Nieuws

Rb: vovo toegewezen over uitstel Dublinoverdracht Frankrijk

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen niet in behandelingen genomen, omdat Frankrijk hiervoor verantwoordelijk zou zijn. De vreemdeling stelt echter dat dat zij en haar minderjarige kinderen bij overdracht naar Frankrijk het gevaar lopen op onmenselijke of vernederende behandeling, zoals blijkt uit een recente EHRM uitspraak.

In die uitspraak oordeelde het EHRM dat de Franse autoriteiten hun taken niet hebben vervuld. Zij zijn verantwoordelijk bevonden voor de omstandigheden waarin de vreemdelingen in die zaak enkele maanden hebben geleefd. Zij hadden geen opvangplek en dus geen vaste slaapplaats. Zij hadden geen toegang tot sanitaire voorzieningen, zij hadden geen bestaansmiddelen ter beschikking en zij moeten voortdurend bang zij om te worden aangevallen of beroofd. Het EHRM oordeelde dat in die omstandigheden sprake was van een vernederende behandeling. Deze omstandigheden, in combinatie met het ontbreken van een passend antwoord van de Franse autoriteiten en het feit dat de nationale rechter geen hulp bood, leverden een schending van art. 3 EVRM op.

De vreemdeling heeft in haar aanmeldgehoor verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Frankrijk de eerste drieënhalve maanden op straat heeft geleefd met haar minderjarige kinderen en dat zij in die tijd dagelijks de Franse autoriteiten belde voor een opvangplaats, maar dat zij die opvang pas kreeg toen zij aangaf mentaal gebroken te zijn. Zij vreest bij overdracht aan Frankrijk in dezelfde situatie te belanden. De staatssecretaris heeft zich nog niet kunnen uitlaten over de gevolgen van de uitspraak van het EHRM voor deze zaak. De rechtbank zal het onderzoek in de hoofdzaak heropenen en de staatssecretaris in de gelegenheid stellen een standpunt te bepalen.

Gelet hierop, zal de voorzieningenrechter de verzochte voorlopige voorziening toewijzen en het bestreden besluit schorsen. Dit betekent dat de vreemdeling en haar kinderen niet kunnen worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

Rb Roermond, NL20.10608, 20.7.20

Rb: anonieme melding over vertrek uit NL onvoldoende reden intrekken vergunning

Vooropgesteld wordt dat een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning een belastend karakter heeft. Om die reden ligt de bewijslast van de feitelijke grondslag daarvoor bij verweerder.

Verweerder heeft twee bewijsmiddelen aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, namelijk de anonieme melding en het feit dat eiseres niet inhoudelijk heeft gereageerd op het voornemen. Niet in geschil is dat genoemde anonieme melding is gedaan. Zoals eiseres terecht aanvoert, is de anonieme melding slechts een stelling van een (voor haar) onbekend persoon. Er is gesteld noch gebleken dat de melding op enigerlei wijze is onderbouwd of afkomstig is uit een betrouwbare bron. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de melding daarom een indicatie dat eiseres haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst en mocht dit voor verweerder ook reden vormen voor het starten van een onderzoek. Een dergelijke subjectieve aanwijzing alleen biedt echter onvoldoende feitelijke grondslag voor intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres. Daarbij is van belang dat eiseres volgens de BRP ten tijde van het nemen van het besluit nog steeds in Nederland woonachtig was. Deze registratie vormt een concrete en objectieve aanwijzing dat de melding niet juist is.

De rechtbank is van oordeel dat het uitblijven van een zienswijze en het niet-overleggen van stukken waaruit blijkt dat eiseres haar hoofdverblijf nog heeft in Nederland, als zodanig geen bewijs vormt dat eiseres haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Ook is dit, gelet op de BRP-registratie onvoldoende om het vermoeden van verweerder te bevestigen. Anders dan verweerder stelt, is het niet aan eiseres om de twijfel aan haar hoofdverblijf in Nederland weg te nemen door stukken te overleggen. Deze last om het tegendeel te bewijzen komt pas op eiseres te rusten zodra verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan. Dat eiseres in bezwaar heeft aangeboden om stukken over te leggen (maar dat niet heeft gedaan), maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voldaan en is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Arnhem AWB 20/2569, 29.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7149

WBV 2020/13: voor kinderen met kinderbeschermingsmaatregel

Met deze wijzigingen wordt beoogd dat de minderjarige vreemdeling met bescheiden aantoont welke hulpverlening nodig is. Het betreft een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming of een rapport van de gecertificeerde instelling die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert als dat van een recentere datum is dan het rapport van de RvdK. Als de bewijsstukken niet worden overgelegd dan wijst de IND de aanvraag af.

