Nieuws

CRvB: NLs kind geen recht kinderbijstand want woont bij grootmoeder die ALO-kop krijgt

De grootmoeder van de minderjarige ontvangt naast kinderbijslag ten behoeve van appellant een kindgebonden budget dat vanaf 1 januari 2015 is verhoogd met de ALO-kop. Nu het maandelijks bedrag van de ALO-kop dat ten behoeve van de opvoeding en verzorging van appellant wordt verstrekt hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande van achttien, negentien of twintig jaar, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat van zeer dringende redenen die tot bijstandsverlening noodzaken geen sprake meer is. In dit kader komt betekenis toe aan het feit dat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft verklaard dat van de bijstand die in 2012 was toegekend voor huisvesting en zorgverzekering van appellant geen gebruik is gemaakt, omdat de kosten hiervoor zich niet voordeden.

CRvB 16-1092 PW, 9.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:3080

CRvB: Haagse versie kostendelersnorm bij niet-rechthebbende huisgenoot

Gelet op de aanvraag om voorzetting van bijzondere bijstand in verband met de terugval in inkomsten door toepassing van de kostendelersnorm, heeft het college de bijstand verhoogd met € 46,75, zijnde 3,33% van de gehuwdennorm. De verhoging is gebaseerd op het in het handboek van het college opgenomen beleid Kostendelersnorm “Haagse versie” dat inhoudt, voor zover hier van belang, dat een niet-rechthebbende medebewoner, zoals de echtgenoot, voor de vaststelling van de hoogte van de kostendelersnorm niet wordt meegeteld als medebewoner. Op grond van dit beleid heeft het college de voor appellante en voor haar twee meerderjarige kinderen vastgestelde kostendelersnorm van 40% van de gehuwdennorm verhoogd met 3,33% van de gehuwdennorm. Hiermee komt het totaalbedrag van de binnen het gezin van appellante verleende bijstand op 3 x 43,33% = 130% van de gehuwdennorm....

Artikel 22a van de PW schrijft dwingend voor op welke wijze de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt verlaagd indien een belanghebbende een of meer kostendelers heeft. Het college is dan ook verplicht de kostendelersnorm toe te passen en heeft geen ruimte voor een belangenafweging. Op grond van artikel 94 van de Grondwet is het, althans in beginsel, mogelijk dat nationale wettelijke voorschriften, die in strijd zijn met ieder verbindende, internationale bepalingen in verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, geen toepassing vinden. Er zal dan sprake moeten zijn van bijzondere omstandigheden in een concreet geval.

Hoger Beroep afgewezen
CRvB 17/7895 PW, 4.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:2842

SvJ&V: wetsvoorstel detentie Dublinclaimanten en rechtmatig verblijvende vreemdelingen

Op 2 mei 2018 heeft de Afdeling overwogen dat voor de staandehouding, overbrenging en ophouding van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten uitvoeringsmaatregelen in de nationale wetgeving moeten worden vastgesteld. Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan deze uitspraak. Volledigheidshalve gaat de nieuwe wettelijke grondslag ook gelden voor vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in afwachting van een beslissing op een verblijfsaanvraag. In het bijzonder kan worden gedacht aan staandehouding, overbrenging en ophouding ten behoeve van inbewaringstelling van asielzoekers. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat door deze wijziging geen aanvullende grondslag voor vreemdelingenbewaring wordt geboden. De basis daarvoor blijven de criteria die zijn neergelegd in de Dublinverordening, de Opvangrichtlijn en de Nederlandse wet en regelgeving, voor wat betreft de toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000.

