De Oeigoerse vreemdeling stelt dat hij niet kan terugkeren naar China of Turkije omdat Turkije Oeigoeren terugstuurt naar China, waar zij worden bedreigd.
De rechtbank overweegt dat de Minister geen onderzoek heeft verricht dat gebaseerd is op recente landeninformatie, en niet kenbaar is ingegaan op de landeninformatie die door de vreemdeling is ingebracht. Uit deze landeninformatie kan worden opgemaakt dat de veiligheid van Oeigoerse vluchtelingen in Turkije de laatste jaren is afgenomen. De (trans)nationale druk van China op Turkije is toegenomen, Turkije trekt verblijfsvergunningen van Oeigoeren in, en Oeigoeren in Turkije worden in toenemende mate in de gaten gehouden wat leidt tot meer arrestaties, detenties en uitleveringen van Oeigoeren aan China.
Het rapport van Human Rights Watch van 12 november 2025 bevat de dringende oproep om Turkije niet als veilig derde land aan te merken voor Oeigoeren, ook voor Oeigoeren die daar een permanente verblijfsvergunning hebben. Uit dit rapport volgt ook dat Turkije in toenemende mate een anti immigratie beleid hanteert en “beperkingscodes” willekeurig toekent aan Oeigoeren. Hieruit lijkt te volgen dat Oeigoeren in Turkije alleen al vanwege hun afkomst in het vizier kunnen komen van de Turkse en Chinese autoriteiten. Daarnaast heeft de vreemdeling ook nog verklaard over specifieke problemen die zijn familie heeft ervaren door de transnationale druk van China op Turkije.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL25.55044, 23.1.26
De Pakistaanse vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat er aan hem een fatwa was uitgevaardigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een individueel ambtsbericht opgesteld. De vreemdeling stelt dat de minister het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden door hem geen volledige toegang te verlenen tot de onderliggende stukken. De prejudiciële vraag die voorligt is in welk geval de bevoegde rechter en de verzoeker om internationale bescherming toegang tot de informatie van het individueel ambtsbericht moeten krijgen.
Het Hof overweegt als volgt. Artikel 30 Procedurerichtlijn bevestigt dat er een risico op schending van het refoulementbeginsel kan ontstaan door de wijze waarop een nationale autoriteit een onderzoek heeft verricht in het land van herkomst van een verzoeker om internationale bescherming. Een vreemdeling moet in staat zijn om zijn recht op bescherming te doen gelden door zich te baseren op relevante informatie over de wijze waarop het onderzoek in zijn land van herkomst is verricht. De informatie die is opgenomen in de onderliggende stukken, waaronder het onderzoeksverslag, moeten worden beschouwd als „informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” in de zin van artikel 23 lid 1 Procedurerichtlijn, voor zover deze informatie relevant is voor 1) de toegang van de vreemdeling met het oog op de volwaardige uitoefening van zijn rechten van verdediging ten aanzien van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek en, 2) de beoordeling door de rechter waarbij beroep is ingesteld tegen een dergelijk besluit en of uiteindelijk het beginsel van non‑refoulement is nageleefd.
HvJEU (Multan) C‑431/24, 29.1.29
ECLI:EU:C:2026:53
The case concerns situations where a national judicial body makes a final decision on the substantive legality of a second transfer decision, adopted after a first transfer decision has been annulled, and remits the case to the competent administrative authority for re-examination. The Board asked the CJEU whether the six-month transfer time limit starts to run on the date of the final decision on the legality of the second transfer or on the date on which the first transfer decision was annulled.
The Court first noted that under Article 29 (1) DRIII, the time limit starts to run from the acceptance of the take charge or take back request by the other Member State or, where an appeal with suspensive effect has been lodged against the transfer decision, from the moment the judicial decision on the appeal has become final. … However, it’s clear that Article 27 (1) confers a right to an effective remedy against a transfer decision and earlier jurisprudence confirmed that the starting point of the transfer time limit is the final judicial decision on the merits that can no longer block implementation and not the provisional decision suspending the implementation of the transfer. Where national legislation allows annulment of a transfer decision and remittal for re-examination following new decisive circumstances, it is possible to have two transfer decisions and two separate appeals. The decision that annuls the first transfer decision must be understood as an interim decision that allows the authorities to examine the new circumstances but does not terminate the transfer procedure in a final manner.
