Nieuws

RvS: moeder Franse zoon krijgt status want nieuwe legale partner garandeert inkomen

Deze Nigeriaanse woont ongehuwd samen met haar partner, van Soedanese nationaliteit. De partner heeft een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De vrouw en haar partner hebben twee minderjarige dochters. Daarnaast heeft zij uit een eerdere relatie een minderjarige zoon met de Franse nationaliteit. De vrouw heeft een vergunning gevraagd om bij haar zoon, die burger van de Unie is, te verblijven en beroept zich daarbij op het inkomen van haar partner. Deze uitspraak gaat over de vraag of de vreemdeling en haar zoon geacht kunnen worden over dit inkomen te beschikken.

Het staat vast dat de vreemdeling op één adres woont met haar partner, haar zoon en hun twee minderjarige dochters, en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Verder is niet in geschil dat de partner op basis van een detacheringsovereenkomst werkt als chauffeur bij een gemeente en beschikt over een inkomen. Dat hij de kostwinner van het gezin is en ook de zoon van de vreemdeling onderhoudt, wordt bevestigd door de overgelegde stukken, waaronder polisbladen van een zorgverzekering van de zoon, waarop de partner is vermeld als verzekeringnemer, en betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij de ouderbijdrage voor de basisschool heeft betaald. Ook heeft de vrouw bankafschriften overgelegd, waaruit blijkt dat haar partner vrijwel maandelijks een bedrag van € 50,00 heeft gestort op de bankrekening van haar zoon.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling en haar zoon niet kunnen beschikken over de middelen van haar partner. De grief slaagt.

RvS 201800455/1/V3, 18.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3076

Rb: voor Chavez is affectieve relatie met vader belangrijk, niet juridisch vaderschap

Eiser heeft aangevoerd dat hij een Nederlandse partner en een pas geboren zoontje met de Nederlandse nationaliteit heeft. Hij heeft een faciliterend visum aangevraagd omdat hij aanspraak wil maken op verblijf in Nederland op grond van het arrest Chavez-Vilchez.

De rechtbank oordeelt eerst dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij juridisch dan wel biologisch vader van zijn gestelde zoontje is. Ook heeft verweerder eiser terecht geen DNA-onderzoek aangeboden.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt de rechtbank vervolgens af dat bij de vraag of een derdelander aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, enkel beoordeeld dient te worden of er tussen deze derdelander en de burger van de Unie een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat een ontzegging van het verblijfsrecht aan de derdelander tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten. Of eiser de juridische en/of biologische vader van zijn gestelde zoontje is, kan wel een relevant gegeven zijn, maar alleen in het kader van de beoordeling van de gestelde afhankelijkheid. Verweerder heeft dus ten onrechte de afhankelijkheidsverhouding niet beoordeeld. Beroep gegrond.

Rb Arnhem AWB 18/4239 en AWB 18/5852, 2.10.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:11833

RvS: geen vergunning bij NLse partner op grond van EU-recht, onvoldoende afhankelijk

De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van een bestuursorgaan feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten. Dit geldt niet alleen in situaties waarbij een minderjarige burger van de Unie betrokken is (zie het arrest Chavez-Vilchez), maar ook in uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie met een meerderjarige burger van de Unie. Uitgangspunt daarbij is evenwel dat meerderjarigen in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval op goede gronden aangenomen dat [partner] aan artikel 20 van het VWEU geen rechten kan ontlenen. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris reeds eerder had geoordeeld dat [partner] een dergelijk recht niet toekomt. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan in een dergelijke situatie aanleiding bestaan om hierop een uitzondering te maken. Deze doen zich hier niet voor. Het betoog faalt.

RvS 201709258/1/A2, 5.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2929

Rb: mogelijk risico voor vervolging als Gülen-aanhanger in Turkije

De vreemdeling vreest als Gülenist voor vervolging. Hij heeft documenten overlegd waaruit blijkt dat hij wordt van verdacht van lidmaatschap.

