bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Als de gestelde nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet geloofwaardig wordt geacht in een asielprocedure, ontstaat een schijnbaar tegenstrijdige situatie. Enerzijds is verweerder verplicht minimaal één land van bestemming te noemen. Anderzijds lijkt niet (goed) mogelijk om dan een refoulementbeoordeling te maken.
De vragen:
Rb Haarlem NL25.24480, 27.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7121
zie ook Rb Amsterdam NL25.46030 en NL25.46031, 10.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6477
De wet- en regelgeving voorziet in de mogelijkheid om aan de vreemdeling die niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel om de reden dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten niet tot vervolging over te gaan voortgezet verblijf toe te staan, indien zij aannemelijk maakt dat van hem/haar om redenen die rechtsreeks verband houden met mensenhandel niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. In deze bepalingen ligt de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ besloten….
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de psychische klachten van eiseres bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op welke punten het relaas van eiseres tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. ….
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het privéleven van eiseres. Eiseres heeft een dochter met het downsyndroom en heeft gewezen op het zorgnetwerk – zowel professionele hulpverleners als feitelijke verzorgers – dat om hen heen staat. Ook heeft eiseres gewezen op de jarenlange psychische zorg die zij ontvangt en haar daarmee in verband staande verminderde draagkracht. De rechtbank acht deze zorgstructuur onderdeel van het privéleven van eiseres en haar dochter. De minister had daarom moeten motiveren dan wel onderzoeken of en waarom deze omstandigheden niet maken dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. Dit is te meer het geval, nu bovengenoemde vorm van handhaven mede is ontstaan door de lange besluitvorming, hetgeen te verwijten is aan de minister.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende kenbaar de belangen van de jonge kinderen van eiseres heeft betrokken. … De brief van GGZ Drenthe schetst dat de dochter van eiseres waarschijnlijk wordt uitgesloten van de maatschappij gelet op haar verstandelijke beperking en dat het de vraag is of de zoon van eiseres voldoende aandacht zal krijgen gelet op de zorgen over zijn zusje en de problematiek van eiseres zelf. In dat licht bezien kan de minister eiseres niet onverkort tegenwerpen dat het haar verantwoordelijkheid is om de kinderen aandacht, steun en verzorging te geven die zij nodig hebben om op te groeien en had gemotiveerd moeten worden waarom deze brief het oordeel van de minister niet anders maakt.
Het beroep is gegrond.
Rb Groningen NL25.46660, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7858
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor eiser adequate opvang aanwezig is in Ethiopië. De minister heeft in het bestreden besluit op deugdelijke wijze gewezen op de opvangmogelijkheden in Ethiopië bij Bright Star Relief en dat mag worden aangenomen dat dit tehuis kan worden aangemerkt als adequate opvang. De rechtbank acht verder van belang dat de minister heeft toegezegd dat voorafgaand aan de feitelijke uitzetting, bij Bright Star Relief wordt gecheckt of aldaar aan eiser daadwerkelijk opvang kan worden geboden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze handelwijze en toezegging van de minister voldoende waarborgen voor het daadwerkelijk opvang verkrijgen bij Bright Star Relief wanneer eiser terugkeert naar Ethiopië.
De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Rb Groningen NL25.61282, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7419
Eiser is in 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning bij zijn toenmalige partner. Vervolgens zijn aan zijn zoon en dochter ook verblijfsvergunningen verleend. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 2021 omdat zijn relatie vanaf die datum was verbroken. Daarnaast heeft de minister aan de kinderen ambtshalve een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden verstrekt. Eiser stelt dat de minister een verblijfsvergunning aan hem dient te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM wegens de uitoefening van het gezinsleven met zijn momenteel meerderjarige zoon en minderjarige dochter. ….
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiser op uitoefening van gezinsleven met de dochter onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die belangen niet meer gewicht toekomt.
Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het standpunt dat de dochter ervoor kan kiezen om in Nederland te blijven terwijl eiser terugkeert naar Suriname, omdat dan een gezagsvacuüm zou ontstaan gelet op haar minderjarigheid. De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft daarom tot gevolg dat de dochter haar vader naar Suriname zal moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het aan de dochter toegekende zelfstandige verblijfsrecht wordt aangetast en illusoir wordt gemaakt. …
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij momenteel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij zijn werkgever. Hij werkt in de zorg. De rechtbank is van oordeel dat uit de belangenafweging niet volgt of het feit dat eiser werkzaam is, in het voordeel of in het nadeel van eiser is meegewogen. …
De rechtbank overweegt verder dat de minister ten onrechte de nieuwe relatie van eiser niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. …
De rechtbank komt tot de slotsom dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken.
