Nieuws

Rb: mogelijk risico bij terugkeer naar Libië

In Tripoli (Libië), waar de vreemdeling vandaan komt, is een mate van willekeurig geweld maar niet één die zo hoog is dat de vreemdeling alleen door zijn aanwezigheid gevaar zou lopen. …

Uit het AAB 2025 volgt dat een terugkeerder te maken kan krijgen met een ondervraging en daarbij risico loopt op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, of marteling. De minister stelt zich onterecht op het standpunt dat dit risico afhankelijk is van het profiel van het persoon dat terugkeert, nu dat niet uit het ambtsbericht blijkt. Daardoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de vreemdeling bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt.

Beroep gegrond. 
Rb Den Haag, NL25.36951, 13.1.26

Rb: binnenlands beschermingsalternatief Addis beter motiveren, bewonerspasje nodig

Volgens verweerder blijkt uit het feit dat eiseres in Addis Abeba voor een periode van zes à zeven maanden een huis gehuurd heeft dat zij zich daar opnieuw kan vestigen. Eiseres heeft in de correcties en aanvullingen echter aangegeven dat zij in die periode zowel in [plaats 1] als in Addis Abeba verbleef, en dat zij in Addis Abeba geen bewonerspas had en binnen het illegale circuit een plek moest vinden om te slapen…. Eiseres heeft gewezen op het AAB over Ethiopië waarin over vestigingsmogelijkheden voor personen van buiten Addis Abeba het volgende staat: “Personen die zich buiten hun eigen regio wilden vestigen, moesten een brief van de oude kebele overleggen aan de nieuwe kebele. Zonder een dergelijke brief was het onmogelijk zich te registreren. Deze procedure werd in de praktijk bemoeilijkt door de vele conflicten, waardoor het vaak moeilijk of zelfs onmogelijk was om aan een dergelijke brief te komen.” Gelet op deze informatie en de verklaringen van eiseres over de wijze waarop zij in Addis Abeba verbleef, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres op veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot Addis Abeba.

Verweerder moet bovendien alle omstandigheden in samenhang beoordelen, waaronder de wijze waarop eiseres eerder in Addis Abeba heeft verbleven, haar problemen omdat zij als Buda wordt gezien, haar medische problemen, en het feit dat zij een weduwe is en uit algemene informatie blijkt dat ontheemde en teruggekeerde vrouwen, met name weduwen en gescheiden of gehandicapte vrouwen, behoren tot de meest kwetsbare groepen en vaak geconfronteerd worden met extra problemen die hen beletten om hun rechten op huisvesting, grond en eigendom uit te oefenen.

Beroep gegrond.
Rb den Haag NL25.51360 en NL25.51361, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:675

Rb: Turkije geen veilig derde land voor Oeigoeren

De Oeigoerse vreemdeling stelt dat hij niet kan terugkeren naar China of Turkije omdat Turkije Oeigoeren terugstuurt naar China, waar zij worden bedreigd.

De rechtbank overweegt dat de Minister geen onderzoek heeft verricht dat gebaseerd is op recente landeninformatie, en niet kenbaar is ingegaan op de landeninformatie die door de vreemdeling is ingebracht. Uit deze landeninformatie kan worden opgemaakt dat de veiligheid van Oeigoerse vluchtelingen in Turkije de laatste jaren is afgenomen. De (trans)nationale druk van China op Turkije is toegenomen, Turkije trekt verblijfsvergunningen van Oeigoeren in, en Oeigoeren in Turkije worden in toenemende mate in de gaten gehouden wat leidt tot meer arrestaties, detenties en uitleveringen van Oeigoeren aan China.

Het rapport van Human Rights Watch van 12 november 2025 bevat de dringende oproep om Turkije niet als veilig derde land aan te merken voor Oeigoeren, ook voor Oeigoeren die daar een permanente verblijfsvergunning hebben. Uit dit rapport volgt ook dat Turkije in toenemende mate een anti immigratie beleid hanteert en “beperkingscodes” willekeurig toekent aan Oeigoeren. Hieruit lijkt te volgen dat Oeigoeren in Turkije alleen al vanwege hun afkomst in het vizier kunnen komen van de Turkse en Chinese autoriteiten. Daarnaast heeft de vreemdeling ook nog verklaard over specifieke problemen die zijn familie heeft ervaren door de transnationale druk van China op Turkije.

