Nieuws

Rb: jurisprudentie kan wel novum zijn bij heroverweging

Een verzoek om heroverweging is iets anders dan een opvolgende aanvraag. Met een verzoek om heroverweging stelt de vreemdeling namelijk dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd, terwijl de vreemdeling met een opvolgende asielaanvraag stelt dat hij vanwege nieuwe feiten en bevindingen nu (wel) in aanmerking komt voor een asielstatus. Doet de vreemdeling tegelijkertijd een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging, dan moet de minister daar gelijktijdig op beslissen.

Eiser heeft er in deze zaak terecht op gewezen dat hij het arrest X en Y van het Hof van Justitie als zodanig als nieuw feit (‘novum’) aan zijn verzoek om heroverweging ten grondslag heeft gelegd. …. De minister heeft dat niet onderkend. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom hij het verzoek om heroverweging heeft afgewezen.

Het beroep is gegrond.
Rb Arnhem NL25.63074, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20021

NB: de minister is in HB gegaan en de RvS heeft een vovo toegewezen
BRS.26.003651, 29.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4361

Rb Roermond: Rb mag nova beoordelen bij niet-ontvankelijkheid – en geen TKB Eritrea

De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht en de verduidelijking hiervan door het Hof geen enkele indicatie blijkt dat de rechter in eerste aanleg is beperkt in de omvang van de rechterlijke controle van een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming. Dat verweerder in de onderhavige opvolgende procedure meent bevoegd te zijn om de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en daardoor, naar eigen zeggen, de aangedragen nieuwe elementen en bevindingen niet inhoudelijk heeft beoordeeld doet hier niet aan af. De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten. Het kan immers niet zo zijn dat verweerder in staat moet worden geacht om de Unierechtelijke bevoegdheden van de rechter te beperken of te begrenzen.

De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 8 februari 2024 in de zaak A.A. (C-216/22, ECLI:EU:C:2024:122) en naar de Conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta van 19 maart 2026 in de gevoegde zaken Ramodi en Kirkuk (C-7/25 en C-8/25, ECLI:EU:C:2026:228)….

De rechtbank zal verweerder wel de gelegenheid bieden om nogmaals te beoordelen of de opvolgende asielaanvraag van eiser moet worden ingewilligd. Deze inhoudelijke beoordeling van alle aangedragen bewijsmiddelen kan namelijk ook leiden tot de inwilliging van de aanvraag. De rechtbank overweegt hierbij dat de verduidelijking die het Hof in haar arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. (C-921/19, ECLI:EU:C:2021:4780) heeft gegeven tot de conclusie leidt dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet kan afdoen als niet-ontvankelijk. …

De rechtbank wijst verweerder tot slot in deze fase van de procedure reeds op het arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur (C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257) en de einduitspraak van 6 mei 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats in de procedure die tot het arrest Tadmur heeft geleid (ECLI:NL:RBDHA:2026:10757). Uit dit arrest leidt de rechtbank onder meer af dat, kort gezegd, een terugkeerbesluit niet kan worden ‘gesplitst’ in een terugkeerverplichting voor de derdelander en een terugkeerverplichting voor verweerder. Uit het landgebonden beleid van verweerder volgt dat verwijdering naar Eritrea, zowel na legale als illegale uitreis, niet kan plaatsvinden vanwege het beginsel van non-refoulement en dat vrijwillige terugkeer alleen mogelijk is als de vreemdeling legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum is uitgereisd (paragraaf C9/13.8 Vc). De rechtbank geeft verweerder mee om in zijn nieuw te nemen besluit, indien verweerder niet tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag overgaat, uitdrukkelijk te motiveren waarom hij al dan niet een terugkeerbesluit oplegt.

