bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Een IRV heeft Unierechtelijke werking. Door een IRV wordt een vreemdeling namelijk gedurende een bepaalde periode toegang tot en verblijf op het grondgebied van de EU+landen ontzegd. Hierdoor moet bij de beoordeling of artikel 8 EVRM zich verzet tegen het opleggen van een IRV ook het familieleven in de EU+landen worden betrokken. De bewijslast voor het bestaan van familie-, gezins-, of privéleven in een andere lidstaat ligt bij de vreemdeling. De IND heeft namelijk geen inzage in bijvoorbeeld de evenknie van de BRP of Suwinet in de andere EU+landen. De onderzoeksmogelijkheden van de IND zijn dus beperkt.
Familie-, gezins-, dan wel privéleven in een andere lidstaat hoeft niet in de weg te staan aan het opleggen van een (licht) IRV door Nederland, ook al is er geen openbaar orde belang. Het zal afhangen van de individuele feiten en omstandigheden van een zaak.
De Afdeling heeft op 27 augustus 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin door een vreemdeling in een opvolgende aanvraag een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ wegens schrijnende omstandigheden was aangevraagd. De Afdeling heeft bepaald dat de minister nog altijd over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat die bevoegdheid niet is ingeperkt en dat de minister die bevoegdheid nog steeds zelf kan uitoefenen. Om aan de uitspraak van de Afdeling te voldoen, wordt met het onderhavige WBV het beleidskader over het al dan niet gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid in tweede of volgende aanvragen vastgelegd.
Het uitgangspunt van het beleidskader voor tweede of volgende aanvragen is om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij hetgeen is geregeld in artikel 3.6ba Vb. Hieruit volgt dat zeer terughoudend gebruik zal worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid bij tweede of volgende aanvragen. Daarbij geldt nadrukkelijk dat zeer gering gewicht toekomt aan omstandigheden die in Nederland zijn ontstaan na het onherroepelijk worden van de eerste verblijfsaanvraag. Immers, in de eerste in Nederland ingediende aanvraagprocedure wordt in de meeste gevallen al ambtshalve beoordeeld of sprake is van een schrijnende situatie. Als de vreemdeling na afwijzing van de eerste in Nederland ingediende aanvraag toch in Nederland blijft, dan wel na zijn uitzetting naar Nederland terugkeert, komt dit in beginsel voor risico van de vreemdeling en kan dit dus niet leiden tot gebruik van de discretionaire bevoegdheid.
Alleen wanneer er sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden dat nadrukkelijk niet binnen een bestaand verblijfsdoel past en een schrijnende situatie oplevert, kan namens de minister toepassing worden gegeven aan de discretionaire bevoegdheid. Het is ook niet voldoende als de omstandigheden weliswaar bijzonder te noemen zijn, maar (in zijn algemeenheid) op meerdere vreemdelingen van toepassing te beschouwen zijn. De omstandigheden dienen daarom naast bijzonder ook individueel van aard te zijn.
Verder is toegevoegd dat de IND bij tweede of volgende aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel en bij intrekkingen asiel niet ambtshalve of op verzoek toetst aan de discretionaire bevoegdheid. Afwijking van dit uitgangspunt zou ertoe kunnen leiden dat tweede of volgende aanvragen worden ingediend hoofdzakelijk of alleen om een ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen te bewerkstelligen.
WBV 2026/16, 17.3.26 in Staatscourant 2026, 8653, 9.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-8653.html
zie ook IB 2026/27 Beoordeling schrijnende omstandigheden
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1418780_1/1/, 9.7.26
Eiser heeft PTSS en een ernstige depressieve stoornis. Hij heeft last van angsten, herbeleving, nachtmerries, vermijdingsgedrag, sociaal terugtrekgedrag, ernstige ontregeling bij afwijken van routines en somberheid. Verder vindt er nog diagnostiek plaats in verband met een vermoede autismespectrumstoornis. Eiser staat voor zijn klachten onder behandeling bij PsyValens. De behandeling bestaat uit psycho-educatie, EMDR en medicatie (topiramaat, zolpidem en mirtazepine).
