Nieuws

Rb: geen Dublinoverdracht Italie, opvangvoorzieningen onduidelijk

Eiseres heeft onder andere een beroep gedaan op een decreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018, in werking getreden op 5 oktober 2018. In dit decreet is onder andere de toegang tot het SPRAR-opvangsysteem beperkt tot personen die internationale bescherming genieten en niet-begeleide kinderen. Asielzoekers en personen met een humanitaire beschermingsstatus zouden daardoor van opvang in een SPRAR-locatie worden uitgesloten en alleen toegang hebben tot grootschalige eerstelijns en tijdelijke opvangcentra (CAS) waar de levensomstandigheden vaak kritiek zijn.

De rechtbank is van oordeel dat dit decreet een relevant nieuw feit is. Het beperken van de toegang tot de SPRAR-opvanglocaties kan gevolgen hebben voor de andere opvangvoorzieningen (CAS), terwijl uit diverse (recente) rapporten blijkt dat die opvangvoorzieningen toch al behoorlijk onder druk stonden. Zie onder meer het rapport van Médecins Sans Frontières van 8 februari 2018, het jaarlijks rapport van USDOS over mensenhandel van 27 juni 2017, het bericht van IRIN van 15 juni 2017, het rapport van ECRE van mei 2017, het AIDA-rapport van februari 2017 en de publicatie “Veel gestelde vragen Dublin Italië” van augustus 2017 op Vluchtweb (op welke publicaties eiseres ook een beroep heeft gedaan). Verweerder mocht de aanvraag dus niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afwijzen, maar had inhoudelijk op dit punt in moeten gaan.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij nader gaat onderzoeken wat de gevolgen van dit decreet zijn voor gezinnen met minderjarige kinderen, die nu niet meer in de SPRAR-locaties terecht kunnen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dergelijk onderzoek in het geval van eiseres niet nodig is, omdat zij geen minderjarige kinderen heeft en de SPRAR-locaties alleen voor gezinnen met minderjarige kinderen waren. Uit rapporten blijkt echter dat de SPRAR-locaties niet alleen bedoeld waren voor gezinnen met minderjarige kinderen, maar ook voor andere kwetsbare asielzoekers. Dat is in dit geval relevant omdat eiseres psychische klachten heeft en verweerder in de vorige procedure heeft erkend dat eiseres een kwetsbaar persoon is. Verweerder is verder niet ingegaan op de bredere gevolgen die het beperken van de opvang in de SPRAR-locaties kan hebben voor de opvangvoorzieningen in Italië in het algemeen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat in Italië geen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 
Rb Amsterdam NL18.17753, 18.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12421
idem Rb Amsterdam NL18.17748, 18.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12420

RvS: leges mvv gezinsleven nog te hoog

De rechtbank Amsterdam heeft eerder vastgesteld dat een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid ongeveer negen maal zo duur is als een nationale identiteitskaart, terwijl het Hof in het arrest Commissie tegen Nederland heeft geoordeeld dat een legesbedrag van ongeveer zeven maal de kosten van een nationale identiteitskaart in ieder geval te hoog is.

Bij brief van 2 mei 2018 heeft de Afdeling de staatssecretaris, onder verwijzing naar deze uitspraak, onder meer gevraagd hoe de hoogte van de leges voor een mvv zich volgens hem verhoudt tot die van de leges voor een nationale identiteitskaart. Daarbij heeft de Afdeling hem verzocht in te gaan op het arrest Commissie tegen Nederland.

In haar reactie heeft de staatssecretaris volstaan met het vrijwel letterlijk herhalen van passages uit het eerdere besluit , die al bij de Afdeling bekend waren. De staatssecretaris heeft niet bestreden dat de leges voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid ongeveer negen maal zo hoog zijn als die voor een nationale identiteitskaart. Hij heeft verzuimd in te gaan op het arrest Commissie tegen Nederland.

Daarmee heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd waarom heffing van leges ter hoogte van negen maal het bedrag dat verschuldigd is voor een nationale identiteitskaart, verenigbaar is het arrest Commissie tegen Nederland. De beroepsgrond slaagt.

