bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
In de zaak gaat het om een familie, waarbij twee van de drie kinderen, geen nationaliteit hebben en de verzoekers staatloosheid willen vaststellen. De verzoekers zijn de ouders van de kinderen, de vader is geboren in Saoedi-Arabië en de moeder is geboren in Pakistan. Zij zijn in 2018 Nederland ingereisd en hebben asiel aangevraagd, de asielaanvraag is uiteindelijk afgewezen.
Verzoekers hebben drie kinderen, het oudste kind is geboren in de Verenigde Arabische Emiraten. De twee jongere kinderen (vreemdelingen), waar over de zaak gaat, zijn geboren in Nederland. Zij behoren als familie bij de Rohingya-gemeenschap.
De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat de Pakistaanse autoriteiten tot op heden de kinderen niet erkennen als Pakistaans onderdaan. Voorafgaand hebben verzoekers met behulp van het COA bij herhaling tevergeefs geprobeerd om de kinderen in te schrijven in het NADRA-register. Het NADRA-register is het nationale bevolkingsregister van Pakistan. De Staat legt de verantwoordelijkheid voor het niet slagen van de registratie bij de verzoekers, maar de Staat geeft niet aan wat de verzoekers meer hadden kunnen doen wat zij niet al geprobeerd hebben. Daarnaast is ook niet gebleken of er nog een mogelijkheid is om de registratie te voltooien aangezien de Pakistaanse autoriteiten niet genegen zijn om mee te werken.
Verder heeft de rechtbank aan dat als de Staat ervan uitgaat dat registratie in het NADRA-register geen vereiste is voor de Pakistaanse nationaliteit, de Pakistaanse autoriteiten weigeren om de kinderen als Pakistaans onderdaan te erkennen. Er is volgens de rechtbank spraak van iure staatloosheid, aangezien de individu niet door de autoriteiten als onderdaan wordt erkend zolang hij niet geregistreerd is, en vervolgens wordt weerhouden van die registratie. Ook omdat de kinderen behoren tot de Rohingya-gemeenschap blijkt dat het in de praktijk niet mogelijk is om aan de basisvoorwaarden voor Pakistaanse staatsburgerschap te voldoen. Dit blijkt uit het zeer gecompliceerde, inefficiënte en soms discriminerende bureaucratische registratieproces.
De rechtbank stelt daarom vast dat de kinderen op dit moment niet als onderdaan van Pakistan worden beschouwd. Staatloosheid vastgesteld.
Rb den Haag C/09/688045, 26.2.26
Rb Haarlem (mk), HA RK 25-348, C/09/688045, 21.5.26 ?
Uit de rechtspraak volgt dat het arrest Gnandi zich er niet tegen verzet dat de minister hangende een beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag handelingen verricht die zijn gericht op een terugkeer naar het land van herkomst, mits deze handelingen niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement. Het indienen van een aanvraag om een laissez-passer is daarom toegestaan, mits de vreemdeling hierover wordt geïnformeerd en de minister geen persoonsgegevens verstrekt die gerelateerd zijn aan de asielaanvraag of op een andere manier een schadelijke strekking hebben….
De voorzieningenrechter leidt uit het verzoekschrift af dat verzoeker niet zo zeer stelt dat de persoonsgegevens die zijn vermeld op het aanvraagformulier gerelateerd zijn aan de asielaanvraag of een schadelijke strekking hebben, maar dat het feit dat de aanvraag om een laissez-passer wordt gedaan (al) leidt tot verhoogde belangstelling van de Bengaalse autoriteiten bij terugkeer. De minister stelt zich echter terecht op het standpunt dat verzoeker deze vrees niet heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet daarom niet in waarom het indienen van een aanvraag om een laissez-passer afbreuk doet aan de effectiviteit van het ingediende beroep tegen het afwijzende besluit.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Rb Arnhem NL26.28593, 22.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13750
Eiser is geboren in 1958 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij is oud-Nederlander.
Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat aan niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land terug te keren. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking. De weigering van zijn verblijfsvergunning is in strijd met artikel 12.4 IVBPR omdat eiser de toegang tot Nederland wordt ontzegd.
De rechtbank overweegt dat ‘het eigen land’ niet per definitie het land van nationaliteit hoeft te zijn. De omstandigheid dat eiser thans de Surinaamse nationaliteit heeft, is dan ook niet het doorslaggevende element in de beoordeling. Dat volgt ook uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, nu daarin artikel 12, vierde lid, van het IVBPR onverkort is toegepast op iemand met de Surinaamse nationaliteit.
