bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De minister voert terecht aan dat hij de door betrokkene overgelegde landen-informatie gemotiveerd heeft betwist door uit te leggen hoe hij tot een andere waardering van het rapport komt. Het rapport plaatst weliswaar kanttekeningen bij de manier waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd, maar hieruit volgt niet dat deze beschermingsgrond niet wordt getoetst of niet tot inwilliging van een verzoek tot internationale bescherming kan leiden. Daarnaast merkt de minister terecht op dat in Polen voldoende rechtshulp aanwezig is voor lhbtiq+-personen. Het rapport spreekt weliswaar van een gebrek aan gespecialiseerde rechtshulp, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er voor deze groep in het geheel geen juridische hulp beschikbaar is. Verder betoogt de minister terecht dat, ook indien de wijze waarop de Poolse autoriteiten de verzoeken van lhbtiq+-personen beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Polen effectieve bescherming kan worden gezocht.
Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank op basis van het rapport ten onrechte heeft overwogen dat hij niet zonder nadere motivering voor betrokkene als lhbtiq+-persoon mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen.
De grieven slagen.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL26.11229 en 26.11230, 22.4.26 is gegrond.
RvS BRS.26.002125, 24.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4317
In het geval van eiseres zijn de feiten dat zij tijdens haar eerste verblijf in Frankrijk en na Dublin-overdracht door Nederland aan Frankrijk geen enkele hulp van de Franse autoriteiten heeft gekregen. Meerdere instanties hebben eiseres tijdens haar tweede verblijf in Frankrijk van het kastje naar de muur gestuurd. Eiseres heeft hierover tevergeefs geklaagd bij de Franse autoriteiten, zoals de minister van vreemdelingen verwacht. Desondanks bleef eiseres verstoken van bed, bad, brood en toegang tot een advocaat. Deze verklaringen had de minister moeten betrekken bij de beoordeling. Eiseres kan geen stukken van deze structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure overleggen, omdat de Franse autoriteiten hiervan geen stukken opstellen of verstrekken. …. Bij terugkeer is het risico veel te groot dat eiseres weer in deze situatie belandt.
De rechtbank volgt eiseres en is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. … Eiseres heeft uitgebreid toegelicht tot welke instanties zij zich (zonder resultaat) heeft gewend om alsnog opvang en overige voorzieningen te verkrijgen. De minister is daar in het bestreden besluit niet op ingegaan. Verwezen is naar de vorige procedure en verder is volstaan met standaardoverwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat acht de rechtbank niet toereikend….
Beroep gegrond.
Rb Zwolle NL26.19650, 20.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20279
De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond van het AIDA-rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat gezinnen met minderjarige kinderen met een opvolgende asielaanvraag structureel geen toegang krijgen tot de opvangvoorzieningen in België. Uit het rapport volgt dat Fedasil de toegang tot opvang bij opvolgende aanvragen kan weigeren totdat is beslist of de asielaanvraag ontvankelijk is. Deze beslissing moet binnen tien werkdagen worden genomen. De minister wijst terecht op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1050, waarin zij heeft overwogen dat de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen, voordat die aanvraag ontvankelijk is verklaard, onvoldoende is om aan te nemen dat een vreemdeling na overdracht een reëel risico loopt om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. Daarbij heeft zij onder andere betrokken dat dit in lijn is met de Opvangrichtlijn en dat het mogelijk is om over de toegang tot opvang te klagen bij de Belgische autoriteiten….
De minister stelt terecht dat uit het AIDA-rapport blijkt dat klagen over de weigering van opvang na het indienen van een opvolgende asielaanvraag wel tot resultaten heeft geleid. In het rapport staat dat hierover gerechtelijke procedures en procedures bij de Belgische ombudsman zijn gevoerd, waarna de verzoekers alsnog opvang hebben gekregen.
Gelet op het voorgaande klaagt de minister terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor betrokkenen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mocht uitgaan.
De grieven tegen Rb Middelburg NL25.53034 en NL25.53036, 5.2.26 slagen.
RvS BRS.26.000691, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4169
NB over de opvang van alleenstaande mannen in Belgie bestaat onenigheid tussen de rechtbanken. Bv Zwolle en Middelburg vinden dat de opvang voldoet, Amsterdam, Haarlem, Utrecht en Arnhem twijfelen of er voldoende opvang is.
De vreemdeling stelt te zijn geboren in het huidige Servië en dat hij door zijn Roma afkomst en de systematische discriminatie van Roma niet wordt erkend door de Servische autoriteiten als staatsburger. De minister acht de door de vreemdeling overlegde kopie van zijn geboorteakte als onvoldoende identificerend document om vast te kunnen stellen dat hij staatloos is. DT&V heeft meerdere keren tevergeefs geprobeerd om hem uit te zetten naar Servië. De vreemdeling verzoekt de rechtbank, op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, vast te stellen dat hij staatloos is.
