Nieuws

COA: corona-coulance beëindigd

Voor uitgeprocedeerde volwassen asielzoekers die geen recht op opvang meer hebben, gold tijdelijk een 'corona coulance'. Dit betekende dat we de opvang vanwege het coronavirus niet beëindigden. Het COA heeft de 'corona coulance' inmiddels opgeheven.

https://www.coa.nl/nl/coronamaatregelen-van-het-coa, 15.6.20

Rb: erkenning kind door NLse vader tijdens bigaam huwelijk niet rechtsgeldig

De minister heeft de paspoortaanvraag afgewezen, omdat minderjarige niet staande een rechtsgeldig huwelijk is geboren en daarom niet het Nederlanderschap aan vader kan ontlenen. Aan vader (eiser) is per 20 januari 1999 het Nederlanderschap verleend. Op 1 januari 2000 is eiser in Irak gehuwd met de Iraakse moeder van minderjarige. Minderjarige is in 2006 geboren. Op 19 oktober 2018 is ten behoeve van minderjarige een Nederlands paspoort aangevraagd. Eisers eerdere huwelijk met [A] is op 29 april 2019 door echtscheiding ontbonden.

De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:942, 19.5.17) heeft overwogen dat, indien een kind is geboren uit een huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, het kind niet van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt. Pas na het beëindigen van de bigame situatie kan een erkenning van een kind plaatsvinden op grond waarvan het Nederlanderschap kan worden verkregen.

Er bestaat nog een mogelijkheid om het Nederlanderschap te verkrijgen. Omdat vreemdeling ouder is dan zeven jaar geldt hiervoor dat de biologische band moet worden aangetoond met een DNA-test. Beroep ongegrond.

Rb Den Haag SGR 19/4143, 19.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5013

Rb: recht op bijstand ook na later ingetrokken negatieve bezwaarbeslissing

Eiseres betwist dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de IND laten weten dat het besluit van 26 september 2018 is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaarschrift zal worden beslist. Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft de IND het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 3 december 2018 rechtmatig in Nederland verblijft. Eiseres stelt dat zij door de intrekking van het besluit van 26 september 2018 weer in de bezwaarfase is beland, waardoor haar recht op een bijstandsuitkering is herleefd.....

Lopende de bezwaarprocedure had eiseres op basis van een procedureel verblijf recht op een bijstandsuitkering. Dit recht op procedureel verblijf is door de beslissing op bezwaar van 26 september 2018 beëindigd. De beslissing op bezwaar van 26 september 2018 is echter op 9 augustus 2018 ingetrokken. Met de intrekking van het besluit van 26 september 2018 is de procedure weer terug gekomen in de bezwaarfase. De bezwaarfase is doorgelopen tot 28 augustus 2019, de datum waarop de IND alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist. Eiseres had aldus in de periode van 26 september 2018 tot en met 4 oktober 2018 procedureel rechtmatig verblijf. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het ontbreken van een geldige verblijfstitel aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Het beroep van eiseres slaagt.
Rb den Haag SGR19/1586, 20.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4566

SvJ&V: bezetting detentie

Uw Kamer heeft mij gevraagd informatie te verstrekken over het aantal personen in vreemdelingendetentie. In reactie hierop meld ik u dat op peildatum 29 februari circa 440 personen in vreemdelingenbewaring zaten. Op peildatum 25 mei waren dat circa 270 personen: dit betreft circa 260 mannen en circa 10 vrouwen. Op peildatum 25 mei bevonden er zich geen gezinnen met kinderen en amv’s in bewaring.

kamerstuk 19637 nr. 2633, 9.6.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2633.html

Rb: terecht geen kinderpardon want geboren na asielprocedure ouders

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat, omdat eiser is geboren na afronding van het hoger beroep tegen de afwijzing van de eerste en enige asielaanvraag van eiseres, hij niet voldoet aan voorwaarde b zoals gesteld in de Afsluitingsregeling of de daarop geldende uitzondering.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid betreft tot het voeren waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van de criteria van dat beleid heeft verweerder een grote mate van beleidsruimte. Daarbij komt dat het hier niet een van de gestelde voorwaarden betreft, maar een uitzondering op een van de voorwaarden.

Rb Utrecht AWB 19/7952 en AWB 19/3725, 29.5.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5056

Rb (MK): individuele omstandigheden meewegen als moeder NLs kind geen ID heeft

De rb leidt uit de arresten Chavez, Oulane en MRAX het volgende af. In gevallen waarin een derdelander ouder vanwege zijn banden met zijn kind, dat Unieburger is, onder de reikwijdte van art. 20 VWEU valt, mag aan die derdelander in beginsel de eis worden gesteld zijn identiteit te bewijzen. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen echter meebrengen dat het onverkort vasthouden aan die eis in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het is aan de desbetreffende vreemdeling om het bestaan van dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.