De rechtbank zal verweerder dus in de gelegenheid stellen om opnieuw op de opvolgende aanvraag van eiser te beslissen. Eiser zal een termijn van twee weken krijgen om te reageren op dit besluit. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Rb Roermond NL24.26068, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20142

EHRM comm case: meewegen trauma bij beoordeling asielverzoek

De vreemdeling, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC) legt aan haar asielaanvraag in NL ten grondslag dat zij in de DRC en tijdens haar reis naar Nederland herhaaldelijk seksueel geweld heeft ondergaan en dat zij een reëel risico loopt op hernieuwd seksueel geweld als zij wordt teruggestuurd. Haar asielaanvraag is afgewezen omdat haar verklaringen inconsistent, onsamenhangend en vaag worden geacht. De vreemdeling stelt dat eventuele inconsistenties in haar verklaringen te wijten zijn aan trauma als gevolg van verkrachting en misbruik. Ter ondersteuning van haar beweringen heeft zij medische dossiers van haar arts overgelegd. Hoewel zij een forensisch medisch onderzoek had aangevraagd in overeenstemming met het Istanbul protocol, achtten de Nederlandse autoriteiten en rechtbanken een dergelijk onderzoek onnodig, omdat zij van mening waren dat haar verhaal niet geloofwaardig was.

Het EHRM heeft de partijen onder meer gevraagd of de Nederlandse autoriteiten hun procedurele verplichtingen uit hoofde van artikel 3EVRM zijn nagekomen bij de beoordeling van het asielverzoek gezien de beschuldigingen van seksueel geweld en de overgelegde medische bewijzen. Ook vraagt het Hof de partijen of zij voldoende rekening hebben gehouden met de mogelijke invloed van trauma op het vermogen van de vreemdeling om geloofwaardige, consistente en gedetailleerde verklaringen af te leggen.

EHRM, 7740/26 (Communicated Case), V.K. t. Nederland, 10.6.26
https://hudoc.echr.coe.int/?i=001-251344

RvS: gezinsleven geldt niet bij in NL verblijvende nareiziger – overdracht rest gezin naar Spanje

Om onder de reikwijdte van artikel 9 van de Dublinverordening te vallen moet het gezinslid in de verzoekende lidstaat internationale bescherming genieten. … Niet in geschil is dat de echtgenoot in Nederland verblijft op grond van nareis en dus niet op grond van internationale bescherming. Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 9 van de Dublinverordening in dit geval niet van toepassing is. De eerste grief faalt….

De Afdeling overweegt verder dat artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening bedoeld is om het gezin bijeen te houden bij de overdracht van de minderjarige en zijn gezinsleden aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het door deze gezinsleden ingediende verzoek om internationale bescherming. De bepaling geeft geen materieel criterium op basis waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald. De minister handelt dan ook niet in strijd met die bepaling als hij appellant en haar kinderen overdraagt aan Spanje. Daarom falen de vierde en vijfde grief.

Hoger beroep tegen Rb Zwolle NL26.4220, 1.4.26, ongegrond.
RvS BRS.26.001762, 30.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4377

Andere recente uitspraken mbt belang kind ikv Dublin:

Rb: ook belang niet-erkend kind meewegen
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21241

Rb: moeder met kind niet naar Polen, want vader in NL in asielprocedure
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20538

Rb: moeder met kind van NLse vader wel naar Dld
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20047

Rb: onvoldoende rekening gehouden met belangen getraumatiseerde kinderen bij dreigende overdracht moeder naar Kroatië
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20224

RvS: wel interstatelijk vertrouwensbeginsel en rechtsbijstand in Slovenie

De Afdeling overweegt dat uit het AIDA-rapport 2025 volgt dat Dublinclaimanten die nog wachten op de formalisering van hun asielaanvraag wel opvang ontvangen. … Betrokkene heeft in deze zaak geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hij daarop geen aanspraak zou kunnen maken. …. De grief slaagt….

