Nieuws

RvS: mogelijk risico transgender in Colombia

De vreemdeling heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat ze transvrouw is en daardoor in Colombia problemen heeft ondervonden. Zo heeft ze problemen ondervonden met de politie in relatie tot haar werk in de straatprostitutie waarbij ze is geslagen, afgeperst en seksueel misbruikt. In de tweede plaats heeft ze problemen ondervonden door een man die deel uitmaakt van de Desmovilizados, een groep ex-guerrillastrijders. Ten derde beroep de vreemdeling zich op de algehele discriminatie van transgenders in Colombia. De vreemdeling heeft zeer veel informatie en rapporten overgelegd.

De staatssecretaris acht de feiten en omstandigheden van het asielrelaas geloofwaardig maar stelt dat niet is gebleken dat LHBTI-ers in Colombia hebben te vrezen voor vervolging of schending van 3 EVRM of dat zij geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet is gebleken dat de discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor de vreemdeling onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Zij had huisvesting, heeft een eigen schoonheidssalon kunnen opzetten en had contact met haar ouders en zus. Met betrekking tot de bescherming van de autoriteiten is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris de in de zienswijze overgelegde informatie onterecht terzijde heeft geschoven telkens met de repeterende formulering dat uit de informatie niet volgt dat een transgender in Colombia enkel vanwege zijn seksuele identiteit te vrezen heeft voor vervolging en dat sprake is van vooruitgang in de positie van de LHBTI-gemeenschap. De rechtbank overweegt dat de rapporten die partijen hanteren op het punt van bescherming die de Colombiaanse autoriteiten aan LHBTI-ers bieden niet eenduidig zijn. Over de algemene situatie in Colombia (van LHBTI-ers) is geen actueel algemeen ambtsbericht voorhanden. Evenmin heeft de staatssecretaris geconcretiseerd wat de verbeteringen ten opzichte van de eerdere situatie in de onderliggende vreemdelingrechtelijke context betekenen. Bovendien is erkend dat het vermogen van de Colombiaanse overheid om mensen te beschermen tegen mensenrechtenschendingen die begaan zijn door voormalig leden van paramilitaire groeperingen beperkt is door een inefficiënt rechtssysteem. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderbouwd dat in Colombia in zijn algemeenheid bescherming wordt geboden tegen mensenrechtenschendingen van de LHBTI-gemeenschap.

Rb Roermond (MK), NL17.12618, 25.5.18
Hoger Beroep Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201805177 1, 14.3.19

RvS: kwetsbare alleenstaande Hazara loopt risico bij terugkeer, geen familie in Afghanistan

De vreemdeling is een minderjarige Hazara en sjiiet. De staatssecretaris stelt dat Hazara’s en sjieten niet als risicogroep worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat hij gelet op zijn chronische en complexe PTSS die gepaard gaan met sociale en psychische problematiek en gelet op zijn leeftijd (15), bijzonder kwetsbaar is in Afghanistan. Door die kwetsbare positie bestaat een reëel risico dat de vreemdeling zich aldaar niet kan handhaven, zodat hij bij terugkeer een reëel risico op 3 EVRM loopt. Van belang is daarbij dat de moeder al enige tijd in Iran verblijft. Volgens de staatssecretaris kan de vreemdeling bij de moeder verblijven, maar kan van de moeder niet verlangd worden dat zij terugkeert naar Afghanistan nu zij het land heeft verlaten zonder toestemming van de echtgenoot en samen met de kinderen voor de stiefvader van de vreemdeling is gevlucht. De staatssecretaris heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling in Afghanistan kan worden bijgestaan door een familielid en dat er adequate opvang is. Ook acht de rechtbank artikel 39 van het IVRK van belang, gelet op de misbruiksituatie die de vreemdeling is ontvlucht. Niet is gebleken dat er een weging en beoordeling van deze belangen is gemaakt door de staatssecretaris.