Spoedige inwerkingtreding van deze wet is wenselijk om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over de juridische basis voor staandehouding, overbrenging en ophouding met het oog op de inbewaringstelling van de bedoelde categorieën vreemdelingen. Gelet hierop is dit wetsvoorstel niet in (internet)consultatie gebracht.

memorie van Toelichting Kamerstuk 35056 nr. 3, 16.10.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35056-3.html

Rb: detentie in ziekenhuis onrechtmatig

Eiser heeft kort na zijn inbewaringstelling een hartstilstand gehad en is direct (dezelfde dag) overgebracht naar het Erasmus MC. Voor een periode van ongeveer 200 uur wordt eiser in coma gehouden.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt, voor zover relevant, de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw ten uitvoer gelegd op een politiebureau, een cel van de Koninklijke marechaussee, in een huis van bewaring (...). Het Erasmus MC is geen locatie waarin (het voortduren van) de maatregel van bewaring ten uitvoer kan worden gelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel is dan ook onrechtmatig. Gezien de medische toestand van eiser is een bevel tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet aan de orde.

Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is onrechtmatig vanaf het moment dat deze ten uitvoer is gelegd in het Erasmus MC. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring.

Rb Rotterdam NL18.17524, 5.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12100

Rb: geen straf voor verblijf met zwaar inreisverbod, op grond van arrest-Ouhrami

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat een vreemdeling, tegen wie een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd, geen rechtmatig verblijf heeft zolang dat inreisverbod voortduurt en dus geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

De rechtbank ziet in het arrest van het HvJ van 26 juli 2017, Ouhrami aanleiding om deze lijn niet langer te volgen. Uit dit arrest volgt dat het terugkeerbesluit leidend is voor de vraag de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit rechtmatig in Nederland kan verblijven en dat de beoordeling van het (zware) inreisverbod, dat het terugkeerbesluit aanvult, pas aan de orde is als het terugkeerbesluit in rechte standhoudt. De rechtbank zal daarom eerst de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit moeten beoordelen, dat een voorwaarde is voor het in aanvulling daarop kunnen uitvaardigen van een inreisverbod, alvorens zij toekomt aan de beoordeling van de rechtmatigheid van dat inreisverbod.

Bovendien dient uit het arrest Ouhrami te worden afgeleid, dat het onrechtmatig verblijf van de vreemdeling tot het tijdstip van de vrijwillige of gedwongen uitvoering van de terugkeerverplichting en bijgevolg van de daadwerkelijke terugkeer naar zijn land van herkomst, een land van doorreis of een ander derde land, wordt beheerst door het terugkeerbesluit en niet door het inreisverbod, dat pas vanaf dat tijdstip rechtsgevolgen teweegbrengt door het de vreemdeling te verbieden om gedurende een bepaalde periode na zijn terugkeer het grondgebied van de lidstaten weer te betreden en er opnieuw te verblijven. Naar het oordeel van het HvJ volgt duidelijk uit de opzet van de Terugkeerrichtlijn, dat het terugkeerbesluit en het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod twee besluiten zijn die los van elkaar staan: het eerste verbindt consequenties aan de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke verblijf terwijl het tweede een eventueel later verblijf betreft en dit onrechtmatig maakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris aan het inreisverbod niet de rechtsgevolgen kan verbinden als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw. Deze bepaling zal derhalve buiten toepassing worden gelaten.

Rb den Bosch 17/10778, 14.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12258

SvJ&V: staatscommissie onderzoek langdurig verblijvenden

Een onderzoekscommissie zal alle aspecten onderzoeken die eraan bijdragen dat vreemdelingen, ondanks een afwijzing van een toelatingsaanvraag en de daaruit voortvloeiende vertrekplicht, vaak langdurig in Nederland verblijven, met bijzondere aandacht voor (gezinnen met) kinderen.

De commissie wordt gevraagd op grond van dit onderzoek aanbevelingen te doen gericht op de relevante aspecten die bijdragen aan dit langdurig verblijf zonder bestendig verblijfsrecht, en daarbij in elk geval in te gaan op:

  • de inrichting en duur van (herhaalde) verblijfsrechtelijke procedures;
  • de invloed van rijks- en lokale voorzieningen alsmede de omgeving op de vertrekbereidheid van personen, en
  • de beschikbare mogelijkheden en instrumenten om daadwerkelijk vertrek te realiseren alsmede de praktische en juridische begrenzingen op dit punt.

staatscourant Nr. 58299, 15.10.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-58299.html