Overwogen wordt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aannemelijk te maken dat hij wordt gezocht door de autoriteiten zodat onvoldoende is gemotiveerd waarom hem op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. Van belang hierbij is dat hij documenten heeft overgelegd waarvan de echtheid niet in twijfel is getrokken. Voorts zijn de verklaringen samenhangend en aannemelijk bevonden en in grote lijnen als geloofwaardig beschouwd. Gelet op het bovenstaande houdt de stelling dat niet aannemelijk is gemaakt dat terugkeer zal leiden tot strijd met art. 3 EVRM , geen stand.

Uit de bronnen blijkt dat er wellicht geen sprake is van een eerlijk proces en de staatssecretaris erkent dat niet duidelijk is welke rol het zijn van Gülenist zal spelen in het strafproces. Tot slot overweegt de rechtbank, in het verlengde van o.a. de uitspraak van rechtbank Utrecht van 28 juni 2018 (NL18.10464) dat de staatssecretaris dient te onderzoeken of je als Gülenist deel uitmaakt van een bevolkingsgroep waar in Turkije het risico bestaat op behandeling i.s.m. art. 3 EVRM.

Rb Roermond, NL18.13279, 2.10.18
vgl Rb Roermond, NL18.13278, 2.10.18
vgl Rb Roermond, NL18.13280, 2.10.18

RvS: Somalische vrouw die zonder haar man terugkeert geldt niet als alleenstaand

De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling is gehuwd en ook feitelijk een relatie heeft met haar echtgenoot met wie zij, zoals zij zelf ter zitting bij de rechtbank nogmaals heeft bevestigd, hier in Nederland samenwoont. Evenzeer terecht heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de verblijfsvergunning van de echtgenoot niet is verleend op asielgerelateerde gronden. Indien dergelijke gronden niet in de weg staan aan terugkeer, kan onder die omstandigheden tot uitgangspunt worden genomen dat de vreemdeling niet als alleenstaand is te beschouwen. Dat de echtgenoot ter zitting bij de rechtbank heeft gezegd niet met de vreemdeling mee te zullen gaan, maakt niet dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het asielrelaas met de gezinssamenstelling, zoals deze thans is in Nederland, geen rekening hoeft te houden of mag houden.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris er vanuit moet gaan dat de vreemdeling een alleenstaande vrouw is, zoals bedoeld in het beleid.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
RvS 201709051/1/V2, 28.9.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:3164

SvJ&V: nieuw asielbeleid China

Leden van oppositiepartijen, politieke activisten, dissidenten en mensenrechtenadvocaten worden aangemerkt als risicogroep. Het ambtsbericht meldt dat de situatie voor leden van bovenstaande groepen in de beschreven periode is verslechterd.

Van de groep politieke activisten en dissidenten kunnen journalisten en bloggers deel uitmaken indien zij zich in hun publicaties als zodanig uiten, bijvoorbeeld door het leveren van significante kritiek op de overheid en/of de partij. In dat geval, en als zij door de overheid als dissident of politiek activist worden aangemerkt, vallen zij onder die risicogroep.

WBV 2012/11 in Staatscourant 54606, 28.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-54606.html

SvJ&V: rol Raad voor Kinderbescherming in vreemdelingenzaken

De RvdK formuleert geen voorwaarden voor terugkeer, maar doelen die door ouders (of andere gezagsdragers) met behulp van hulpverlening moeten worden behaald om zorgen over de ontwikkeling van het kind af te wenden.

De IND en DT&V en de RvdK krijgen bij de uitvoering van hun taken ieder vanuit hun eigen context te maken met het belang van het kind. De RvdK komt op voor de belangen van het kind en stelt een rapport op over hoe een stabiele en veilige ontwikkeling van het kind kan worden geborgd. De IND en DT&V houden rekening met de positie van minderjarigen door het belang van het kind een duidelijke plaats te geven in verschillende beleidskaders en in de wijze waarop vreemdelingenrechtelijke procedures, inclusief de voorbereiding van het vertrek, zijn ingericht. Dat wil evenwel niet zeggen dat dit belang in de toelatingsprocedure dan ook altijd de doorslag behoeft te geven ten aanzien van het verlenen van verblijf.

