Nieuws

Rb (vovo): tijdens beroepsfase asiel mag geen presentatie bij ambassade

Uit het arrest Gnandi volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn status van asielzoeker hangende de beroepsprocedure behoudt. Verweerder heeft hangende de beroepsprocedure dan ook niet de bevoegdheid verzoeker uit te zetten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dienen uitzettingshandelingen, zoals het presenteren bij een ambassade ter voorbereiding van het vertrek, daaronder te worden begrepen. Uitzettingshandelingen zijn immers aan te merken als gevolgen van het terugkeerbesluit, die, gelet op het arrest Gnandi, dienen te worden geschorst gedurende de beroepsprocedure, tot aan de uitspraak.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het bezwaar tegen de voorgenomen presentatie van verzoeker bij de Afghaanse ambassade reeds hierom een redelijke kans van slagen heeft. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking. Dit leidt ertoe dat de verzochte voorlopige voorziening zal worden toegewezen.

Rb Haarlem AWB 18/6684, 13.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:11253

Rb: geen zicht op uitzetting Afghaanse moeder met Iraanse kinderen: detentie onrechtmatig

De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank overweegt dat indien de staatssecretaris een vreemdeling niet kan uitzetten, en de vreemdeling alleen nog maar uit vrije wil kan terugkeren naar het land van herkomst, het niet meewerken aan terugkeer door de vreemdeling de voortzetting van de maatregel niet kan rechtvaardigen. Bewaring mag worden toegepast om onvrijwillige terugkeer mogelijk te maken, niet om ‘vrijwillige’ terugkeer af te dwingen.

De rechtbank stelt verder vast dat de vreemdelingen op een gezinslocatie verblijven en als een gezin worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is gedwongen uitzetting als gezin niet mogelijk. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring vanaf de dag na de prestatie in persoon bij de Afghaanse autoriteiten onrechtmatig is geworden. Beroep gegrond.

Rb Utrecht, NL18.13045, NL18.13046, NL18.13047, 25.7.18

Rb vovo : beschermd wonen mogelijk niet toegankelijk in Algerije

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker voldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd voor het bestaan van twijfel aan de juistheid en volledigheid van de BMA-adviezen. Daarvoor vindt de voorzieningenrechter van belang dat met de enkele stelling dat (al dan niet gedwongen) psychiatrische opname in Algerije mogelijk is en daarom behandeling aanwezig moet worden geacht, onvoldoende rekenschap is gegeven van de door verzoeker ingediende medische stukken. Uit die stukken blijkt namelijk dat beschermd wonen voor verzoeker noodzakelijk is en dat het uitblijven hiervan op korte termijn zal leiden tot een medische noodsituatie.

Het beschermd wonen is geïndiceerd om ondanks de symptomen toch nog op een yoor verzoeker zinvolle en humane manier invulling te geven aan zijn leven. Het ontbreken van intensieve ambulante behandeling zal voor verzoeker leiden tot een forse toename van zijn symptomen, langdurige hospitalisatie en hiermee samenhangend een forse achteruitgang in zijn (psychisch) functioneren. Langdurige opname in een psychiatrisch ziekenhuis zal tot een verergering van de symptomen leiden en tot een verdere daling van de kwaliteit van zijn leven. Verzoeker heeft de rest van zijn leven intensieve ambulante behandeling en begeleiding nodig om een chronisch opname in een psychiatrische ziekenhuis en hiermee ook een inhumane leefsituatie Gelet op het voorgaande kan met de verwijzing naar de BMA-adviezen op dit moment niet worden geconcludeerd dat de voor verzoeker noodzakelijke medische behandeling in Algerije aanwezig is en dat deze behandeling voldoende is om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. Er is onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat de voor verzoeker noodzakelijke behandeling bestaat uit intensieve begeleiding in het kader van begeleid wonen, terwijl een (langdurige, gedwongen) opname juist is gecontra-indiceerd. Ook is onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat de psychiaters concluderen dat het uitblijven van begeleid wonen op korte termijn een medische noodsituatie oplevert en dat begeleid wonen een inhumane leefsitiiatie voorkomt. Verweerder zal het BMA dan ook moeten opdragen om zich nader uit te laten over de door verzoeker ingebrachte stukken, met name op de hiervoor aangehaalde conclusies van de psychiaters.

