bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Aanvragen voor het Chavez-verblijfsrecht worden in toenemende mate gedaan door gezinnen die in één huishouden samenwonen. Zo woonde in 2022 79% van de kinderen in de Chavez-procedure bij beide ouders, terwijl dit in 2018 nog om 50% ging. Bovendien zijn de kinderen van Chavez-aanvragers vaker in het huwelijk geboren, wat betekent dat er minder vaak sprake is van verwerving van de nationaliteit via erkenning. In 2018 had 43% van de kinderen in de Chavez-procedure de Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, wat in 2022 is gedaald naar 33%. Zijn de ouders gescheiden, dan wonen de kinderen bovendien vaker bij de Nederlandse ouder dan in 2018. Uit deze cijfers volgt dat Chavez-aanvragers en hun kinderen vaker gezinsleven hebben met de Nederlandse ouder. Van een schijnerkenning kan dan geen sprake zijn.
Wel is de stijging in het aantal vermoedens significant: 20 in 2022, 240 in 2024 en 410 in 2025. De stijging in het aantal vermoedens van fraude is in ieder geval niet terug te zien in het aantal kinderen dat de Nederlandse nationaliteit krijgt door erkenning, zo blijkt uit de cijfers van het CBS in de volgende tabel:
|
1999 |
2002 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
|
802 |
729 |
202 |
202 |
216 |
161 |
230 |
348 |
369 |
318 |
304 |
Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, bron: CBS
https://verblijfblog.nl/laten-ouders-kinderen-erkennen-voor-verblijfsrechten/, 9.5.26
Vereenzelviging houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat de vreemdeling zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft zij niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard, maar ook over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken.
Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat bij de vreemdeling geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. De vreemdeling heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen dat de vreemdeling problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor.
Hoger beroep tegen Rb Middelburg NL23.38739, 15.5.24 gegrond.
ABRvS 202403099/1, 30.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2475
De vreemdeling legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij vreest voor ernstige schade wegens represailles van haar mensenhandelaar. De minister stelt dat zij geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De Afdeling oordeelt als volgt. Het standpunt van de minister dat het bestaan van een geldschuld bij een mensenhandelaar geen reëel risico op ernstige schade meebrengt, wordt niet gevolgd. Van de vreemdeling mag niet worden verwacht dat zij een afbetalingsregeling treft met een mensenhandelaar. De hoogte van de geldschuld is in zoverre relevant, dat een hogere schuld een grotere kans inhoudt dat de mensenhandelaar naar de vreemdeling op zoek gaat.
Het risico op ernstige schade kan ook niet als laag worden beschouwd. Hoewel fysieke represailles pas voorkomen als mentale en emotionele represailles niet het gewenste effect hebben, kunnen ook mentale en emotionele represailles tot ernstige schade leiden. Daarbij maakt het niet uit dat de vreemdeling al een substantieel deel van haar schuld heeft betaald.
Alles bezien heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling geen reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van mensenhandelaren.
Hoger beroep tegen Rb Utrecht NL23.35808, 4.2.25 gegrond.
ABRvS 202501255/1, 30.4.36
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2369
Verzoekers zijn een gezin bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter uit Libië. Verzoekers zijn door UNRWA geregistreerd. Zij zijn niet afkomstig uit het werkgebied van UNRWA en kunnen niet aannemelijk maken dat zij eerder bescherming en/of bijstand aan UNRWA hebben gevraagd en ook hebben verkregen. Verzoekers bezitten geen nationaliteit en zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning voor enig land en hebben thans van geen enkel derdeland toestemming voor toelating en/of verblijf….
De rechtbank vraagt zich af of de omstandigheid dat verzoekers niet afkomstig zijn uit een sector van het werkgebied van UNRWA en zich daarom niet kunnen begeven ‘naar een sector van het werkgebied van die organisatie waar deze staatloze vroeger gewoonlijk verbleef’, reeds moet worden aangemerkt een situatie waarin de bescherming of bijstand van UNRWA -voor verzoekers- moet worden geacht te zijn opgehouden en verzoekers daarom ‘ipso facto’ voor de voorzieningen uit richtlijn 2011/95 in aanmerking komen.
Indien het Unierecht niet op deze wijze moet worden uitgelegd heeft te gelden dat verzoekers en verweerder geen terugkeerverplichting kunnen uitvoeren. Libië kan niet als land van terugkeer worden aangemerkt gelet op de vereisten die richtlijn 2008/115 en de rechtspraak van het Hof hieraan stellen. De rechtbank vraagt het Hof in dat geval om te verduidelijken hoe deze situatie zich verhoudt met artikel 1 van het Handvest.