Beroep gegrond. 
Rb Amsterdam, NL25.55044, 23.1.26

HvJ EU: rechter moet alle stukken van individueel ambtsbericht kunnen inzien

De Pakistaanse vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat er aan hem een fatwa was uitgevaardigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een individueel ambtsbericht opgesteld. De vreemdeling stelt dat de minister het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden door hem geen volledige toegang te verlenen tot de onderliggende stukken. De prejudiciële vraag die voorligt is in welk geval de bevoegde rechter en de verzoeker om internationale bescherming toegang tot de informatie van het individueel ambtsbericht moeten krijgen.

Het Hof overweegt als volgt. Artikel 30 Procedurerichtlijn bevestigt dat er een risico op schending van het refoulementbeginsel kan ontstaan door de wijze waarop een nationale autoriteit een onderzoek heeft verricht in het land van herkomst van een verzoeker om internationale bescherming. Een vreemdeling moet in staat zijn om zijn recht op bescherming te doen gelden door zich te baseren op relevante informatie over de wijze waarop het onderzoek in zijn land van herkomst is verricht. De informatie die is opgenomen in de onderliggende stukken, waaronder het onderzoeksverslag, moeten worden beschouwd als „informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” in de zin van artikel 23 lid 1 Procedurerichtlijn, voor zover deze informatie relevant is voor 1) de toegang van de vreemdeling met het oog op de volwaardige uitoefening van zijn rechten van verdediging ten aanzien van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek en, 2) de beoordeling door de rechter waarbij beroep is ingesteld tegen een dergelijk besluit en of uiteindelijk het beginsel van non‑refoulement is nageleefd.

HvJEU (Multan) C‑431/24, 29.1.29
ECLI:EU:C:2026:53

HvJ EU: bij herziening overdrachtsbeslissing gaat termijn in bij tweede beslissing

The case concerns situations where a national judicial body makes a final decision on the substantive legality of a second transfer decision, adopted after a first transfer decision has been annulled, and remits the case to the competent administrative authority for re-examination. The Board asked the CJEU whether the six-month transfer time limit starts to run on the date of the final decision on the legality of the second transfer or on the date on which the first transfer decision was annulled.

The Court first noted that under Article 29 (1) DRIII, the time limit starts to run from the acceptance of the take charge or take back request by the other Member State or, where an appeal with suspensive effect has been lodged against the transfer decision, from the moment the judicial decision on the appeal has become final. … However, it’s clear that Article 27 (1) confers a right to an effective remedy against a transfer decision and earlier jurisprudence confirmed that the starting point of the transfer time limit is the final judicial decision on the merits that can no longer block implementation and not the provisional decision suspending the implementation of the transfer. Where national legislation allows annulment of a transfer decision and remittal for re-examination following new decisive circumstances, it is possible to have two transfer decisions and two separate appeals. The decision that annuls the first transfer decision must be understood as an interim decision that allows the authorities to examine the new circumstances but does not terminate the transfer procedure in a final manner. 

Consequently, the Court found that the sixmonth period begins on the date of the final decision on the substantive legality of the second transfer decision, and both the second decision and the subsequent annulment must be rendered promptly to avoid unnecessary delays in the overall transfer procedure. 

HvJ EU (Tang) C-560/23,18.12.25
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-560/23

IB 2026/1: Zelfredzame statushouders Griekenland kunnen terug

In beginsel wordt de aanvraag van een vreemdeling die reeds in het bezit is van een vergunning in een andere lidstaat, behandeld in spoor 2. De aanvraag van een statushouder uit Griekenland kan echter alleen in spoor 2 behandeld worden als de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarom wordt in deze zaken een gewoon aanmeldgehoor (binnen spoor 4) afgenomen. Op basis van de informatie die na het aanmeldgehoor beschikbaar is wordt bepaald of de aanvraag in spoor 2 behandeld wordt. In de volgende omstandigheden is het in ieder geval mogelijk de aanvraag in spoor 2 te behandelen omdat de vreemdeling zelfredzaam kan worden geacht:

  • De vreemdeling beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning; en
  • De vreemdeling is een volwassen, alleenstaande man; en
  • De vreemdeling is niet kwetsbaar

In voorkomende zaken is het ook mogelijk vast te stellen dat in andere zaken dan die van alleenstaande niet bijzonder kwetsbare mannen sprake is van zelfredzaamheid. Hier dient terughoudend mee te worden omgegaan.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1401187_1/1/, 30.1.26

Zie ook oudere brief van MvA&M:
https://open.overheid.nl/documenten/0c6f94b4-189e-4d2d-86ef-1cf00d4160ee/file, 12.5.25

Rb: ordemaatregel ivm behoud voorzieningen tijdens beroep+vovo asiel

De vreemdeling heeft op beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening. Daarna kreeg hij van de COa bericht dat hij per 13 januari 2026 de opvang moet verlaten, en vroeg een spoed-vovo. De minister heeft laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.  
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. …  In het briefverweer lijkt de minister een nieuwe weg in te slaan door zich op het standpunt te stellen dat de opvang en verstrekkingen worden beëindigd van asielzoekers waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die het hiertegen ingestelde beroep niet, maar het tijdige verzoek om een voorlopige voorziening wel in Nederland mogen afwachten.

Ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare gevolgen wordt daarom een ordemaatregel getroffen waarbij dit besluit wordt geschorst en waarbij de minister wordt verboden de opvang en verstrekkingen van de vreemdeling te (doen) beëindigen totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Rb Rotterdam NL25.55029, 9.1.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:618

INLIA: aantal uitgezette vreemdelingen naar lvh

Uit de nu door de DT&V verstrekte cijfers blijkt dat er in het tweede halfjaar van 2025 in totaal 390 vreemdelingen van buiten de EU zijn uitgezet naar hun land van herkomst. In het eerste halfjaar van 2025 ging het om 410 vreemdelingen.

Top 10 uitzettingen naar land van herkomst - 1 juli - 31 dec 2025

Nationaliteit

Aantal

Marokkaanse

60

Algerijnse

60

Surinaamse

30

Turkse

30

Nigeriaanse

20

Albanese

20

Colombiaanse

20

Britse

10

Georgische

10

Tunesische

10

Antwoord DT&V d.d. 13 januari 2026 op Woo-verzoek van INLIA
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1529/aantal-uitzettingen-in-het-tweede-halfjaar-van-2025, 16.1.26

Rb: bij detentie ouders zonder kinderen rekening houden met belang kind

Eisers hebben op 17 december 2025 de negatieve uitspraak ontvangen in het hoger beroep tegen de afgewezen asielaanvragen. De jongste zoon van eisers schrok hiervan, waarna zijn oudere broer hem meenam om te logeren bij een vriend. Op 18 december 2025 heeft de vreemdelingenpolitie (AVIM) eisers om 6:22 uur staandegehouden op het asielzoekerscentrum in Nijmegen. Aangezien de kinderen – vermoedelijk – nog steeds bij vrienden waren, zijn zij niet staandegehouden. Eisers hebben gedurende hun inbewaringstelling geen contact kunnen krijgen met hun kinderen en weten niet waar zij precies verblijven. De kinderen zijn niet in bewaring gesteld.

De vlucht naar Egypte was voor het gehele gezin gepland op 29 december 2025. De vluchten van de kinderen zijn op het laatste moment geannuleerd, omdat de AVIM niet kon achterhalen waar de kinderen zijn. De minister heeft intern besproken wat de mogelijkheden zijn om het gezin gescheiden uit te zetten. Daarvoor is akkoord gegeven omdat het vermoeden bestaat dat de kinderen zich niet melden bij de minister om zo de geplande uitzetting te belemmeren. De uitzetting van de ouders op 29 december 2025 bleef daarom gepland staan. Eisers hebben echter op het laatste moment een opvolgende asielaanvragen ingediend waardoor de uitzetting geen doorgang vond. Gelet op de nieuw ingediende feiten zag de minister geen aanleiding om de asielaanvragen op Schiphol te behandelen.