De conclusie is aldus dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking heeft en dus ook ten onrechte niet beoordeeld of eisers beroep op artikel 12, vierde lid van het IVBPR kan slagen. Het besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Rb Amsterdam NL24.13209 en NL24.13210 en NL25.9940, 29.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14740
Eiser heeft alleen gronden gericht tegen de belangenafweging over zijn privéleven. De belangenafweging is in het primaire besluit uitgebreid en helder gedaan. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die bij de belangenafweging gemist zijn. Hij stelt in de beroepsgronden wel dat een aantal punten niet zou zijn betrokken (lang verblijf in Nederland, eiser is inmiddels 55 jaar, hij heeft zijn productieve jaren in Nederland doorgebracht, verweerder heeft het verblijf gedoogd), maar dit is allemaal wel degelijk in de belangenafweging betrokken.
Overigens klopt het niet dat niet in geschil zou zijn dat eiser al 34 jaar onafgebroken in Nederland is. In het bestreden besluit schrijft verweerder namelijk dat hij aanneemt dat eiser in ieder geval tien jaar in Nederland woont. Nu de gronden die eiser tegen de belangenafweging met betrekking tot het privéleven heeft gericht niet slagen omdat die door verweerder zijn meegenomen, is het beroep ongegrond. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de consequenties van het besluit van verweerder voor eiser heel hard zijn, heeft verweerder volgens de rechtbank niet ten onrechte besloten dat eiser niet op grond van artikel 8 van het EVRM in Nederland mag blijven en de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgedaan.
Rb Amsterdam NL24.24114 en awb 23/9691, 29.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14778
Het HvJEU (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 20 VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat
– het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de gastlidstaat een besluit vaststelt waarbij wordt geweigerd aan een derdelander die ouder is van een minderjarig kind dat burger van de Unie is en dat nooit heeft verbleven in een andere lidstaat dan die waarvan het onderdaan is, een afgeleid verblijfsrecht op zijn grondgebied te verlenen op grond dat deze derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat, wanneer die autoriteit niet vooraf is nagegaan of het familie- en gezinsleven dat dit kind leidt met zijn twee ouders, van wie het afhankelijk is, in die andere lidstaat kan worden voortgezet en of de verplaatsing van het kind naar die lidstaat tegen zijn belangen indruist;
– het vereist dat aan die derdelander een afgeleid verblijfsrecht wordt verleend op het grondgebied van de lidstaat waarvan het kind onderdaan is en waar het met zijn twee ouders woont, wanneer het familie- en gezinsleven dat dit kind leidt met zijn twee ouders, van wie het afhankelijk is, niet in die andere lidstaat kan worden voortgezet en/of de verplaatsing van het kind naar die lidstaat tegen zijn belangen indruist.
HvJ EU C-147/24 (Safi), 4.6.26
ECLI:EU:C:2026:442
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CJ0147&qid=1780816386118
De rechtbank stelt voorop dat eiser heeft verklaard dat hij de berichten die hij in Venezuela op sociale media heeft geplaatst en waarin hij zich politiek heeft geuit, heeft verwijderd. Deze politieke uitingen vormen dus geen reëel risico voor vervolging of ernstige vrees bij terugkeer.
Wat betreft de politieke overtuiging en de politieke uitingen van eiser in Nederland, stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en lid is van Acción Democrática. De minister vindt het ook geloofwaardig dat eiser in Nederland politieke uitingen heeft gedaan op sociale media en een petitie gericht aan de Venezolaanse autoriteiten met zijn naam heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de geloofwaardig geachte politieke overtuiging van eiser en de kennelijke uitingen daarvan zich verhouden tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit volgt dat geen terughoudendheid mag worden verwacht van een politieke overtuiging. De rechtbank ziet in dat kader niet in dat van eiser kan worden verlangd dat hij bij terugkeer zijn politieke uitingen op sociale media verwijdert. Verder is van belang dat uit bronnen volgt dat monitoring van sociale media, routinecontroles van (de inhoud van) telefoons en grenscontroles door de Venezolaanse autoriteiten plaatsvinden. In dat licht heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. … De minister moet bij zijn beoordeling recente landeninformatie betrekken en ook de politieke uitingen van eiser op sociale media betrekken. De minister kan niet volstaan met de stelling dat het onaannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat omdat zijn bereik op sociale media beperkt is en hij niet veel volgers heeft.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.