SvJ&V: situatie Etiopie verbetert, geen nieuw landenbeleid meer nodig

De situatie in Ethiopië lijkt zich met het aantreden van de nieuwe premier Abiy Ahmed Ali verbeterd te hebben. Tot het aantreden van de nieuwe premier werd door de autoriteiten hard opgetreden tegen demonstranten en werd een groot aantal personen gearresteerd. Bij zijn inauguratie sprak de nieuwe premier zijn verontschuldigingen uit voor het optreden van de autoriteiten in de afgelopen jaren waarbij demonstranten zijn omgekomen. Hij riep op tot eenheid en het aangaan van de dialoog met oppositiegroeperingen. Premier Abiy heeft de eerste maanden na zijn inauguratie een grote hoeveelheid aan hervormingen aangekondigd en deels ook doorgevoerd. Duizenden politieke gevangenen werden vrijgelaten. In het buitenland verblijvende oppositieleden kregen amnestie en media als ESAT en OMN zijn niet langer verboden. Op 5 juni 2018, twee maanden eerder dan gepland, hief het Ethiopische parlement de noodtoestand op die na het aftreden van premier Hailemariam was afgekondigd. In het kader van de hervormingen van premier Abiy keurde het Ethiopische parlement begin juli 2018 unaniem een voorstel goed om het ONLF, het OLF en PG7 van de nationale lijst met terroristische organisaties te schrappen. De veranderingen in Ethiopië hebben ook een positief effect op de verhouding met andere landen, waaronder Eritrea.

Gelet op de positieve ontwikkelingen in Ethiopië wordt in de Vreemdelingencirculaire geen specifiek landgebonden asielbeleid opgenomen, maar worden asielaanvragen van Ethiopiërs individueel beoordeeld, tegen de achtergrond van het algemene beoordelingskader zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire.

Kamerstuk 19637 nr. 2424, 8.10.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2424.html

RvS: EASO-rapport geen reden wijziging Afghanistan-beleid

De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar onder meer het ambtsbericht van mei 2018, het rapport van het EASO, 'Country of Origin Information Report Afghanistan, Security Situation - Update', van mei 2018 en de Country Guidance Afghanistan van het EASO van juni 2018 (hierna: de Country Guidance).

In het ambtsbericht van mei 2018 staat dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in 2017 zorgelijk was en het aantal burgerslachtoffers hoog. Het ambtsbericht vermeldt verder dat de controle over een gebied snel kan veranderen en dat de veiligheidssituatie in veel opzichten complex en diffuus is. Volgens het ambtsbericht vormden gewapende conflicten in 63% van de gevallen de oorzaak van de veiligheidsincidenten. Het ambtsbericht vermeldt verder dat van januari tot en met mei 2018 meerdere grote aanslagen plaatsvonden. Deze aanslagen vonden met name plaats in de hoofdstad Kaboel. In het ambtsbericht staat verder vermeld dat UNAMA in de eerste drie maanden van 2018 2.258 burgerslachtoffers registreerde, waarvan 763 personen overleden en dat deze cijfers niet veel afwijken van de aantallen over dezelfde periode in 2017. Dit staat ook in het rapport van het EASO van mei 2018. IED's en complexe aanvallen veroorzaakten de meeste slachtoffers. De tweede oorzaak voor burgerslachtoffers vormden grondgevechten. Doelgerichte aanslagen, overblijfselen van oorlogsexplosieven en luchtaanvallen vormden de derde oorzaak voor burgerslachtoffers. In de Country Guidance van juni 2018 staat vermeld dat in het eerste kwartaal van 2018 de door de overheidstroepen veroorzaakte burgerslachtoffers met 13 % daalden. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals ook blijkt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, sprake is van voortdurende inzet van de overheidstroepen om burgerslachtoffers te beperken.

Hoewel het EASO een glijdende schaal gebruikt voor de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie en die beoordeling een andere opzet kent dan de door de staatssecretaris verrichte beoordeling, komt uit de Country Guidance naar voren dat ook het EASO vindt dat er in Afghanistan geen gebieden zijn waarin de algemene veiligheidssituatie zo slecht is dat een vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Uit de hiervoor vermelde rapporten komt verder naar voren dat ook in de eerste helft van 2018 het aantal burgerslachtoffers hoog bleef. Uit de stukken, die voor een groot deel ook de veiligheidssituatie in 2017 beschrijven, komt echter geen wezenlijk ander beeld naar voren dan volgt uit de stukken die in voormelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 aan de orde waren. Deze stukken geven de Afdeling daarom geen aanleiding om anders te oordelen over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De grief faalt.

