Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij in Nederland een zoon van zeven maanden heeft, getrouwd is en zijn gezinsleven wil uitoefenen. In dat geval ligt het op de weg van de minister om te onderzoeken of in het gezinsleven dat eiser hier te lande stelt te hebben aanleiding bestaat voor toepassing van een lichter middel dan bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit onvoldoende zorgvuldig gedaan.
Weliswaar is er blijkens de aanvullende processen-verbaal voorafgaand aan het gehoor inbewaringstelling een onderzoek verricht in de systemen, maar de bevindingen hieruit zijn onvoldoende om op voorhand te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een gezinsleven tussen eiser en zijn zoon. Het ontbreken van een registratie in systemen betekent niet dat er geen sprake is van “family life”. Weliswaar kan een registratie een aanknopingspunt daarvoor zijn, maar ook bij het ontbreken van informatie in systemen kan eiser zeer wel gezinsleven uitoefenen met zijn vrouw en kind van zeven maanden. Van “family life” kan immers ook sprake zijn tussen een man en een vrouw met een relatie die lijkt op een huwelijk. Een kind geboren uit een dergelijke relatie is ipso jure een onderdeel van die gezinsvorm vanaf het moment van de geboorte en door het enkele feit van de geboorte. Bovendien kan er, in andere situaties, ook sprake zijn van “family life” tussen een biologische vader en een kind mits er ‘bijkomende omstandigheden’ zijn, waarbij bijvoorbeeld de feitelijke contacten een rol kunnen spelen. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om dit tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling nader uit te vragen.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de maatregel, mede gelet op het voorgaande, een specifieke motivering van de minister (waarom volgens hem een inbreuk op het gezinsleven van eiser door het opleggen van de maatregel gerechtvaardigd is en niet kan worden volstaan met een lichter middel.
Beroep gegrond.
Rb den Bosch 25.53958, 19.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23410
Eiser is sinds 2003 in Nederland. Dit is zijn vijfde asielaanvraag. Eerder heeft verweerder de homoseksualiteit wel geloofwaardig geacht, maar de daaruit voortvloeiende problemen niet.
Eiser heeft aan zijn vijfde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer vreest voor vervolging of ernstige schade omdat de situatie voor LHBTI'ers in Wit-Rusland sinds zijn vorige aanvraag is verslechterd. ….
Uit het persbericht van 12 april 2024 en het “Report of the Group of Independent Experts” blijkt dat op 12 april 2024 een wetswijziging is aangenomen, waarbij onder de definitie van pornografie ook worden gebracht afbeeldingen van LHBTI’ers, waarmee bezit hiervan dus strafbaar wordt. Het gaat hiermee behoren tot de categorie waartoe ook pedofilie, bestialiteit en necrofilie behoren. Deze initiatieven zijn vergezeld van toegenomen toezicht, intimidatie en willekeurige arrestaties en detentie van LHBTI mensen.
Voorts controleerden volgens het jaarrapport van HRW over 2024 van 16 januari 20254 de autoriteiten in dat jaar routinematig de telefoons van Wit-Russen die terugkeerden uit het buitenland. Ook uit het rapport van de mensenrechtenorganisatie Viasna blijkt dat elke dag Wit-Russische staatsburgers die het land binnenkomen worden ondervraagd en dat informatie op sociale netwerken daarvoor al genoeg kan zijn. Daar komt bij dat uit recente rapporten en het World report 2024 van HRW blijkt dat de algehele mensenrechtensituatie is verslechterd. Volgens de rechtbank kan dit zijn weerslag hebben op kwetsbaren.
Eiser is gediagnosticeerd met een post-traumatische stressstoornis, een ernstige depressieve stoornis met recidiverende episode, een ernstige stoornis in alcoholgebruik en door diverse verhoogde waardes een zeer verhoogd risico loopt op hart- en vaatziekten. Verder wordt melding gemaakt van een ernstige zelfmoordpoging in Zwitserland. Eiser is sinds enkele weken wel gestopt met alcohol, maar alleen om bij de eerstvolgende suïcidepoging goed door te kunnen pakken richting een geslaagde suïcide. Eiser wordt behandeld met therapie en medicatie en zal starten met traumatherapie. De rechtbank volgt eiser op grond hiervan in zijn stelling dat hij zeer kwetsbaar is.
