De vreemdeling heeft op beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening. Daarna kreeg hij van de COa bericht dat hij per 13 januari 2026 de opvang moet verlaten, en vroeg een spoed-vovo. De minister heeft laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. … In het briefverweer lijkt de minister een nieuwe weg in te slaan door zich op het standpunt te stellen dat de opvang en verstrekkingen worden beëindigd van asielzoekers waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die het hiertegen ingestelde beroep niet, maar het tijdige verzoek om een voorlopige voorziening wel in Nederland mogen afwachten.
Ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare gevolgen wordt daarom een ordemaatregel getroffen waarbij dit besluit wordt geschorst en waarbij de minister wordt verboden de opvang en verstrekkingen van de vreemdeling te (doen) beëindigen totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
Rb Rotterdam NL25.55029, 9.1.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:618
Uit de nu door de DT&V verstrekte cijfers blijkt dat er in het tweede halfjaar van 2025 in totaal 390 vreemdelingen van buiten de EU zijn uitgezet naar hun land van herkomst. In het eerste halfjaar van 2025 ging het om 410 vreemdelingen.
|
Top 10 uitzettingen naar land van herkomst - 1 juli - 31 dec 2025 |
|
|
Nationaliteit |
Aantal |
|
Marokkaanse |
60 |
|
Algerijnse |
60 |
|
Surinaamse |
30 |
|
Turkse |
30 |
|
Nigeriaanse |
20 |
|
Albanese |
20 |
|
Colombiaanse |
20 |
|
Britse |
10 |
|
Georgische |
10 |
|
Tunesische |
10 |
Antwoord DT&V d.d. 13 januari 2026 op Woo-verzoek van INLIA
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1529/aantal-uitzettingen-in-het-tweede-halfjaar-van-2025, 16.1.26
Eisers hebben op 17 december 2025 de negatieve uitspraak ontvangen in het hoger beroep tegen de afgewezen asielaanvragen. De jongste zoon van eisers schrok hiervan, waarna zijn oudere broer hem meenam om te logeren bij een vriend. Op 18 december 2025 heeft de vreemdelingenpolitie (AVIM) eisers om 6:22 uur staandegehouden op het asielzoekerscentrum in Nijmegen. Aangezien de kinderen – vermoedelijk – nog steeds bij vrienden waren, zijn zij niet staandegehouden. Eisers hebben gedurende hun inbewaringstelling geen contact kunnen krijgen met hun kinderen en weten niet waar zij precies verblijven. De kinderen zijn niet in bewaring gesteld.
De vlucht naar Egypte was voor het gehele gezin gepland op 29 december 2025. De vluchten van de kinderen zijn op het laatste moment geannuleerd, omdat de AVIM niet kon achterhalen waar de kinderen zijn. De minister heeft intern besproken wat de mogelijkheden zijn om het gezin gescheiden uit te zetten. Daarvoor is akkoord gegeven omdat het vermoeden bestaat dat de kinderen zich niet melden bij de minister om zo de geplande uitzetting te belemmeren. De uitzetting van de ouders op 29 december 2025 bleef daarom gepland staan. Eisers hebben echter op het laatste moment een opvolgende asielaanvragen ingediend waardoor de uitzetting geen doorgang vond. Gelet op de nieuw ingediende feiten zag de minister geen aanleiding om de asielaanvragen op Schiphol te behandelen.
De rechtbank stelt voorop dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ingrijpende maatregel is, die slechts mag worden toegepast indien is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de minister steeds moet beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan. … Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen in de afweging om af te zien van de oplegging van de maatregelen van bewaring. …. Hierbij is mede van belang dat eisers zich altijd aan hun meldplicht hebben gehouden. Dit is door de minister op de zitting ook erkend. Bovendien heeft de minister geprobeerd om eisers gescheiden van hun kinderen uit te zetten naar Egypte. Daarmee heeft de minister het risico genomen dat mogelijk een langdurige scheiding van het gezin zou ontstaan. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om een lichter middel op te leggen.