De Afdeling stelt dat de hoger beroepen kennelijk ongegrond zijn.
ABRvS, 201802183/1/V2, 28.2.19

RvS: IND moet oordelen of verwestering Afghaanse vrouw voortkomt uit innerlijke overtuiging

Verweerder heeft erkend dat een verwesterde levensstijl van vrouwen onder de vervolgingsgronden ‘godsdienst’ en ‘politieke overtuiging’, zoals bedoeld in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag, kan vallen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de stelling van een vreemdeling dat zij na verblijf van langere duur in Nederland is verwesterd, op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging op politieke dan wel godsdienstige gronden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat naast het aannemen van een westerse levensstijl ook sprake moet zijn van een innerlijke godsdienstige overtuiging of een oprechte politieke opvatting op grond waarvan de vreemdeling zich niet langer kan conformeren aan de heersende regels of normen van de religie in haar land van herkomst. Dat volgt immers al op zichzelf uit de vervolgingsgronden ‘godsdienst’ of ‘politieke overtuiging’, zoals bedoeld in artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag. Indien geen sprake is van een dergelijke oprechte godsdienstige overtuiging of politieke opvatting, kan verweerder van de vreemdeling verwachten dat zij zich bij terugkeer naar haar land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen.

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van verweerder over de wijze waarop hij de gestelde godsdienstige overtuiging of politieke opvatting die verband houdt met verwestering van een vreemdeling onderzoekt en beoordeelt, is het voor de rechtbank nu niet mogelijk effectief te toetsen hoe verweerder in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een dergelijke godsdienstige overtuiging of politieke opvatting als asielmotief.

De omstandigheid dat eiseres in Afghanistan ruim acht jaar als vrouwenrechtenactiviste werkzaam is geweest, hetgeen verweerder geloofwaardig heeft geacht, is naar het oordeel van de rechtbank een sterke aanwijzing dat eiseres een dergelijke oprechte, politieke mening heeft. Verweerder zal dit nader moeten onderzoeken en moeten motiveren waarom daarvan volgens hem niettemin geen sprake (meer) is. Verweerder heeft dit nagelaten, nu hij eiseres hierover niet nadrukkelijk vragen heeft gesteld en in de kern heeft volstaan met het standpunt dat hij niet aanneemt dat zij haar politieke overtuiging bij terugkeer nog wenst te uiten.

Rb Haarlem NL17.8069 en NL17.8072, 29.6.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:7813

vovo toegewezen: ABRvS 201805606/2/V2, 27.7.18
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:2536

Hoger Beroep Staatssecretaris afgewegen: ABRvS, 201805606/1, 13.3.19

Rb: IND moet ingenomen ID-document teruggeven zodat bewijsmateriaal gevonden kan worden

De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Gülenist is. Na de coupepoging van 15 juli 2016 hebben de Turkse autoriteiten minimaal 28 strafzaken tegen hem aangespannen. Hij is veroordeeld tot gevangenisstraf en vreest bij terugkeer te worden gedetineerd. Dit acht de staatssecretaris ongeloofwaardig. Uit het individueel ambtsbericht (IAB) blijkt dat de vreemdeling niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en dat de overgelegde tenlastelegging vals is.

De vreemdeling voert aan dat hij de inhoud van het IAB kan weerleggen door de staatssecretaris toegang te geven tot zijn E-devlet, het elektronische portal van de Turkse overheid. Hij beschikt echter niet over de toegangscodes en om deze aan te vragen bij het Turkse consulaat heeft hij de identiteitskaart nodig die is ingenomen door de staatssecretaris. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris het beginsel van ‘equality of arms’ schendt nu hij niet gereageerd heeft op het verzoek de identiteitskaart ter beschikking te stellen.

De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris heeft aan zijn besluit het IAB ten grondslag gelegd waaruit o.a. blijkt dat de vreemdeling in de provincies Aydin en Balikesir niet is veroordeeld, wordt verdacht of wordt gezocht voor een misdrijf. Onderzoek naar deze vragen elders in Turkije was niet mogelijk, aldus het IAB. Een IAB kan worden aangemerkt als deskundigenadvies. Het is aan de vreemdeling het IAB te weerleggen. Uit de Afdelingsuitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) volgt dat de kern van het beginsel van ‘equality of arms’ erin is gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan m.b.t. de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen.