De rechtbank concludeert hieruit dat eiser, gelet op zijn homoseksualiteit, de veranderde wetgeving met betrekking tot homoseksuelen, zijn kwetsbaarheid, zijn lange verblijf buiten Wit-Rusland en de algehele verslechtering van de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, bij terugkeer een risico kan lopen op vervolging of ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser dat risico niet loopt en het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hij krijgt hiervoor zes weken.
Rb Haarlem NL25.13756 en NL25.13757, 2.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23618
Met betrekking tot de algemene veiligheidssituatie en de veiligheidsstructuur heeft eiser er onderbouwd op gewezen dat die na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus zijn. VWN beschrijft een situatie van aanhoudend, wijdverbreid en willekeurig geweld door diverse, vaak niet-geïdentificeerde actoren. Burgers lopen voortdurend risico op moord, ontvoering of verwonding. … Ook heeft eiser gewezen op het EUAA-rapport waarin is geconcludeerd dat een stabiele machtsstructuur ontbreekt, voortdurend sprake is van buitenlandse militaire inmenging en dat sprake is van onderrapportage vanuit Syrië over de situatie. Voorts heeft eiser erop gewezen dat in de brief van VWN is beschreven dat Homs behoort tot de provincies met de meeste incidenten met landmijnen en niet-ontplofte munitie, waardoor burgers blijvend gevaar lopen.
Wat betreft de humanitaire situatie in Syrië verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 16 juli 2025. Daaruit blijkt dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, wel als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.
Ter onderbouwing van de ernstige humanitaire situatie wijst eiser op het ambtsbericht van mei 2025 waarin is vermeld dat de ernst van de humanitaire situatie in Syrië ten tijde van en na de val van Assad groter is dan tijdens de oorlog. Meer dan 90% van de bevolking leeft onder de armoedegrens en volgens cijfers van Unicef leden meer dan 500.000 kinderen onder de vijf jaar aan levensbedreigende ondervoeding, met nog eens 2 miljoen kinderen op de rand van ondervoeding. De situatie in Syrië wordt beschreven als een veiligheidschaos waar gewapende groeperingen en voormalige milities opereren buiten enig gezag, in een gebied als Homs is volgens het rapport sprake van een ‘security breakdown’. Dertien jaar conflict heeft de infrastructuur grotendeels verwoest; scholen, ziekenhuizen, elektriciteits- en watervoorzieningen functioneren nauwelijks en de economie verkeert in een staat van instorting.
De rechtbank begrijpt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Verweerder heeft ten onrechte de omstandigheden, waar eiser op heeft gewezen, niet betrokken.
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL25.27567, 11.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23822
De rechtbank stelt voorop dat in hoofdstuk 2 getiteld LHBTIQ+ van het thematisch ambtsbericht van 14 februari 2025, staat dat de verslagperiode werd gekenmerkt door verdere staatsrepressie, toenemende haat vanuit de samenleving en een afnemende ruimte om zich te uiten en als gemeenschap te organiseren. Verder staat in dit hoofdstuk dat het Russische Hooggerechtshof op 30 november 2023 oordeelde dat de ‘internationale LHBT-beweging’ aangemerkt wordt als ‘extremistische organisatie’. De regenboog wordt gezien als een extremistisch symbool en is sindsdien verboden. Hoewel het hebben van een lhbtiq+- geaardheid of identiteit volgens de wet niet strafbaar is, wordt de wet door de Russische autoriteiten op arbitraire wijze toegepast. De lhbti+-gemeenschap past in toenemende mate zelfcensuur toe. Alleen door buiten de publiciteit te opereren, konden lhbtiq+-organisaties de gemeenschap nog (psychische) hulp bieden. De verwachting is dat lhtbi-personen als gevolg van de strafbaarstelling nog vaker slachtoffer zullen worden van geweldsmisdrijven en dat psychische en medische zorg aan deze groep nauwelijks mogelijk is, hooguit buiten het zicht van de autoriteiten.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat uit deze informatie blijkt dat de situatie in Rusland voor lhbti ernstig is verslechterd sinds de uitspraak van het Russische Hooggerechtshof van 30 november 2023. In de beroepsgronden geeft eiser aan dat de organisatie ‘De Regenboogwereld’ zichzelf heeft opgeheven, uit vrees voor vervolging door de Russische autoriteiten. Omdat verweerder de voorgenoemde landeninformatie niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken, ontbreekt een actuele beoordeling van de vrees. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat in de ambtsberichten staat dat sinds de verdergaande strafbaarstelling van de ‘internationale LHBT-beweging’, lhbti-personen niet alleen al vanwege hun seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit strafbaar zijn gesteld, volgt de rechtbank dat niet, omdat in deze ambtsberichten ook staat dat deze verdergaande strafbaarstelling door de bevolking wordt gezien als legitimatie voor discriminatie, intimidatie en geweld en leidt tot verdere marginalisering van de gemeenschap….
