Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en woont in Pakistan. Hij is getrouwd met referente en heeft met haar twee zonen, geboren in 2015 en 2023. Referente en de drie kinderen wonen in Nederland en hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
Eiser heeft verzocht om afgifte van een faciliterend visum en daarbij een beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Die aanvraag is in 2024 afgewezen. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat aan eiser het faciliterend visum wordt verleend. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat verweerder, als hij niet uiterlijk op 29 juli 2024 een besluit heeft genomen over het bezwaar van eiser, verweerder hem na die datum moet behandelen alsof hij hem het aangevraagde faciliterend visum heeft verleend….
De rechtbank is van oordeel dat verweerder - anders dan is vastgesteld in de uitspraak van de Afdeling - cumulatief heeft getoetst aan de vereisten c en d. …
De rechtbank stelt vast dat er meerdere rapporten zijn overgelegd ter onderbouwing van de precaire gezinssituatie. Het gezin heeft veel ondersteuning van derden nodig, de kinderen hebben psychologische ondersteuning nodig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de gevolgen van het besluit voor de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. ….
De rechtbank concludeert dan ook dat gelet op de belangen van de kinderen, de conclusie dat de gezinssituatie (nog steeds) zeer precair is en de verwijtbaarheid aan verweerder voor de lange duur van de procedure, er een voorziening moet worden getroffen. De rechtbank treft dan ook een voorlopige voorziening waarbij eiser moet worden behandeld als ware hij in het bezit is van een faciliterend visum. Deze voorziening duurt tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft beslist.
Rb Amsterdam NL25.12235 en NL24.48641, 8.10.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22923
Appellante had tot haar zoon in 2022 meerderjarig werd, een Chavez-Vilchezverblijfsrecht. Op 9 december 2021 heeft [appellante] een 8EVRM-aanvraag ingediend. Na bezwaar is deze alsnog verleend met als ingangsdatum 19 mei 2022, omdat [appellante] vanaf die datum aan alle vereisten voldeed.
Zij heeft nu om naturalisatie verzocht en gesteld dat haar Chavez-Vilchez verblijfsrecht declaratoir doorliep nadat haar zoon meerderjarig werd, zodat zij geen verblijfsgat heeft. Zij stelt dat de staatssecretaris dat had moeten vaststellen.
[appellante] betoogt terecht dat de staatssecretaris een eigen verantwoordelijkheid heeft om het rechtstreeks werkende Unierecht toe te passen. …. Dit is slechts anders als de minister in een besluit heeft vastgesteld dat een vreemdeling in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De Afdeling stelt vast dat de minister [appellante] bij kennisgeving van 6 september 2021 heeft meegedeeld dat haar Chavez-Vilchezverblijfsrecht geldig is tot 19 januari 2022. Zij heeft daar geen bezwaar tegen ingediend. In het besluit van 22 april 2022 heeft de minister vastgesteld dat het Chavez-Vilchezverblijfsrecht van [appellante] per 19 januari 2022 is vervallen, omdat haar zoon meerderjarig is geworden. Uit het dossier blijkt niet dat [appellante] is opgekomen tegen dit onderdeel van dat besluit. Gelet hierop is de staatssecretaris, zoals de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld, in de voorliggende procedure terecht van deze besluiten uitgegaan. … Het betoog van [appellante] dat sprake is van een doorlopend Chavez-Vilchezverblijfsrecht behoeft daarom in de voorliggende procedure geen verdere bespreking.
RvS 202404832/1/V6, 14.1.26, tegen Rb Breda 23/11207, 20.6.24
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:197
Eiseres heeft een dochter die is geboren in 2000 met de Nederlandse nationaliteit. In 2017 heeft verweerder aan eiseres een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht toegekend. In 2022 heeft eiseres gevraagd om verblijfsrecht op grond van 8EVRM. …
De rechtbank overweegt allereerst dat beantwoording van de vraag wanneer het Chavez-verblijfsrecht is ontstaan relevant is in het kader van de vraag of eiseres recht heeft op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. …
De rechtbank volgt een eerdere uitspraak van Rb Groningen en is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat een Chavez-verblijfsrecht niet eerder kan zijn ontstaan dan op 1 december 2009, toen het Verdrag van Lissabon van kracht werd. …
De rechtbank overweegt verder dat, nu in een uitspraak van 20 november 2009 reeds is vastgesteld dat sprake was van familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter, verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres pas op 5 januari 2015 is ontstaan, toen alle bewijsstukken bij de IND zijn overlegd. ….