De rechtbank volgt de minister ook niet in het standpunt dat eisers, dan wel hun kinderen, bewust hebben geprobeerd de uitzetting te belemmeren. … Ook het gegeven dat eisers een asielaanvraag hebben ingediend, maakt dit niet anders. Op de zitting werd immers duidelijk dat eisers een opvolgende aanvraag hebben ingediend omdat zij nieuwe feiten willen inbrengen en niet om de terugkeer te willen frustreren.
Rb Arnhem NL25.62396 en NL25.62395, 31.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25709
Anders dan verweerder overweegt de rechtbank dat de verplichtingen die voor verweerder en de rechtbank voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn niet onder de procedurele autonomie vallen. Deze gelden onverkort in het geval dat mag worden aangenomen dat de vreemdeling ‘mob gaat’ in een asielprocedure. Eiser heeft er belang bij dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd en eiser ondervindt gevolgen van de vaststelling van het TKB, de signalering hiervan in het SIS en de uitvaardiging van het inreisverbod dat is gestoeld op dit TKB. Verweerder heeft in en na het besluit ten onrechte niet beoordeeld of de gezondheidssituatie en het privéleven van eiser in de weg staan aan het vaststellen van een terugkeerbesluit.
De stelling van verweerder dat hij dit niet kan beoordelen omdat eiser ‘mob is’, is onjuist want verweerder kan deze beoordeling verrichten op grond van de verklaringen die eiser heeft afgelegd, de standpunten die de gemachtigde van eiser namens eiser naar voren heeft gebracht en de medische informatie waar verweerder al over beschikt.
Eiser heeft nadat verweerder een voornemen uitgebracht een op 2 mei 2024 gedateerde iMMO-rapportage overgelegd. Verweerder gaat uit van de juistheid van de inhoud van deze rapportage. In de rapportage is uitgebreid beschreven met welke medische en psychische klachten eiser kampt en welke medicamenteuze en andere behandelingen hij hiervoor heeft ondergaan en thans ondergaat. Verweerder is ook bekend met het GCA-patiëntendossier van eiser en de brief van de GGZ van 25 juni 2023. Verweerder weet ook dat hij driemaal aan Medifirst een advies horen en beslissen heeft moeten vragen omdat eiser tweemaal wel gezien is maar geconcludeerd is dat eiser niet kon worden gehoord vanwege zijn medische problematiek. Verweerder had gelet op al deze informatie moeten nagaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven in de weg stonden aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Deze verplichting volgt uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 en is dus niet afhankelijk van de omstandigheid of eiser hier een uitdrukkelijk beroep op doet. Verweerder heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard zonder nader in te gaan op de medische situatie van eiser.
De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit. Het inreisverbod kan daarom ook geen stand houden en de rechtbank draagt verweerder op om de SIS-signalering te verwijderen.
De rechtbank draagt verweerder ook op om de kosten van de iMMO-rapportage te voldoen omdat het aanvankelijk ongeloofwaardig geachte asielrelaas op grond van deze rapportage alsnog integraal geloofwaardig is bevonden. De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk mee om te reflecteren op zijn (structurele) proceshouding als wordt verzocht om vergoeding van de kosten van het opstellen van een iMMO-rapportage.
Rb Roermond NL24.34975, 12.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:347
Hoewel de nationaliteit van de verdachte (al jaren) ongewis is, staat vast dat de verdachte geen EU-burger is. Bij beschikking van 25 januari 2013 is jegens hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Deze beschikking is onherroepelijk geworden. De verdachte verbleef op 9 maart 2024 in Amsterdam in weerwil van het inreisverbod, dat op dat moment niet was ingetrokken of vervallen.