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Rb Haarlem NL24.16857, 24.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24323
FGM is in 2015 strafbaar gesteld in Gambia. Hoewel uit het IND-rapport van 2022 volgt dat de strafbaarheidsstelling nog weinig effect had, heeft verweerder in de besluitvorming, het verweerschrift en ter zitting, voldoende gemotiveerd waarom daarvan anno 2025 niet meer kan worden uitgegaan. De conclusies in het rapport zijn gebaseerd op bronnen uit 2016, toen FGM pas net strafbaar was gesteld. Daarbij wijst verweerder erop dat in het rapport ook staat dat de Gambiaanse overheid in 2020 meer heeft gedaan om de competentie van rechtshandhavers te versterken en om de wetgeving rond FGM toe te passen. Daarmee kan volgens verweerder niet langer worden aangenomen dat de strafbaarstelling maar een beperkt effect heeft. Daarnaast heeft verweerder ter zitting benadrukt dat de Gambiaanse autoriteiten het verbod op FGM nog altijd handhaven.
Ook het bestaan van de NGO's Safe Hands for Girls en Think Young Women duidt op aandacht voor de veiligheid van vrouwen in Gambia. Deze organisaties zetten zich in voor preventie en bewustwording van FGM in Gambia. Daarnaast is onweersproken dat er hulplijnen werkzaam zijn die juist zijn gericht op het voorkomen en signaleren van FGM. Dat de bescherming tegen FGM niet volledig gegarandeerd wordt, doet niet af aan het voorgaande.
Het beroep is ongegrond.
Rb Middelburg NL24.21897, 11.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23747
Partijen zijn het erover eens dat de mate van willekeurig geweld in Mek’ele niet zo hoog is dat iemand door zijn enkele aanwezigheid daar al een reëel risico op ernstige schade loopt. Partijen zijn het er niet over eens of er in Tigray, en specifiek in Mek’ele, sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en van ‘een minder uitzonderlijke situatie’….
De Afdeling is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Mek’ele geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er vinden geen confrontaties plaats tussen reguliere strijdkrachten van een staat en een of meer gewapende groeperingen, dan wel een onderlinge strijd tussen twee of meer gewapende groeperingen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de incidenten en de criminaliteit in Mek’ele gekwalificeerd kunnen worden als willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister betoogt dan ook terecht dat de rechtbank niet voldoende heeft onderkend dat Mek’ele onder het beheer van de TIRA staat en dat de veiligheidssituatie daar beter is dan in de betwiste gebieden in Tigray. Uit de uiteengezette landeninformatie blijkt dat in het gebied onder beheer van de TIRA, waaronder Mek’ele, weliswaar aanzienlijke criminaliteit plaatsvindt, maar ook dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst duidelijk is verbeterd, met een significante daling van gewapende confrontaties, mensenrechtenschendingen en het aantal burgerdoden.
Daarnaast heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de zorgelijke humanitaire omstandigheden in Mek’ele het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. …
In dit geval heeft de minister voldaan aan de bewijslast om aan te nemen dat het niet aannemelijk is dat betrokkene bij terugkeer naar Mek’ele opnieuw als etnisch Tigreese zal worden vervolgd of ernstige schade zal ondervinden.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL23.29118, 22.4.25 is gegrond.
RvS BRS.25.000585, 17.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6058
zie ook RvS 202500654/1/V2, 17.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6187
Naar oordeel van de rechtbank bestaat onduidelijkheid over het referentiekader van eiser. De rechtbank vindt dat de brief van Kleur GGZ – in samenhang met de brief van de casemanager van eiser van Here to Support: Queer to Support – voldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat bij eiser sprake is van beperkingen die van invloed kunnen zijn op het vermogen van eiser om zijn asielrelaas adequaat naar voren te brengen…. Verder volgt uit de brief van de casemanager van eiser dat zij samen een overzicht hebben opgesteld, waardoor een duidelijker beeld ontstaat van de situatie van eiser. Hierbij heeft de casemanager gebruikgemaakt van speciale gesprekstechnieken. Hieruit blijkt dat eiser in staat is meer te verklaren wanneer hij op een aangepaste manier wordt benaderd/bevraagd. De rechtbank overweegt bovendien dat eiser consistent heeft aangevoerd dat hij het moeilijk vindt om uitgebreide verklaringen af te leggen en over zijn gevoelens te praten.