In het kader van finale geschilbeslechting draagt de rechtbank verweerder op om bij de belangenafweging te betrekken dat eiseres lange tijd rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, nu het Chavez-verblijfsrecht van eiseres eerder is ontstaan.
De rechtbank draagt verweerder op in de belangenafweging te betrekken dat uit de brief van het [ziekenhuis] van 15 april 2011 uitdrukkelijk blijkt dat eiseres bij alle afspraken van haar dochter in het ziekenhuis (sinds 2001) aanwezig is geweest. Uit die brief blijkt ook dat de maatschappelijk werker in 2010 ondersteunend contact heeft gehad met eiseres over haar dochter.
De rechtbank draagt verweerder verder op om de omstandigheid dat de dochter van eiseres (in ieder geval) in 2017 een periode op het adres van haar vader stond ingeschreven niet in het nadeel van eiseres te laten wegen. Op de zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat inschrijving op het adres van de vader slechts nodig was om een verblijfsdocument in te kunnen schrijven. De vader is verder nooit in beeld geweest in het leven van de dochter en heeft nooit voor haar gezorgd. In de uitspraak van 20 november 2009 is dit ook al zo vastgesteld. …
Rb Amsterdam NL25.13198 en NL25.13201, 11.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26087
Uit het meest recente Ambtsbericht Eritrea van 2023 blijkt dat het moeilijk is te achterhalen wat de risico’s waren voor personen die terugkeerden, omdat de geïnterviewde bronnen niet op de hoogte waren van veel gevallen van personen die waren teruggekeerd. Toch bevestigden bronnen dat Eritrea geen instituties of mechanismes kende die bescherming konden bieden aan personen die terugkeerden. Hierdoor waren terugkeerders, zelfs aanhangers van het regime, onderworpen aan willekeur en inconsistente behandelingen, net als alle andere Eritrese burgers.
Uit het ambtsbericht blijkt dat gewoonlijk alle terugkerende Eritreeërs bij aankomst op de internationale luchthaven worden gecontroleerd over welke Eritrese en buitenlandse identiteitsdocumenten ze beschikten, of ze de diasporabelasting hadden betaald en – indien van toepassing – of ze het ‘regret form’ hadden ondertekend. De procedures op de luchthaven waren echter inconsistent. Als de autoriteiten iemand wantrouwden, konden ze diegene ondervragen. Redenen daarvoor konden zijn: onvolledige documenten of het niet betaald hebben van de diasporabelasting. Wie gedwongen terugkeerde naar Eritrea riskeerde mensenrechten-schendingen, zoals arbitraire detentie, mishandeling, inhumane behandeling en plaatsing in de nationale dienstplicht. Ook vrijwillige terugkeer kon niet altijd als vrijwillig worden beschouwd. Als men geen diasporastatus had, werd men bij terugkeer hetzelfde behandeld als mensen die gedwongen terugkeerden en konden zij ook worden blootgesteld aan mensenrechten-schendingen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat illegale uitreis door Eritrea wordt beschouwd als een misdaad en die personen worden beschouwd als niet-loyaal. Ook zij riskeren detentie en mishandelingen.
