Nieuws

Rb: behoud COA-opvang voor minderjarige Nigeriaanse in bezwaarfase art-64

Verzoekster heeft, na een afwijzing van haar asielverzoek, in 2023 verzocht om uitstel van vertrek omdat zij lijdt aan sikkelcelziekte met ernstige pijnklachten die specialistische behandeling en medicatie, zoals oxybutynine, vereisen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling daarvoor in Nigeria beschikbaar is, maar dit wordt in bezwaar door verzoekster gemotiveerd betwist. Naar aanleiding hiervan heeft de minister zich nogmaals tot het Bureau Medische Advisering gewend. De minister verzet zich er niet tegen dat verzoekster in afwachting daarvan en van de beslissing op bezwaar, in Nederland mag blijven.

Verzoekster heeft, ondanks dat haar asielaanvraag is afgewezen, opvang van het COa gekregen, ook nadat haar verzoek om uitstel van vertrek was afgewezen en zij eigenlijk geen recht op COa-opvang meer had. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure recht behoudt op die opvang. Daarmee heeft zij een duidelijk en zwaarwegend belang bij toewijzing. De minister heeft geen concrete tegenbelangen gesteld die een afwijzing rechtvaardigen. In dit geval ziet de voorzieningenrechter voldoende reden om te bepalen dat verzoekster voorlopig in COa-opvang moet kunnen blijven, omdat zij minderjarig is, een vrijheidsbeperkende locatie geen wenselijk plek voor minderjarigen is, de beslissing op het bezwaar al lang op zich laat wachten en omdat de minister onlangs heeft besloten om het BMA om nader advies te vragen en zich ook niet verzet tegen een voorlopig verblijf van verzoekster in Nederland.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. 
Rb Arnhem NL24.4143, 12.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5212

MvA&M: aantal ongedocumenteerden

In opdracht van het WODC onderzocht de universiteit Utrecht het aantal mensen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Het rapport wordt op 31 maart gepubliceerd.

Voor de periode medio 2022–2023 wordt het aantal mensen zonder rechtmatig verblijf geschat op ongeveer 17.000 tot 23.000. Deze schatting is vergelijkbaar met de eerdere schatting met dezelfde methodiek voor 2017–2018 (18.000 tot 27.000), wat wijst op een stabiel beeld. Uit IOM-cijfers bleek destijds dat er 58.000 ongedocumenteerde migranten waren, wat leidde tot een schatting tussen 23.000 en 58.000.

https://open.overheid.nl/documenten/1caaf44d-a434-48d3-ae4f-ec68ea990088/file, 26.3.26

RvS: non-refoulementscheck verplicht ook zonder asielprocedure en meewegen medische redenen

Waar het gaat om de jongste zoon overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de minister betoogt, is de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt tot gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat volgt namelijk dat de minister in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. De minister mag bovendien niet van een vreemdeling verwachten dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. …  De minister stelt zich echter deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat uit het dossier niet naar voren komt dat de jongste zoon in Armenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest.

Waar het gaat om de medische omstandigheden van de moeder en de dochter roept de minister de vraag op of hij gezondheidsproblemen van een vreemdeling moet betrekken in zijn beoordeling van een risico op refoulement als bedoeld in het arrest Ararat. Zoals de minister onderkent kunnen gezondheidsproblemen van een vreemdeling in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar een bepaald land. … Gelet daarop zal de minister om het beginsel van non-refoulement in een reguliere procedure te waarborgen, ook in aanmerking moeten nemen of eventuele gezondheidsproblemen van een vreemdeling zich verzetten tegen uitzetting van die vreemdeling naar een bepaald land. De minister heeft dat gedaan voor de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter in deze zaak. Daarbij heeft de minister terecht aangenomen dat uitzonderlijke omstandigheden als hierboven bedoeld niet volgen uit de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter. …

De Afdeling is van oordeel dat de minister een deugdelijke refoulementbeoordeling heeft verricht.
Het hoger beroep tegen Rb den Bosch 20/9630, 7.4.23 is ongegrond.

RvS 202302869/1/V1, 19.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1604

HvJ EU: geen terugkeerbesluit bij risico op refoulement

Rb Roermond heeft op 12 maart 2025 prejudiciële vragen aan het Hof gesteld. De rechter stelt vast dat de subsidiaire beschermingsstatus van de Syrische vreemdeling, HG, is ingetrokken, waardoor hij illegaal op het grondgebied verblijft, terwijl vaststaat dat zijn verwijdering naar het land van herkomst is uitgesloten wegens strijd met het beginsel van non-refoulement. Tegen die achtergrond rijst de vraag of op grond van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn toch een terugkeerbesluit moet of kan worden vastgesteld.

Het Hof oordeelt als volgt. Artikel 5 Terugkeerrichtlijn … moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een vreemdeling wiens subsidiaire beschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van deze vreemdeling naar het beoogde land van bestemming is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement. Een dergelijk besluit moet namelijk noodzakelijkerwijs een bestemming aanwijzen, wat niet kan worden vastgesteld indien die bestemming, wegens dat beginsel, niet rechtmatig kan worden gerealiseerd.

