bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen bewijswaarde wordt gehecht aan de verklaring van het ‘district court’. Eiseres heeft in de beroepsprocedure drie documenten ingediend. De documenten zijn door Bureau Documenten als echt beoordeeld. Een van de documenten is van het ‘district court’. …
De minister stelt zich op het standpunt dat Bureau Documenten de juistheid van de inhoud niet heeft kunnen vaststellen. Ook is het voor de minister onduidelijk wie de genoemde getuigen zijn, hoe zij aan hun informatie komen en wat deze informatie precies inhoudt. De rechtbank vindt dit standpunt onvoldoende om geen bewijswaarde aan dit document toe te kennen. De minister gaat er met dit standpunt aan voorbij dat het ‘district court’ bevestigt dat eiseres slachtoffer is en voor haar leven is gevlucht voor Al-Shabaab. Dit stelt de ‘district court’ vast op basis van verklaringen van getuigen en familieleden. In de zienswijze heeft eiseres er op gewezen dat de verklaringen van haar oom en haar neef zijn. In wat de minister stelt ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van de inhoud van dit document te twijfelen.
Rb Utrecht NL25.27814, 17.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17030
De Afdeling volgt de conclusie van de UNHCR dat de meeste staten van opvatting zijn dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf als een vreemdeling een huwelijk consummeert met een minderjarige huwelijkspartner die jonger is dan veertien jaar. De Afdeling volgt eveneens de conclusie van de UNHCR dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf indien de huwelijkspartner ouder is dan veertien jaar, maar niet in vrijheid toestemming heeft gegeven of heeft kunnen geven voor het consummeren van het huwelijk. Dat, zoals appellant betoogt, het in New York en Australië onder voorwaarden zou zijn toegestaan om te trouwen met minderjarigen van veertien jaar, zo dit al juist is, verandert deze conclusie niet.
De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat er internationale consensus bestaat dat het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarige van dertien jaar, al dan niet binnen een huwelijk, is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf.
Hoger beroep tegen Rb Rotterdam NL24.22620, 19.12.24 ongegrond.
RvS 202408004/1/V2, 1.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:3643
De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. ….
De rechtbank stelt vast dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen en de wet op 12 juni 2026 in werking is getreden. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de consequentie van de Wet invoering Tweestatusstelsel is, dat er andere rechten en voorwaarden kunnen worden toegekend aan subsidiair beschermden dan aan personen met de vluchtelingenstatus. Met een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan eiseres dus in een gunstigere positie komen. Eiseres heeft, gelet op het voorgaande, procesbelang en de rechtbank behandelt het beroep daarom inhoudelijk.
Rb Zwolle NL25.41452, 26.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17595
Partijen zijn het er over eens dat op dit moment niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van eiseres en haar kinderen zal leiden tot een schending van artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft uit eigen beweging BMA verzocht om een medisch advies uit te brengen. De rechtbank acht dit zorgvuldig en overweegt dat verweerder dit terecht heeft gedaan omdat verweerder, net als de rechtbank, het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen en deze verplichting gedurende de gehele procedure en de mogelijke uitvoering van het overdrachtsbesluit geldt. Tot advisering is het nog niet gekomen. …
Ter zitting is afgesproken dat indien verweerder in het uit te brengen BMA-advies geen aanleiding ziet om het overdrachtsbesluit in te trekken en de asielaanvraag van eiseres in de nationale procedure te behandelen, verweerder zijn besluit aanvullend zal motiveren en daarbij zowel zal motiveren waarom de medische conditie van eiseres en haar kinderen geen reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 van het Handvest oplevert en aanvullend zal motiveren waarom verweerder geen aanleiding ziet om de asielaanvraag onverplicht te behandelen.
Verweerder heeft op vragen van de rechtbank toegezegd in te stemmen dat deze procedure, ook indien hij zijn besluit na 12 juni 2026 aanvullend zal motiveren, met toepassing van Verordening 604/2103 zal worden behandeld. Verweerder heeft hierbij uitdrukkelijk erkend dat dit betekent dat in deze procedure de overdrachtstermijn niet kan worden verlengd indien medische beletselen (tijdelijk) aan de overdracht in de weg staan zoals dit (wel) is geregeld in artikel 46, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1351. Verweerder heeft ook uitdrukkelijk ingestemd dat eiseres zal kunnen opkomen tegen het mogelijk niet onverplicht in behandeling nemen van de asielaanvraag, wat in Verordening (EU) 2024/1351 uitgesloten lijkt te zijn….