ABRvS, 201605302/1/V3, 8.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3249

SvJ&V: inwilligingspercentages reguliere vergunningen

2018 eerste helft

met MVV

inwilliging

zonder MVV

inwilliging

Uitwisseling

620

97%

940

94%

Studie

 4.050

 98%

1.170

98%

Arbeid tijdelijk

 150

 75%

110

87%

Arbeid regulier

 810

 79%

250

66%

Kennis & Talent

 6.240

 97%

2.510

83%

Familie & Gezin

 14.740

 71%

6.180

88%

Humanitair tijdelijk

 <5

 100%

310

72%

Humanitair niet-tijdelijk

 20

 45%

260

29%

Bijzonder verblijf

 <5

 67%

20

63%

Totaal

 26.630

 82%

11.750

86%

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/10/17/tk-bijlage-rapportage-vreemdelingenketen, 17.10.18

RvS: terecht terugvorderen toeslagen ivm intrekken vergunning met terugwerkende kracht, want in strijd met de vergunning in loondienst gewerkt

De Afdeling overweegt dat ook recht op toeslagen blijft bestaan wanneer als gevolg van de intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot een datum na de verleningsdatum, tussen twee perioden van rechtmatig verblijf een periode van onrechtmatig verblijf ontstaat. Voor de criteria heeft de Afdeling in de uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:828) op niet uitputtende wijze een aantal elementen opgesomd.

Dit geval voldoet niet aan die criteria volgens de Afdeling. De verblijfsvergunning van [appellant sub 2] met als beperking ‘arbeid als zelfstandige’ is met terugwerkende kracht ingetrokken omdat hij in strijd met die beperking arbeid in loondienst heeft verricht. Hij had derhalve redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget ten onrechte werden verleend. Hij had kunnen begrijpen dat het in strijd handelen met de aan zijn verblijfsvergunning verbonden beperking gevolgen zou kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht en zijn aanspraak op toeslagen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aldus terecht aangevoerd dat het ontbreken van een verblijfsrecht aan toekenning van tegemoetkomingen in de weg staat.

Het betoog slaagt.
RvS 201702503/1/A2¸ 5.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2908

RvS: geen huurtoeslag want inwonend gehandicapt kleinkind zonder vergunning

Met de koppelingswet wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Het koppelingsbeginsel in de Awir strekt erto te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de vreemdeling met een verblijfsrecht worden toegekend. Ter beoordeling staat of de uitsluiting van huurtoeslag in een redelijke, proportionele verhouding tot het hiervoor omschreven legitieme doel staat.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet zijn aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het onthouden van toeslagen in strijd is met artikel 14, gelezen in verbinding met artikel 8, van het EVRM. Uit de overgelegde verklaringen van de huisarts, het leefzorgplan en de verklaring van een zestal bij het gezin betrokken hulpverleners komt weliswaar naar voren dat de kleinzoon al voor 1 april 2016 jarenlang belast was met de zorg voor [appellante], maar daaruit volgt niet dat [appellante] in de periode tot 1 april 2016 al zodanig van haar kleinzoon afhankelijk was dat niet op een andere manier in haar verzorging kon worden voorzien. De omstandigheid dat de kleinzoon door Stichting Nidos bij [appellante] is geplaatst is eerst ter zitting aangevoerd en moet buiten beschouwing worden gelaten.

Het betoog faalt.
RvS 201802527/1/A2, 19.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3040

Rb: recht op opvang tijdens beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielverzoek

De staatssecretaris heeft de opvolgende aanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een novum. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een vovo.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een opvolgende asielaanvraag tot gevolg heeft dat een eerder terugkeerbesluit herleeft. Als daarbij niet wordt voorzien in schorsende werking, zou dat kunnen leiden tot uitvoering van het terugkeerbesluit en daarmee tot verwijdering van de vreemdeling. Dat verhoudt zich niet tot het bepaalde in het Gnandi-arrest. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. Zoals in het Gnandi-arrest is bepaald, heeft dit tot gevolg dat de vreemdeling de rechten moet kunnen genieten die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn totdat op het beroep is beslist.

Rb Middelburg (vovo), NL18.16543, 27.9.18

Rb: presentatie tijdens asielprocedure mag wel; kan over geprocedeerd worden

De vreemdeling is gepresenteerd bij de Ghanese diplomatieke vertegenwoordiging en heeft bezwaar gemaakt tegen nog een geplande presentatie. Deze voorgenomen presentatie is vervolgens geannuleerd omdat zijn afgewezen asielaanvraag werd ingetrokken.

De wetgever heeft gewenst dat op alle besluiten tegenover vreemdelingen, op grond van art. 72(3) Vw bezwaar kan worden gemaakt, ook tegen een handeling zoals een presentatie.

In het kader van de finale geschilbeslechting wordt vervolgens als volgt overwogen. De staatssecretaris was grond van het beleid bevoegd hem te presenteren bij de autoriteiten. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk of i.s.m. de Procedurerichtlijn is. Hij was tijdens de presentatie niet verplicht om te melden dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd en evenmin om welke reden hij dat heeft gedaan. Hij heeft uit zichzelf gemeld dat hij asiel heeft aangevraagd i.v.m. zijn homoseksuele geaardheid. Dit maakt de (voorgenomen) presentatie(s) nog niet onrechtmatig. Van belang hierbij is dat hij niet heeft te vrezen voor de autoriteiten, maar voor de bevolking. Beroep gegrond.