Consequently, the Court found that the sixmonth period begins on the date of the final decision on the substantive legality of the second transfer decision, and both the second decision and the subsequent annulment must be rendered promptly to avoid unnecessary delays in the overall transfer procedure.
HvJ EU (Tang) C-560/23,18.12.25
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-560/23
In beginsel wordt de aanvraag van een vreemdeling die reeds in het bezit is van een vergunning in een andere lidstaat, behandeld in spoor 2. De aanvraag van een statushouder uit Griekenland kan echter alleen in spoor 2 behandeld worden als de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarom wordt in deze zaken een gewoon aanmeldgehoor (binnen spoor 4) afgenomen. Op basis van de informatie die na het aanmeldgehoor beschikbaar is wordt bepaald of de aanvraag in spoor 2 behandeld wordt. In de volgende omstandigheden is het in ieder geval mogelijk de aanvraag in spoor 2 te behandelen omdat de vreemdeling zelfredzaam kan worden geacht:
In voorkomende zaken is het ook mogelijk vast te stellen dat in andere zaken dan die van alleenstaande niet bijzonder kwetsbare mannen sprake is van zelfredzaamheid. Hier dient terughoudend mee te worden omgegaan.
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1401187_1/1/, 30.1.26
Zie ook oudere brief van MvA&M:
https://open.overheid.nl/documenten/0c6f94b4-189e-4d2d-86ef-1cf00d4160ee/file, 12.5.25
De vreemdeling heeft op beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en verzocht om een voorlopige voorziening. Daarna kreeg hij van de COa bericht dat hij per 13 januari 2026 de opvang moet verlaten, en vroeg een spoed-vovo. De minister heeft laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. … In het briefverweer lijkt de minister een nieuwe weg in te slaan door zich op het standpunt te stellen dat de opvang en verstrekkingen worden beëindigd van asielzoekers waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die het hiertegen ingestelde beroep niet, maar het tijdige verzoek om een voorlopige voorziening wel in Nederland mogen afwachten.
Ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare gevolgen wordt daarom een ordemaatregel getroffen waarbij dit besluit wordt geschorst en waarbij de minister wordt verboden de opvang en verstrekkingen van de vreemdeling te (doen) beëindigen totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
Rb Rotterdam NL25.55029, 9.1.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:618
Uit de nu door de DT&V verstrekte cijfers blijkt dat er in het tweede halfjaar van 2025 in totaal 390 vreemdelingen van buiten de EU zijn uitgezet naar hun land van herkomst. In het eerste halfjaar van 2025 ging het om 410 vreemdelingen.
|
Top 10 uitzettingen naar land van herkomst - 1 juli - 31 dec 2025 |
|
|
Nationaliteit |
Aantal |
|
Marokkaanse |
60 |
|
Algerijnse |
60 |
|
Surinaamse |
30 |
|
Turkse |
30 |
|
Nigeriaanse |
20 |
|
Albanese |
20 |
|
Colombiaanse |
20 |
|
Britse |
10 |
|
Georgische |
10 |
|
Tunesische |
10 |
Antwoord DT&V d.d. 13 januari 2026 op Woo-verzoek van INLIA
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1529/aantal-uitzettingen-in-het-tweede-halfjaar-van-2025, 16.1.26
Eisers hebben op 17 december 2025 de negatieve uitspraak ontvangen in het hoger beroep tegen de afgewezen asielaanvragen. De jongste zoon van eisers schrok hiervan, waarna zijn oudere broer hem meenam om te logeren bij een vriend. Op 18 december 2025 heeft de vreemdelingenpolitie (AVIM) eisers om 6:22 uur staandegehouden op het asielzoekerscentrum in Nijmegen. Aangezien de kinderen – vermoedelijk – nog steeds bij vrienden waren, zijn zij niet staandegehouden. Eisers hebben gedurende hun inbewaringstelling geen contact kunnen krijgen met hun kinderen en weten niet waar zij precies verblijven. De kinderen zijn niet in bewaring gesteld.
De vlucht naar Egypte was voor het gehele gezin gepland op 29 december 2025. De vluchten van de kinderen zijn op het laatste moment geannuleerd, omdat de AVIM niet kon achterhalen waar de kinderen zijn. De minister heeft intern besproken wat de mogelijkheden zijn om het gezin gescheiden uit te zetten. Daarvoor is akkoord gegeven omdat het vermoeden bestaat dat de kinderen zich niet melden bij de minister om zo de geplande uitzetting te belemmeren. De uitzetting van de ouders op 29 december 2025 bleef daarom gepland staan. Eisers hebben echter op het laatste moment een opvolgende asielaanvragen ingediend waardoor de uitzetting geen doorgang vond. Gelet op de nieuw ingediende feiten zag de minister geen aanleiding om de asielaanvragen op Schiphol te behandelen.