De rechtbank stelt voorop dat zij de staatssecretaris volgt in zijn standpunt dat de vreemdeling tot op heden niet heeft onderbouwd dat hij te vrezen heeft voor vervolging omdat hij een Gülenist zou zijn. De (nadere) motivering van het besluit kan de weigering van de staatssecretaris om aan de vreemdeling tijdelijk zijn identiteitskaart ter beschikking te stellen echter niet dragen. Het belang van de vreemdeling om tijdelijk de beschikking te krijgen over zijn identiteitskaart is groter dan het belang van de staatssecretaris om dit verzoek te weigeren. Hierbij betrekt de rechtbank dat het IAB slechts twee provincies bestrijkt en de algemene situatie van vermeende Gülenisten in Turkije als beoordeeld bij de Afdeling op 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:377). Niet kan worden uitgesloten dat zij een risico lopen op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Om schending van het beginsel van ‘equality of arms’ te voorkomen dient de staatssecretaris de identiteitspas van de vreemdeling tijdelijk en onder voorwaarden aan hem ter beschikking te stellen.

Rb Haarlem, NL19.4303, 22.3.19

SvJ&V: werkwijze bij herhaalde aanvraag

In de uitspraak van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2098, heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geoordeeld dat het bij de IND indienen van het model M35-O een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als gevolg van deze uitspraak heeft de voorheen toegepaste procedure, waarbij de vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wilde indienen de IND hiervan schriftelijk in kennis moest stellen alvorens een aanvraag te kunnen indienen, niet langer gelding. In het beleid is nu opgenomen dat het indienen van het model M35-O geldt als indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tevens is in deze paragraaf verduidelijkt dat een tweede of volgende aanvraag moet worden ingediend met een volledig ingevuld model M35-O bij gebreke waarvan de werkwijze als beschreven in paragraaf C2/8 Vc wordt toegepast.....

Na de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2098, zag de IND zich geconfronteerd met een aanzienlijke stijging van het aantal tweede of volgende asielaanvragen, waarbij een significant aantal vreemdelingen zich in persoon heeft gemeld op het AC te Ter Apel zonder dan wel met een zeer incompleet ingevuld formulier M35-O. Daarbij gaf een aanzienlijk aantal vreemdelingen te kennen dat het hen met name te doen was om het verkrijgen van opvang. De in deze paragraaf beschreven uitgangspunten voor het buiten behandeling stellen van onvolledige tweede of volgende aanvragen is een reactie op deze onwenselijke situatie en is daarnaast bedoeld om alleen aanvragen die compleet zijn via de in artikel 3.118b Vb bedoelde procedure te behandelen om vertragingen te voorkomen.

De vreemdeling wordt zowel middels het model M35-O alsmede naar aanleiding van een voornemen in gelegenheid gesteld zijn aanvraag compleet in te dienen dan wel te completeren (conform artikel 3.45b, eerste lid, VV). Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij binnen de daartoe gestelde termijn zijn aanvraag completeert, bij gebreke waarvan de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld. Uit de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574 en 12 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:828, volgt dat deze werkwijze in lijn is met wet- en regelgeving.

WBV 2019/5, 21.3.19 in staatscourant 16905, 29.3.19
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-16905.html

Rb: wel presentatie mogelijk tijdens beroepsfase, tenzij problemen met autoriteiten gesteld

Het belang van de wetgever om terugkeer spoedig te kunnen laten plaatsvinden in het geval de negatieve beslissing in de rechterlijke procedure wordt bevestigd, acht de voorzieningenrechter redelijk. De voorzieningenrechter acht het ook niet zonder meer in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, dat gedurende de (beroeps-)fase waarin de terugkeerverplichting is opgeschort, van een vreemdeling wordt verlangd medewerking te verlenen aan de voorbereiding van de terugkeer.

Dit laat evenwel onverlet dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van de terugkeer een potentieel ernstige aantasting betekent van de aan een verzoeker om internationale bescherming toekomende rechten. Dit doet zich voor in het geval een vreemdeling die stelt in het land van herkomst in een negatieve belangstelling te hebben gestaan van de autoriteiten, gedurende de beroepsfase gehouden zou zijn in contact te treden met (de vertegenwoordiging van) deze autoriteiten.

