De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië, op dit punt niet worden volstaan met het verwijzen naar het landgebonden beleid. Dit is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.
De minister heeft zijn standpunt, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn atheïsme, ook nog gebaseerd op de belofte van al-Sharaa dat eenieder ongestoord zijn religie kan blijven uitoefenen en op een grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 die vrijheid van geloof garandeert. De rechtbank oordeelt dat ook dit, mede in het licht van de recente ontwikkelingen en de onduidelijke machtsverhoudingen in Noordoost-Syrië, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat eiser niet vervolgd zal worden vanwege zijn atheïsme.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het beroep van eiser is daarom gegrond.
Rb Utrecht NL25.51035, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2607
Verweerder heeft in het aanvullend besluit gemotiveerd dat het voor eiser, ter behoud van zijn religieuze identiteit, niet noodzakelijk is dat hij zich Iran openlijk uit over zijn afvalligheid. De tussenuitspraak bood verweerder echter geen ruimte om hierover een nader standpunt in te nemen.
De tweede reden voor vernietiging van de besluiten is gelegen in de actuele situatie in Iran. Het ligt op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht.
Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Daarin dient verweerder een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken ten aanzien van de bekering van eiser en een risico-inschatting te maken ten aanzien van de geloofwaardige afvalligheid en de terugkeer vanuit het Westen, tegen de achtergrond van de actuele situatie en gebeurtenissen in Iran. Beroep gegrond.
Rb Rotterdam NL24.33712, 5.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2065
Verweerder volgt eiser in zijn verklaring dat hij gedurende zo’n acht maanden bijna dagelijks heeft deelgenomen aan demonstraties. De duur van deze periode en de frequentie van het demonstreren roepen de vraag op waarom dit als marginaal wordt gezien, ook als aangenomen moet worden dat eiser een niet van andere demonstranten te onderscheiden rol had tijdens deze demonstraties en hij buiten het demonstreren geen andere politieke activiteiten heeft verricht.
Voorts ziet de rechtbank zonder nadere motivering niet in waarom de omstandigheid dat eiser zich in Nederland nog niet politiek heeft geuit, zou onderstrepen dat hij slechts een matige politieke overtuiging heeft. Daarbij is van belang dat eiser ten tijde van het nader gehoor nog maar twee maanden in Nederland was. Eiser heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij in de beginperiode last had van stress en dat hij zijn ervaringen uit zijn land van herkomst nog moest verwerken.
Verder is verweerder er in het besluit vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer naar Georgië hoogstens in dezelfde mate als voorheen politieke activiteiten zal verrichten. Verweerder heeft echter tijdens het nader gehoor niet gevraagd naar de activiteiten die eiser bij terugkeer wil verrichten of hoe eiser anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
De rechtbank stelt tot slot vast dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat verweerder bij de vraag of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat of zal komen te staan, relevante landeninformatie over Georgië heeft betrokken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit niet is gebeurd. Dat betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt een gebrek kent.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Rb Rotterdam NL25.47314, 27.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2173
Het Hof oordeelt als volgt. Een aanvraag die inhoudelijk wordt onderzocht kan worden afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van het feit dat een derde land wordt beschouwd als een veilig derde land voor de vreemdeling, zelfs wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van internationale bescherming.
Verder wordt herhaald dat de toepassing van “veilig derde land” gemaakt moet worden op grond van een individuele beoordeling. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat de nationale wetgeving duidelijke manieren biedt om, gelet op de individuele omstandigheden van de vreemdeling, te beoordelen of het derde land voor hem of haar als veilig kan worden aangemerkt.
Daarnaast zijn de lidstaten verplicht om in hun nationale wetgeving criteria vast te stellen voor het aantonen van een band tussen de vreemdeling en het derde land. Die band moet sterk genoeg zijn om redelijkerwijs te kunnen verwachten dat de aanvrager naar dat land reist. Een enkele veronderstelling hiervan is onvoldoende. Daarbij is de noodzaak voor effectieve rechtsbescherming ook van belang. Nationale rechtbanken moeten kunnen beoordelen of er een daadwerkelijke band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land waarop een beroep wordt gedaan, zelfs wanneer het nationale recht niet uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft om een dergelijk onderzoek uit te voeren.
HvJEU C-718/24 (Aleb), 5.2.26
ECLI:EU:C:2026:68
De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtbank heeft haar oordeel mede gebaseerd op bevindingen van Bureau Documenten. Echter heeft de minister geen stukken van Bureau Documenten toegevoegd aan het dossier, waar deze bevindingen in staan. De vreemdeling heeft zich hierdoor niet goed kunnen uitlaten over deze bevindingen, nu hij hier geen kennis van heeft kunnen nemen.
De minister heeft onderzoek laten verrichten naar de kopie van de fatwa van de vreemdeling door TOELT. De minister heeft hierbij nagelaten mede te delen wanneer TOELT is benaderd, wat de uitkomst van dit verzoek is geweest en om welke informatie van TOELT het precies gaat. Ook blijkt niet waarom de informatie van TOELT bijdraagt aan de conclusie dat het ongeloofwaardig is dat de fatwa tegen de vreemdeling is uitgesproken. Hiermee heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.
Hoger beroep tegen Den Haag NL25.38993, 20.10.25 gegrond.
