De Afdeling overweegt als volgt. Een advies van Bureau Documenten is een en de minister mag in beginsel uitgaan van de juistheid hiervan, maar moet wel nagaan of dit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
In wat de vreemdeling heeft aangevoerd zijn voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. De vreemdeling heeft zijn stelling over de wijze waarop de documenten zijn aangevraagd en opgemaakt niet volledig onderbouwd met de overgelegde brief van de Egyptische advocaat, maar dit neemt niet weg dat de stelling wel een concreet aanknopingspunt voor twijfel is aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. Omdat de sporen van gelijktijdige opmaak en afgifte nu als enige reden worden gegeven bij drie van de vier documenten, sluit de motivering in het onderzoek van Bureau Documenten niet zonder meer aan op de conclusie over de opmaak en afgifte, waardoor er twijfel bestaat over de vraag of het onderzoek van Bureau Documenten concludent is.
De minister heeft met de vergewisbrief of haar toelichting in het verweerschrift niet deugdelijk gereageerd op het aanknopingspunt voor twijfel. Uit de vergewisbrief kan namelijk niet worden opgemaakt dat navraag is gedaan naar de mogelijkheid dat de stukken gelijktijdig uit een register zijn gehaald.
Hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.39323, 8.8.25 gegrond.
ABRvS BRS.25.001144, 5.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:583
De minister heeft zich in de vorige procedure gebaseerd op een taalanalyse van TOELT van 15 november 2019, waarin is geconcludeerd dat eiser op grond van zijn gebrek aan een beheersing op moedertaalniveau van het Krio eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen (Sierra Leone). … Eiser heeft een contra-expertise ingebracht.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt op de zitting dat geen sprake is van een deugdelijke contra-expertise omdat daarin in het geheel niet is gereageerd op de taalanalyse en er niets terugkomt over grammatica, woordgebruik en zinsopbouw. … Naar het oordeel van de rechtbank is sprake voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de taalanalyse van TOELT. De contra-experts hebben een beoordeling gemaakt van de zinsopbouw, woordkeuze en geografische kennis van eiser en zijn op basis daarvan tot een tegengestelde conclusie gekomen dan TOELT. ….
De gemachtigde van eiser heeft daarnaast ook gewezen op eisers lage IQ, waarvan ook de minister uitgaat. In de besluitvorming is op het punt van eisers taalgebruik en spraak niet inzichtelijk gemaakt welke waarde er wordt toegekend aan deze persoonlijke omstandigheid. ...
Het beroep is gegrond en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Rb Utrecht NL25.43623, 23.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1629
De rechtbank stelt allereerst vast dat het dossier van eiseres 1 geen EU-Vis registratie of visum bevat waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum heeft aangevraagd. …
In het geval van eiser en eiseres 2 bevat hun dossier wel een EU-Vis registratie waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum hebben aangevraagd. Zoals de minister stelt, mag hij in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie uit het EU-Vis, en het is aan eisers om tegenbewijs te leveren. De rechtbank stelt vast dat eiser en eiseres 2 een taskera hebben overgelegd die door de Koninklijke Marechaussee als echt is beoordeeld. …
De minister heeft in deze zaak enkel aangenomen dat de Indiase paspoorten echt zijn, omdat de Nederlandse ambassade een visum heeft verstrekt. Dit is echter niet verder onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de Indiase paspoorten van eisers niet meer in hun bezit zijn, zodat de minister geen onderzoek heeft kunnen doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers niet hebben aangetoond dat hun EU-Vis registratie onjuist is.
De beroepen zijn gegrond.
Rb Arnhem NL25.44290, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2451
Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser bevestigt dit ook in het gehoor. De Duitse autoriteiten hebben Nederland geïnformeerd dat er momenteel een intrekkingsprocedure loopt omdat eiser naar zijn land van herkomst (Syrië) is uitgereisd. Deze procedure staat op dit moment nog open. Momenteel beschikt eiser dus nog over een internationale beschermingsstatus in Duitsland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat alleen al om die reden voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is van een zodanige band met Duitsland dat het voor eiser redelijk zou zijn om terug naar Duitsland te gaan. Dat er een intrekkingsprocedure tegen eiser loopt in Duitsland doet hier niet aan af ….