De rechtbank zal DT&V opdragen om af te zien van het voeren van vertrekgesprekken met eiseres en haar kinderen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. De impact van deze gesprekken op het welbevinden van eiseres en haar kinderen blijkt uit de overgelegde medische stukken waarvan DT&V welllicht niet op de hoogte is. … Iedere verdere beslissing in de beroeps- en verzoekprocedure wordt aangehouden.
Rb Roermond NL26.26117, 3.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17901
De rechtbank constateert allereerst dat door partijen niet wordt betwist dat eiser behoort tot de LHBTIQ+ gemeenschap. Eiser heeft zich voldoende gemotiveerd, en onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, op het standpunt gesteld dat verweerder daarom in zijn geval niet (zonder meer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Het is aan verweerder om gemotiveerd, en met inachtneming van de door eiser overgelegde gegevens, aannemelijk te maken dat wel van dit vermoeden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Verweerder is daar niet in geslaagd. Verweerder heeft de verwijzing van eiser naar het rapport ’Crossing Double Borders’ zowel in het bestreden besluit als ter zitting onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Zo blijkt uit het rapport onder meer dat LHBTIQ+-vluchtelingen discriminatie en structurele hindernissen ervaren ten aanzien van het verkrijgen van bescherming binnen en asielsysteem, dat deze gemeenschap te maken krijgt met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure en dat zij in vluchtelingenopvangcentra vaak slachtoffer zijn van pesterijen, isolement en het risico op queerfobisch geweld van andere gedwongen migranten, evenals onvoldoende toegang tot psychosociale en juridische hulp. Dit zorgt volgens het rapport voor een significant verhoogd risico op onrechtmatige afwijzing van de asielaanvragen en refoulement. Dat volgens verweerder geen sprake is van stelselmatigheid aan de zijde van de Poolse autoriteiten is zowel in het bestreden besluit als ter zitting onvoldoende gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Middelburg NL26.20452, 25.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17661
Betrokkene heeft verklaard dat zij tot aan haar vertrek uit Italië met de kinderen bij haar toenmalige partner heeft gewoond. Door problemen met haar partner heeft zij hem verlaten en is zij met de kinderen uit Italië vertrokken. Betrokkene heeft op een vraag van de minister laten weten dat zij in Italië geen hulp heeft gezocht voor de problemen met haar partner. Zij heeft verder verklaard dat zij in Italië heeft gewerkt, maar dat zij is ontslagen, omdat zij haar kind meenam naar haar werk. Ze heeft daarna nog wel naar werk gezocht, maar zij is daarmee gestopt na een advies om te wachten tot na haar tweede zwangerschap. Uit de verklaringen van betrokkene blijkt niet dat zij na haar tweede zwangerschap opnieuw naar werk heeft gezocht. Daarbij heeft betrokkene verklaard dat zij niet heeft geprobeerd om in Italië een uitkering aan te vragen, omdat zij volgens haar niet aan de vereisten voldeed. Wel heeft zij in Italië naar eigen zeggen kinderbijslag ontvangen. Ook heeft betrokkene verklaard altijd toegang te hebben gehad tot medische zorg.
De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij zijn standpunt dat betrokkene in Italië onvoldoende inspanningen heeft verricht om de aan haar toekomende rechten te effectueren, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. …
De minister klaagt verder terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene zich voor financiële ondersteuning tot de Italiaanse autoriteiten kan wenden. Weliswaar blijkt uit de door de rechtbank betrokken AIDA Country Reports van 2023 en 2024 dat voor statushouders voor het verkrijgen van inkomensondersteuning geldt dat zij tien jaar in Italië moeten verblijven. Echter, in het rapport uit 2024 staat ook dat er vormen van inkomensondersteuning beschikbaar zijn voor statushouders die nog maar vijf jaar rechtmatig verblijf hebben. Dat is het geval voor betrokkene. Uit de verklaringen van betrokkene volgt niet dat zij tevergeefs van deze ondersteuning gebruik heeft proberen te maken.
De minister heeft zich, kortom, terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie in Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Het hoger beroep tegen Rb Arnhem NL25.44247, 3.4.26 is gegrond.
BRS.26.001809
ECLI:NL:RVS:2026:3781
Sinds december 2022 zijn er geen asielzoekers naar Italië teruggestuurd op grond van de Dublinverordening. Aanleiding hiervan was een unilaterale opschorting van Dublin-overnames door Italië. Hieruit concludeerde de Raad van State in april 2023 dat Dublinclaimanten in Italië in een situatie terecht komen waarin zij niet beschikken over hun belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. Daarom werden overdrachten verboden.