RvS 201806537/1/V2, 1.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3176

RvS: intrekken NLerschap en vluchtelingschap met terugwerkende kracht terecht (vanaf 1997)

De staatssecretaris heeft de vergunning van de vreemdelingen ingetrokken omdat zij bij de aanvraag om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf op destijds een onjuiste identiteit hebben opgegeven en dat zij daarmee de onderzoeksmogelijkheden naar hun eerder verblijf in Duitsland en de daar gevoerde asielprocedure onmogelijk hebben gemaakt. Als ten tijde van die aanvragen bekend zou zijn geweest dat zij zich bedienden van een valse identiteit zou hij nooit met ingang van 4 april 1997 zijn overgegaan tot verlening van vergunningen tot verblijf zonder beperkingen op asielgerelateerde gronden (hierna: de C-status). Het verstrekken van onjuiste gegevens over de identiteit waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld over verblijf in een derde land, worden belemmerd, vormt immers een contra-indicatie voor statusverlening. De vreemdelingen wisten of konden vermoeden dat het vermelden van de juiste identiteit en de asielprocedure in Duitsland van groot belang was voor de beoordeling van de aanvragen, aldus de staatssecretaris.

(...) Het hoger beroep is ongegrond.
RvS 201710178/1/V1, 3.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3143

RvS: TOELT kan niets zeggen over niet-beheersen Arabisch voor koerdische vrouw uit Mosul

De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris zich ten onrechte alleen op basis van een rapport taalanalyse en een weerwoord van TOELT op het standpunt stelt dat ongeloofwaardig is dat zij uit Mosul komt. In Mosul wordt ook het Koerdisch gesproken dat zij spreekt en met de verklaring over haar verblijfsomstandigheden is geen rekening gehouden. De staatssecretaris heeft in het besluit geen op eigen onderzoek gebaseerd standpunt ingenomen over de vraag of haar langdurige verblijf binnenshuis een verklaring vormt voor haar gebrekkige beheersing van het Arabisch. Dat had hij wel moeten doen. Hij heeft echter zonder meer op basis van het onderzoek van TOELT geconcludeerd dat haar herkomst ongeloofwaardig is en zij hem dus heeft misleid door valse informatie over haar herkomst te verstrekken. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit daarmee ondeugdelijk is gemotiveerd. Zij is ook ten onrechte niet ingegaan op het door haar overgelegde rapport van het Buro Kleurkracht. Dat rapport concludeert onder verwijzing naar twee Iraakse bronnen dat een Iraakse vrouw van Koerdische afkomst uit Mosul mogelijk wordt gedwongen thuis te blijven waardoor zij het Arabisch niet beheerst.

De grief slaagt.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, houdt de verklaring van de vreemdeling over de redenen waarom zij geen Arabisch spreekt wél verband met het onderzoek naar haar herkomst, alleen al omdat zij die verklaring heeft gegeven in het kader van een onderzoek naar haar taalbeheersing. Dat een dergelijke verklaring - ook volgens TOELT - niet bij een taalanalyse kan worden betrokken, betekent verder niet dat die niet hoeft te worden beoordeeld; een onderzoek naar de herkomst van een vreemdeling is de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en is niet beperkt tot een taalanalyse. Als een taalanalyse geen uitsluitsel geeft over de herkomst van een vreemdeling, maar de staatssecretaris zijn standpunt handhaaft dat een gestelde herkomst ongeloofwaardig is, zal hij moeten motiveren waarop die ongeloofwaardigheid gebaseerd is. Hij zal daarbij een door een vreemdeling overgelegd rapport zoals dat van Buro Kleurkracht moeten betrekken.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201805022/1/V2, 4.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3243

Pagina's