Het hof constateert – met de raadsman – dat de motivering van het inreisverbod voor wat betreft het openbare-ordecriterium tekortschiet, nu daarin geen overwegingen worden gewijd aan het concrete gedrag van de verdachte. …. Gelet op het aantal delicten, de frequentie waarmee die delicten in aanloop naar het uitvaardigen van het inreisverbod zijn gepleegd en de aard en ernst van de gepleegde delicten, bezien tegen een achtergrond van aanwijzingen voor middelenmisbruik en een posttraumatische stressstoornis, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod materieel evident niet aan het openbare-ordecriterium was voldaan. Nu het dossier ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor de gedachte dat sprake is van één van de uitzonderingssituaties als door de Hoge Raad genoemd, zal het hof uitgaan van de rechtmatigheid van het inreisverbod….
Uit informatie van de IND en de reclassering komt naar voren dat de verdachte sinds juli 1997, dus al ruim 28 jaar, in Nederland verblijft; naar eigen zeggen was hij vijftien jaar toen hij als alleenstaande minderjarige naar Nederland is gekomen. …. Het is sindsdien niet gelukt de verdachte uit te zetten omdat de verdachte niet beschikt over de vereiste reisdocumenten. De verdachte volhardt erin uit Sierra Leone te komen, terwijl taalanalyses uitwijzen dat hij uit Ghana afkomstig zou zijn…..
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte, die weliswaar eerder een weigerachtige houding omtrent zijn vertrek uit Nederland innam, zich nadien en inmiddels al een aantal jaren actief meewerkend inzet om zijn vertrek uit Nederland te (kunnen) realiseren, maar tot op heden zonder resultaat. Hoewel de verdachte zelf blijft zeggen uit Sierra Leone te komen, heeft hem dat sinds de beëindiging van de ISD-maatregel er niet van weerhouden zijn medewerking te verlenen aan het aanvragen van laissez-passers bij andere autoriteiten dan die van Sierra Leone. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof verder genoegzaam gebleken dat de verdachte niet beschikt over (contactgegevens van) familie of andere persoonlijke contacten in landen waaraan hij wordt gerelateerd, waardoor ook zij hem niet kunnen helpen zijn verklaring over zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen en zijn laissez-passeraanvragen te bevorderen.
Naar het oordeel van het hof is – gelet op het voorgaande – aannemelijk dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde buiten zijn schuld niet in staat was het land te verlaten, nu hij ondanks zijn medewerking daaraan niet in het bezit kon komen van de benodigde reisdocumenten en deze omstandigheid dan ook niet (meer) is toe te rekenen aan een weigerachtige houding van zijn kant…. Het beroep op overmacht slaagt dan ook. De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat het bovenstaande oordeel omtrent het beroep op overmacht betrekking heeft op het verblijf van de verdachte in Nederland op 9 maart 2024 en dat een meewerkende houding van de verdachte onverminderd vereist is en dus van belang blijft.
Gerechtshof Amsterdam 23-000714-24, 17.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3635
Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een strafrechtelijke aanleiding, op grond waarvan eisers identiteitsdocument is gevorderd. De verbalisanten zijn ter plaatse gekomen toen twee mannen eiser hebben vastgehouden omdat hij jassen zou hebben gestolen. De verbalisanten hebben gezien dat eiser geen jassen bij zich droeg. Op grond van deze onderzoeksbevindingen kwamen de verbalisanten tot de conclusie dat de burgeraanhouding niet terecht was. Eén van de mannen gaf aan de verbalisant aan dat hij nog wel aangifte wilde doen tegen eiser, omdat hij door eiser was gebeten en hij daardoor naar het ziekenhuis moest. Eén van de verbalisanten is ook met eiser in gesprek gegaan en heeft hem toen zijn identiteitsbewijs gevorderd. Eiser heeft geen identiteitsbewijs laten zien, waarna de verbalisant een identiteitsfouillering heeft verricht. Daarop is eiser weggerend. Eiser is vervolgens aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.
Omdat de aanhouding op basis van een strafrechtelijke bevoegdheid is gebeurd, wordt dit niet verder beoordeeld door de bewaringsrechter. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat er sprake was van een onrechtmatige vreemdelingenrechtelijke staandehouding en ophouding.