Een dergelijke situatie doet zich in het geval van verzoekers echter niet voor. Daarnaast zijn verzoekers niet gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de Afghaanse vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van hun verblijf in Nederland. Ook wijst verweerder er terecht op dat van een vertrek of uitzetting op dit moment geen sprake is. Het gaat enkel om voorbereidende handelingen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar tegen de voorgenomen presentatie van verzoekers bij de Afghaanse ambassade geen redelijke kans van slagen heeft. Dit leidt ertoe dat de verzochte voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Rb Rotterdam vk19.1287, 5.3.19
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2130

Rb: schrijnend ivm langdurig verblijf sinds minderjarigheid; overheid mede schuld aan lange procedure

Twee Chileense zussen hebben zich in 2002 met hun moeder bij hun vader gevoegd toen zij 5 en 8 jaar oud waren. Zij hebben meerdere aanvragen gedaan welke niet hebben geleid tot een verblijfsvergunning. De zussen verblijven niet meer bij hun ouders, maar bij hun rechtmatig in Nederland verblijvende tante.

De rechtbank neemt een zelfstandig besluit. De procedure van eiseres I loopt al vanaf september 2015. Dat is een lange tijd, zeker voor een jongvolwassene met ernstige psychische problemen. Dat deze problemen in bepaalde mate samenhangen met de duur van de verblijfsprocedure acht de Rb niet uitgesloten. Daarvoor biedt het door eiseressen overgelegde rapport van de RUG aanknopingspunten. O.g.v. een overtuigende weergave van de situatie door eiseres II acht de Rb ook aannemelijk dat een en ander psychologische gevolgen voor eiseres II heeft. Eiseressen hebben dus een groot belang bij een definitieve beslissing in deze beroepsprocedures.

De SvJ&V heeft al drie keer een gebrekkige beslissing op bezwaar op het besluit van eiseres I genomen. Bij het laatste besluit is dat zelfs gepaard gegaan met het niet in acht nemen van een uitspraak van de Rb. Dat doet geen recht aan het gerechtvaardigde belang van eiseressen om uitsluitsel te krijgen over hun verblijfspositie. Het is niet opportuun om verweerder een vierde keer op het bezwaar te laten beslissen. Hoewel dit anders ligt bij de zaak van eiseres II, is het niet in het belang van eiseressen om voor de afdoeningswijze een onderscheid te maken tussen beide zaken. De feiten en omstandigheden van de zaken vertonen bovendien zoveel overlap dat ook om die reden een zelfde uitspraak kan worden gedaan. De band tussen eiseressen wijst erop dat beslissingen in beide zaken elkaar over en weer beïnvloeden. Verder bieden de feiten en omstandigheden voldoende grond om thans zelf tot verlening van de door hen aangevraagde vergunningen over te gaan. Bovendien is de ruimte die verweerder nog heeft om tot een andere belangenafweging te komen, zeer beperkt.

Vast staat dat er sprake is van zeer sterke banden met Nederland die voor het leeuwendeel zijn ontwikkeld gedurende de minderjarigheid van eiseressen. Dat dit tijdens onrechtmatig verblijf is geweest mag hen niet worden tegengeworpen. Voor zover dit tijdens meerderjarigheid heeft voortgeduurd is van belang dat eiseressen hebben meegewerkt aan hun vertrekplicht. Daarmee komt hun langdurig verblijf in Nederland in de sfeer van de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. In ieder geval kan niet worden volstaan met de tegenwerping dat de banden die eiseressen met Nederland hebben inherent zijn aan langdurig verblijf. De Nederlandse overheid heeft immers ook een verantwoordelijkheid bij het waarnemen van zijn belangen bij handhaving van de vreemdelingenwetgeving. De banden die eiseressen met Chili hebben zijn verder beperkt sinds hun komt naar Nederland niet terug zijn geweest. Dat zij een basisniveau van Spaans beheersen en familie in Chili hebben, weegt niet op tegen de zeer sterke banden die zij met Nederland hebben. De belangenafweging dient in het voordeel van eiseressen uit te vallen.