De vraag die nog voorligt is of de ontslagbepalingen in de Sloveense International Protection Act afdoen aan het uitgangspunt dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Uit de ontslagbepalingen volgt dat een vluchtelingenadviseur door het ministerie van Justitie kan worden ontslagen indien wordt vastgesteld dat hij beschikt over kennis van de ware identiteit van de asielzoeker, in het bezit is van diens identiteitsdocumenten, op de hoogte is van de werkelijke leeftijd van een asielzoeker die stelt minderjarig te zijn, of kennis draagt van feiten op grond waarvan de asielzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en deze feiten niet meldt aan het directoraat Migratie. Hoewel deze ontslaggronden vragen oproepen over de mate waarin de door vluchtelingenadviseurs verleende rechtsbijstand te allen tijde onafhankelijk en vertrouwelijk is, heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport 2025 niet blijkt dat dit in de praktijk heeft geleid tot stelselmatige beperkingen van of problemen met de rechtsbijstand aan asielzoekers. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan wel sprake is. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de asielprocedure in Slovenië als geheel een fundamentele systeemfout bevat die de vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.

De grief slaagt.
Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat hij voor Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Hoger Beroep tegen Rb Amsterdam NL25.38678 en NL25.38679, 10.10.25 gegrond
BRS.25.001581, 29.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4375

RvS: geen risico Dublinoverdracht LHBTI naar Polen

De minister voert terecht aan dat hij de door betrokkene overgelegde landen-informatie gemotiveerd heeft betwist door uit te leggen hoe hij tot een andere waardering van het rapport komt. Het rapport plaatst weliswaar kanttekeningen bij de manier waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd, maar hieruit volgt niet dat deze beschermingsgrond niet wordt getoetst of niet tot inwilliging van een verzoek tot internationale bescherming kan leiden. Daarnaast merkt de minister terecht op dat in Polen voldoende rechtshulp aanwezig is voor lhbtiq+-personen. Het rapport spreekt weliswaar van een gebrek aan gespecialiseerde rechtshulp, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er voor deze groep in het geheel geen juridische hulp beschikbaar is. Verder betoogt de minister terecht dat, ook indien de wijze waarop de Poolse autoriteiten de verzoeken van lhbtiq+-personen beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Polen effectieve bescherming kan worden gezocht.

Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank op basis van het rapport ten onrechte heeft overwogen dat hij niet zonder nadere motivering voor betrokkene als lhbtiq+-persoon mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen.

De grieven slagen.

Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL26.11229 en 26.11230, 22.4.26 is gegrond. 
RvS BRS.26.002125, 24.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4317

Rb: geen opvang in Frankrijk blijkt uit verklaringen van teruggekeerde

In het geval van eiseres zijn de feiten dat zij tijdens haar eerste verblijf in Frankrijk en na Dublin-overdracht door Nederland aan Frankrijk geen enkele hulp van de Franse autoriteiten heeft gekregen. Meerdere instanties hebben eiseres tijdens haar tweede verblijf in Frankrijk van het kastje naar de muur gestuurd. Eiseres heeft hierover tevergeefs geklaagd bij de Franse autoriteiten, zoals de minister van vreemdelingen verwacht. Desondanks bleef eiseres verstoken van bed, bad, brood en toegang tot een advocaat. Deze verklaringen had de minister moeten betrekken bij de beoordeling. Eiseres kan geen stukken van deze structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure overleggen, omdat de Franse autoriteiten hiervan geen stukken opstellen of verstrekken. …. Bij terugkeer is het risico veel te groot dat eiseres weer in deze situatie belandt.

De rechtbank volgt eiseres en is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. … Eiseres heeft uitgebreid toegelicht tot welke instanties zij zich (zonder resultaat) heeft gewend om alsnog opvang en overige voorzieningen te verkrijgen. De minister is daar in het bestreden besluit niet op ingegaan. Verwezen is naar de vorige procedure en verder is volstaan met standaardoverwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat acht de rechtbank niet toereikend….