Indien een door UNRWA erkende staatloze Palestijnse vluchteling zich niet onder bescherming van UNRWA kan stellen maar aan hem niet de voorzieningen van richtlijn 2011/95 toekomen, wordt aan de omstandigheid dat de internationale gemeenschap de betreffende staatloze Palestijn reeds als vluchteling heeft erkend, geen betekenis toegekend. Terwijl een erkende vluchteling uit Griekenland wel in Nederland herbeoordeeld wordt. De rechtbank vraagt zich af of dit verenigbaar is met het Handvest, waarin iedere discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.
De rechtbank stelt hierover prejudiciële vragen en houdt de behandeling van het beroep aan in afwachting van het arrest.
Rb Roermond NL23.31905, NL23.31907 en NL23.31908 verwijzing, 4.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10567
De (staatloze) Palestijnen die onder het mandaat van UNRWA vallen zijn door de internationale gemeenschap al erkend als vluchtelingen. In artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag is daarom neergelegd dat het verdrag niet van toepassing is op personen die al bescherming of bijstand genieten van (organen of instellingen van) de Verenigde Naties. Als de staatloze Palestijnse vreemdeling bescherming of bijstand geniet van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA), kan hij enkel in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Is die bescherming of bijstand van UNRWA echter opgehouden om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, dan heeft hij automatisch (ongeacht het asielrelaas) recht op de vluchtelingenstatus. Uiteraard zijn andere uitsluitingsgronden nog wel van toepassing.
Uit het ambtsbericht Colombia van maart 20223 blijkt dat na het vredesakkoord van 2016 kleinere groeperingen zich hebben afgesplitst van de originele FARC in verschillende dissidenties. De meeste van deze dissidente groepen hebben geen duidelijke commandostructuur en opereren zonder zichtbaar leiderschap. Het zijn vaak criminelen met zware en lichte wapens die tot alles in staat zijn om hun drugshandel draaiende te houden. Omdat er zo veel dissidente kleinere groeperingen actief zijn in Colombia, werpt dat de vraag op hoeveel waarde je kunt hechten aan de cijfers waaruit zou blijken dat de (pos-)FARC niet actief is geweest in [plaats] . Uit deze cijfers blijkt immers niet of hier alle versplinterde dissidente groepen van de FARC bij zijn betrokken. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in het standpunt dat deze cijfers een voldoende concreet beeld geven om tot de conclusie te komen dat er geen (pos-)FARC-leden in de omgeving van [plaats] aanwezig waren ten tijde van het seksuele misbruik van eiseres. Verder blijkt uit het ambtsbericht Colombia van maart 2022 dat alle illegale gewapende groeperingen zich op de één of andere manier en in verschillende mate bezighouden met criminele activiteiten. De dissidente groepen van de FARC worden in verband gebracht met seksueel geweld en het ontvoeren van personen om deze voor hen te laten werken. Dit komt overeen met het beeld uit de verklaringen van eiseres dat ze door twee (pos-)FARC-leden seksueel is misbruikt en dat ze met hen mee moest om voor hen te koken. De verklaringen van eiseres over haar seksuele misbruik door (pos-)FARC-leden vinden dan ook steun in de beschikbare landeninformatie.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het seksuele geweld tegen eiseres niet door (pos-)FARC-leden is gepleegd. Verweerder dient dit in een nieuw besluit opnieuw te beoordelen….
Uit het ambtsbericht Colombia van maart 2022 blijkt dat vrouwen aangifte kunnen doen van seksueel geweld, maar dat het vaak bij een aangifte blijft. Ook hoogopgeleide vrouwen in de grote steden hebben te maken met obstakels om aangifte te doen van seksueel geweld vanwege vooroordelen bij de politie. Uit het ambtsbericht blijkt dat zelfs als vrouwen aangifte doen, de daders vaak onbestraft blijven.
Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL24.30537 en NL24.37751, 22.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10267
In de Vc was een kader opgenomen over seksuele gerichtheid waar genderidentiteit onderdeel van uitmaakte. Echter, lag de nadruk in die paragraaf met name op de seksuele gerichtheid. Er werd wel aangegeven dat dat kader ook toepasbaar was op zaken waarin genderidentiteit een rol speelde. Uit de praktijk bleek echter dat dit beoordelingskader voor genderidentiteit niet specifiek genoeg was. Daarom is een nieuwe paragraaf over genderidentiteit toegevoegd in paragraaf C2/3.2.5.2.3 Vc, waarbij ook genderexpressie betrokken wordt.
Hierbij is ook betrokken, dat artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn voorschrijft dat terdege rekening gehouden moet worden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd. In aanloop naar het Migratiepact is eveneens al rekening gehouden met artikel 10 Kwalificatieverordening waarbij ook genderexpressie expliciet wordt benoemd.