Als voorwaarde voor een verblijfsvergunning is nu ook opgenomen dat de verblijfplaats van de minderjarige vreemdeling tijdens de kinderbeschermingsmaatregel steeds bekend is geweest bij de DT&V. Dit was reeds een impliciete voorwaarde in het beleid.

Inwerkingtreding: 1 juli 2020.
WBV 2020/13, 19.6.20 in staatscourant 33493, 24.6.20
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-33493.html

Rb: zieke oudere Irakese vrouw mag niet op straat gezet worden in afwachting van uitzetting

Verzoekster is geboren in 1961 en heeft de Iraakse nationaliteit. Uit het BMA advies blijkt dat verzoekster kampt met PTSS en andere psychische stoornissen. Verzoekster is niet zelfredzaam en individuele begeleiding is essentieel. Verzoekster staat onder behandeling. Bij uitblijven van behandeling wordt een medische noodsituatie op korte termijn verwacht. Hierbij gaat het met name om het wegvallen van een zorgnetwerk, waarbij sprake zal zijn van zelfverwaarlozing.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op dit moment nog geen uitzetting voor verzoekster gepland staat, zolang niet aan de reisvoorwaarden kan worden voldaan. Uit de overgelegde brief van het COA blijkt echter dat het voornemen bestaat om de opvangvoorzieningen van verzoekster op 26 juni 2020 te beëindigen. Volgens staatssecretaris is niet aangetoond dat een acute medische noodsituatie zal ontstaan bij het beëindigen van de Rva-verstrekkingen. Daarnaast kan verzoekster ook buiten de opvang aanspraak maken op voortgaande medisch noodzakelijke zorg. Verzoekster voert aan dat beëindiging van de opvang en alle daarbij behorende (medische) voorzieningen zou betekenen dat zij op straat zal komen te staan met al haar medische problematiek.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Staatssecretaris heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat verzoekster geen recht heeft op voortzetting van haar verstrekkingen omdat haar rechtmatig verblijf is geëindigd, zodat eveneens het recht op opvang eindigt. Gezien haar medische situatie is niet te verwachten dat verzoekster op zeer korte termijn vrijwillig en zelfstandig kan terugkeren naar Irak. Uitzetting is op dit moment niet aan de orde. In de tussentijd heeft zij wel opvang en medische zorg nodig. Voor zover staatssecretaris erop wijst dat verzoekster ook buiten de opvang op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, Vw 2000 aanspraak kan maken op voortgaande medisch noodzakelijke zorg, staat daarmee allerminst vast dat in dit kader ook voorzien kan worden in het in de BMA-adviezen bedoelde zorgnetwerk, dat het ontstaan van grote problemen en zelfverwaarlozing moet voorkomen. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen, in die zin dat het staatssecretaris wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Daarmee heeft zij rechtmatig verblijf. Voorts bepaalt de voorzieningenrechter dat staatssecretaris verzoekster behandelt alsof zij zich thans feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 Vw 2000, zodat zij recht heeft op voortzetting van de opvang op grond van de Rva.

Rb Roermond, AWB 20/3634, 25.6.20

SvJ&V: terugkeercijfers in coronatijd

In de periode van 11 maart 2020 - de datum waarop is Corona officieel door de WHO tot pandemie is verklaard - tot en met 30 juni 2020 zijn circa 480 vreemdelingen aantoonbaar uit de caseload van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) vertrokken, waarvan circa 150 gedwongen. Dat betreft wel veel lagere aantallen dan gebruikelijk. Het uitzetten van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen is immers mede afhankelijk van het openstellen van grenzen en het hervatten van het vliegverkeer. Hoewel er inmiddels sprake is van een beperkte verbetering, blijft dit zeer afhankelijk van de wijze waarop het virus zich ontwikkelt.