Verder is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verweerder nog onvoldoende ingegaan op de stelling van verzoeker dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem niet toegankelijk is. Verzoeker verblijft al ruim 20 jaar in Nederland en heeft meerdere verblijfsrechtelijke procedures doorlopen. In geen van de procedures is aan verzoekers identiteit en nationaliteit getwijfeld. Het dossier van verzoeker bevat een kopie van een verlopen Algerijns paspoort (ten behoeve van zijn asielaanvraag in 1997). Nu verweerder nooit aan de identiteit en nationaliteit van verzoeker heeft getwijfeld en het door verweerder overgelegde dossier een kopie van een Algerijns paspoort bevat, ziet de voorzieningenrechter niet in dat verweerder op dit moment niet kan beoordelen of de medische behandeling in het land van herkomst niet toegankelijk is. Verweerder kan op deze grond de aanvraag van verzoeker dan ook niet afwijzen. Dit betekent dan ook dat verweerder, voor zover daarvoor bij het te nemen besluit op verzoekers bezwaar na het inwinnen van nadere informatie bij het BMA aanleiding is, een oordeel moet geven over de stelling van verzoeker dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk is.

Rb Utrecht AWB 18/2329, 20.8.18

Rb: geen geld voor opname in verzorgingshuis in VS, 40jr in NL zonder inkomen

De vreemdeling verblijft in een verzorgingshuis. Niet in geschil is dat een medische noodsituatie op korte termijn zal optreden als de verzorging zoals de vreemdeling die nu krijgt, uitblijft. De vraag is of deze verzorging in Amerika voor hem toegankelijk is.

De rechtbank stelt voorop dat de bescherming van art. 3 EVRM een hoge drempel kent en dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat er hij een reëel risico loopt op schendig daarvan. Uit het arrest Paposhvili volgt dat de bescherming van art. 3 EVRM zich ook uitstrekt tot personen die worden blootgesteld aan een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in hun gezondheid, waardoor hun levensverwachting significant afneemt. De Afdeling heeft in september 2017  overwogen dat de algemene bewijslast op de vreemdeling rust en de onderzoeksplicht m.b.t. feitelijke toegankelijkheid op de autoriteiten rust. Als de vreemdeling aan de algemene bewijslast heeft voldaan, is het aan de autoriteiten ´to dispel any doubts´.

Uit de aangehaalde informatie lijkt te volgen dat de kosten voor opname niet worden vergoed. Het standpunt dat dat de vreemdeling geen contact heeft opgenomen om te verifiëren of hij in aanmerking komt voor financiële steun, volgt de rechtbank niet. De vreemdeling wordt immers wilsonbekwaam geacht waar het complexe zaken (zoals dit) betreft. Verder verblijft hij al bijna 40 jaar in Nederland en heeft hij langdurig geen werk, noch enig vermogen, en heeft hij nagenoeg geen contact met zijn familie. Dit zijn substantiële gronden om aan te nemen dat zich een reëel risico in de zin van art. 3 EVRM zal voordoen bij uitzetting. Hoewel geen sprake is van clear proof heeft hij het risico wel voldoende aannemelijk gemaakt. Het ligt daarom op de weg van de staatssecretaris om de twijfel weg te nemen.

De staatssecretaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan en daardoor twijfels laten bestaan omtrent de gevolgen van een uitzetting van eiser. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.