De rechtbank stelt vast dat niet alle verschillende risicofactoren en de landeninformatie die eiseres heeft aangevoerd, kenbaar zijn betrokken bij het bestreden besluit. … Uit het bestreden besluit volgt niet dat alle genoemde factoren in onderlinge samenhang zijn betrokken bij de beoordeling of eiseres een reëel risico loopt bij terugkeer. Dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Rb Amsterdam NL25.22594 en NL25.22595, 10.10.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22926
In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. De minister moet bij de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vreemdelingen die na de machtsovername door de Taliban vanuit een westers land terugkeren naar Afghanistan, wel deugdelijk motiveren of met het verblijf in het Westen in onderlinge samenhang bezien met de andere individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade dreigt. …
De rechtbank heeft in niet onderkend dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde individuele omstandigheden dat hij geruime tijd in Nederland heeft verbleven, de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en een niet-praktiserende moslim is, terwijl de Taliban in Afghanistan van hem zal verwachten dat hij een baard zal laten staan, vijf keer per dag zal bidden, zal vasten en niet in het openbaar naar muziek zal luisteren, onvoldoende zijn voor het oordeel dat betrokkene daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De grieven slagen.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL24.35884, 3.12.24 is gegrond.
RvS 202407434/1/V1, 13.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:161
Aan de voorwaarden om het verzoek om heroverweging met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te kunnen afwijzen was voldaan. De minister moest daar alleen vanaf zien als dat tot een evident onredelijke uitkomst zou leiden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
De minister heeft gesteld dat seksuele gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt. De rechtbank volgt dat. Gezien de verleende verblijfsvergunning meent de minister dat eiser de gestelde seksuele gerichtheid heeft. Dat betekent dus dat de minister erkent dat eiser die tijdens de eerste procedure ook al had. Niettemin eist de minister in een geval als dit, waarin tijdens de eerste procedure niet overtuigend is verklaard maar in de tweede wel, dat de verklaringen afgelegd tijdens de tweede procedure nieuw zijn. Die zullen echter nooit nieuw zijn omdat in rechte vaststaat dat eiser die verklaringen ook tijdens de eerste procedure had kunnen afleggen.
Dat leidt ertoe dat de minister wel erkent dat eiser altijd de door hem gestelde seksuele gerichtheid heeft gehad, maar daaraan nimmer consequenties verbindt voor wat betreft de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel. De rechtbank is van oordeel dat dat evident onredelijk is. Zij betrekt daarbij verder dat de seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en erkenning daarvan door het verzoek om heroverweging in te willigen zwaarder weegt dan het belang dat de minister heeft bij het niet vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning.
De minister heeft het verzoek om heroverweging ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond.
De rechtbank neemt zelf een beslissing en zal het verzoek om heroverweging inwilligen en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel bepalen. De rechtbank de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepalen op de datum van eerste aanvraag van eiser.
Rb Zwolle NL25.14174, 13.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:672
Ondanks dat de termijn om over te dragen naar Polen is verstreken, heeft de minister nog steeds belang bij de beoordeling van het hoger beroep vanwege de precedentwerking.
De Afdeling overweegt als volgt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling weliswaar een medisch stuk heeft overgelegd, maar dat de minister hierop adequaat heeft gereageerd. Uit het overgelegde stuk volgt weliswaar dat de vreemdeling ziekenhuisafspraken heeft, maar niet dat hij onder specialistische medische behandeling staat of dat hij deze nodig heeft.
De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opvangvoorzieningen in Polen relevante systeemfouten bevatten. Uit het AIDA ‘Country Report: Poland 2023 update’ en 2024 update, blijkt weliswaar dat sommige vreemdelingen niet direct toegang hebben tot specialistische medische zorg en dat het soms maanden kan duren voordat zij deze zorg toch ontvangen, maar dit betekent niet dat asielzoekers structureel geen toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen. De vreemdeling heeft met zijn beroep op de AIDA-rapporten dus niet aannemelijk gemaakt dat er in Polen sprake is van zodanige structurele tekortkomingen met betrekking tot de toegang tot specialistische medische zorg, dat voor Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL24.25208, 28.8.24 gegrond.
ABRvS 202405640/1, 14.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:179
Betrokkenen zijn een gezin met minderjarige kinderen. De vader heeft de Turkse nationaliteit en de moeder en minderjarige kinderen de Moldavische nationaliteit. Eén kind is Oekraïens. Hun RTV-status is ingetrokken. ….
