Nieuws

Rb: geen belang vaststelling staatloosheid in asiel

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder, zolang dit niet noodzakelijk is voor zijn beslissing, niet verplicht is om in het kader van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast te stellen of een vreemdeling staatloos is. De asielprocedure is gericht op het al dan niet verstrekken van asielrechtelijke bescherming. Eiser heeft die bescherming verkregen met de afgifte van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De asielprocedure richt zich niet op het vaststellen van staatloosheid bij een vreemdeling. Dit brengt met zich dat de asielprocedure en het beroep gericht tegen de inwilliging van de asielaanvraag niet de weg is om hierover te procederen.

Rb Middelburg NL25.43753, 25.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22303

RvS: bij taalanalyse moet risico taalaccomodatie worden vermeden

Betrokkene heeft erop gewezen dat in de taalanalyse staat dat de ‘Noord-Somalische tolk’ in een deel van de spraakopname woorden in het ‘(Noord)-Somalisch’ heeft voorgezegd en TOELT dit deel van de spraakopname daarom niet heeft gebruikt in de taalanalyse. Betrokkene stelt dat deze manier van onderzoek het verschijnsel van taalaccommodatie uitlokt, dat wil zeggen dat een vreemdeling zijn taalgebruik aanpast aan dat van een tolk. Betrokkene wijst er terecht op dat TOELT niet heeft uitgelegd waarom het voorzeggen van woorden door de tolk geen invloed heeft gehad op de bruikbaarheid van de rest van de spraakopname voor een zorgvuldige taalanalyse. Weliswaar heeft de minister TOELT gevraagd om te reageren op de zienswijze van betrokkene, maar omdat betrokkene zijn betoog over taalaccommodatie voor het eerst naar voren heeft gebracht in het aanvullend beroepschrift van 11 juli 2023, heeft TOELT hierover geen uitleg kunnen geven. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister ten onrechte geen nadere reactie van TOELT heeft gevraagd om zich ervan te vergewissen dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen.

Grief 2 tegen Rb Groningen NL23.19228, 1.8.23 slaagt.
RvS 202304945/1/V1, 17.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1494

HvJ EU AG: rechter moet alle informatie gebruiken bij beoordeling asielverzoek

Rechtbank Roermond wenst te vernemen of het bij de toetsing van een afgewezen asielverzoek verplicht is om, ook buiten de oorspronkelijke beroepsgronden, ambtshalve de feiten en het recht te onderzoeken, inclusief de behoefte aan internationale bescherming en het non‑refoulement-beginsel.

De advocaat-generaal oordeelt als volgt. Artikel 46 lid 3 Procedurerichtlijn, gelezen samen met de artikelen 4, 18 en 47 van het EU-Handvest, moet zo worden uitgelegd dat een nationale rechter in eerste aanleg die een beslissing over internationale bescherming beoordeelt, verplicht is om de feitelijke en juridische gronden van die beslissing volledig en ambtshalve te onderzoeken. Dit onderzoek moet plaatsvinden ex nunc, op basis van alle elementen van de zaak die de rechter ter kennis zijn gebracht, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non‑refoulement.

HvJEU, Conclusie AG, C-7/25 (Ramodi) en C-8/25 (Karkik), 19.3.2
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/HTML/?uri=CELEX:62025CC0007

WI 2026/4: Het gebruik van bronnen en landeninformatie binnen het asielproces

Het ACVZ advies ‘Weten en wegen’ was kritisch ten aanzien van het ontbreken van een openbare instructie over de omgang met bronnen en landeninformatie. Eén van de vier aanbevelingen uit dit advies luidt: “Publiceer en vermeld landen-informatie in beschikkingen én in landgebonden asielbeleid op systematische wijze.”

De IND acht het van belang dat er op een transparante en uniforme wijze omgegaan wordt met bronnen binnen het asielproces. Deze werkinstructie is dan ook leidend voor hoe binnen de IND omgegaan dient te worden met bronnen.

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1406781_1/1/, 20.3.26

Rb: twijfel interstatelijk vertrouwensbeginsel Slovenie

Uit het AIDA-rapport van 2024 (update 2025) volgt dat Dublinclaimanten in de periode voordat hun aanvraag formeel wordt ingediend – wat enkele dagen tot enkele weken kan duren – geen toegang hebben tot de opvangfaciliteiten.

Nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor ernstige vrees dat de opvangvoorzieningen voor hem in Slovenië systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in schending van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM, is het aan de minister om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hierin niet voldoende geslaagd. … Het beroep is om die reden gegrond.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de rechtsbijstand in Slovenië volgt de rechtbank het betoog van de minister. …  Op grond van de Procedurerichtlijn zijn lidstaten gehouden om rechtsbijstand te voorzien voor die laatste fase. Daaraan voldoet Slovenië.