De rechtbank overweegt als volgt. In de procedure tot vaststelling van staatloosheid mag van de vreemdeling verwacht worden dat hij verklaart over zijn levensloop en de landen waarin hij is verbleven, maar mag niet de eis worden gesteld dat hij een (origineel) identiteitsdocument overlegt. Wanneer er weinig documenten beschikbaar zijn, zal er immers meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de vreemdeling een asielprocedure heeft doorlopen, kan het verloop en de uitkomst van de procedure ook relevant zijn voor de beoordeling van de algemene betrouwbaarheid van de vreemdeling. Met de kopie van de geboorteakte van de vreemdeling tezamen met zijn gestelde levensloop en het feit dat er niet aan de identiteit van zijn ouders werd getwijfeld ten tijde van de asielprocedure, is voldoende onderbouwd dat hij dezelfde persoon is als de op door hem overlegde documenten. Doordat de minister hier eveneens geen twijfels over heeft geuit, staat daarmee de identiteit van de vreemdeling vast. Verder is niet gesteld of gebleken dat van de vreemdeling meer verlangd kan worden om een schriftelijke erkenning te verkrijgen dat hij de Servische nationaliteit bezit. In de uitzettingsverzoeken van de DT&V naar Servië hebben de autoriteiten echter aangegeven dat ze hem niet erkennen als Servische staatsburger. Daardoor staat de staatloosheid van de vreemdeling vast.
Beschikking: rechtbank stelt vast dat de vreemdeling staatloos is.
Rb Den Haag (MK), C-09-687847, 21.5.26
De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. Het kind is door een Nederlander erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&W van de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van het kind….
De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.
Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder wel klopt. Het kind heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. … De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of de terugmelding betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang het kind de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden….
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep.
Rb Amsterdam NL26.24419, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486
Het multidisciplinaire expertiseteam is gestart met NVVB en IND, aangevuld met kennis uit gemeenten. Gemeenten kunnen het team consulteren bij complexe casuïstiek. De NVVB organiseert in het najaar een webinar waarin leden van het expertiseteam (IND, NVVB en gemeenten) een presentatie zullen geven en de gemeentemedewerkers handvatten zullen bieden om schijnerkenningen beter te herkennen en vervolgens op te acteren. Daarnaast wordt door de NVVB onderzocht hoe erkenningspogingen centraal geregistreerd kunnen worden.
Verder loopt de pilot tussen OM en IND om te komen tot een standaardwerkwijze voor verzoeken tot vernietiging van erkenningen bij de civiele rechter. Om de aanpak te toetsen en te standaardiseren zijn inmiddels drie zaken aanhangig gemaakt door het OM bij de rechter. De geleerde lessen uit deze zaken worden gebruikt om sneller en consistenter te kunnen optreden wanneer misbruik wordt vermoed of vastgesteld. De uitkomsten van deze pilot worden tevens betrokken bij het onderzoek naar mogelijke wetgevende maatregelen.
Tegelijkertijd is, in samenwerking met NVVB en IND, een pilot opgezet om reeds gedane buitenlandse erkenningen van veelerkenners aan te vechten, onder andere op basis van meldingen van de IND. …
Uit de verkenning is gebleken dat bestaande civielrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten nog beter benut kunnen worden. Het OM zet daarom in op het benutten van de bestaande strafbaarstellingen, zoals mensensmokkel, medeplichtigheid of uitlokking. Ook lopende pilots laten zien dat er substantiële ruimte is om de uitvoering aan te scherpen. Door het concreet maken van deze strafbare gedragingen, actief te signaleren en consequent te vervolgen, wordt de norm versterkt en de afschrikkende werking vergroot. Daarnaast wordt het handelingsperspectief vergroot, waardoor eerder ingrijpen bij vermoedens van oneigenlijk gebruik mogelijk wordt.
Het recht op opvang eindigt op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. … De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeer-verplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank is vernietigd vanwege de Griekse status.
Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft, is hij niet ‘rechtmatig verwijderbaar’.
Rb Arnhem AWB26-10743, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers belang bij schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zwaarder weegt dat het belang van de minister. Daarbij is van belang dat verzoeker zich gelet op zijn leeftijd en persoonlijke situatie in een kwetsbare positie bevindt. Bij het niet treffen van een voorlopige voorziening zal verzoeker op straat terecht komen, terwijl hij geen familie of netwerk heeft. Bovendien is eiser vanwege zijn leeftijd beïnvloedbaar. Er bestaat daarom een aanmerkelijk kans dat hij in de illegaliteit verdwijnt dan wel in de criminaliteit belandt. Dit, terwijl nog niet vaststaat of verzoeker definitief geen aanspraak maakt op een verblijfsvergunning regulier buiten schuld en of hij moet terugkeren naar Somalië. …
Bovendien volgt uit het arrest Changu dat er – gelet op het absolute karakter van artikel 4 Handvest– altijd, als vangnet, een opvangvorm beschikbaar moet zijn die onvoorwaardelijk is. Dit geldt reeds voor een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander, zolang hij niet van het grondgebied is verwijderd. Niet valt in te zien dat dit niet zou gelden voor verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker, die niet illegaal op het grondgebied verblijft gedurende de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep tegen het besluit van de minister dat hij geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling en dient terug te keren naar Somalië.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
Rb den Bosch 26.4111, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19812
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Verdrag van Chicago niet kan worden aangemerkt als overnameovereenkomst. Nergens uit dit verdrag volgt namelijk een verplichting voor een verdragsstaat om een persoon over te nemen en toe te laten tot zijn grondgebied, wanneer deze door een luchtvaartmaatschappij naar die staat is teruggevoerd. Datzelfde geldt voor de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Daaruit volgt alleen dat de staten die partij zijn bij die overeenkomst, zich ertoe hebben verbonden om in hun nationale wetgeving op te nemen dat luchtvaartmaatschappijen en andere vervoerders een controleplicht en een terugvervoerplicht hebben om illegale migratie tegen te gaan.