De Afdeling oordeelt dat de minister in een procedure over tijdelijke bescherming niet gehouden is om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Een afwijzing van een verzoek om tijdelijke bescherming is geen afwijzing van een asielaanvraag. In de asielprocedure heeft de minister de verplichting om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. De minister had daarnaast geen terugkeerbesluit genomen. De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Groningen NL23.26033 en NL23.26050, 4.1.25 is gegrond.
RvS 202400791/1/V2, 19.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6236
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker te laat beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft verweerder erop gewezen dat zij zo nodig ambtshalve het beginsel van non-refoulement dient te betrekken bij de in het kader van dit verzoek te maken voorlopige beoordeling van het bestreden besluit dat tevens een terugkeerbesluit omvat. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat het COA heeft medegedeeld de Rva-verstrekkingen aan verzoeker niet te zullen beëindigen voordat uitspraak is gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van de wijze waarop sinds 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van asielrelazen wordt beoordeeld met het Unierecht en dat het Hof de rechtbank heeft geïnformeerd dat de vragen gevoegd zullen worden behandeld door de Tweede Kamer van het Hof.
In het bestreden besluit in de zaak van verzoeker zijn een of meer van de door verweerder onderscheiden asielmotieven ongeloofwaardig geacht op grond van deze geloofwaardigheids-beoordeling. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van verzoeker zal aanhouden in afwachting van het arrest van het Hof.
Daarom heeft verzoeker er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat het beroep ondanks de termijnoverschrijding een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd gelet op de verwijzing. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit zodat verzoeker de uitspraak op beroep in Nederland mag afwachten. Om elk misverstand te voorkomen bepaalt dat de voorzieningenrechter uitdrukkelijk dat dit ook betekent dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker niet mogen worden beëindigd en dat verzoeker niet uit de opvang mag worden gezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
Rb Roermond NL25.15524, 22.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25438
Eiser is 42 jaar geleden, als 11-jarig kind samen met zijn ouders Spanje ingereisd en aansluitend naar Nederland gekomen. Eiser heeft een verblijfsvergunning verkregen en op grond daarvan geruime tijd rechtmatig verblijf in Nederland gehad. De verblijfsvergunning is in 2014 ingetrokken vanwege meerdere veroordelingen voor strafbare feiten. Hij zit nu in detentie.….
De rechtbank overweegt dat verweerder geen enkele inspanning heeft geleverd om eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 te verwijderen, toen een LP beschikbaar was. De rechtbank overweegt dat uit deze handelwijze blijkt dat verweerder kennelijk niet een groot belang toekent aan de verwijdering van eiser. …. De rechtbank wijst er in dit verband uitdrukkelijk op dat eiser een vaste en geregistreerde woonplaats heeft en verweerder bij de voorgaande maatregel en de opheffing daarvan van de precieze adresgegevens van eiser op de hoogte was. ….
De rechtbank kan op grond van de maatregel, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of verweerder meent dat eiser nu wel zijn terugkeer kan bespoedigen. … De rechtbank overweegt dat de indruk ontstaat dat het opleggen van de maatregel meer een standaardmatige reactie is geweest op de overname uit de strafrechtketen van een illegaal verblijvende vreemdeling en dat hier niet het grondige onderzoek dat is vereist alvorens de vrijheid te ontnemen aan ten grondslag heeft gelegen. Deze indruk wordt versterkt door de summiere standaardmatige motivering in de maatregel, die de rechtbank mede daarom onvoldoende deugdelijk acht. De fysieke aanwezigheid van eiser in het DTC in Rotterdam is niet nodig om een vertrekgesprek te houden en om bij het consulaat in Amsterdam een nieuwe LP te vragen en de verlopen LP te overhandigen. ….
De rechtbank concludeert dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maatregel onrechtmatig is en dat de gronden om dit standpunt te onderbouwen slagen. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel bevel en de invrijheidstelling van eiser gelasten.
Rb Roermond NL25.62747, 2.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29