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Rotterdam NL25.58849, 16.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2164
Eiseres vreest in Zweden voor haar leven, zij is bang dat ze daar door haar ex man en/of diens familieleden zal worden vermoord. De familie van haar ex man is omvangrijk en zij wonen overal in Zweden, ze zijn zeer agressief en er zijn meerdere gewelddadige voorvallen waar de broers van haar ex man bij betrokken zijn geweest. … De Zweedse autoriteiten zijn niet in staat om haar bescherming te bieden. Op basis van de relatie met haar ex man is aan eiseres een verblijfsvergunning toegekend in Zweden. De relatie is nu beëindigt en het is niet bekend of de Zweedse autoriteiten haar verblijfsvergunning hebben ingetrokken….
Ter onderbouwing van haar medische klachten heeft eiseres medische stukken van behandeling in Nederland overlegd. Uit de door haar overlegde stukken volgt dat er een vermoeden is van trauma- en stress-gerelateerde stoornissen bij eiseres. De stukken onderbouwen dat eiseres last heeft van reële angsten, paniekaanvallen die meerdere uren aanhouden, vermoeidheidsklachten, haaruitval, suïcidale klachten vanuit wanhoop en dat de angst om teruggestuurd te worden naar Zweden sterk op de voorgrond staat.
Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in de door eiseres onderbouwde psychische problematiek in samenhang met de traumatische ervaringen van eiseres met haar ex-partner in Zweden, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat overdracht aan Zweden van onevenredige hardheid getuigt. … Het gaat om de vraag of het aan Zweden overdragen van eiseres gelet op de ervaringen aldaar, de vrees en medische klachten niet van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt.
Rb Rotterdam NL25.57369, 30.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2167
Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Duitsland veel slechte ervaringen heeft gehad, zowel met de autoriteiten als met haar familie, en dat als gevolg daarvan haar psychische klachten ernstig zijn toegenomen. … Eiseres heeft in Duitsland een toegangsweigering met besluit tot verwijdering naar Irak gekregen en is enige tijd gedetineerd geweest. Deze slechte ervaringen van eiseres in Duitsland kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt….
Aan slechte ervaringen met de autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat komt naar het oordeel van de rechtbank echter wel betekenis toe bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als de vreemdeling met medische stukken aannemelijk maakt dat hij/zij daardoor psychische klachten heeft opgelopen en dat die klachten door de overdracht of de dreiging daarvan (zullen) verergeren. Eiseres heeft met de door haar in beroep overgelegde medische stukken aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in haar geval voordoet. Uit de door haar overgelegde verklaring van de psycholoog en de psychiater volgt dat haar psychische klachten, die in haar land van herkomst zijn ontstaan, door haar behandeling in Duitsland (detentie) zijn geactiveerd en dat die in Duitsland geactiveerde klachten in Nederland zijn geluxeerd door de dreigende uitzetting naar Duitsland, zich uitende in grote angstigheid en een toename van suïcidale gedachten.
Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in deze door eiseres onderbouwde psychische problematiek, die op zijn minst deels gerelateerd is aan haar behandeling in Duitsland en de dreiging van een overdracht aan Duitsland, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat de overdracht van eiseres aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Dat heeft verweerder niet gedaan. … De slotsom is dan ook dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in voormelde omstandigheden geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken.
Het beroep is gezien het voorgaande gegrond.
Rb Rotterdam NL25.50133, 13.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2174
Eisers hebben in België reeds vier keer asiel aangevraagd. Bij overdracht naar België zullen zij dan ook aangemerkt worden als Dublinterugkeerders met een herhaalde asielaanvraag. Eisers hebben er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport volgt dat Dublinterugkeerders die een opvolgende aanvraag indienen geen automatische toegang krijgen tot opvang. Zij kunnen zich inschrijven op een wachtlijst, waarna ze na veelal enkele maanden worden toegelaten tot een opvanglocatie. Uit het rapport volgt dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. Verweerder is op deze situatie in het bestreden besluit niet nader ingegaan en heeft ook niet betrokken in hoeverre het verstoken zijn van opvang in het belang is van de minderjarige kinderen van eisers. …
Verweerder heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat eisers kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten wanneer men geen opvang heeft en dat men tegen een weigering om opvang te verlenen rechtsmiddelen kan aanwenden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hierbij hetgeen de Afdeling daarover eerder heeft geoordeeld. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat alle asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen.
Gelet op het voorgaande bevatten de bestreden besluiten een motiveringsgebrek. De beroepen zijn daarom gegrond.