Nederland is vanaf 1 juli jl. weer gestart met het uitvoeren van Dublinoverdrachten. De hervatting is mogelijk omdat de reisbeperkingen die zijn opgelegd na de uitbraak van het coronavirus langzaam worden ingetrokken en in veel Europese lidstaten de asielprocedure weer is opgestart.

Van 1 tot en met 13 juli hebben 23 Dublinoverdrachten plaatsgevonden. Voor de maand juli staan er nog 60 overdrachten gepland..... Op peildatum 07-07-2020 bevonden zich circa 2.330 Dublinclaimanten in de caseload van de DT&V.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2020/07/17/tk-bijlage-vso-informele-jbz-raad-op-6-7-juli-2020/tk-bijlage-vso-informele-jbz-raad-op-6-7-juli-2020.pdf, 17.7.20
https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Actueel/Nieuws2020/dublinoverdrachten-sinds-1-juli-geleidelijk-hervat.aspx, 13.7.20

RvS: medicijnen wel beschikbaar in Nigeria, niet-geregistreerd is geen probleem

Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) volgt dat de voor de vreemdeling noodzakelijke medicijnen Descovy en Dolutegravir beschikbaar zijn in Nigeria. In reactie op dat advies heeft de vreemdeling een e-mail overgelegd van professor Akanmu, voorzitter van het National Task Team on Antiretroviral therapy en Hematoloog bij de Lagos University Teaching Hospital, waaruit volgens de vreemdeling blijkt dat het combinatiemedicijn Descovy niet geregistreerd is en dat het medicijn Dolutegravir niet is opgenomen in het overheidsprogramma. In reactie hierop heeft het BMA aanvullende nota's uitgebracht, waarin het eerdere oordeel dat de noodzakelijke medicatie beschikbaar is in Nigeria is bevestigd.

Volgens de zonder voorbehoud gegeven conclusie in het BMA-advies en de aanvullende nota's, gebaseerd op informatie van de vertrouwensarts, zijn de voor de vreemdeling noodzakelijke medicijnen Descovy en Dolutegravir beschikbaar in Nigeria. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht dat hij in principe van de juistheid van deze informatie mag uitgaan (uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4109). De vreemdeling heeft met de e-mail van professor Akanmu niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie niet klopt. In dat verband heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat uit die e-mail weliswaar volgt dat de noodzakelijke medicatie in Nigeria niet is geregistreerd, maar dat dit niet betekent dat de medicatie niet beschikbaar is (uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2739). Verder is van belang dat professor Akanmu zich voornamelijk heeft gebaseerd op wat algemeen bekend is over registraties en overheidsprogramma's en niet over de daadwerkelijke beschikbaarheid van medicatie in medisch-technische zin, terwijl dat de vraag is die beantwoord moet worden.

Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen nader onderzoek te doen naar de beschikbaarheid van de medicatie in Nigeria.

De grief slaagt. Het hoger beroep is gegrond.
RvS 201909170/1/V3, 1.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:1500

Rb: onderzoek nodig naar opvang minderjarigen in Afghanistan

De vreemdelingen (13 en 16 jaar oud) leggen aan hun asielaanvraag ten grondslag dat zij problemen hebben met de Taliban. ... Nu de staatssecretaris de problemen terecht ongeloofwaardig heeft bevonden gaat de rechtbank verder niet in op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

De staatssecretaris erkent dat de vreemdelingen alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn, nu hij aannemelijk acht dat het gezin gezamenlijk is vertrokken en in Turkije uit elkaar is gegaan. Conform het buitenschuldbeleid heeft de staatssecretaris ten aanzien van een niet-begeleide minderjarige die ten tijde van de aanvraag jonger dan vijftien jaar is een onderzoeks- en vergewisplicht ten aanzien van de beoordeling of adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is. Niet is gebleken dat de staatssecretaris hieraan heeft voldaan, terwijl vreemdeling 1 ten tijde van de asielaanvraag 13 jaar oud was. Hoewel vreemdeling 2 16 jaar oud was, valt niet uit te sluiten dat in zijn concrete geval aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Zo kan namelijk worden voorkomen dat de vreemdelingen van elkaar worden gescheiden. De staatssecretaris is hier ten onrechte in zijn geheel niet op ingegaan.

