vw opgelegd. ... Op basis van de specifieke psychische omstandigheden van de vreemdeling oordeelt de rechtbank dat het voortduren van de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De vreemdeling is vanwege zijn psychische toestand overgeplaatst naar Veldzicht, het Centrum voor Transculturele Psychiatrie. Door de psychische toestand is de vreemdeling niet in staat de terugkeergesprekken met DT&V te voeren en kan dus niet aan de uitzetting worden gewerkt, terwijl de vreemdeling al vijf maanden in bewaring zit. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het belang van vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld prevaleert boven het belang van de staatssecretaris om de maatregel te laten voortduren. 

Rb Rotterdam, NL20.12045, 18.6.20

Info: aantallen in detentie

Er verblijven nog zo'n 260 personen in vreemdelingendetentie, wat fors minder is dan in de periode vóór de coronacrisis. Toen schommelde het aantal rondom de vierhonderd.

Nederland heeft tussen 11 maart en 31 mei 390 mensen vrijgelaten uit vreemdelingendetentie. Hieronder bevinden zich zeventig zogeheten Dublin-claimanten, zij worden voorlopig opgevangen in asielzoekerscentra. Nog eens zestig vreemdelingen zijn met behulp van ngo’s naar het land van herkomst vertrokken. Het overige deel, 260 vreemdelingen, is op straat beland. Ze hebben vanwege hun status geen recht op opvang. 

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/opvallend-veel-vreemdelingen-vrijgelaten-uit-detentie-merendeel-belandt-op-straat~b9f395ab/, 30.6.20

Pagina's