Het beroep is gegrond,
Rb Groningen NL25.56026, 23.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6360

RvS: interstatelijk vertrouwensbeginsel voor statushouders Hongarije, individueel oordeel

Appellanten vormen een gezin uit Pakistan dat sinds 2019 de internationale beschermingsstatus heeft in Hongarije. Ze hebben asiel aangevraagd in Nederland, omdat zij stellen dat de situatie voor statushouders in Hongarije zo slecht is dat zij zich niet meer staande kunnen houden. …

In de eerste plaats moet worden geconcludeerd dat de houding van de Hongaarse autoriteiten in elk geval niet bijdraagt aan de mate waarin statushouders aan hun basisbehoeften kunnen voldoen. Integendeel, de autoriteiten lijken dit actief te bemoeilijken. De Afdeling wijst hierbij op de algehele terugtrekking van elke vorm van steun en financiering ten behoeve van statushouders, waardoor deze zijn aangewezen op ngo’s om hun rechten te effectueren, en het feit dat enig beleid of een nationale strategie om integratie van statushouders te bevorderen ontbreekt. … Er zijn zowel indicaties dat ngo’s voldoende kunnen voorzien in de behoeften van statushouders, maar evengoed indicaties dat zij hier niet altijd en overal toe in staat zijn.

Dit laat echter onverlet dat de "bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid" om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan pas is bereikt als statushouders structureel buiten hun wil om in onmenselijke situaties terechtkomen. De Afdeling is van oordeel dat, ondanks de verschillende aanzienlijke problemen die hiervoor aan bod zijn gekomen, de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat die drempel is bereikt.

De eerste grief slaagt niet.…

Appellanten hebben wel aannemelijk gemaakt dat het in hun individuele geval niet mogelijk is gebleken om zich zelfstandig staande te houden en hun rechten te effectueren als statushouders in Hongarije. Zij moeten als bijzonder kwetsbaar worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Ibrahim, gelet op hun omstandigheden, en de moeilijkheden die zij hebben ervaren bij de toegang tot basale voorzieningen. …    De tweede grief slaagt.

Het hoger beroep tegen Rb den Bosch NL24.21431 en NL24.21433, 20.12.24 is gegrond.
RvS 202407969/1/V2, 26.3.26
ECLI:NL:RVS:2026:1781

IB 2026/8: Dublin België: hervatten overdracht alleenstaande niet kwetsbare mannen

In ABRvS 23 juli 2025 is geoordeeld dat alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer mogen worden teruggestuurd naar België. Op 5 februari 2026 hebben de Belgische autoriteiten een brief gedeeld, waarin informatie is opgenomen over de actuele opvangsituatie voor deze groep. Deze brief vormt voldoende aanleiding om het overdragen van alleenstaande mannelijke asielzoekers te herstarten. 

https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1407175_1/1/, 24.3.26

Rb: behoud COA opvang tijdens beroep art-64 ivm behandeling verslavingskliniek

De voorzieningenrechter begrijpt uit de gronden van het verzoek dat het belang van verzoeker is gelegen in het feit dat hij bezig is met het verkrijgen van toegang tot een behandelplek in een kliniek voor de behandeling van zijn alcoholverslaving. Wanneer verzoeker de opvanglocatie van het COA dient te verlaten raakt hij de plek op de wachtlijst bij de kliniek kwijt. De benodigde behandeling zou dan niet kunnen plaatsvinden.

Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven en de voorzieningenrechter geen invulling heeft kunnen geven aan de belangen van verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker gezien zijn medische situatie moeten prevaleren.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Rb Amsterdam NL 25.60782, 18.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27559

Rb: vrijlating ivm arrest-Aroja

De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend.

De rechtbank concludeert dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit al langer dan achttien maanden in bewaring is gehouden ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit. Dit betekent dat verweerder eiser niet opnieuw deze maatregel van bewaring kon opleggen.

De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
Rb Haarlem NL26.10971, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5044

HvJ EU: met één terugkeerbesluit mag vreemdelingendetentie niet langer dan 18mnd maar opvolgend kan wel strafdetentie

Het Hof overweegt als volgt. Lidstaten zijn verplicht om alle perioden van bewaring bij elkaar op te tellen wanneer deze worden uitgevoerd ter handhaving van één en hetzelfde terugkeerbesluit. De teller begint niet opnieuw te lopen als de bewaring wordt onderbroken door een periode van vrijheid, of als de feitelijke omstandigheden van de vreemdeling veranderen. Hiermee wordt voorkomen dat de maximale bewaartermijn van zes maanden, die onder strikte voorwaarden met twaalf maanden kan worden verlengd, wordt omzeild door een vreemdeling herhaaldelijk kortstondig vrij te laten en opnieuw vast te zetten. 

Lidstaten behouden echter de vrijheid om de Richtlijn buiten toepassing te laten voor vreemdelingen die een strafrechtelijke sanctie ondergaan die in hun terugkeer voorziet. Daarnaast staat de Richtlijn niet in de weg aan het opleggen van (strafrechtelijke) sancties aan personen die, nadat de terugkeerprocedure volledig is doorlopen, zonder rechtvaardiging illegaal in de lidstaat blijven verblijven.

HvJEU, C-150/24 (Aroja), 5.3.26
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CJ01...

Pagina's