De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker te laat beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft verweerder erop gewezen dat zij zo nodig ambtshalve het beginsel van non-refoulement dient te betrekken bij de in het kader van dit verzoek te maken voorlopige beoordeling van het bestreden besluit dat tevens een terugkeerbesluit omvat. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat het COA heeft medegedeeld de Rva-verstrekkingen aan verzoeker niet te zullen beëindigen voordat uitspraak is gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van de wijze waarop sinds 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van asielrelazen wordt beoordeeld met het Unierecht en dat het Hof de rechtbank heeft geïnformeerd dat de vragen gevoegd zullen worden behandeld door de Tweede Kamer van het Hof.
In het bestreden besluit in de zaak van verzoeker zijn een of meer van de door verweerder onderscheiden asielmotieven ongeloofwaardig geacht op grond van deze geloofwaardigheids-beoordeling. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van verzoeker zal aanhouden in afwachting van het arrest van het Hof.
Daarom heeft verzoeker er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat het beroep ondanks de termijnoverschrijding een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd gelet op de verwijzing. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit zodat verzoeker de uitspraak op beroep in Nederland mag afwachten. Om elk misverstand te voorkomen bepaalt dat de voorzieningenrechter uitdrukkelijk dat dit ook betekent dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker niet mogen worden beëindigd en dat verzoeker niet uit de opvang mag worden gezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
Rb Roermond NL25.15524, 22.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25438
Eiser is 42 jaar geleden, als 11-jarig kind samen met zijn ouders Spanje ingereisd en aansluitend naar Nederland gekomen. Eiser heeft een verblijfsvergunning verkregen en op grond daarvan geruime tijd rechtmatig verblijf in Nederland gehad. De verblijfsvergunning is in 2014 ingetrokken vanwege meerdere veroordelingen voor strafbare feiten. Hij zit nu in detentie.….
De rechtbank overweegt dat verweerder geen enkele inspanning heeft geleverd om eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 te verwijderen, toen een LP beschikbaar was. De rechtbank overweegt dat uit deze handelwijze blijkt dat verweerder kennelijk niet een groot belang toekent aan de verwijdering van eiser. …. De rechtbank wijst er in dit verband uitdrukkelijk op dat eiser een vaste en geregistreerde woonplaats heeft en verweerder bij de voorgaande maatregel en de opheffing daarvan van de precieze adresgegevens van eiser op de hoogte was. ….
De rechtbank kan op grond van de maatregel, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of verweerder meent dat eiser nu wel zijn terugkeer kan bespoedigen. … De rechtbank overweegt dat de indruk ontstaat dat het opleggen van de maatregel meer een standaardmatige reactie is geweest op de overname uit de strafrechtketen van een illegaal verblijvende vreemdeling en dat hier niet het grondige onderzoek dat is vereist alvorens de vrijheid te ontnemen aan ten grondslag heeft gelegen. Deze indruk wordt versterkt door de summiere standaardmatige motivering in de maatregel, die de rechtbank mede daarom onvoldoende deugdelijk acht. De fysieke aanwezigheid van eiser in het DTC in Rotterdam is niet nodig om een vertrekgesprek te houden en om bij het consulaat in Amsterdam een nieuwe LP te vragen en de verlopen LP te overhandigen. ….
De rechtbank concludeert dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maatregel onrechtmatig is en dat de gronden om dit standpunt te onderbouwen slagen. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel bevel en de invrijheidstelling van eiser gelasten.
Rb Roermond NL25.62747, 2.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29
Eiser heeft de Eritrese nationaliteit. In een eerdere asielprocedure is zijn aanvraag afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vv. Hij heeft van 2005 tot 2012 gewerkt bij de special forces in Sawa en als trainer in de militaire kampen Wia en Meter, waar op grote schaal misdrijven tegen de menselijkheid werden gepleegd. Eiser kan niet worden uitgezet naar Eritrea, omdat hij daar een risico loopt op een onmenselijke behandeling. …
De uitzonderlijke ernst van deze feiten maakt dat de bedreiging die van eisers aanwezigheid uitgaat, zeer lang actueel blijft. Het gaat hierbij niet primair om het risico van herhaling, maar om de aanwezigheid van personen die zich aan dergelijke misdrijven schuldig hebben gemaakt. Dit ondermijnt de basisprincipes van de rechtvaardige samenleving en het gevoel van veiligheid en vertrouwen onder burgers. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte gewezen op het belang dat slachtoffers niet in Nederland met eiser worden geconfronteerd. …
Verweerder heeft het tijdsverloop en het uitblijven van strafbare feiten in Nederland expliciet bij de beoordeling betrokken, maar heeft hieraan geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Belangrijker is of eiser inzicht heeft getoond in zijn handelen, daarvoor verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont. De rechtbank stelt vast dat eiser dit op geen enkele wijze heeft gedaan….