Rb Amsterdam, AWB 18/2880 (beroep) AWB 18/2881 (voorlopige voorziening), 3.9.18

Rb: medische behandeling suikerziekte in Ghana beschikbaar

Niet in geschil is dat eiseres lijdt aan suikerziekte en dat uitblijven van behandeling hiervan kan leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Eiseres gebruikt in Nederland het medicijn ‘insuline glargine (Lantus)’ en de vraag is of dit medicijn voor eiseres beschikbaar en toegankelijk is in het (Diabetes center van het) [ziekenhuis] . Eiseres stelt dat dit onduidelijk is omdat het Diabetes center van het [ziekenhuis] een ‘private facility’ betreft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met verwijzing naar het BMA-advies van 18 oktober 2017 terecht op het standpunt gesteld dat het medicijn ‘insuline glargine (Lantus)’ aanwezig is in het [ziekenhuis] . Dat dit medicijn en de noodzakelijke medische behandeling ook voor eiseres toegankelijk is, heeft verweerder terecht afgeleid uit uit het BMA-advies, waarin het [ziekenhuis] consequent als ‘public facility’ wordt aangemerkt. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit BMA-advies naar voren gebracht. Zij heeft geen contra-expertise overgelegd en uit de onbeantwoorde e-mails van eiseres aan het [ziekenhuis] volgt niet dat eiseres in haar land van herkomst geen toegang kan krijgen tot de voor haar noodzakelijke behandeling. Evenmin is gebleken dat eiseres niet in staat zal zijn om haar behandeling te bekostigen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het in het kader van het arrest Paposhvili allereerst aan eiseres is om aan te tonen dat behandeling voor haar niet toegankelijk zou zijn.

Rb Middelburg 16 / 29639, 13.3.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:10705

Rb: PTSS behandeling in Kameroen niet toegankelijk want geen geld en gedetineerd bij aankomst

Hoewel psychische behandeling in Kameroen aanwezig is, oordeelt de voorzieningenrechter dat deze niet toegankelijk is gezien de financiële situatie van de patiënt: hij kan niet eens het griffierecht betalen voor de beroepszaak!

Bovendien blijkt het het rapport van LOS (Post Deportation Risks) dat hij bij aankomst eerst een week in detentie zal moeten doorbrengen, waardoor de vereiste directe overdracht aan een psychiater niet mogelijk is. Beroep gegrond.

Rb den Bosch 18.3221, 24.8.18

RvS: verblijfsrecht als EU-burger blijft behouden zolang werkzoekend

De vreemdelingen klagen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet hebben aangetoond dat vreemdeling 1 in de periode van 1 december 2014 tot 2 mei 2016 kon worden aangemerkt als werkzoekende.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een werkzoekende iedereen is die aantoont dat hij werk zoekt en een reële kans heeft het te vinden. In een dergelijk geval behoudt hij rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan.

De rechtbank heeft een te strenge maatstraf gehanteerd in haar overweging dat vreemdeling 1 in de periode van 1 december 2014 tot 2 mei 2016 niet kon worden aangemerkt als werkzoekende, omdat volgens haar niet is gebleken dat hij naar aanleiding van zijn sollicitaties daadwerkelijk zicht had op reële en daadwerkelijke arbeid. De vreemdelingen moeten immers slechts aantonen dat vreemdeling 1 in voornoemde periode werk zocht en een reële kans op werk had. De vreemdelingen hebben daartoe aangetoond dat vreemdeling 1 stond ingeschreven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Ook hebben heeft hij meerdere malen gesolliciteerd en bij drie werkgevers daadwerkelijk werkzaamheden voor korte duur verricht. Bovendien is hij vanaf 2 mei 2016 weer aan het werk.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat vreemdeling 1 vanaf 1 december 2014 niet kon worden aangemerkt als werkzoekende. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