Het dossier bevat een duidelijke aanwijzing dat eiseres een derdelander is, zoals een taalanalyse uit een eerdere asielprocedure, en geen enkele aanwijzing dat ze onderdaan is van een lidstaat of er verblijfsrecht heeft. Bovendien heeft verweerder eiseres zelf als derdelander aangemerkt door haar een terugkeerbesluit op te leggen en haar te houden aan de verplichting om onmiddellijk het grondgebied van de Unie te verlaten. Daarbij heeft ze een door de Soedanese autoriteiten afgegeven huwelijksakte overgelegd waarvan verweerder de echtheid niet heeft weersproken. Ook staat vast dat eiseres en haar ex-echtgenoot de biologische en juridische ouders van hun drie kinderen zijn. Voorts is niet in geschil dat eiseres met haar opgegeven identiteit in de BRP staat geregistreerd. Er is dan ook sprake van bijzondere individuele omstandigheden.

Beroep gegrond.
Rb 's-Hertogenbosch (mk), AWB 18/9913, 12.6.20

RvS: werkloosheids- en ziektegelduitkeringen tellen mee bij inkomen voor gezinshereniging

De vreemdeling betoogt terecht dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de invulling van artikel 3.24b van het VV 2000, dat werkloosheids- en ziektewetuitkeringen niet worden meegenomen, in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn vereist dat referent beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en de gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat het doel van het middelenvereiste uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, is dat de betrokken lidstaat zich ervan kan verzekeren dat referent en zijn gezinsleden tijdens hun verblijf niet ten laste van de sociale bijstand dreigen te komen (zie de arresten Chakroun, punt 46, en Khachab, punt 39). Het begrip sociale bijstand gaat over bijstand van overheidswege, ongeacht of het om het nationale, regionale of lokale niveau gaat, waarop een beroep wordt gedaan door een persoon die niet beschikt over inkomsten die volstaan om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien (zie het arrest Chakroun, punt 46). Zoals de Afdeling eerder in het kader van de duurzaamheid van de middelen heeft overwogen, valt een werkloosheidsuitkering hier niet onder (zie de uitspraak van 2 oktober 2017). Deze uitkering wordt niet van overheidswege verstrekt. Om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering moet een betrokkene namelijk in zijn hoedanigheid van werknemer premies hebben afgedragen. Van een beroep op het stelsel voor sociale bijstand is dan ook geen sprake (vgl. de arresten van het Hof van 25 februari 1999, Ferreiro Alvite, punt 26, ECLI:EU:C:1999:90, en 25 februari 2016, García-Nieto, punt 53, ECLI:EU:C:2016:114). Hetzelfde geldt voor een ziektewetuitkering. Daar moeten ook premies voor worden afgedragen.

Hieruit volgt dat de omstandigheid dat referent werkloosheids- en ziektewetuitkeringen heeft ontvangen, onvoldoende is om te oordelen dat zij niet aan het middelenvereiste voldoet. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet artikel 3.24b van het VV 2000 zo worden uitgelegd dat werkloosheids- en ziektewetuitkeringen als inkomsten verkregen uit arbeid in loondienst moeten worden beschouwd.   De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.

RvS 201904319/1/V3, 3.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1306

Rb: voor gehuwde stellen is geen relatieverklaring verplicht, tenzij schijnhuwelijk

De rechtbank constateert dat verweerder de geldigheid van het huwelijk niet betwist en zich niet op het standpunt stelt dat sprake is van een schijnhuwelijk. Immers vermelden het bestreden besluit en het verweerschrift slechts dat een schijnhuwelijk “niet kan worden uitgesloten”. Ook heeft verweerder de indicaties (namelijk het leeftijdsverschil en het tijdstip van het afleggen van het inburgeringexamen) voor het stellen van de vragen niet uitdrukkelijk en kenbaar ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich onder die omstandigheden niet op het standpunt stellen dat niet aan de voorwaarde van artikel 3.14, onder a, van het Vb is voldaan.

Beroep gegrond.
Rb Haarlem AWB 19/8866, 19.6.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5482

Staatscourant: Armenie veilig land van herkomst

Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

De beoordeling van Armenië heeft tot de conclusie geleid dat Armenië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, met uitzondering van LHBTI’s en personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst.

staatscourant 31608, 17.6.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-31608.html

Rb: risico Nangarhar - Afghanistan

De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Nangarhar is verslechterd ten opzichte van de situatie tijdens de eerdere asielprocedure.

De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit enkel gewezen op het WBV 2020/9 van 21 april 2020 en gesteld dat daaruit niet blijkt dat de staatssecretaris op basis van de huidige situatie tot een ander oordeel dan de Afdelingsuitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4200) heeft moeten komen. De vreemdeling stelt terecht dat de staatssecretaris ten onrechte daarbij niet is ingegaan op de door hem overgelegde bronnen. De toelichting bij WBV 2020/9 bevat geen motivering dat thans geen sprake is van een 15c-situatie en er blijkt niet uit welke bronnen daarbij zijn betrokken. De staatssecretaris heeft dan ook niet kunnen volstaan met een verwijzing naar dit WBV. Nu de staatssecretaris niet concreet is ingegaan op de door de vreemdeling in de zienswijze aangehaalde informatie over het aantal geweldsincidenten en burgerslachtoffers, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden aangenomen dat thans – anders dan ten tijde van de Afdelingsuitspraak – in Nangarhar wel sprake is van een 15c-situatie. Dit klemt te meer, nu de Afdeling in deze uitspraak heeft geoordeeld dat in Nangarhar sprake is van een zorgelijke situatie.

Rb Rotterdam, NL20.9565, 5.6.20

Pagina's