HvJEU, C-202/25 (Tadmur), 26.3.26
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62025CJ0202

Rb: medische vergunning voor dementerende Afghaanse 1F-er met art-64 (SNDVU)

Uit de uitspraak van Rb Roermond, van 29 november 2024 volgt dat verweerder ook bij de beoordeling van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden beoordeelt of de medische problematiek van de betrokkene zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting en of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden.

Daarnaast heeft verweerder in zijn belangenafweging als belang aan de zijde van eiser enkel benoemd dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw, maar eisers specifieke individuele omstandigheden niet kenbaar betrokken. Zo wordt niet ingegaan op eisers verblijf op een gesloten afdeling van een verpleeghuis vanwege gevorderde dementie en de verwachting dat hij daar wegens een steeds verder verslechterende gezondheidssituatie tot aan zijn overlijden zal verblijven. Evenmin zijn eisers persoonlijke en gezinsomstandigheden kenbaar betrokken. Deze omstandigheden heeft eiser op de zitting nader toegelicht door aan te voeren dat de COa-verstrekking die hij krijgt zeer marginaal is en dat hij verder geen enkele uitkering (zoals AOW) krijgt en door zijn kinderen wordt onderhouden. Ook op de zitting is verweerder onvoldoende op eisers specifieke individuele omstandigheden ingegaan….

Daar komt bij dat eiser in beroep een brief van de arts ouderengeneeskunde heeft overgelegd, waarin is vermeld dat de (lichamelijke en psychische) gezondheid van eiser lijdt onder de aanvraag en dat zijn klachten jaarlijks verergeren ten tijde van de jaarlijkse toetsing van zijn verblijfsstatus. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de evenredigheid/ belangenafweging en de hoorplicht, slagen.

Rb Rotterdam NL25.21903, 2.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5894

RvS: Turk die onder RTB werkte valt onder Associatieverdrag

Naar het oordeel van de Afdeling is de situatie waarin appellant zich als facultatief tijdelijk beschermde bevond, niet gelijk te stellen met de situatie waarin een vreemdeling in een lidstaat mag werken en verblijven in afwachting van de beslissing van een bestuursorgaan of een rechterlijke uitspraak in een verblijfsprocedure. …. Dat de minister beoordelingsruimte had, maakt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat appellant zich niet in een stabiele en bestendige situatie op de arbeidsmarkt bevond gedurende de periode waarin hij tijdelijke bescherming genoot….

Nu niet in geschil is dat appellant gedurende de periode dat hij tijdelijk werd beschermd, minimaal een jaar bij dezelfde Nederlandse werkgever reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht.

De grief tegen Rb Arnhem NL24.18126, 12.11.24 slaagt.
RvS 202407435/1/V2, 13.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1453

Rb: NL moet meestbegunstigden clausule in Ethiopisch handelsverdrag toepassen

Verweerder heeft miskend dat aan eiser een verblijfsrecht toekomt op basis van het Nederlands-Ethiopisch Handelsverdrag van 1926. Dit verdrag bevat namelijk een meestbegunstigingsclausule, waaruit volgt dat onderdanen van Ethiopië recht hebben op dezelfde behandeling als onderdanen van andere staten waarmee Nederland gunstiger afspraken heeft gemaakt over de toelating van zelfstandig ondernemers. …..

Artikel I van het Handelsverdrag bevat de meestbegunstigingsclausule en luidt: ‘De onderdanen en de voortbrengselen van elk der beide landen zullen over en weer in het andere land dezelfde behandeling en dezelfde voordeelen genieten ter zake van vestiging, handel en douane, als die welke thans zijn toegekend of die in de toekomst mochten worden toegekend aan de onderdanen en de voortbrengselen van de meestbegunstigde natie.’…

De rechtbank is met eiser eens dat het gebruik van de term ‘vestiging’ in het Handelsverdrag niet los kan worden gezien van het verblijfsrecht. …. De rechtbank volgt eiser daarnaast in zijn betoog dat een uitleg van de term ‘vestiging’ die alleen ziet op de onderneming en niet op de ondernemer, het nuttig effect ontneemt aan het Handelsverdrag. Om een onderneming te beginnen, is immers nodig dat de persoon van de ondernemer aanwezig is in het land van vestiging. … Al met al is het de rechtbank evident dat de opstellers van het Handelsverdrag ook hebben beoogd te regelen dat aan onderdanen die binnen de reikwijdte van het verdrag ondernemen, verblijfsrecht toekomt.