Rb Arnhem, NL20.4835 en NL20.4836, 2.7.20

Rb: weigering vergunning vanwege ernstig misdrijf onvoldoende gemotiveerd (verschil a/ b-grond)

Eiser kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling maar komt niet in aanmerking voor een asielvergunning vanwege openbare orde aspecten; volgens verweerder is eiser veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en vormt hij een gevaar voor de gemeenschap.

De rechtbank wijst op C2/7.10.1 van de Vc, arrest Ahmed van het Hof van Justitie (13 september 2018, C-369/17), de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:226) en de eerdere uitspraak van deze rechtbank in eisers zaak (ECLI:NL:RBDHA:2019:3086) en overweegt dat verweerder onvoldoende overeenkomstig heeft getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de door eiser gepleegde feitelijke handelingen, de aard en de mate van geweld van een zodanige ernst en omvang zijn dat het onthouding van een asielvergunning rechtvaardigt. Daarnaast heeft verweerder t.a.v. het criterium ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’ ten onrechte niet aan het Unierechtelijk openbare orde begrip getoetst. De rechtbank ziet niet in dat bij de intrekking van een asielvergunning wel aan dit Unierechtelijk openbare orde begrip wordt getoetst en bij de weigering van een asielvergunning niet, terwijl de toets in artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c en 3.105d van het Vb in beide gevallen hetzelfde is.

Rb Rotterdam NL20.12417, 13.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6331

Rb: geen Dublinoverdracht want detentieomstandigheden terugkeerders Malta onmenselijk

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met betrekking tot de opvang en detentieomstandigheden niet gesproken kan worden van structurele systematische tekortkomingen. Dit klemt te meer nu uit de aangehaalde bronnen volgt dat de omschreven situatie al jaren duurt en alleen maar verslechtert. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat niet zou blijken dat ook Dublinterugkeerders onder de omschreven omstandigheden worden opgevangen, oordeelt de rechtbank als volgt. Nog daargelaten dat dit niet van belang is voor de vraag of sprake is van structurele tekortkomingen, is de rechtbank van oordeel dat uit de aangehaalde bronnen niet kan worden opgemaakt dat de opvang en detentieomstandigheden voor Dublinterugkeerders beter zijn. De beroepsgrond slaagt....

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de landeninformatie en met name uit het AIDA-rapport 2019, niet dat sprake is van een structurele systematische tekortkoming in de asielprocedure ten aanzien van terugkerende Dublinclaimanten in die zin dat er een risico bestaat op refoulement bij terugkeer naar Malta. Uit de informatie volgt weliswaar dat er een feitelijke mogelijkheid bestaat om te worden uitgezet zolang de (opvolgende) aanvraag nog niet in behandeling is genomen, maar niet dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Bovendien volgt uit de aangedragen informatie niet dat er (voor Dublinterugkeerders) geen mogelijkheid bestaat om een opvolgende aanvraag in te dienen en dat er (in het geheel) geen informatie wordt verstrekt over het verloop van de procedure. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Rb Haarlem NL20.5157, 8.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6212

Rb einduitspraak: geen algemeen risico Fur uit Soedan

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet gezegd kan worden dat alle terugkeerders die behoren tot een niet-Arabische bevolkingsgroep afkomstig uit Darfur meteen bij terugkeer in Soedan al zodanig slecht behandeld worden door de Soedanese autoriteiten dat voor hen moet worden aangenomen dat zij als groep vervolgd worden dan wel dat zij als groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Met name de verwijzing naar de arresten van het EHRM acht de rechtbank daarbij van belang. Die arresten dateren van 20 november 2018, maar het EHRM heeft datzelfde oordeel nog eens bevestigd in een recent arrest van 2 juni 2020. Deze informatie heeft het ERHM voldoende bevonden om een uitspraak te kunnen doen over de vraag of de persoonlijke situatie van de vreemdeling in die zaak zodanig is dat zijn terugkeer naar Soedan een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

Het standpunt van eiser dat, omdat in het ambtsbericht staat dat er een gebrek aan monitoring is van de behandeling van terugkeerders naar Soedan en ook het Upper Tribunal heeft geoordeeld dat hij niet beschikte over voldoende overtuigende informatie om een oordeel te vellen, verweerder nog om een toelichting gevraagd moet worden of verzocht moet worden om een thematisch ambtsbericht, slaagt niet.

Rb Arnhem NL20.2910, 8.7.20
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6231

Pagina's