De rechtbank stelt voorop dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ingrijpende maatregel is, die slechts mag worden toegepast indien is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de minister steeds moet beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan. … Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen in de afweging om af te zien van de oplegging van de maatregelen van bewaring. …. Hierbij is mede van belang dat eisers zich altijd aan hun meldplicht hebben gehouden. Dit is door de minister op de zitting ook erkend. Bovendien heeft de minister geprobeerd om eisers gescheiden van hun kinderen uit te zetten naar Egypte. Daarmee heeft de minister het risico genomen dat mogelijk een langdurige scheiding van het gezin zou ontstaan. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om een lichter middel op te leggen.

De rechtbank volgt de minister ook niet in het standpunt dat eisers, dan wel hun kinderen, bewust hebben geprobeerd de uitzetting te belemmeren. … Ook het gegeven dat eisers een asielaanvraag hebben ingediend, maakt dit niet anders. Op de zitting werd immers duidelijk dat eisers een opvolgende aanvraag hebben ingediend omdat zij nieuwe feiten willen inbrengen en niet om de terugkeer te willen frustreren.

Rb Arnhem NL25.62396 en NL25.62395, 31.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25709

Rb: ook bij MOB beoordelen of terugkeerbesluit niet leidt tot refoulementsrisico

Anders dan verweerder overweegt de rechtbank dat de verplichtingen die voor verweerder en de rechtbank voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn niet onder de procedurele autonomie vallen. Deze  gelden onverkort in het geval dat mag worden aangenomen dat de vreemdeling ‘mob gaat’ in een asielprocedure. Eiser heeft er belang bij dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd en eiser ondervindt gevolgen van de vaststelling van het TKB, de signalering hiervan in het SIS en de uitvaardiging van het inreisverbod dat is gestoeld op dit TKB. Verweerder heeft in en na het besluit ten onrechte niet beoordeeld of de gezondheidssituatie en het privéleven van eiser in de weg staan aan het vaststellen van een terugkeerbesluit.

De stelling van verweerder dat hij dit niet kan beoordelen omdat eiser ‘mob is’, is onjuist want verweerder kan deze beoordeling verrichten op grond van de verklaringen die eiser heeft afgelegd, de standpunten die de gemachtigde van eiser namens eiser naar voren heeft gebracht en de medische informatie waar verweerder al over beschikt.

Eiser heeft nadat verweerder een voornemen uitgebracht een op 2 mei 2024 gedateerde iMMO-rapportage overgelegd. Verweerder gaat uit van de juistheid van de inhoud van deze rapportage. In de rapportage is uitgebreid beschreven met welke medische en psychische klachten eiser kampt en welke medicamenteuze en andere behandelingen hij hiervoor heeft ondergaan en thans ondergaat. Verweerder is ook bekend met het GCA-patiëntendossier van eiser en de brief van de GGZ van 25 juni 2023. Verweerder weet ook dat hij driemaal aan Medifirst een advies horen en beslissen heeft moeten vragen omdat eiser tweemaal wel gezien is maar geconcludeerd is dat eiser niet kon worden gehoord vanwege zijn medische problematiek. Verweerder had gelet op al deze informatie moeten nagaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven in de weg stonden aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Deze verplichting volgt uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 en is dus niet afhankelijk van de omstandigheid of eiser hier een uitdrukkelijk beroep op doet. Verweerder heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard zonder nader in te gaan op de medische situatie van eiser.

De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit. Het inreisverbod kan daarom ook geen stand houden en de rechtbank draagt verweerder op om de SIS-signalering te verwijderen.

De rechtbank draagt verweerder ook op om de kosten van de iMMO-rapportage te voldoen omdat het aanvankelijk ongeloofwaardig geachte asielrelaas op grond van deze rapportage alsnog integraal geloofwaardig is bevonden. De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk mee om te reflecteren op zijn (structurele) proceshouding als wordt verzocht om vergoeding van de kosten van het opstellen van een iMMO-rapportage.

Rb Roermond NL24.34975, 12.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:347

Pagina's