ABRvS BRS.25.001701, 10.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:700
De Afdeling overweegt als volgt. Een advies van Bureau Documenten is een en de minister mag in beginsel uitgaan van de juistheid hiervan, maar moet wel nagaan of dit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
In wat de vreemdeling heeft aangevoerd zijn voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. De vreemdeling heeft zijn stelling over de wijze waarop de documenten zijn aangevraagd en opgemaakt niet volledig onderbouwd met de overgelegde brief van de Egyptische advocaat, maar dit neemt niet weg dat de stelling wel een concreet aanknopingspunt voor twijfel is aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. Omdat de sporen van gelijktijdige opmaak en afgifte nu als enige reden worden gegeven bij drie van de vier documenten, sluit de motivering in het onderzoek van Bureau Documenten niet zonder meer aan op de conclusie over de opmaak en afgifte, waardoor er twijfel bestaat over de vraag of het onderzoek van Bureau Documenten concludent is.
De minister heeft met de vergewisbrief of haar toelichting in het verweerschrift niet deugdelijk gereageerd op het aanknopingspunt voor twijfel. Uit de vergewisbrief kan namelijk niet worden opgemaakt dat navraag is gedaan naar de mogelijkheid dat de stukken gelijktijdig uit een register zijn gehaald.
Hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.39323, 8.8.25 gegrond.
ABRvS BRS.25.001144, 5.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:583
De minister heeft zich in de vorige procedure gebaseerd op een taalanalyse van TOELT van 15 november 2019, waarin is geconcludeerd dat eiser op grond van zijn gebrek aan een beheersing op moedertaalniveau van het Krio eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen (Sierra Leone). … Eiser heeft een contra-expertise ingebracht.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt op de zitting dat geen sprake is van een deugdelijke contra-expertise omdat daarin in het geheel niet is gereageerd op de taalanalyse en er niets terugkomt over grammatica, woordgebruik en zinsopbouw. … Naar het oordeel van de rechtbank is sprake voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de taalanalyse van TOELT. De contra-experts hebben een beoordeling gemaakt van de zinsopbouw, woordkeuze en geografische kennis van eiser en zijn op basis daarvan tot een tegengestelde conclusie gekomen dan TOELT. ….
De gemachtigde van eiser heeft daarnaast ook gewezen op eisers lage IQ, waarvan ook de minister uitgaat. In de besluitvorming is op het punt van eisers taalgebruik en spraak niet inzichtelijk gemaakt welke waarde er wordt toegekend aan deze persoonlijke omstandigheid. ...
Het beroep is gegrond en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Rb Utrecht NL25.43623, 23.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1629
De rechtbank stelt allereerst vast dat het dossier van eiseres 1 geen EU-Vis registratie of visum bevat waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum heeft aangevraagd. …
In het geval van eiser en eiseres 2 bevat hun dossier wel een EU-Vis registratie waaruit blijkt dat zij met een Indiaas paspoort een Nederlands visum hebben aangevraagd. Zoals de minister stelt, mag hij in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie uit het EU-Vis, en het is aan eisers om tegenbewijs te leveren. De rechtbank stelt vast dat eiser en eiseres 2 een taskera hebben overgelegd die door de Koninklijke Marechaussee als echt is beoordeeld. …
De minister heeft in deze zaak enkel aangenomen dat de Indiase paspoorten echt zijn, omdat de Nederlandse ambassade een visum heeft verstrekt. Dit is echter niet verder onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de Indiase paspoorten van eisers niet meer in hun bezit zijn, zodat de minister geen onderzoek heeft kunnen doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers niet hebben aangetoond dat hun EU-Vis registratie onjuist is.
De beroepen zijn gegrond.
Rb Arnhem NL25.44290, 6.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2451
Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 10 december 2024 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser bevestigt dit ook in het gehoor. De Duitse autoriteiten hebben Nederland geïnformeerd dat er momenteel een intrekkingsprocedure loopt omdat eiser naar zijn land van herkomst (Syrië) is uitgereisd. Deze procedure staat op dit moment nog open. Momenteel beschikt eiser dus nog over een internationale beschermingsstatus in Duitsland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat alleen al om die reden voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is van een zodanige band met Duitsland dat het voor eiser redelijk zou zijn om terug naar Duitsland te gaan. Dat er een intrekkingsprocedure tegen eiser loopt in Duitsland doet hier niet aan af ….
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Rotterdam NL25.58849, 16.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2164
Eiseres vreest in Zweden voor haar leven, zij is bang dat ze daar door haar ex man en/of diens familieleden zal worden vermoord. De familie van haar ex man is omvangrijk en zij wonen overal in Zweden, ze zijn zeer agressief en er zijn meerdere gewelddadige voorvallen waar de broers van haar ex man bij betrokken zijn geweest. … De Zweedse autoriteiten zijn niet in staat om haar bescherming te bieden. Op basis van de relatie met haar ex man is aan eiseres een verblijfsvergunning toegekend in Zweden. De relatie is nu beëindigt en het is niet bekend of de Zweedse autoriteiten haar verblijfsvergunning hebben ingetrokken….
Ter onderbouwing van haar medische klachten heeft eiseres medische stukken van behandeling in Nederland overlegd. Uit de door haar overlegde stukken volgt dat er een vermoeden is van trauma- en stress-gerelateerde stoornissen bij eiseres. De stukken onderbouwen dat eiseres last heeft van reële angsten, paniekaanvallen die meerdere uren aanhouden, vermoeidheidsklachten, haaruitval, suïcidale klachten vanuit wanhoop en dat de angst om teruggestuurd te worden naar Zweden sterk op de voorgrond staat.
Verweerder moet deugdelijk motiveren waarom hij in de door eiseres onderbouwde psychische problematiek in samenhang met de traumatische ervaringen van eiseres met haar ex-partner in Zweden, geen bijzondere individuele omstandigheid ziet die maakt dat overdracht aan Zweden van onevenredige hardheid getuigt. … Het gaat om de vraag of het aan Zweden overdragen van eiseres gelet op de ervaringen aldaar, de vrees en medische klachten niet van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt.
Rb Rotterdam NL25.57369, 30.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2167