Volgens het beleid vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dat een schending van artikel 8 EVRM betekent.
Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij getrouwd is met een vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft, en dat daarom moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit tot het opleggen van het inreisverbod niet is ingegaan op dit artikel 8-EVRM aspect. Het inreisverbod is dus naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en het inreisverbod zal worden vernietigd.
Rb Rotterdam NL26.5486 en NL26.5178, 16.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3586
Eisers hebben de Armeense nationaliteit. Het betreft een moeder met twee kinderen: dochter uit 2001 en zoon uit 2010. Dochter heeft inmiddels een verblijfsvergunning vanwege huwelijk. Vader is in 2016 uitgezet. …
De rechtbank stelt ook vast dat de belangen van het kind – in dit geval [zoon] – niet (kenbaar) als eerste overweging zijn betrokken in de beoordeling. Meegewogen is dat [zoon] in Nederland is geboren, altijd in Nederland heeft gewoond en hier is geworteld, en dus sterke banden heeft met Nederland. Verweerder heeft echter miskend dat [zoon] inmiddels een hechte band heeft opgebouwd met [echtgenoot] , de echtgenoot van de dochter, en dat deze hem veel steun, stabiliteit en een veilige thuisbasis biedt. Mede gelet op de afwezigheid van een vaderfiguur in de huidige levensfase van adolescentie van [zoon] , had verweerder daaraan zwaarder gewicht moeten toekennen. Opvallend is verder dat verweerder aanneemt dat er bij een verhuizing naar Armenië sprake zal zijn van een ontwikkelingsbedreiging bij [zoon] , maar vervolgens concludeert dat dit geen zeer bijzondere omstandigheid is om doorslaggevend gewicht aan toe te kennen. …
Niet kenbaar is gemotiveerd hoe de belangen van [zoon] als minderjarige daadwerkelijk en zelfstandig zijn gewogen. Daarbij geldt dat het belang van het kind breder is dan enkel het bijeenhouden van het gezin maar ook ziet op (verdere) ontwikkeling, sociale worteling, stabiliteit en toekomstperspectief. Een draagkrachtige en op [zoon] toegespitste motivering ontbreekt derhalve. Daarbij geldt ook dat in het geval van [zoon] zowel een persoonlijk gehoor als een onderzoeksrapport ontbreekt.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [zoon] als het minderjarige kind, en dat het bestreden besluit op dat punt is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek en onvoldoende is gemotiveerd.
Rb Middelburg NL25.28590, 20.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3385
Eiseres betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat hij aan de Vw 2000 een rechtstreekse bevoegdheid ontleent om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden te verlenen. Volgens eiseres kon de minister in het bestreden besluit daarom niet volstaan met de enkele verwijzing naar artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin is bepaald dat een dergelijke verblijfsvergunning slechts bij een eerste asielaanvraag ambtshalve kan worden verleend. De minister heeft de rechtbank op 19 januari 2026 laten weten dat dit standpunt niet houdbaar is. De rechtbank leidt uit deze reactie af dat partijen het in ieder geval eens zijn dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. De minister zal die beoordeling alsnog moeten maken en het bestreden besluit komt daarom op dit punt voor vernietiging in aanmerking.
Rb Arnhem NL25.53656, 18.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3275
Uit het BMA-advies volgt dat eiser als gevolg van een beroerte/hersenbloeding halfzijdig verlamd is geraakt en zijn medische situatie zodanig ernstig is dat uitblijven van noodzakelijke medische behandeling een medische noodsituatie op korte termijn (drie tot zes maanden) tot gevolg zal hebben. Zo staat in het BMA-advies dat eiser sinds 2021 in een verpleeghuis woont, waar hij ADL-zorg krijgt, waarbij hij zelfstandig kan eten en drinken als het wordt klaargezet. Daarnaast gebruikt eiser een rolstoel om zich te verplaatsen, maar is hij wel in staat om te lopen. Voor het verplaatsen van en in bed of (rol)stoel kan eiser gebruik maken van een actieve tillift, of geholpen worden door een verzorger. Ook krijgt eiser hulp bij wc-bezoeken. De behandeling van eiser is volgens het advies naar verwachting van langdurige en blijvende aard en in Marokko mogelijk. …
Als reactie op dit advies heeft eiser te kennen gegeven dat de instelling voor eiser niet toegankelijk is omdat het een bejaardentehuis voor ouderen van van Franse nationaliteit die 60 jaar en ouder zijn. Eiser voldoet niet aan beide toelatingseisen. Bovendien kan eiser het verblijf daar niet bekostigen….
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de medische zorg voor eiser toegankelijk is, nu verweerder niet gemotiveerd is ingegaan op de kosten van het verblijf en de bijbehorende zorg. Daarnaast is verweerder niet ingegaan op de stelling van eiser dat het tehuis bedoeld is voor zestigjarigen en ouder die Franstalig zijn en met de Franse nationaliteit. …
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van eisers privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM in zijn nadeel is uitgevallen. …
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb den Haag NL25.27818 en NL25.27819, 9.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2137
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor eiser in Ethiopië adequate opvang beschikbaar is. …. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderzocht in hoeverre Bright Star Relief in het individuele geval van eiser adequate opvang aan hem biedt. Onduidelijk blijft wie de externe onafhankelijke onderzoeker van DT&V is die zou hebben vastgesteld dat Bright Star Relief voldoet aan de criteria voor adequate opvang en wat de onderzoeksresultaten precies waren.