Verweerder heeft het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Rb den Haag AWB 24/21097, 3.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4245

RvS: beoordeling Gülenisten, Turkije

De Afdeling is van oordeel dat de situatie voor Gülenisten zoals beschreven in de ambtsberichten van 2023 en 2025, op belangrijke punten verschilt van de ‘complexe en diffuse’ situatie in de periode tussen 21 juli 2016 en 19 juli 2018, waarin de noodtoestand van kracht was. Ondertussen is er meer informatie bekend geworden. Uit deze informatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten nog steeds voorkomt en de Turkse autoriteiten de criteria voor strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet eenduidig toepassen. Maar uit alle stukken die de Afdeling bij deze zaak heeft betrokken, is ook af te leiden dat er sinds de situatie van net na de mislukte couppoging van 15 juli 2016 een getalsmatige afname is in de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije en dat die afname niet geheel verklaard kan worden doordat inmiddels velen van hen Turkije hebben verlaten of al strafrechtelijk zijn vervolgd. Verder acht de Afdeling van belang dat uit de landeninformatie blijkt dat niet elke Gülenist in gelijke mate het risico loopt op strafrechtelijke vervolging. Hoewel de autoriteiten zich ook richten op een restcategorie, richten zij zich in hun vervolging vooral op Gülenisten binnen het justitiële en veiligheidsapparaat. Ook zijn er aanknopingspunten dat de rechterlijke macht, zeker in hogere instanties, strenger toeziet op het benodigde bewijs en de vervolging van Gülenisten in die zin minder makkelijk werd. In deze opzichten is het beeld nu anders dan het beeld van net na de coup….

Dat de door de Afdeling bij dit oordeel betrokken informatie voldoende aanknopingspunten biedt voor de beleidswijziging van 1 december 2023, neemt niet weg dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rekening moet houden met de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije, zoals beschreven in de ambtsberichten. De minister moet deze betrekken bij zijn oordeel of dat wat een Gülenist naar voren heeft gebracht, voldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Daarbij wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat de aanwijzing van Gülenisten als risicogroep ten tijde van het besluit ongewijzigd was, zodat geringe indicaties genoeg bleven om een verblijfsvergunning te krijgen, en dat Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel.

De grief slaagt….
Hoger beroep tegen Rb Groningen NL24.21247, 13.11.24, gegrond.

RvS 202407037/1/V2, 25.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1607

Rb: risico Lower Shabele, Somalië

De rechtbank overweegt dat uit het landenbeleid van de minister volgt dat in gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is dan wel het gebied controleert, voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. De rechtbank overweegt verder dat het EUAA rapport concludeert dat het willekeurig geweld in de regio Lower Shabelle, waar Qoryoley ligt, een hoog niveau heeft bereikt. Het rapport maakt melding van een toename van activiteiten door Al Shabaab en van geweldsincidenten in de regio. …

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich, in het licht van deze landeninformatie, ten onrechte onverkort op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië, geen reëel risico loopt op ernstige schade.

Het beroep is gegrond.
Rb Groningen NL25.52875, 26.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6742

IND; Besluit- en vertrekmoratorium Iran, vrijstelling MVV-vereiste

MvA&M: besluit en vertrekmoratorium Iran

Sinds 28 februari jl. is er een gewapend conflict tussen Israël, de Verenigde Staten enerzijds en Iran anderzijds. Inmiddels zien we dat in Iran de onoverzichtelijke situatie langer aanhoudt en lijkt dit zich niet snel te stabiliseren. Het landgebonden asielbeleid Iran is ten gevolge hiervan gestoeld op een situatie die niet langer actueel is. Daarom heb ik besloten een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor Iran voor in beginsel de duur van zes maanden.  …

Volgens de  gegevens van de IND (asylum trends) was de instroom in 2025 van Iraanse  asielzoekers 431 en 36 in de maand januari van dit jaar. Het aantal  asielaanvragen van Iraniërs vormt daarmee een beperkt deel van het totaal.  Omdat de Iraanse autoriteiten geen (vervangende) reisdocumenten afgeven vond gedwongen vertrek in de praktijk nauwelijks plaats de laatste jaren. Als gevolg van het vertrekmoratorium is ook in formele zin gedwongen vertrek van afgewezen asielzoekers niet aan de orde en behouden personen onder de werking van het moratorium recht op opvang.

https://open.overheid.nl/documenten/047c21b8-048c-4302-8666-ed7e1cd5b84f/file, 19.3.26
Zie ook WBV 2026/2: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-11158.html, 19.3.26
Zie ook AMVB https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-11864.html, 18.3.26
Zie ook IB 2026/9: https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1407324_1/1/, 25.3.26

IB 2026/7 Richtsnoeren KVV, MVV en verblijf Iran en overige landen Midden-Oosten

Vrijstelling mvv-vereiste Iran
Wanneer in het kader van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in Nederland wordt voldaan aan alle inhoudelijke verblijfsvoorwaarden, behalve aan het MVV-vereiste, wordt tijdelijk vrijgesteld van het MVV-vereiste door toepassing van de hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is bedoeld voor situaties waarin zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet. Gelet op de situatie in Iran – waardoor vreemdelingen niet naar Iran kunnen reizen om een MVV af te halen – kan worden aangenomen dat hier sprake van is. Deze zaken worden echter niet met voorrang afgehandeld, gelet op de mogelijkheid dat de situatie op korte termijn wijzigt.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1406776_1/1/, 20.3.26

Pagina's