Rb Arnhem NL25.62664, 5.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:464
Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en woont in Pakistan. Hij is getrouwd met referente en heeft met haar twee zonen, geboren in 2015 en 2023. Referente en de drie kinderen wonen in Nederland en hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
Eiser heeft verzocht om afgifte van een faciliterend visum en daarbij een beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Die aanvraag is in 2024 afgewezen. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat aan eiser het faciliterend visum wordt verleend. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat verweerder, als hij niet uiterlijk op 29 juli 2024 een besluit heeft genomen over het bezwaar van eiser, verweerder hem na die datum moet behandelen alsof hij hem het aangevraagde faciliterend visum heeft verleend….
De rechtbank is van oordeel dat verweerder - anders dan is vastgesteld in de uitspraak van de Afdeling - cumulatief heeft getoetst aan de vereisten c en d. …
De rechtbank stelt vast dat er meerdere rapporten zijn overgelegd ter onderbouwing van de precaire gezinssituatie. Het gezin heeft veel ondersteuning van derden nodig, de kinderen hebben psychologische ondersteuning nodig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de gevolgen van het besluit voor de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. ….
De rechtbank concludeert dan ook dat gelet op de belangen van de kinderen, de conclusie dat de gezinssituatie (nog steeds) zeer precair is en de verwijtbaarheid aan verweerder voor de lange duur van de procedure, er een voorziening moet worden getroffen. De rechtbank treft dan ook een voorlopige voorziening waarbij eiser moet worden behandeld als ware hij in het bezit is van een faciliterend visum. Deze voorziening duurt tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft beslist.
Rb Amsterdam NL25.12235 en NL24.48641, 8.10.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22923
Appellante had tot haar zoon in 2022 meerderjarig werd, een Chavez-Vilchezverblijfsrecht. Op 9 december 2021 heeft [appellante] een 8EVRM-aanvraag ingediend. Na bezwaar is deze alsnog verleend met als ingangsdatum 19 mei 2022, omdat [appellante] vanaf die datum aan alle vereisten voldeed.
Zij heeft nu om naturalisatie verzocht en gesteld dat haar Chavez-Vilchez verblijfsrecht declaratoir doorliep nadat haar zoon meerderjarig werd, zodat zij geen verblijfsgat heeft. Zij stelt dat de staatssecretaris dat had moeten vaststellen.
[appellante] betoogt terecht dat de staatssecretaris een eigen verantwoordelijkheid heeft om het rechtstreeks werkende Unierecht toe te passen. …. Dit is slechts anders als de minister in een besluit heeft vastgesteld dat een vreemdeling in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De Afdeling stelt vast dat de minister [appellante] bij kennisgeving van 6 september 2021 heeft meegedeeld dat haar Chavez-Vilchezverblijfsrecht geldig is tot 19 januari 2022. Zij heeft daar geen bezwaar tegen ingediend. In het besluit van 22 april 2022 heeft de minister vastgesteld dat het Chavez-Vilchezverblijfsrecht van [appellante] per 19 januari 2022 is vervallen, omdat haar zoon meerderjarig is geworden. Uit het dossier blijkt niet dat [appellante] is opgekomen tegen dit onderdeel van dat besluit. Gelet hierop is de staatssecretaris, zoals de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld, in de voorliggende procedure terecht van deze besluiten uitgegaan. … Het betoog van [appellante] dat sprake is van een doorlopend Chavez-Vilchezverblijfsrecht behoeft daarom in de voorliggende procedure geen verdere bespreking.
RvS 202404832/1/V6, 14.1.26, tegen Rb Breda 23/11207, 20.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:197
Eiseres heeft een dochter die is geboren in 2000 met de Nederlandse nationaliteit. In 2017 heeft verweerder aan eiseres een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht toegekend. In 2022 heeft eiseres gevraagd om verblijfsrecht op grond van 8EVRM. …
De rechtbank overweegt allereerst dat beantwoording van de vraag wanneer het Chavez-verblijfsrecht is ontstaan relevant is in het kader van de vraag of eiseres recht heeft op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. …
De rechtbank volgt een eerdere uitspraak van Rb Groningen en is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat een Chavez-verblijfsrecht niet eerder kan zijn ontstaan dan op 1 december 2009, toen het Verdrag van Lissabon van kracht werd. …
De rechtbank overweegt verder dat, nu in een uitspraak van 20 november 2009 reeds is vastgesteld dat sprake was van familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter, verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres pas op 5 januari 2015 is ontstaan, toen alle bewijsstukken bij de IND zijn overlegd. ….