WBV 2025/7, 29.4.26 in Staatscourant 2026, 16278, 4.5.26
https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-16278.html
Betrokkene heeft diverse documenten overgelegd, waaronder een strafvonnis. Bureau Documenten (BD) heeft vier van deze documenten onderzocht en geconcludeerd dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk, dan wel mogelijk, niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. BD heeft niet kunnen vaststellen of deze documenten inhoudelijk juist zijn. Betrokkene heeft daarnaast een ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’ overgelegd, die BD ook heeft onderzocht. Over deze verklaring heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat BD een positief advies heeft afgegeven, maar zich niet heeft uitgelaten over de opmaak, afgifte en inhoud.
Met het oog daarop heeft betrokkene een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de begrijpelijkheid van de conclusies van BD naar voren gebracht. De minister mocht niet zonder nader onderzoek naar de inhoud van deze verklaring van die conclusies van BD uitgaan. De uitkomst van dat onderzoek kan namelijk van invloed zijn op de waardering van de overige overgelegde documenten door de minister. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel nader onderzoek had moeten doen naar de inhoud van de ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL22.13469, 23.7.24, ongegrond.
RvS 202404766/1/V1, 1.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2510
De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten in zijn eerste verklaring van onderzoek heeft geconcludeerd dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan of de krant in deze verschijningsvorm is uitgegeven. In een tweede verklaring van onderzoek stelt Bureau Documenten dat het document waarschijnlijk niet in deze verschijningsvorm is uitgegeven omdat pagina 6 en pagina 22 afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. In de reactie op de contra-expertise van het NFO herhaalt Bureau Documenten deze conclusie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de contra-expertise van het NFO twijfel gezaaid over de conclusie van Bureau Documenten. Het NFO concludeert dat de krant overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal en dat het artikel qua druktechnieken en proporties overeenkomt met de overige artikelen van de krant. Het is niet inzichtelijk op basis waarvan Bureau Documenten tot de conclusie komt dat de krant in lay-out en productietechniek afwijkend is, omdat niet concreet is toegelicht op basis van welke bevindingen tot deze conclusie is gekomen.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL25.38318 en NL25.38319, 17.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10582
In totaal hebben 23 vreemdelingen beroep ingesteld tegen de beslissing om de LVV-opvang te beëindigen. Aan vier vreemdelingen had verweerder, na de beëindiging van de LVV-opvang, een concreet aanbod gedaan voor opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Aan zestien andere vreemdelingen was geen concreet aanbod gedaan voor opvang in de VBL. Voorts heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van een vreemdeling van wie het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. En twee andere vreemdelingen die geen procesbelang (meer) hadden bij het beroep.
Voor de vier vreemdelingen die naar de VBL waren verwezen komt de rechtbank tot het oordeel dat de beëindiging van de opvang van eisers niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Verweerder heeft eisers een concreet alternatief voor opvang aangeboden, namelijk een plek in de VBL en eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die opvang voor hen niet geschikt of feitelijk niet toegankelijk is.
Rb Rotterdam AWB 25/17059, AWB 25/18643, AWB 25/17071 en AWB 25/17085, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9852
Voor de zestien vreemdelingen die geen alternatief aanbod kregen oordeelt de rechtbank dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden besluiten vernietigd moeten worden. Eisers hebben aannemelijk gemaakt dat de beëindiging van hun opvang in beginsel in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), terwijl verweerder er op zijn beurt niet in is geslaagd om alle twijfel daarover weg te nemen. Daarbij is van belang dat verweerder aan eisers geen concreet alternatief voor (onvoorwaardelijke) opvang heeft geboden. …..
De rechtbank leidt uit de dossiers af dat eisers zich allen kenmerken door (een meer of mindere mate van) lichamelijke, psychische, cognitieve en/of sociale kwetsbaarheid en, mede als gevolg daarvan, een gebrek aan voldoende zelfredzaamheid. … Deze combinatie van omstandigheden maakt dat eisers allen volledig afhankelijk zijn van de overheid voor hun meest elementaire levensbehoeften: eten, zich wassen en beschikken over woonruimte. Verweerder heeft dit een en ander niet betwist. Dit betekent dat zij zeer waarschijnlijk op straat zullen belanden en verstoken zullen blijven van overige elementaire levensbehoeften (eten en wassen) als verweerder geen alternatieve opvangvoorziening aanbiedt. Hiermee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aannemelijk gemaakt dat zij, gezien hun kwetsbare situatie, als gevolg van de beëindiging van de LVV-opvang terecht zullen komen in een situatie die onder de ondergrens van artikel 4 van het Handvest zakt.….
De beroepen zijn gegrond.
Rb Rotterdam AWB 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031, 24.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9853