De rechtbank heeft echter niet onderkend dat voor het aanmerken van Turkije als land van doorreis op basis van de Terugkeerrichtlijn niet is vereist dat vaststaat dat betrokkene toegang heeft tot het grondgebied van Turkije. Evenmin is daarvoor vereist dat betrokkene banden moet hebben met Turkije. Tijdens de trialogen tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is bewust ervan afgezien om in artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn als vereiste te stellen dat sprake moet zijn van bestendige banden met het land van doorreis. Er moest worden voorkomen dat afspraken over de wedertoelating van derdelanders — die via het grondgebied van een derde land naar de EU waren gereisd — buiten het bereik van die bepaling zouden vallen. Met de toevoeging ‘andere regeling’ wilde de Uniewetgever verder waarborgen dat, naast communautaire en bilaterale overnameovereenkomsten, ook memoranda van overeenstemming en andere informele regelingen met derde landen in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een land van doorreis….
De Afdeling overweegt dat uit Annex 9 van het Verdrag van Chicago en de daarbij behorende toelichting volgt dat de feitelijke uitvoering van de removal order zal resulteren in verplichtingen voor Turkije die van betekenis zijn voor de terugkeerprocedure van betrokkene. Daardoor is Turkije verplicht om een persoon die is verwijderd uit een staat waar hij ontoelaatbaar is bevonden, te accepteren voor onderzoek naar zijn recht op toelating tot haar grondgebied als die persoon zijn reis vanuit die staat is begonnen. Ook is de verwijderende staat verplicht om de luchtvaartmaatschappij te voorzien van een ‘covering letter’ voor personen die ongedocumenteerd zijn of van wie de reisdocumenten in beslag zijn genomen. De Afdeling leidt uit deze punten af dat een removal order op grond van het Verdrag van Chicago niet vrijblijvend is. Als betrokkene door de luchtvaart-maatschappij naar Turkije wordt terugvervoerd, zullen de Turkse autoriteiten moeten onderzoeken of aan hem toegang moet worden verleend, gelet op zijn eerdere doorreis via Turkije.
De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat Annex 9 van het Verdrag van Chicago kan worden aangemerkt als een ‘andere regeling’ en dat de minister Turkije op basis van de removal order kon aanmerken als land van doorreis in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de toelating tot Turkije niet is gewaarborgd en dat alleen al daarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
De grief slaagt. Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam, NL55.2270, 12.2.25 is gegrond. De beroepen zijn alsnog ongegrond.
RvS 202501011/1/V3, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4028
De autoriteiten kiezen ervoor om derdelanders zoals eiseres, die nimmer in Nederland heeft verbleven, bij haar uitreis als het ware op de vliegtuigtrappen een terugkeerbesluit op te leggen in de wetenschap dat dit uitsluitend geschiedt om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Het is namelijk weinig zinvol om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die de Unie verlaat en daardoor reeds aan zijn terugkeerverplichting voldoet nog voordat dat de inkt van het terugkeerbesluit is opgedroogd. Dit betekent dat verweerder zorgvuldig moet handelen en de vreemdeling daadwerkelijk moet horen en uitleg moet geven over de gevolgen van het vaststellen van het terugkeerbesluit en dan ook daadwerkelijk de gelegenheid moet bieden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Door derdelanders op deze wijze bij de uitreis te controleren en nog een terugkeerbesluit in de hand te drukken met de mededeling dat een nader gehoor wel kan plaatsvinden, maar de kans groot is dat de vlucht dan wordt gemist, veronachtzaamt verweerder zijn verplichtingen en geeft hij zich onvoldoende rekenschap van de belangen van, in dit geval, eiseres. Dat deze werkwijze onzorgvuldig is, geldt temeer nu verweerder het uitvaardigen van een inreisverbod als sanctie voor illegaal verblijf beschouwt. Het opleggen van een sanctie vereist zorgvuldig handelen van de autoriteiten.
De rechtbank overweegt dat een verdere beoordeling van de inhoudelijke argumenten niet nodig is omdat reeds gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Dit betekent ook dat verweerder het inreisverbod uit het SIS moet verwijderen.
Het beroep is gegrond.
Rb Roermond AWB 26/2838, 6.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18516