In het kader van finale geschilbeslechting draagt de rechtbank verweerder op om bij de belangenafweging te betrekken dat eiseres lange tijd rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, nu het Chavez-verblijfsrecht van eiseres eerder is ontstaan.
De rechtbank draagt verweerder op in de belangenafweging te betrekken dat uit de brief van het [ziekenhuis] van 15 april 2011 uitdrukkelijk blijkt dat eiseres bij alle afspraken van haar dochter in het ziekenhuis (sinds 2001) aanwezig is geweest. Uit die brief blijkt ook dat de maatschappelijk werker in 2010 ondersteunend contact heeft gehad met eiseres over haar dochter.
De rechtbank draagt verweerder verder op om de omstandigheid dat de dochter van eiseres (in ieder geval) in 2017 een periode op het adres van haar vader stond ingeschreven niet in het nadeel van eiseres te laten wegen. Op de zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat inschrijving op het adres van de vader slechts nodig was om een verblijfsdocument in te kunnen schrijven. De vader is verder nooit in beeld geweest in het leven van de dochter en heeft nooit voor haar gezorgd. In de uitspraak van 20 november 2009 is dit ook al zo vastgesteld. …
Rb Amsterdam NL25.13198 en NL25.13201, 11.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26087
Uit het meest recente Ambtsbericht Eritrea van 2023 blijkt dat het moeilijk is te achterhalen wat de risico’s waren voor personen die terugkeerden, omdat de geïnterviewde bronnen niet op de hoogte waren van veel gevallen van personen die waren teruggekeerd. Toch bevestigden bronnen dat Eritrea geen instituties of mechanismes kende die bescherming konden bieden aan personen die terugkeerden. Hierdoor waren terugkeerders, zelfs aanhangers van het regime, onderworpen aan willekeur en inconsistente behandelingen, net als alle andere Eritrese burgers.
Uit het ambtsbericht blijkt dat gewoonlijk alle terugkerende Eritreeërs bij aankomst op de internationale luchthaven worden gecontroleerd over welke Eritrese en buitenlandse identiteitsdocumenten ze beschikten, of ze de diasporabelasting hadden betaald en – indien van toepassing – of ze het ‘regret form’ hadden ondertekend. De procedures op de luchthaven waren echter inconsistent. Als de autoriteiten iemand wantrouwden, konden ze diegene ondervragen. Redenen daarvoor konden zijn: onvolledige documenten of het niet betaald hebben van de diasporabelasting. Wie gedwongen terugkeerde naar Eritrea riskeerde mensenrechten-schendingen, zoals arbitraire detentie, mishandeling, inhumane behandeling en plaatsing in de nationale dienstplicht. Ook vrijwillige terugkeer kon niet altijd als vrijwillig worden beschouwd. Als men geen diasporastatus had, werd men bij terugkeer hetzelfde behandeld als mensen die gedwongen terugkeerden en konden zij ook worden blootgesteld aan mensenrechten-schendingen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat illegale uitreis door Eritrea wordt beschouwd als een misdaad en die personen worden beschouwd als niet-loyaal. Ook zij riskeren detentie en mishandelingen.
De rechtbank stelt vast dat niet alle verschillende risicofactoren en de landeninformatie die eiseres heeft aangevoerd, kenbaar zijn betrokken bij het bestreden besluit. … Uit het bestreden besluit volgt niet dat alle genoemde factoren in onderlinge samenhang zijn betrokken bij de beoordeling of eiseres een reëel risico loopt bij terugkeer. Dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Rb Amsterdam NL25.22594 en NL25.22595, 10.10.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22926