Tegenover het zwaarwegende belang van de kinderen om met hun vader in Nederland op te groeien, staat een eveneens zwaarwegend algemeen belang. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat aan dit algemeen belang een uitzonderlijk gewicht toekomt. … De combinatie van de uitzonderlijke ernst van de misdrijven en de actuele dreiging die van eiser uitgaat, maakt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de inmenging in het gezinsleven van eiser noodzakelijk is in een democratische samenleving. Verweerder heeft dan ook de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Rb Haarlem NL24.32131 en NL24.32133, 14.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24949
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser actief HDP-lid was en is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten voor de HDP in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De rechtbank acht daarvoor van belang wat er in het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 is vermeld met betrekking tot leden van de HDP (thans: DEM). In de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland wordt ook naar dit ambtsbericht verwezen…..
Uit het ambtsbericht volgt niet dat alleen hooggeplaatste DEM-leden te maken kunnen krijgen met vervolging. Uit de enkele overweging dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen de HDP een vooraanstaande rol had, heeft verweerder dus niet de conclusie mogen trekken dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Uit de door eiser afgelegde (en geloofwaardig geachte) verklaringen kan worden afgeleid dat eiser voor de HDP politieke activiteiten heeft verricht die in het ambtsbericht als risicovolle activiteiten worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder heeft aangenomen dat eisers vader een prominente rol had binnen de HDP en dat verweerder eerder aan een broer van eiser wel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.
Reeds hierom slaagt het beroep.
Rb Middelburg NL25.7784, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25489
Eiser komt uit Ruraal Damascus in Syrië en heeft in 2023 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank moet bepalen wat het niveau van willekeurig geweld is om te beoordelen of aan eiser door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ subsidiaire bescherming moet worden verleend….
De Afdeling heeft in procedures waarin het niveau van willekeurig geweld in Jemen onderwerp van geschil was geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict als relevante omstandigheid bij deze globale beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank is het eens met dit door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader.
In de onderhavige procedure stelt verweerder zich op het standpunt dat het actor-vereiste zodanig strikt moet worden uitgelegd dat alleen humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld dat is uitgeoefend door strijdende partijen die deelnemen aan het thans aan de gang zijnde conflict hoeven te worden betrokken bij 15c. Volgens verweerder is Assad door de val van zijn regime geen actor meer in het gewapende conflict en kunnen de humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt vóór de val van Assad daarom buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank vraagt zich af of deze strikte toepassing van het actor-vereiste verenigbaar is met de subsidiaire beschermingsregeling.
De strikte toepassing van het actor-vereiste, zoals door verweerder bepleit, brengt een onevenredige bewijslast voor eiser mee. Voor verweerder, die gelet op de samenwerkingsplicht gehouden is om zo nodig actief met eiser samen te werken, zal een strikte toepassing van het actor-vereiste tot vergelijkbare problemen leiden. De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is.
De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof om een einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen en doet het Hof een voorstel voor beantwoording van deze vraag. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.
Rb Roermond NL24.31749, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25445
Wat betreft de activiteiten van eiser in Nederland heeft de minister onder andere geloofwaardig geacht dat eiser bij de protesten van IPOB een vlag draagt en mensen aanspreekt, heeft gedemonstreerd bij de Nigeriaanse ambassade en vaag herkenbaar op een foto staat op de Facebookpagina van [internetsite 1]. De minister volgt echter niet dat eiser hierdoor (al) in de negatieve belangstelling staat van de Nigeriaanse autoriteiten. ….