Beroepen gegrond; verleent aan eiseressen verblijfsvergunningen onder de beperking 'humanitair niet-tijdelijk' met als duur vijf jaren, m.i.v. datum van deze uitspraak.

VK Rb Den Haag zp Amsterdam, AWB 18/6967, AWB 18/6968, AWB 18/4642, AWB 18/3286, 22.2.19

Rb: toegang tot medicijnen in Guinee onvoldoende gegarandeerd

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval NL onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de benodigde medicijnen. Eisers specifieke omstandigheden zijn nog niet concreet en specifiek betrokken bij de vraag of en zo ja in welke mate eiser daadwerkelijk toegang zal hebben tot de in Guinee beschikbare zorg.

Eisers relaas, waaronder de problemen met zijn familie, is geloofwaardig geacht en het is daarom zeer de vraag is of er in zijn situatie gesproken kan worden van een sociaal (familiaal) netwerk bij terugkeer naar Guinee. Eiser is inmiddels al een aantal jaren weg uit Guinee en hij heeft onweersproken gesteld dat hij sinds zijn vertrek ook geen contact meer heeft gehad met familie en kennissen en vrienden. Verweerder heeft geopperd dat zijn zus die daar nog woont mogelijk (financiele) hulp kan bieden bij terugkeer bij het verkrijgen van toegang tot medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een omstandigheid die meegenomen kan worden in het nadere onderzoek dat zal moeten gebeuren, maar vormt de enkele informatie dat er een zus is onvoldoende basis om uit te gaan van een sociaal en/offamiliaal netwerk in Guinee.

Daarnaast is ook de vraag of hij toegang zal hebben tot de in het BMA genoemde betaalde zorg en medicatie. Eiser heeft gesteld dat hij geen geld heeft en niet beschikt over vermogen - in welke vorm ook - in Guinee, Het land dat hij ooit bezat heeft hij verkocht om met de opbrengst daarvan naar Nederland te kunnen vluchten. Verweerder gaat er ondertussen vanuit dat eiser in staat is in Guinee te gaan werken om daar medicijnen te kunnen bekostigen. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder deze stelling niet zonder nadere motivering kan gebruiken teronderbouwing van zijn standpunt gelet op de ernstige psychische situatie van eiser zoals die blijkt uit de rapportages van BMA en zijn informatie van zijn psychiater. In dit verband acht de rechtbank ook nog van belang dat eiser -onweersproken- heeft gesteld dat hij alleen kan functioneren dankzij de steun en de hulp van een vriend met wie hij samenwoont en die hij ook zijn mantelzorger noemt. Uit het BMAadvies blijkt dat eisers medicijnen allemaal bij 'private facilities' beschikbaar zijn. In het licht van de specifieke omstandigheden van deze zaak roept dit de vraag op en in welke mate eiser tot deze medicatie daadwerkelijk toegang zal hebben.

Het ligt onder deze omstandigheden op de weg van verweerder om de gerezen twijfel over de (mate van) daadwerkelijke toegang voor eiser tot de medische zorg in Guinee weg te nemen. Het EHRM spreekt in het arrest Paposhvili van een nauwkeurig onderzoek ('close scrutiny') in het licht van de algemene situatie en de persoonlijke omstandigheden. Het is dus aan verweerder om, zo nodig met behulp van het BMA, na te gaan of eiser, in het licht van de specifieke individuele omstandigheden van deze zaak, daadwerkelijk toegang heeft tot de voor hem noodzakelijke zorg. Daarbij dienen ook de kosten van zorg (medicatie en behandeling) en de afwezigheid van een sociaal en/of familiaal netwerk te worden betrokken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vemietigt het betreden besluit.
Rb Haarlem AWB 18/7401 (beroep) AWB 18/7402 (voorlopige voorziening), 6.3.19