Rb Utrecht NL24.21723 en NL24.33955, 27.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13788
Uit recente landeninformatie blijkt dat de veiligheidssituatie in Zuid-Somalië, waaronder de regio Lower Shabelle, in het begin van 2025 is verslechterd. De regio Lower Shabelle is het gebied waar de meeste geweldsincidenten plaatsvinden en waar tevens sprake is van een toename van het aantal incidenten. Uit deze informatie volgt verder dat Al-Shabaab in korte tijd aanzienlijke gebieden heeft heroverd, zijn positie in rurale gebieden en stedelijke gebieden heeft versterkt en in toenemende mate in staat is gebleken om ook strategische locaties en uitvalswegen te controleren of te beïnvloeden. Voorts volgt uit de landeninformatie dat de feitelijke machtsverhoudingen in delen van het gebied en infrastructuur diffuus zijn. Het is niet duidelijk welke gebieden veilig via landroutes kunnen worden bereikt zonder doorkruising van door Al-Shabaab beïnvloede zones, met name waar het gaat om hoofdwegen en controleposten. Hieronder valt ook de verbindingsroutes naar Afgooye. Tot slot is de controle van de federale autoriteiten niet duurzaam en effectief gebleken.
Gelet op deze informatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat Al-Shabaab niet de controle heeft in het (buiten)gebied waarin Afgooye ligt.
Rb Middelburg NL25.51475, NL25.51476 en NL25.51477, 27.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14159
De situatie in Libanon ontwikkelt zich snel en er verschijnt geregeld nieuwe informatie over de aanvallen die Israël in Libanon pleegt, met grootschalige ontheemding, verwoesting van civiele doelen en burgerdoden als gevolg. Het is momenteel niet te voorspellen hoe lang deze situatie zal blijven duren, in hoeverre de escalatie verder doorzet en welk effect het regionale conflict heeft op de situatie in Libanon. De situatie is daarmee te fragiel om zorgvuldig te beslissen op asielaanvragen. Asielaanvragen van vreemdelingen uit Libanon worden daarom tijdelijk aangehouden totdat er meer duidelijk is over de situatie aldaar.
Het besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon is ingesteld voor de duur van zes maanden.
Als gevolg van het vertrekmoratorium geldt er voor uitgeprocedeerde asielzoekers die moeten terugkeren naar Libanon tijdelijk geen vertrekplicht naar Libanon.
WBV 2026/13, 21.5.26 in staatscourant 14240, 5.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14240.html
Besluit 7465194, 2.6.26 IN staatscourant 14095, 3.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14095.html
De Minister van Asiel en Migratie heeft de Tweede Kamer geïnformeerd dat hij voor Afghanistan een aantal provincies heeft aangewezen (Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangahar, Paktia, Paktika en Takhar) waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (15c). Voor hen geldt in principe dat een beschermingsalternatief elders in Afghanistan bestaat.
Verder heeft de minister gemeld dat een vrouw die stelt en aannemelijk maakt door discriminerende maatregelen van de Taliban te zijn of worden getroffen, in de regel een verblijfsvergunning wordt verleend. Wel blijft er een individuele toetsing plaatsvinden. Er wordt daarbij niet verlangd dat zij bij terugkeer haar levensstijl noodgedwongen aanpast aan deze regels. Als op grond van haar individuele asielrelaas is gebleken dat zij geen bescherming op grond van de discriminerende maatregelen van de Taliban nodig heeft, wordt geen asielbescherming verleend.Voor hen geldt dat van een binnenlands beschermingsalternatief geen sprake is.
Evenmin is er sprake van een binnenlands beschermingsalternatief in die gevallen waarin de actor van vervolging de Taliban is. Daar waar de vrees voor vervolging komt van de zijde van andere partijen, zoals ISKP, NRF, AFF of is gerelateerd aan bijvoorbeeld bloed en eerwraak, kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een binnenlands beschermingsalternatief.
WBV 2026/12, 4.6.26 in Staatscourant 19746, 5.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-19746.html
Zie ook KST 19637 nr. 3562, 28.5.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-1251316.pdf
De Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) bekijkt foto’s en contactenlijst op telefoons van asielzoekers zonder bevoegd te zijn. De Inspectie JenV benadrukt dat een betrouwbare overheid rechtmatig moet handelen.
De Inspectie JenV beveelt de minister van Asiel en Migratie (AenM) daarom aan snel te zorgen voor een wettelijke grondslag zoals hij de Tweede Kamer toezegde in maart van dit jaar.