Uit de informatie van IRB van 2 juni 2022 blijkt dat het voor de Nigeriaanse regering heel makkelijk is geweest om de activiteiten van IPOB-leden te monitoren en de bron van hun financiering te achterhalen. Daar staat tegenover dat de Nigeriaanse regering niet over voldoende middelen beschikt om IPOB-leden die niet langer in Nigeria wonen, op te sporen en te monitoren. De informatie van IRB laat dus geen eenduidig beeld zien. Dat betekent echter niet dat de minister zonder meer uit mag geen van de verklaring van de journalist dat er weinig / geen monitoring in het buitenland plaatsvindt. De rechtbank acht het daarom niet onaannemelijk dat er ook in Nederland enige monitoring van IPOB plaatsvindt. Dat maakt de kans groter dat eiser al in de negatieve belangstelling staat. Bovendien heeft eiser terecht gesteld dat, als hij in Nigeria zijn activiteiten zou vervolgen, uit de landeninformatie blijkt dat hij dan (alsnog) in de negatieve belangstelling zou kunnen komen te staan.
De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn standpunt dat de activiteiten te marginaal zijn om aan te nemen dat eiser risico loopt bij terugkeer. … Bovendien heeft eiser verwezen naar landeninformatie, waaruit blijkt dat ook personen die er enkel van worden verdacht lid te zijn van IPOB problemen ondervinden. … De minister heeft hierover in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft aannemelijk gemaakt dat híj in de negatieve aandacht zal komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is deze beoordeling niet in overeenstemming met het arrest S en A. Daaruit volgt immers dat de minister de algemene context in het land van herkomst dient te betrekken. Dat uit de landeninformatie blijkt dat er geweld plaatsvindt tegen (vermeende) IPOB-leden en dat het dragen van een Biafra-vlag kan leiden tot arrestatie en mishandeling, is dus wel degelijk relevant voor iemand met het profiel van eiser. …. Ook heeft de minister op de zitting desgevraagd bevestigd dat ook als uit de bronnen volgt dat willekeurige niet-prominente IPOB-leden vervolgd worden, eiser dan alsnog aannemelijk moet maken dat hij daaronder valt. De rechtbank kan dat niet volgen, gelet op het beoordelingskader uit het arrest S en A. De minister acht de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig, en dat betekent dat de minister ook een onderzoeksplicht heeft en gemotiveerd moet ingaan op de landeninformatie. De minister heeft hier onvoldoende (kenbaar) aan voldaan.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Rb Utrecht NL25.24411, 16.9.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24738
Uit de landeninformatie over Liberia blijkt dat de positie van vrouwen in Liberia problematisch is. De rechtbank wijst verder met eiseres op het Country Report 2024 over Liberia van het ECOI en het door verweerder geloofwaardig bevonden relaas van eiseres.
Eiseres heeft verklaard dat zij na het overlijden van haar ouders in het huishouden van haar oom is terechtgekomen en toen door haar oom is mishandeld. Daarnaast heeft haar oom volgens eiseres gepoogd haar te laten besnijden en haar op jonge leeftijd uit te huwelijken. Niet is gebleken dat eiseres bescherming heeft gekregen van de lokale autoriteiten voor enige van deze problemen. ….
Uit de geloofwaardig geachte verklaringen van eiseres volgt dat eiseres in het verleden als vrouw in Liberia is blootgesteld aan vervolging. … Hieruit volgt dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres bij terugkeer naar Liberia vanwege haar gender niet meer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade bij verweerder lijkt te liggen. Mocht verweerder tot de conclusie komen dat eiseres eerder slachtoffer is geworden van vervolging of ernstige schade, dan moet hij ingaan op de eventuele redenen om aan te nemen dat zij niet opnieuw slachtoffer zal worden. Verweerder moet concreet betrekken of eiseres bij terugkeer een alleenstaande vrouw is of opnieuw onder verantwoordelijkheid van haar oom zal vallen en, daarmee, risico loopt op een herhaling van hetgeen haar eerder is aangedaan.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL25.35923, 15.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24945
In het geval van eiseres vindt verweerder geloofwaardig dat zij afvallig is en dat zij daar in Nederland uiting aan geeft, onder andere door geen hoofddoek te dragen en door zich openbaar uit te spreken tegen de islam. Op de vraag hoe zij haar afvalligheid in Iran zou willen uiten, heeft zij geantwoord: ‘Zoals ik bijvoorbeeld nu mijn kritiek heb geuit, dat is een. Ik heb mijn hoofddoek verwijderd, dat is twee en ik ga gewoon vrij bewegen en alcohol drinken. Dus in woorden, maar ook in daden, in de praktijk.’ Over de reden dat zij haar afvalligheid in het verleden in Iran niet uitte, heeft eiseres telkens verklaard dat zij dit niet durfde omdat zij bang was gestraft te worden. Gelet op deze verklaringen, mocht verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet op het standpunt stellen dat eiseres zich bij terugkeer kan conformeren door haar afvalligheid niet te uiten.
Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangenomen dat eiseres zich in Nederland politiek uit door deel te nemen aan demonstraties en door op sociale media te posten. Verweerder heeft onder meer niet betwist dat eiseres ruim 23.500 volgers heeft op Instagram en dat zij te zien is geweest op kanalen van (bekende) journalisten. Eiseres heeft daarnaast nadrukkelijk verklaard dat zij de politieke ideeën die zij buiten Iran heeft opgedaan, wil blijven delen bij terugkeer. Mede ook omdat de politieke uitingen in het geval van eiseres niet los zijn te zien van haar afvalligheid, zal verweerder nader moeten motiveren of eiseres vanwege haar politieke activiteiten, in samenhang bezien met haar afvalligheid, een risico loopt bij terugkeer.
Beroep gegrond.
Rb den Haag NL25.51627 en NL25.51628, 9.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24408
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst met het paspoort niet (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat de conclusie van BDOC dat de echtheid van het document positief is beoordeeld, niet betekent dat het ook gaat om een authentiek paspoort. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser in de eerdere asielprocedure de Liberiaanse nationaliteit heeft opgegeven. Daarbij heeft hij ook valse documenten overgelegd. Hoewel eiser een echt paspoort heeft overgelegd, is dus geen sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden (waarbij het aan de minister is om nader onderzoek te doen als hij voorbij wil gaan aan het paspoort).
De minister mocht voor zijn standpunt ook van belang vinden dat uit het ambtsbericht blijkt dat Nigeriaanse documenten fraudegevoelig zijn. Verder kan de rechtbank volgen dat eisers verklaring in het nader gehoor van 2 augustus 2024 dat het paspoort nog niet in zijn bezit is, tegenstrijdig is met dat het paspoort de afgiftedatum 12 april 2024 heeft. ... De rechtbank acht verder van belang dat eiser geen enkel steunbewijs heeft overgelegd voor de aanvraag en afgifte van zijn paspoort bij de ambassade in Den Haag.
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Utrecht NL25.23911, 11.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24743
In gevallen waarin een vreemdeling blijvend niet kan worden gehoord, moet de minister alle redelijke inspanningen kenbaar hebben verricht die in het gegeven geval gevraagd kunnen worden om de asielmotieven van die vreemdeling en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens op een alternatieve wijze te achterhalen.
Appellant klaagt terecht dat de minister niet mocht tegenwerpen dat het relaas in Italië niet overeenkomt met zijn verklaringen in Nederland en het relaas dat zijn gemachtigde op schrift heeft gesteld. Uit het dossier is namelijk niet gebleken op welke wijze de verklaringen die hij heeft afgelegd in Nederland, zijn beïnvloed door zijn psychiatrische problemen. Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderkend dat de gemachtigde stelt dat zij ook geen coherent en consistent verhaal aan appellant kan onttrekken. Verder is niet gebleken of de psychische problemen waarmee appellant in Nederland bekend is, ook al in Italië speelden, en zo ja, of de Italiaanse autoriteiten daarmee bekend waren en of zij daarmee rekening hebben gehouden bij het horen en beslissen.
De minister had, met inachtneming van de medische situatie van appellant en zijn onvermogen zijn relaas toe te lichten en zijn aanvraag met stukken te onderbouwen, onderzoek moeten doen naar andere, passende vormen van informatievergaring. Zij had bijvoorbeeld het Bureau Medische Advisering kunnen inschakelen om samen met appellant de asielmotieven en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens te achterhalen.
Het hoger beroep tegen Rb Haarlem NL22.26521, 6.12.23 is gegrond.
RvS 202400024/1/V3, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6308