Beroep gegrond.
Rb Zwolle NL26.19650, 20.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20279

RvS: opvang voor gezinnen in hasa in Belgie voldoet, ondanks 10dag wachttijd

De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond van het AIDA-rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat gezinnen met minderjarige kinderen met een opvolgende asielaanvraag structureel geen toegang krijgen tot de opvangvoorzieningen in België. Uit het rapport volgt dat Fedasil de toegang tot opvang bij opvolgende aanvragen kan weigeren totdat is beslist of de asielaanvraag ontvankelijk is. Deze beslissing moet binnen tien werkdagen worden genomen. De minister wijst terecht op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1050, waarin zij heeft overwogen dat de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen, voordat die aanvraag ontvankelijk is verklaard, onvoldoende is om aan te nemen dat een vreemdeling na overdracht een reëel risico loopt om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. Daarbij heeft zij onder andere betrokken dat dit in lijn is met de Opvangrichtlijn en dat het mogelijk is om over de toegang tot opvang te klagen bij de Belgische autoriteiten….

De minister stelt terecht dat uit het AIDA-rapport blijkt dat klagen over de weigering van opvang na het indienen van een opvolgende asielaanvraag wel tot resultaten heeft geleid. In het rapport staat dat hierover gerechtelijke procedures en procedures bij de Belgische ombudsman zijn gevoerd, waarna de verzoekers alsnog opvang hebben gekregen.

Gelet op het voorgaande klaagt de minister terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor betrokkenen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mocht uitgaan.

De grieven tegen Rb Middelburg NL25.53034 en NL25.53036, 5.2.26 slagen.
RvS BRS.26.000691, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4169

NB over de opvang van alleenstaande mannen in Belgie bestaat onenigheid tussen de rechtbanken. Bv Zwolle en Middelburg vinden dat de opvang voldoet, Amsterdam, Haarlem, Utrecht en Arnhem twijfelen of er voldoende opvang is.

Rb: vaststelling staatloosheid

De vreemdeling stelt te zijn geboren in het huidige Servië en dat hij door zijn Roma afkomst en de systematische discriminatie van Roma niet wordt erkend door de Servische autoriteiten als staatsburger. De minister acht de door de vreemdeling overlegde kopie van zijn geboorteakte als onvoldoende identificerend document om vast te kunnen stellen dat hij staatloos is. DT&V heeft meerdere keren tevergeefs geprobeerd om hem uit te zetten naar Servië. De vreemdeling verzoekt de rechtbank, op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, vast te stellen dat hij staatloos is. 

De rechtbank overweegt als volgt. In de procedure tot vaststelling van staatloosheid mag van de vreemdeling verwacht worden dat hij verklaart over zijn levensloop en de landen waarin hij is verbleven, maar mag niet de eis worden gesteld dat hij een (origineel) identiteitsdocument overlegt. Wanneer er weinig documenten beschikbaar zijn, zal er immers meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de vreemdeling een asielprocedure heeft doorlopen, kan het verloop en de uitkomst van de procedure ook relevant zijn voor de beoordeling van de algemene betrouwbaarheid van de vreemdeling. Met de kopie van de geboorteakte van de vreemdeling tezamen met zijn gestelde levensloop en het feit dat er niet aan de identiteit van zijn ouders werd getwijfeld ten tijde van de asielprocedure, is voldoende onderbouwd dat hij dezelfde persoon is als de op door hem overlegde documenten. Doordat de minister hier eveneens geen twijfels over heeft geuit, staat daarmee de identiteit van de vreemdeling vast. Verder is niet gesteld of gebleken dat van de vreemdeling meer verlangd kan worden om een schriftelijke erkenning te verkrijgen dat hij de Servische nationaliteit bezit. In de uitzettingsverzoeken van de DT&V naar Servië hebben de autoriteiten echter aangegeven dat ze hem niet erkennen als Servische staatsburger. Daardoor staat de staatloosheid van de vreemdeling vast. 

Beschikking: rechtbank stelt vast dat de vreemdeling staatloos is.
Rb Den Haag (MK), C-09-687847, 21.5.26

Rb: vovo ivm terugmelding schijnerkenning door IND

De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. Het kind is door een Nederlander erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&W van de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind….

De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.

Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder wel klopt. Het kind heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. … De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of de terugmelding betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang het kind de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden….

De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep.

Rb Amsterdam NL26.24419, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486

Pagina's