RvS: geen boete illegale arbeid als (nog) geen loon betaald, ivm EU-definitie

Aan X. is een boete van € 48.000,- opgelegd wegens overtreding van art. 2 lid 1 Wav. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingen niet zijn aan te merken als werknemers i.d.z.v. art. 39 EG-Verdrag omdat is gebleken dat zij geen vergoeding voor de door hen verrichte werkzaamheden hebben ontvangen.

Zoals het HvJEU heeft overwogen in o.m. het arrest Mattern en Cikotic (JV 2006/212), vormt een beloning voor de verrichte prestaties een wezenlijk kenmerk van een arbeidsverhouding in de zin van art. 39 EG-Verdrag (thans art. 45 VWEU). Uit de verklaring van de eigenaar van bedrijf B. (hierna B.) blijkt dat hij de werkzaamheden van de vreemdelingen heeft gefactureerd bij X. Tevens heeft B. verklaard dat hij met X. een uurprijs van € 16,50 heeft afgesproken en dat hij het personeel € 7,- betaalt. B. heeft verder verklaard dat hij met de vreemdelingen heeft afgesproken dat zij eerst zouden werken, dat daarna een prijs zou worden afgesproken, maar dat hij hun nog niet heeft betaald. Bij de stukken zijn geen verklaringen van de vreemdelingen gevoegd. Evenmin blijkt uit andere gegevens dat de vreemdelingen recht hadden op een vergoeding voor de door hen verrichte werkzaamheden. Voorts is niet betwist dat de vreemdelingen niet daadwerkelijk zijn betaald. De enkele stelling van de minister dat de verrichte werkzaamheden normaliter tegen vergoeding geschieden is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de vreemdelingen in dit geval recht op een vergoeding hadden. Reeds omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het element ‘vergoeding’ is voldaan, kunnen de vreemdelingen niet als werknemers i.d.z.v. art. 45 VWEU worden aangemerkt.

Hoger beroep MvSZW ongegrond; bevestigt Rb 's-Hertogenbosch 12 januari 2012, AWB 11/1127.
(rechtspraak.nl: Raad van State 201201869/1/V6, 16.1.13)