Het standpunt van de minister dat meer van eiser mocht worden verwacht, omdat hij twee dagen uitgebreid is gehoord, de vragen tijdens het gehoor op verschillende manieren zijn gesteld en duidelijk is uitgelegd wat van hem werd verwacht, volgt de rechtbank niet. Dat het gehoor met voldoende waarborgen was omkleed, betekent niet zonder meer dat meer van eiser kan of mag worden verwacht. Daarmee is immers nog niet duidelijk in hoeverre persoonlijke omstandigheden van invloed kunnen zijn op het vermogen van eiser om zijn relaas adequaat naar voren te brengen. …
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister niet in het standpunt dat van eiser meer verwacht kan en mag worden, omdat onduidelijk is welk referentiekader daarbij als uitgangspunt moet worden genomen. Het bestreden besluit is om die reden onzorgvuldig voorbereid. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond.
Rb Utrecht NL25.5781, 14.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23379
Naar aanleiding van het lichamelijk en psychisch onderzoek heeft het iMMO in relatie tot het asielrelaas van de vreemdeling de gradatie 'typerend' toegekend. Dat betekent dat de medische problematiek zeer waarschijnlijk kan worden verklaard door het asielrelaas van de vreemdeling. Uit de afdelingsuitspraak van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1472) volgt dat het antwoord van het iMMO op de B-vraag niet steeds voldoende inzichtelijk is, zodat de minister daar onder omstandigheden zonder nader medisch tegenonderzoek aan voorbij kan gaan.
Echter is het niet zo dat deze afdelingsuitspraak ook doorwerkt op de A-vraag. De stelling dat het iMMO alternatieve oorzaken ten onrechte terzijde heeft geschoven wordt niet gevolgd. Dit onderzoek betreft de vraag of er een causaal verband kan zijn tussen de medische problematiek van de vreemdeling in relatie tot het gestelde geweld in het land van herkomst. Het iMMO doet dus per definitie geen onderzoek naar andere oorzaken. De minister kan zonder onderbouwend medisch tegenonderzoek niet op goede gronden alternatieve oorzaken voor de medische problematiek van de vreemdeling aanwijzen. Daarmee heeft de minister onvoldoende betekenis toegekend aan het door de vreemdeling overgelegde iMMO-rapport.
Beroep gegrond.
Rb Den Bosch, Nl25.7067, 15.12.25
The possibility to establish an EU list of safe countries of origin is an important piece of the 2024 Migration and Asylum Pact which will start applying from 12 June 2026. The following countries will be designated as safe countries of origin at EU level: Bangladesh, Colombia, Egypt, India, Kosovo, Morocco and Tunisia. EU accession candidate countries are also designated as safe countries of origin at Union level, unless there is a situation of international or internal armed conflict in the candidate country.
Under the 2024 asylum procedure regulation, adopted as part of the Asylum and Migration Pact, member states must apply an accelerated procedure for applicants from a safe country of origin and may carry it out at the border or in transit zones.
Member states will still be able to have their own national lists of safe countries of origin with additional non-EU countries other than those on the EU list.
The EU list of safe countries of origin will begin to apply at the same time as the asylum procedure regulation, on 12 June 2026.
https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2025/12/18/asylum-policy-council-and-european-parliament-agree-on-eu-list-of-safe-countries-of-origin/, 18.12.25
De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag van appellante voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.
Appellante heeft de Marokkaanse nationaliteit en is in 2003 geboren in Marokko uit een bigaam huwelijk. Haar vader heeft de Nederlandse nationaliteit en haar moeder de Marokkaanse nationaliteit. Op 16 juni 2022 heeft appellante een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Rabat, Marokko. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat appellante meerderjarig was toen zij door haar vader werd erkend en daarom niet door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verworven. Het bigame huwelijk heeft wegens strijd met de openbare orde naar Nederlands recht geen rechtsgevolgen en biedt dus geen basis voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen appellante en haar vader.
Hoger beroep tegen Rb den Haag 23/5980, 6.6.24 ongegrond.
RvS 202404683/1/A2, 10.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:5978