Rb Middelburg NL25.53034 en NL25.53036, 5.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2051
In deze zaak beoordeelt de rb het beroep van eiser tegen de weigering van de minister om hem het Nederlanderschap te verlenen. Eiser is geboren in 1962 in Parijs en bezit de Franse nationaliteit. Zijn moeder is geboren in 1940 in de Bilt en had ten tijde van haar huwelijk in 1961 de Nederlandse nationaliteit. Door dit huwelijk verloor zij automatisch haar Nederlandse nationaliteit. Eiser stelde dat hij in aanmerking komt voor het Nederlanderschap via optie, omdat zijn moeder oorspronkelijk Nederlands was. De minister wees dit af, omdat de moeder op het moment van eisers geboorte niet de Nederlandse nationaliteit bezat.
De rb bespreekt de toepasselijke regelgeving. Voor 1964 verloren vrouwen door huwelijk automatisch hun Nederlandse nationaliteit, terwijl mannen dat niet deden. Dit leidde tot ongelijke behandeling. Voor kinderen geboren voor 1 januari 1985 gold slechts een beperkte overgangsregeling, waarvoor eiser niet in aanmerking kwam.
Eiser voert aan dat de optieregeling in strijd is met art. 9 lid 2 van het VN-Vrouwenverdrag, omdat vrouwen ongelijk werden behandeld in het nationaliteitsrecht. De rb volgt dit standpunt en oordeelt dat art. 9 lid 2 van het VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking heeft en dat de voorwaarde in de RWN (dat de moeder bij geboorte van het kind Nederlands moet zijn) in dit geval in strijd is met dat verdragsartikel. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.
Rb Den Haag, SGR 24/9477, 22.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25577
Verzoekster heeft een art-64aanvraag ingediend, deze is afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de gevolgen van de afwijzing worden geschorst.
Verzoekster heeft verzocht om het vovo-verzoek met spoed te behandelen omdat zij haar onderdak bij de Tussenvoorziening in Utrecht dreigt te verliezen vanwege de negatieve beslissing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiermee het spoedeisend belang is gegeven.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister de door verzoekster verstrekte inlichtingen niet heeft bestreden. Gelet hierop en op de gestelde gevolgen die het bestreden besluit voor verzoekster heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Rb Utrecht NL25.60879, 16.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:692
In het vertrekgesprek van 8 december 2025 heeft eiser voor het eerst gehoord dat er geen beroep was ingesteld tegen het besluit dat verweerder had genomen op zijn aanvraag. Zijn asieladvocaat had een fout gemaakt en de termijn om rechtsmiddelen in te dienen laten verlopen. Eiser is daarop direct met zijn asieladvocaat en in overleg met het COA aan een nieuwe asielaanvraag gaan werken. Op 13 januari 2026 heeft eiser een dagkaart van het COA ontvangen om naar Ter Apel te reizen voor het indienen van zijn nieuwe asielaanvraag. ….
Het komt de rechtbank niet onaannemelijk voor dat de voorbereiding van de nieuwe asielaanvraag enige tijd in beslag heeft genomen en dat eiser daardoor die aanvraag niet eerder kon indienen. Dit mede gelet op de feestdagen eind december. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een plotselinge nieuwe asielaanvraag om uitzetting te frustreren, maar is het een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat eiser op de dag dat hij naar Ter Apel zou afreizen om zijn nieuwe aanvraag in te dienen in bewaring is gesteld. Hoewel uit de bewaringsgronden op zichzelf een risico op onttrekking volgt, wordt dit risico naar het oordeel van de rechtbank gerelativeerd door de aannemelijke verklaring van eiser over het voortzetten van zijn opvang tot hij zou afreizen naar Ter Apel. Eiser was ervan uitgegaan dat hij de behandeling van zijn nieuwe aanvraag in een AZC zou kunnen afwachten en wil dat ook. De rechtbank constateert verder dat verweerder op de zitting niet heeft betwist dat eiser zich aan alle afspraken met DT&V en het COA en aan zijn meldplicht heeft gehouden.
Gelet op dit alles, bezien in samenhang met de overige omstandigheden in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de bewaring nog steeds noodzakelijk is en dat er thans geen andere, minder ingrijpende, maatregelen mogelijk zijn om het (gerelativeerde) risico op onttrekking te ondervangen.
Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.2453, 22.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1305