Het beroep is gegrond
Rb Amsterdam NL25.9215 en NL25.9216, 20.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7231
Eiser is afkomstig uit Mogadishu, dat onder controle staat van de Somalische overheid. Verweerder neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c. In de EUAA Guidelines van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld, zodat een lager niveau van individuele elementen nodig is om aan te tonen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een teruggekeerde burger een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer in de zin van artikel 15c. Verwezen wordt naar het aantal veiligheidsincidenten in de periode van 1 april 2023 tot 31 juli 2025. ….De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde EUAA Guidelines die van na het ambtsbericht 2025 dateren, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan in Mogadishu.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser op jonge leeftijd (16 jaar) Somalië heeft verlaten en in Europa verblijft, hij geen netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheidsclan waarvan de leden volgens algemene bronnen worden gediscrimineerd.
Eiser is ongeveer twintig jaar niet meer in Somalië geweest en is verwesterd. Uit het algemeen ambtsbericht 2023 en 2025 volgt dat terugkeerders uit westerse landen, in het bijzonder indien zij vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hebben verbleven, doorgaans eenvoudig herkenbaar zullen zijn. Zij worden bijvoorbeeld herkend vanwege een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen, gesticuleren of hun houding. Zij hebben vaak moeite om zich de dagelijkse gewoontes eigen te maken, zijn kwetsbaar voor afpersingen en overvallen, en kunnen met discriminatie en uitsluiting te maken krijgen. Ook meldt het ambtsbericht 2025 dat de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid is dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen, en vaak konden deze personen geen werk vinden.
Het standpunt van verweerder dat eiser niet verplicht is om zich in bepaalde districten op te houden en naar veiligere districten kan gaan, omdat hij niet gebonden is aan een sociaal netwerk, acht de rechtbank in het licht van deze informatie dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarmee miskent verweerder dat uit de door eiser aangehaalde bronnen juist blijkt dat het van belang is om een sociaal netwerk te hebben bij terugkeer om ernstige schade te voorkomen.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Rb Haarlem NL25.43419 en NL25.43420, 30.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8167
zie ook Rb Roermond NL24.25742, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7555
De rechtbank is van oordeel dat de minister moet onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië geen risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst er terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht van juli 2025 volgt dat iemand die in 2024 vrijwillig terugkeerde naar Libië drie dagen na zijn terugkeer zou zijn opgepakt en begin mei 2025 nog steeds in detentie zat. Verder volgt uit het ambtsbericht dat twee Libische vrouwen die gedwongen terugkeerden vervolgens in een detentiecentrum in Radaa zijn geplaatst. Tot slot volgt uit het ambtsbericht dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie….
De rechtbank is van oordeel dat het op weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer dan wel nader te motiveren waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.50899, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7309
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 15c heeft volstaan met de vaststelling van het aantal dodelijke slachtoffers afgezet tegen de omvang van de bevolking. Verweerder heeft namelijk ook betrokken dat de geweldsincidenten in Amhara gevolgen hebben voor de humanitaire situatie aldaar, waaronder de gevolgen voor het gezondheidssysteem. Die zijn echter niet zodanig dat daarin een grond bestaat voor een ander oordeel over de algemene veiligheidssituatie in Amhara.
Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat humanitaire hulp (ondanks de nodige uitdagingen) mogelijk is dankzij de inzet van de Ethiopische overheid. Verder heeft verweerder het aantal ontheemden betrokken en hun leefsituatie, en geconcludeerd dat er wat dat betreft geen substantiële wijzigingen heeft plaatsgevonden ten opzichte van het AA 2024. Ook heeft verweerder betrokken dat de noodtoestand in 2024 is opgeheven en dat de regionale overheid maatregelen heeft genomen om de veiligheid te borgen. Verweerder heeft zijn oordeel over de 15c-situatie in Amhara op al deze elementen gebaseerd.
Beroep ongegrond.