Rb Groningen NL25.54487, 18.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3137
Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in het kader van arbeid als zelfstandige. …
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht. Zo heeft verweerder terecht betrokken dat de facturen onvoldoende de jaarstukken onderbouwen, dat de jaarstukken onvoldoende worden ondersteund, dat onbekend is wat de bezittingen zijn en in welke materialen en gereedschappen is geïnvesteerd en dat overeenkomsten met opdrachtgevers ontbreken en dat niet uit alle facturen blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en dat niet duidelijk of met eigen gereedschappen, schoonmaakmiddelen en/of andere hulpmiddelen is gewerkt. Ook heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht. Eisers stelling dat hij ruim twee jaar voldoet aan het inkomensvereiste en geen beroep doet op de openbare middelen, kan niet leiden tot een ander oordeel nu verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van de verblijfsvergunning.
Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.
Rb den Haag NL25.38454 en NL25.38455, 4.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2138
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten in het algemeen bescherming kunnen bieden aan vrouwen die slachtoffer zijn van geweld in de familiaire sfeer. Uit de door eiseres overgelegde landeninformatie volgt onder meer dat, ondanks vooruitstrevende wetten van Zuid-Afrika om de rechten van vrouwen te beschermen, het misbruik tegen vrouwen blijft toenemen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat de overheid de wet niet effectief handhaaft, dat vrouwen die aangifte doen vaak niet kunnen rekenen op bescherming en dat er een tekort is aan opvanghuizen voor vrouwen. In het licht van de overgelegde informatie heeft minister ontoereikend gemotiveerd dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden tegen het geweld waarvoor eiseres vreest. De beroepsgrond slaagt.
De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor haar bij voorbaat zinloos moet worden geacht….
Het beroep is gegrond.
Rb Utrecht NL25.41728, 25.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3801
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er op dit moment een gewapend conflict is in Syrië en dat de humanitaire omstandigheden aldaar slecht zijn. Waar partijen over verdeeld zijn, is de vraag in hoeverre deze humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de 15c-beoordeling. …
De rechtbank is van oordeel dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Maar de rechtbank acht van belang dat de situatie in Syrië volatiel en onzeker is. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van verweerder om in zijn aanvullende motivering te betrekken in hoeverre deze humanitaire omstandigheden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die momenteel nog actief zijn in het gewapende conflict. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan.
Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië wel een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Als de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft dit in het bestreden besluit en de aanvullende motivering niet inzichtelijk beoordeeld. …
Het beroep is gegrond.
Rb den Haag NL25.28503, 23.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3611
De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op de overgelegde informatie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van groepsvervolging van Ahmadi’s in Pakistan. Daarbij komt dat eiser een bericht d.d. 29 oktober 2025 uit een andere asielzaak heeft overgelegd waarin staat dat verweerder zich opnieuw naar aanleiding van de hierboven genoemde bronnen wil beraden over de positie van Ahmadi’s uit Pakistan. Deze beroepsgrond slaagt ….
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn persoonlijke vrees voor vervolging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit eisers verklaringen volgt dat zijn religieuze vrijheid werd beperkt. …
Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen.
Rb Haarlem NL25.61253 en NL25.612254, 12.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3078
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. … Hierbij is van belang dat uit de door eiser aangedragen landeninformatie weliswaar blijkt dat er van overheidswege enig toezicht plaatsvindt op Ethiopiërs in het buitenland, maar dat daaruit niet blijkt dat dit toezicht zo ver strekt dat alle Ethiopiërs in het buitenland in de gaten worden gehouden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarentegen niet deugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Ethiopië in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteten terecht zal komen.
In de eerste plaats geldt hiertoe dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser zich na terugkeer in Ethiopië politiek zal uiten. Geloofd is immers dat eiser gedurende zijn verblijf in Ethiopië al een tijd enige politieke activiteiten heeft verricht en dat hij ook in Nederland altijd politieke activiteiten is blijven verrichten. Dit betekent dat eiser al ruim 20 jaar, politieke activiteiten verricht, hetgeen overigens ook wel iets zegt over de sterkte van zijn politieke overtuiging. Deze omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank belangrijke aanwijzingen voor hoe eiser na terugkeer in Ethiopië uiting wil en zal geven aan zijn politieke overtuiging.
In de tweede plaats geldt hiertoe dat verweerder niet heeft beoordeeld en gemotiveerd of de Ethiopische autoriteiten ervan op de hoogte zullen raken als eiser in Ethiopië op dezelfde wijze politieke activiteiten verricht als hij in Nederland doet.
In de derde plaats geldt hiertoe dat verweerder niet heeft beoordeeld en gemotiveerd of de Ethiopische autoriteiten, als zij op de hoogte raken van eisers politieke activiteiten na terugkeer in Ethiopië, negatieve aandacht voor eiser zullen hebben.
Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Ethiopië in de negatieve belangstelling van de Ethiopische autoriteiten terecht zal komen vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Het beroep is gezien het voorgaande gegrond.
Rb Rotterdam NL25.20845, 27.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3109