De rechtbank stelt voorop dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ingrijpende maatregel is, die slechts mag worden toegepast indien is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de minister steeds moet beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan. … Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen in de afweging om af te zien van de oplegging van de maatregelen van bewaring. …. Hierbij is mede van belang dat eisers zich altijd aan hun meldplicht hebben gehouden. Dit is door de minister op de zitting ook erkend. Bovendien heeft de minister geprobeerd om eisers gescheiden van hun kinderen uit te zetten naar Egypte. Daarmee heeft de minister het risico genomen dat mogelijk een langdurige scheiding van het gezin zou ontstaan. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om een lichter middel op te leggen.
De rechtbank volgt de minister ook niet in het standpunt dat eisers, dan wel hun kinderen, bewust hebben geprobeerd de uitzetting te belemmeren. … Ook het gegeven dat eisers een asielaanvraag hebben ingediend, maakt dit niet anders. Op de zitting werd immers duidelijk dat eisers een opvolgende aanvraag hebben ingediend omdat zij nieuwe feiten willen inbrengen en niet om de terugkeer te willen frustreren.
Rb Arnhem NL25.62396 en NL25.62395, 31.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25709
Anders dan verweerder overweegt de rechtbank dat de verplichtingen die voor verweerder en de rechtbank voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn niet onder de procedurele autonomie vallen. Deze gelden onverkort in het geval dat mag worden aangenomen dat de vreemdeling ‘mob gaat’ in een asielprocedure. Eiser heeft er belang bij dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd en eiser ondervindt gevolgen van de vaststelling van het TKB, de signalering hiervan in het SIS en de uitvaardiging van het inreisverbod dat is gestoeld op dit TKB. Verweerder heeft in en na het besluit ten onrechte niet beoordeeld of de gezondheidssituatie en het privéleven van eiser in de weg staan aan het vaststellen van een terugkeerbesluit.
De stelling van verweerder dat hij dit niet kan beoordelen omdat eiser ‘mob is’, is onjuist want verweerder kan deze beoordeling verrichten op grond van de verklaringen die eiser heeft afgelegd, de standpunten die de gemachtigde van eiser namens eiser naar voren heeft gebracht en de medische informatie waar verweerder al over beschikt.
Eiser heeft nadat verweerder een voornemen uitgebracht een op 2 mei 2024 gedateerde iMMO-rapportage overgelegd. Verweerder gaat uit van de juistheid van de inhoud van deze rapportage. In de rapportage is uitgebreid beschreven met welke medische en psychische klachten eiser kampt en welke medicamenteuze en andere behandelingen hij hiervoor heeft ondergaan en thans ondergaat. Verweerder is ook bekend met het GCA-patiëntendossier van eiser en de brief van de GGZ van 25 juni 2023. Verweerder weet ook dat hij driemaal aan Medifirst een advies horen en beslissen heeft moeten vragen omdat eiser tweemaal wel gezien is maar geconcludeerd is dat eiser niet kon worden gehoord vanwege zijn medische problematiek. Verweerder had gelet op al deze informatie moeten nagaan of de gezondheid van eiser en zijn privéleven in de weg stonden aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Deze verplichting volgt uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 en is dus niet afhankelijk van de omstandigheid of eiser hier een uitdrukkelijk beroep op doet. Verweerder heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard zonder nader in te gaan op de medische situatie van eiser.
De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit. Het inreisverbod kan daarom ook geen stand houden en de rechtbank draagt verweerder op om de SIS-signalering te verwijderen.
De rechtbank draagt verweerder ook op om de kosten van de iMMO-rapportage te voldoen omdat het aanvankelijk ongeloofwaardig geachte asielrelaas op grond van deze rapportage alsnog integraal geloofwaardig is bevonden. De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk mee om te reflecteren op zijn (structurele) proceshouding als wordt verzocht om vergoeding van de kosten van het opstellen van een iMMO-rapportage.
Rb Roermond NL24.34975, 12.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:347
Hoewel de nationaliteit van de verdachte (al jaren) ongewis is, staat vast dat de verdachte geen EU-burger is. Bij beschikking van 25 januari 2013 is jegens hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Deze beschikking is onherroepelijk geworden. De verdachte verbleef op 9 maart 2024 in Amsterdam in weerwil van het inreisverbod, dat op dat moment niet was ingetrokken of vervallen.