Rb Rotterdam NL25.32698, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7219
Naar aanleiding van het nieuwe ambtsbericht is vastgesteld dat het verlaten van Eritrea tijdens de dienstplichtige leeftijd door de Eritrese autoriteiten als landverraad wordt beschouwd en dat hier straffen op staan. Dit betekent dat er in dergelijke gevallen sprake is van vervolging op grond van (toegedichte) politieke overtuiging. Gelet hierop heeft de Minister besloten om voor Eritreeërs die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor vervolging omdat zij het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd, aan te nemen dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging.
Bovendien is in voornoemd ambtsbericht vastgesteld dat er geen harde scheidslijn gemaakt kan worden tussen het militaire onderdeel en het civiele onderdeel van de nationale dienstplicht. Dit is vooral van belang voor de asielbeoordeling van Eritreeërs die niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de nationale dienstplicht hebben ontdoken of zijn gedeserteerd, maar bij terugkeer wel het risico lopen om de nationale dienstplicht te moeten vervullen. Dit zal vooral aan de orde kunnen komen bij personen met de Eritrese nationaliteit die nog nooit in Eritrea zijn geweest. Gelet hierop heeft de Minister geconcludeerd dat iedereen die de nationale dienstplicht moet vervullen risico loopt op ernstige schade ex art. 29 lid 1 onder b Vw.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-11202.html, 3.4.26
Zie ook kamerbrief https://open.overheid.nl/documenten/99fca114-0a7f-476d-b885-3ecb02baa67c/file, 1.4.26
Eiseres is samen met haar (inmiddels ex-) echtgenoot en de kinderen naar Nederland gekomen. In Nederland is zij van hem gescheiden. Haar voormalige echtgenoot bedreigt haar, stalkt haar en wil de kinderen meenemen naar Libië. …
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt op ernstige schade wegens eerwraak, huiselijk geweld en femicide. De tegenwerping dat de dreigementen uitsluitend online hebben plaatsgevonden en niet fysiek zijn uitgevoerd, kan geen stand houden omdat ook een bedreiging met ernstige schade een aanwijzing is dat de vrees van eiseres reëel is. De minister heeft niet kenbaar betrokken hetgeen door eiseres aan stukken is overgelegd, ter onderbouwing van huiselijk geweld wat in Libië en Nederland reeds heeft plaatsgevonden. De minister heeft voorts niet voldoende gemotiveerd welke goede redenen er zijn om aan te nemen dat ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Voor zover de minister in het voornemen heeft gesteld dat eiseres zich voor bescherming tot de Algerijnse autoriteiten kan wenden, geldt immers dat de minister in de bestreden beschikking niet heeft betwist dat eerwraak, huiselijk geweld en femicide een probleem zijn in Algerije, en voor het overige niet is ingegaan op de bronnen die eiseres heeft aangedragen ter onderbouwing van haar betoog dat zij geen bescherming zal kunnen krijgen. Deze beroepsgrond slaagt….
Rb Zwolle NL25.25015, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8065
The applicant applied for asylum in Sweden in 2015 relying on several grounds, including risks arising from his conversion to Christianity, his Hazara ethnicity, and his alleged “westernisation. …
The Court found that the domestic authorities’ assessment of the general situation in Afghanistan was insufficiently reasoned and therefore carried out its own ex nunc examination. It observed that, although the security and human rights situation remained serious and fragile, with widespread abuses and strict social control under the Taliban regime, the level of indiscriminate violence did not reach the threshold necessary to breach Article 3 of the Convention.
In assessing the applicant’s individual circumstances, the Court found that the domestic authorities had not carried out a cumulative assessment of all relevant risk factors. It observed that the applicant’s Hazara ethnicity, combined with his area of origin and intended return (Mazar-e Sharif, Balkh province), exposed him to heightened risks. As regards his alleged conversion, the Court recognised the risk extended to individuals perceived as apostates or as having abandoned Islam. Domestic authorities had also underestimated the risks associated with the applicant’s “westernisation’’. …
Thus, having regard to the cumulative effect of the applicant’s personal circumstances assessed in the light of the general human rights situation in Afghanistan, the Court concluded that there are substantial grounds for believing that the applicant would face a real risk of ill-treatment contrary to Article 3 ECHR upon return to Afghanistan.
EHRM D.M. v. Sweden (32694/23), 26.3.26
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-249223