RvS 201704899/1/V3, 10.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2945

Rb: verblijf dochter bij oudere hulpbehoevende vader – sinds 2000 mantelzorg

Eiseres is een meerderjarige vrouw afkomstig uit Marokko en vraagt om verblijf bij haar hulpbehoevende vader (referent). De vader verblijft sinds 1970 in Nederland. Hij heeft psychische problemen en heeft van 1988 tot 1999 in een Tbs-kliniek verbleven. Eiseres is in 1999 met een toeristenvisum naar België gereisd en verblijft sinds 2000 zonder verblijfsvergunning in Nederland. Van 2000 tot 2012 woonde eiseres bij referent en verzorgde zij hem. In 2012 is referent gedwongen opgenomen en sindsdien verblijft hij op grond van een rechterlijke machtiging in een ggz-kliniek van Pro Persona. Eiseres bezoekt hem eens per week. Referent heeft 24-uurs zorg nodig, middels verblijf in een instelling of mantelzorg. Voor verblijf in een instelling bestaan lange wachtlijsten en bovendien heeft referent aangegeven dat hij niet in een instelling wil wonen. Eiseres kan de benodigde mantelzorg geven. Inmiddels is een urgentieprocedure gestart om geschikte woonruimte te vinden. Eiseres stelt dat hierdoor sprake is van een bijzondere afhankelijkheidssituatie tussen hen beiden, waardoor zij op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en vrijstelling van het vereiste om in het bezet te zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste).....

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’). Dat eiseres en referent elkaar in de periode vóór 2000 tweeëntwintig jaar niet hebben gezien maakt niet dat een dergelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent op dit moment niet zou kunnen bestaan. De omstandigheid dat eiseres en referent het gezinsleven zijn aangegaan, dan wel hebben geïntensiveerd, zonder dat eiseres rechtmatig verblijf had, is niet relevant voor de vraag of sprake is van beschermingswaardig gezinsleven, maar speelt slechts een rol in de belangenafweging. Tot slot stelt verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet is gebleken van intensieve mantelzorg waarvoor referent expliciet op eiseres is aangewezen. Verweerder heeft miskend dat er blijkens informatie van de behandelaar sprake moet zijn van een vertrouwensband tussen referent en de mantelzorger, waardoor de benodigde zorg niet zonder meer door een derde kan worden gegeven.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem AWB 18/2036, 28.8.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:11112

RvS: voor verblijfsvergunning kind bij vader moet daadwerkelijke band bestaan

In de Vreemdelingencirculaire staat: 'De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn […] biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren) […] mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven'. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366, volgt dat enkel biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, en dus ook artikel 7 van het EU Handvest, tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen.

In dit geval heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat geen beschermenswaardig gezinsleven bestaat, omdat de vader onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn relatie met het kind. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de vader zijn kind enkel in 2003 in Guinee heeft bezocht en haar toen één keer heeft gezien. Verder zijn er geen objectieve bewijzen dat de vader via telefoon of Viber contact met haar onderhoudt. De drie vliegtickets en twee kopieën van visa van vrienden van de vader bewijzen niet dat de vader aan hen geld en kleding voor haar levensonderhoud heeft meegegeven. De staatssecretaris heeft terecht geoordeeld dat er geen bewijs is dat de vader vóór oktober 2016 heeft bijgedragen aan haar levensonderhoud. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestaan van gezinsleven niet kan worden afgeleid uit de overgelegde foto's, waar uitsluitend het kind op is afgebeeld.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201804853/1/V1, 10.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2940

EHRM: vragen over veiligheid Libie

The application concerns the removal to Libya of a family (parents and their two minor children) of rejected asylum seekers. Their asylum statement was disbelieved by the Netherlands authorities. Moreover, the domestic authorities considered that the general security situation in Libya, particularly in Tripoli, was currently not so bad that for that reason alone the applicants cannot return to Libya.

Complaining that their removal to Libya would expose them to a real risk of being subjected to treatment prohibited by Article 3 of the Convention, the applicants filed an application with the Court. The Court asks the Netherlands Authorities:

Can the applicants be regarded, in the light of the currently available information about the general security situation in Libya and about their personal circumstances, as being at real risk of ill‑treatment or death if expelled to Libya ?

EHRM no. 28190/18, A.A. and Others against the Netherlands, 31.8.18
http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-186392

Pagina's