Rb Rotterdam, AWB 17/4944 en AWB 18/622, 31.8.18

WBV 2018/10: NLs inreisverbod kan opgelegd worden aan statushouder in ander EU-land

Juridische ontwikkelingen geven aanleiding om de Vc aan te passen: indien een derdelander in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, staat dat niet in de weg aan het opleggen van een (zwaar) inreisverbod. Deze handelwijze wordt ingegeven door de wens om bij derdelanders die in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning en waarbij er sprake is van ernstige openbare orde aspecten, te voorzien in de mogelijkheid de toegang tot Nederland voor langere tijd te ontzeggen ter bescherming van de samenleving.

Zware inreisverboden kunnen alleen nog worden opgelegd als er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Beoordeling van asielgerelateerde aspecten, waaronder artikel 3 EVRM, dient derhalve ten volle plaats te vinden in het kader van dit inreisverbod.

WBV 2018/10, 20.9.18 in staatscourant 52887, 25.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-52887.html

RvS: geen status schrijnend voor Servier die in 1993 als 2-jarige naar NL kwam

Het praktijkdocument is een vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'overige humanitaire redenen' te verlenen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op de factoren die in het praktijkdocument staan en waarop een vreemdeling zich heeft beroepen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Uit de uitspraak blijkt dat de staatssecretaris de gehele periode, inclusief de periode waarin de vreemdeling een verblijfsvergunning of rechtmatig verblijf tijdens een verblijfsprocedure had, bij zijn beoordeling heeft betrokken en heeft afgezet tegen andere factoren. Deze grieven slagen.

In het praktijkdocument staat dat het (meerdere keren) net niet hebben voldaan aan voorwaarden van bestaande of ontwikkelde beleidskaders en het dus 'net buiten de boot vallen' een omstandigheid is die de staatssecretaris in de afweging betrekt. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet in aanmerking kwam voor het Generaal Pardon, omdat zijn moeder hem als minderjarige enkele maanden naar Frankrijk heeft meegenomen voor het indienen van een asielverzoek. Daarnaast is niet in geschil dat hij vier maanden te oud was voor het Kinderpardon. Deze overschrijdingen met enkele maanden heeft de rechtbank terecht aangemerkt als het net niet hebben voldaan aan de voorwaarden van bestaande of ontwikkelde beleidskaders als bedoeld in het praktijkdocument. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de vreemdeling twee keer net buiten de boot is gevallen niet ertoe leidt dat zijn situatie schrijnend is. Maar de staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift in beroep alsnog de ontbrekende motivering gegeven. Hij heeft de overschrijdingen afgezet tegen de latere keuzes van de vreemdeling om als enige van het gezin niet mee te werken aan vertrek, terwijl hij door de herhaalde afwijzingen in verblijfsrechtelijke procedures erop was gewezen dat op hem een rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieraan meer gewicht toekomt. De grieven slagen in zoverre.

RvS 201803855/1/V1, 24.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3090

WBV 2018/10: permanente status voor slachtoffers mensenhandel bij start vervolging

Een slachtoffer mensenhandel kan voortaan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk als wordt aangetoond dat de Officier van Justitie overgaat tot vervolging in de betreffende strafzaak.

In het oude beleid werd de humanitaire vergunning pas verleend als het strafproces uiteindelijk tot een veroordeling heeft geleid. Destijds is overwogen dat een veroordeling van de dader een inherent risico met zich meebrengt op represailles. Bepleit kan echter worden dat het risico op represailles al ontstaat op het moment dat het OM overgaat tot strafrechtelijke vervolging. Daarnaast kan een dader vanwege formele redenen (denk aan vormfouten e.d.) uiteindelijk niet schuldig worden bevonden in het strafproces, terwijl het OM wel terecht tot vervolging is overgegaan. Tot slot is van belang dat het voor een slachtoffer van waarde is om al bij aanvang van de rechtszaak (dus vanaf het moment van dagvaarden; en niet pas bij een veroordeling) zekerheid te hebben omtrent de verblijfsstatus. Dit zal mogelijk een positief effect hebben op de aangiftebereidheid en de bereidheid van slachtoffers om mee te werken aan het strafproces.

Ook minderjarige slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken aan het strafrechtelijk opsporingsonderzoek kunnen een vergunning humanitair niet-tijdelijk krijgen. Hierbij is van belang dat de minderjarigheid wordt aangetoond middels documenten; het vereiste om een geldig document voor grensoverschrijding te tonen geldt onverkort bij deze aanvragen.

WBV 2018/10, 20.9.18 in staatscourant 52887, 25.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-52887.html

Pagina's