Het hof constateert – met de raadsman – dat de motivering van het inreisverbod voor wat betreft het openbare-ordecriterium tekortschiet, nu daarin geen overwegingen worden gewijd aan het concrete gedrag van de verdachte. …. Gelet op het aantal delicten, de frequentie waarmee die delicten in aanloop naar het uitvaardigen van het inreisverbod zijn gepleegd en de aard en ernst van de gepleegde delicten, bezien tegen een achtergrond van aanwijzingen voor middelenmisbruik en een posttraumatische stressstoornis, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod materieel evident niet aan het openbare-ordecriterium was voldaan. Nu het dossier ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor de gedachte dat sprake is van één van de uitzonderingssituaties als door de Hoge Raad genoemd, zal het hof uitgaan van de rechtmatigheid van het inreisverbod….
Uit informatie van de IND en de reclassering komt naar voren dat de verdachte sinds juli 1997, dus al ruim 28 jaar, in Nederland verblijft; naar eigen zeggen was hij vijftien jaar toen hij als alleenstaande minderjarige naar Nederland is gekomen. …. Het is sindsdien niet gelukt de verdachte uit te zetten omdat de verdachte niet beschikt over de vereiste reisdocumenten. De verdachte volhardt erin uit Sierra Leone te komen, terwijl taalanalyses uitwijzen dat hij uit Ghana afkomstig zou zijn…..
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte, die weliswaar eerder een weigerachtige houding omtrent zijn vertrek uit Nederland innam, zich nadien en inmiddels al een aantal jaren actief meewerkend inzet om zijn vertrek uit Nederland te (kunnen) realiseren, maar tot op heden zonder resultaat. Hoewel de verdachte zelf blijft zeggen uit Sierra Leone te komen, heeft hem dat sinds de beëindiging van de ISD-maatregel er niet van weerhouden zijn medewerking te verlenen aan het aanvragen van laissez-passers bij andere autoriteiten dan die van Sierra Leone. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof verder genoegzaam gebleken dat de verdachte niet beschikt over (contactgegevens van) familie of andere persoonlijke contacten in landen waaraan hij wordt gerelateerd, waardoor ook zij hem niet kunnen helpen zijn verklaring over zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen en zijn laissez-passeraanvragen te bevorderen.
Naar het oordeel van het hof is – gelet op het voorgaande – aannemelijk dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde buiten zijn schuld niet in staat was het land te verlaten, nu hij ondanks zijn medewerking daaraan niet in het bezit kon komen van de benodigde reisdocumenten en deze omstandigheid dan ook niet (meer) is toe te rekenen aan een weigerachtige houding van zijn kant…. Het beroep op overmacht slaagt dan ook. De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat het bovenstaande oordeel omtrent het beroep op overmacht betrekking heeft op het verblijf van de verdachte in Nederland op 9 maart 2024 en dat een meewerkende houding van de verdachte onverminderd vereist is en dus van belang blijft.
Gerechtshof Amsterdam 23-000714-24, 17.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3635
Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een strafrechtelijke aanleiding, op grond waarvan eisers identiteitsdocument is gevorderd. De verbalisanten zijn ter plaatse gekomen toen twee mannen eiser hebben vastgehouden omdat hij jassen zou hebben gestolen. De verbalisanten hebben gezien dat eiser geen jassen bij zich droeg. Op grond van deze onderzoeksbevindingen kwamen de verbalisanten tot de conclusie dat de burgeraanhouding niet terecht was. Eén van de mannen gaf aan de verbalisant aan dat hij nog wel aangifte wilde doen tegen eiser, omdat hij door eiser was gebeten en hij daardoor naar het ziekenhuis moest. Eén van de verbalisanten is ook met eiser in gesprek gegaan en heeft hem toen zijn identiteitsbewijs gevorderd. Eiser heeft geen identiteitsbewijs laten zien, waarna de verbalisant een identiteitsfouillering heeft verricht. Daarop is eiser weggerend. Eiser is vervolgens aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.
Omdat de aanhouding op basis van een strafrechtelijke bevoegdheid is gebeurd, wordt dit niet verder beoordeeld door de bewaringsrechter. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat er sprake was van een onrechtmatige vreemdelingenrechtelijke staandehouding en ophouding.
Rb Arnhem NL25.62664, 5.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:464