Vanaf 12 juni is de Dublinverordening overgegaan op de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV). In de AMbV is er een gelijksoortig systeem voor de verplichte terugkeer van asielzoekers naar de verantwoordelijke lidstaat. Tijdens het gesprek tussen Nederland en Italië op 3 juni jl., heeft de Italiaanse minister bevestigd dat Italië het pact per ingang van 12 juni jl., volledig zal implementeren. In dat kader benoemde de Italiaanse minister expliciet dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden.
Uit het arrest Qassioun volgt dat de situatie van een derdelander met een verlopen verblijfstitel niet in artikel 18, eerste lid, onder d, maar in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is geregeld. Eiser valt onder die bepaling. Zijn eerdere subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland kan worden aangemerkt als ‘verblijfstitel’. Niet in geschil is dat hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten en de verblijfstitel is minder dan twee jaar verlopen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verlopen verblijfstitel omdat de status is ingetrokken. Met die intrekking is immers een einde gekomen aan de geldigheid van de eerder verleende verblijfstitel. In zoverre verschilt de situatie niet wezenlijk van die waarin een verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de tekst van artikel 12, vierde lid, niet volgt dat deze bepaling uitsluitend ziet op verblijfstitels die door tijdsverloop zijn geëindigd.
Indien de Uniewetgever een onderscheid had willen maken tussen een verlopen, niet-verlengde of ingetrokken verblijfstitel, had het voor de hand gelegen dat expliciet in de bepaling tot uitdrukking te brengen. Voor de door eiser voorgestane beperkte uitleg van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ziet de rechtbank daarom geen aanleiding….
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, betekent het noemen van een onjuiste grondslag in een claimverzoek of/en claimakkoord niet dat geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Wel geldt dat de minister de betrokken lidstaat volledig moet informeren. Daaraan is voldaan. De Duitse autoriteiten konden daarom voldoende geïnformeerd op het claimverzoek beslissen en hebben zich ook tweemaal verantwoordelijk geacht.
Rb Arnhem NL25.46252, 23.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17534
De rechtbank heeft het beroep van de LVV-bewoner gegrond verklaard, en bepaald dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen….
Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. Dat betekent dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
Tegen Rb Rotterdam 25/17183, 24.4.26
RvS 202601574/2/V1, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3468
Idem tegen Rb Rotterdam 25/17178, 25/18646, 25/17036, 25/16952, 25/17084, 25/17184, 25/16876, 25/17187, 25/16953, 25/17190, 25/17037, 25/17180, 25/17051, 25/16955, 25/16956 en 25/17031, 24.4.26
RvS 202601581/2/V1, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3470
Idem tegen Rb Rotterdam 25/17059, 25/18643 en 25/17085, 24.4.26
BRS.26.002547, 17.6.26; ECLI:NL:RVS:2026:3439
Nieuw is dat tijdens de vovo-procedure in beroep geen recht op opvang bestaat:
‘In onderdeel a is opgenomen dat de vreemdeling wiens eerste asielverzoek is afgewezen, en voor wie derhalve geen aanspraak op opvangvoorzieningen meer ontstaat, toch tot de opvang van het COA kan worden toegelaten indien hij tegen het besluit beroep instelt en tevens verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de uitspraak in beroep in Nederland mag afwachten, nadat de voorlopige voorziening is toegewezen. Indien de voorzieningenrechter het verzoek toewijst en de vreemdeling de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten, ontstaat, voor de duur van het beroep, een recht op opvang. Het recht op opvang ontstaat echter eerst nadat de voorzieningenrechter het verzoek heeft toegewezen. Het enkele verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening doet derhalve nog geen recht op opvang ontstaan. Immers, de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking blijven van kracht en op de vreemdeling blijft de rechtsplicht rusten Nederland te verlaten. Slechts de uitzetting van de betreffende vreemdeling wordt tijdelijk, dat wil zeggen voor de duur van de behandeling van het verzoekschrift, opgeschort. Eerst na de toegewezen voorlopige voorziening ontstaat, ingevolge artikel 8, onder h van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf in Nederland. In deze situatie kan de vreemdeling, voor de duur van de behandeling van het beroep, aanspraak maken op opvangvoorzieningen.’
Regeling nummer 7645707, 4.6.26 in Staatscourant 2026, 20853, 10.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20853.html