Dit verschil in context betekent geenszins dat de autoriteit van de RvdK om op te komen voor het belang van het kind niet door haar partners in de migratieketen wordt gerespecteerd of vice versa. De RvdK, IND en DT&V werken al geruime tijd samen in vreemdelingrechtelijke zaken, waarin het belang van het kind een rol speelt. Hierbij wordt algemene kennis over en weer actief gedeeld.

antwoord kamervraag 79, 26.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20182019-78.html

WBV 2018/10: automatische intrekking asielvergunning na afloop beschermingsstatus

Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2017 (201607681/1/V3) wordt direct na het verlopen van de geldigheidsduur van de asielvergunning voor bepaalde tijd automatisch een intrekkingsprocedure opgevoerd om te beoordelen of de beschermingsstatus kan worden beëindigd. De beschermingsstatus wordt beëindigd als de IND geen contact met de vreemdeling kan krijgen.

Om ervoor te zorgen dat een vreemdeling tijdig een aanvraag indient om verlenging (of voor onbepaalde tijd) en op de hoogte is van de consequenties als de aanvraag niet op tijd is, verstuurt de IND sinds begin 2018 drie maanden voor het verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning een brief aan de vreemdeling. In deze brief wordt de vreemdeling gewezen op het feit dat de geldigheidsduur verloopt en wat de consequenties zijn van het niet tijdig indienen van een aanvraag om verlenging of voor onbepaalde tijd. De nieuwe werkwijze heeft ook gevolgen voor de ingangsdatum van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur. Als de beschermingsstatus nog niet definitief is beëindigd en er wordt alsnog een aanvraag ingediend om verlenging zal de intrekkingsprocedure worden geannuleerd en de aanvraag om verlenging worden beoordeeld. Als aan de voorwaarden voor verlenging wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend met als ingangsdatum de dag na afloop van de asielvergunning.

WBV 2018/10, 20.9.18 in staatscourant 52887, 25.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-52887.html

MvVWS: Rijksrapportage voor Istanbul Verdrag

Het Istanbul Verdrag beschermt de rechten van slachtoffers van huiselijk geweld, ook slachtoffers zonder verblijfsvergunning. Dit jaar moet Nederland rapporteren over de stand van zaken. Uit het rapport:

‘Zowel het Verdrag van Istanbul als de eerdergenoemde Europese richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten verbieden de lidstaten bij het toekennen van opvangvoorzieningen voor slachtoffers van huiselijk en eergerelateerd geweld onderscheid te maken tussen slachtoffers op grond van hun verblijfstatus.

De groep slachtoffers van huiselijk geweld die in afwachting is van een verblijfsvergunning, valt nu buiten de Wmo 2015. Wel is voorzien in de mogelijkheid bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) te regelen om deze categorie slachtoffers wel toe te laten tot opvangvoorzieningen (artikel 1.2.2.). VWS en JenV hebben onlangs besloten een dergelijke AMvB op te gaan stellen en zo de Wmo 2015 in overeenstemming te brengen met het Verdrag en de Richtlijn. Deze AMvB zal bepalen dat slachtoffers van huiselijk en eergerelateerd geweld recht hebben op opvang in de periode dat zij in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag tot een verblijfsvergunning. Daarvoor wordt vanaf 2018 structureel € 2,5 miljoen per jaar toegevoegd aan de decentralisatieuitkering vrouwenopvang, zodat gemeenten de middelen krijgen om deze groep op te vangen. Dit bedrag is gebaseerd op een onderzoek naar de omvang van de betreffende groep18. Het streven is de AMvB in 2019 in te laten gaan.’

Zie ook op blz 61 aantallen vergunningen voortgezet verblijf na huiselijk/ eergerelateerd geweld.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-854525.pdf, 6.9.18

SvJ&V: Begroting 2019 over BBB

Constructieve gesprekken met de VNG moeten leiden tot een afspraak waarmee Rijk en gemeenten gezamenlijk de 8 geplande Landelijke Vreemdelingen Voorzieningen (LVV's) stap voor stap in de praktijk ontwikkelen. Met de LVV's wordt een netwerk van voorzieningen beoogd waarin vreemdelingen zonder recht op verblijf worden begeleid naar een duurzame oplossing en daarbij tijdelijk onderdak krijgen. Deze ontwikkeling maakt onderdeel uit van de opgave «Nederland en migrant voorbereid» in het Interbestuurlijk Programma (IBP).

Kamerstuk 35000-VI nr. 2, 18.9.18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35000-VI-2.html

Pagina's