RvS: geen bescherming tegen eerwraak mogelijk in Irak

De staatssecretaris stelt dat het asielrelaas geloofwaardig is, maar dat de problemen met zijn schoonfamilie onvoldoende zwaarwegend zijn. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling voor zijn vertrek uit Irak onvoldoende inspanningen verricht om de bescherming in te roepen van de Iraakse (hogere) autoriteiten of van zijn stam. Ter zitting heeft de staatssecretaris meer specifiek verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Irak van 2016 en 2013, waaruit blijkt dat eermoord strafbaar is en strafrechtelijk wordt vervolgd.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris niet nader heeft aangegeven uit welke passages uit het ambtsbericht blijkt dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten kan verkrijgen. Dat eermoord strafbaar is en strafrechtelijk wordt vervolgd biedt onvoldoende grond om vast te stellen dat de vreemdeling ten aanzien van de problemen met zijn schoonfamilie de bescherming van de autoriteiten kan worden geboden. Daarbij is van belang dat uit het landenbeleid volgt dat de IND voor de vreemdeling afkomstig uit Centraal en Zuid-frak in beginsel aanneemt dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of Internationale organisaties in Centraal en Zuid-Irak. De staatssecretaris stelt dat dit beleid ziet op bescherming ten aanzien van oorlogsgeweld. Daarmee is niet gezegd dat het niet mogelijk is voor de autoriteiten om bescherming te bieden in "gewone" conflictsituaties. Dit zou ook blijken uit de woorden 'in beginsel' zoals opgenomen in dit beleid. De rechtbank oordeelt dat dit gemaakte onderscheid niet volgt uit het beleid. Ook anderszins zijn voor een dergelijk onderscheid geen aanknopingspunten te vinden.

Voor zover de staatssecretaris stelt dat de vreemdeling zich tot zijn stam kan wenden voor bescherming, oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is gemotiveerd dat in het algemeen een stam een gelijke bescherming kan bieden als de autoriteiten. Uit die verwijzingen blijkt immers niet meer dan dat tribale geschil-beslechting voorkomt. Niet blijkt dat de bescherming van de tribale geschilbeslechting gelijkgesteld dient te worden met de bescherming van de autoriteiten. Reeds hierom is de motivering ontoereikend.

Rb. Den Haag, NL17.8385, 23.2.18
HB Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201802473/1, 26.2.19

RvS: Koerdische moslims uit Centraal-Irak kunnen zich niet altijd vestigen in de KAR

Op 12 augustus 2014 heeft de vreemdeling deze (vierde) aanvraag ingediend. Vervolgens gold tot 15 oktober 2015 een besluit- en vertrekmoratorium voor Iraakse asielzoekers afkomstig van de provincie Bagdad, Anbar, Nimewa, Salahedding, Ta’mim (Kirkuk), Diyala en Babil. Op grond van de Afdelingsuitspraak van 28 september 2017 is het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en is geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een vestigingsalternatief heeft in de Koerdische Autonome Regio (KAR).

De rechtbank overweegt dat de vreemdeling afkomstig is uit het district Makhmour. De staatssecretaris neemt voor asielzoekers uit Ninewa en Makhmour geen binnenlands vestigingsalternatief aan, tenzij er aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd of de vreemdeling zich in de KAR kan vestigen (paragraaf C7/13.5.2).

Tussen partijen is in geschil of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen beroepen dat de vreemdeling een vestigingsalternatief heeft in de KAR. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden dat de vreemdeling een Koerdische moslim is die een Koerdische taal (Sorani) spreekt onvoldoende om als concrete aanknopingspunten voor een vestigingsalternatief te kunnen gelden. In casu is de vreemdeling niet geboren in de KAR, staat niet als inwoner geregistreerd in de KAR, is niet afkomstig uit het gebied dat de facto onder het bestuur van de Koeridische regionale overheid KRG staat en heeft geen familie in de KAR. De opsomming van aanknopingspunten is niet-limitatief, maar komt wel degelijk betekenis toe. Dat de vreemdeling een Koerdische moslim is en de Koerdische taal (Sorani) spreekt, zijn weliswaar juist maar onvoldoende om aan de vreemdeling een vestigingsalternatief tegen te werpen. De staatssecretaris heeft niet onderbouwd dat alle Koerden uit Centraal-Irak die een Koerdische taal spreken zich in de KAR kunnen vestigen. Het besluit wordt vernietigd.

Rb Groningen, NL18.7114 en NL18.7115, 25.5.18
HB Staatssecretaris ongegrond: ABRvS, 201804608/1, 26.2.19

Pagina's