Uit de BMA-adviezen volgt dat de zorg die eiser nodig heeft beschikbaar is in Ivoorkust. … Eiser heeft contact gehad met het [medische instelling] . In een e-mail van 15 januari 2026 laat een arts weten dat het ziekenhuis niet uitgerust is om patiënten met psychische aandoeningen te behandelen. Hij verwijst eiser naar het [instelling] van [plaats 2] . Ook met dit centrum heeft eiser contact gehad. Een bij dit centrum werkzame arts laat in een e-mail van 20 januari 2026 weten dat de medicijnen die eiser krijgt speciaal zijn en over het algemeen erg moeilijk verkrijgbaar zijn in [plaats 1] , ook in het [instelling] . De medicijnen zijn meestal niet op voorraad. Verder wordt door de arts meegedeeld dat de kosten van de medicijnen en zorg doorgaans niet gedekt worden door de publieke ziektekostenverzekering in Ivoorkust. Alleen particuliere verzekeringen kunnen mogelijk een deel van deze kosten vergoeden. Voor de medicatie die eiser nodig heeft schat de arts de kosten op € 30,- per week plus € 22,50 per twee weken. Daarbij merkt de arts op dat de totale behandelingskosten hoger kunnen uitvallen. Tot slot merkt de arts op dat gelet op de noodzaak van een voortgezette psychiatrische behandeling een terugkeer naar Ivoorkust medisch alleen verantwoord is als eiser in staat is om alle zorgkosten zelf te dragen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de e-mails van 15 en 20 januari 2026 aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is voor twijfel aan de beschikbaarheid van de in Ivoorkust aanwezige psychische zorg en medicatie. …
Nu de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de noodzakelijk zorg voor eiser in Ivoorkust beschikbaar is, laat de rechtbank zich niet uit over de vraag of de noodzakelijke zorg voor eiser feitelijk toegankelijk is. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.
Rb Utrecht NL25.59619, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19067
Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning niet te verlenen….
De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod.
Rb den Bosch AWB 25/24378, 30.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644
De minister heeft er terecht op gewezen dat het bij een verblijfsrecht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez erom gaat of haar Nederlandse zoon zodanig afhankelijk is van eiseres, dat hij het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan haar een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, aangezien eiseres procedureel rechtmatig verblijf heeft tijdens haar asielprocedure. Daarom is er geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez.
Rb Utrecht NL25.44389, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19361
De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Uit het deskundigenbericht vloeit voort dat tussen eiser en diens kinderen een vergaande afhankelijkheidsrelatie bestaat, die tot gevolg heeft dat als eiser fysiek van zijn kinderen gescheiden blijft, er een groot risico is dat de kinderen psychosociale of emotionele schade zullen ondervinden. Het in acht nemen van het hogere belang van het kind brengt mee dat dat risico moet worden uitgesloten. Om deze risico’s uit te sluiten is noodzakelijk dat referent, eiser en de kinderen in fysieke nabijheid, in gezinsverband, hun relatie kunnen voortzetten. Bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht c.q. visum, betekent dit dat om voornoemde emotionele schade en risico’s voor het evenwicht van de kinderen te voorkomen, de kinderen samen met referent feitelijk genoopt zouden zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten om zo de gezinsrelatie in een ander land, samen met eiser, voort te zetten. Daarmee is voldaan aan het criterium dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. De minister heeft dan ook ten onrechte het gevraagde visum geweigerd.
De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke omstandigheden zoals die in het bijzonder uit het deskundigenbericht naar voren komen tot de conclusie moeten leiden dat eiser voldoet aan de Chavez-Vilchez-criteria. Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat eiser een verblijfsrecht in Nederland heeft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser in het bezit moet stellen van een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU.
Rb Zwolle AWB 24/10923, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19414
Uit rechtspraak van de Afdeling komt het volgende kader voor het beoordelen van de insluitingsgrond naar voren. Verweerder moet een actuele beoordeling maken van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. UNWRA moet dan levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Verweerder moet zowel de eigen verklaringen van betrokkene als de actuele algemene informatie over de UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië bij haar besluit betrekken.
In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder geen inzicht gegeven in de maatstaf die hij hanteert bij beantwoording van de vraag in hoeverre de UNRWA in staat is aan zijn mandaat te voldoen. Uit de overlegde rapporten volgt dat ook in de nieuwe situatie, net als voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden. Verweerder is niet op deze rapporten ingegaan. Verweerder heeft ook niet op een andere manier duidelijk gemaakt dat UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. …
Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem NL26.14698, 10.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18659
Appellant wijst erop dat haar verklaringen dat Al-Shabaab haar heeft opgeroepen wegens een beschuldiging van overspel, geloofwaardig zijn geacht door de minister. Daarom is het de vraag of er bij terugkeer een reëel risico bestaat op vervolging door Al-Shabaab.
Appellant heeft gewezen op het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, waarin staat dat de rechtbanken van Al-Shabaab recht spreken op basis van een strikte interpretatie van de sharia, ook buiten de door Al-Shabaab gecontroleerde gebieden. De bestraffing van deze rechtbanken kan bruut zijn. Verder wordt vermeld dat Al-Shabaab in staat en bereid is om rechterlijke uitspraken daadkrachtig en strikt te handhaven. In gebieden waar Al-Shabaab minder controle had, was de handhaving in handen van de veiligheidsdienst van Al-Shabaab. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister dit ook had moeten betrekken in zijn motivering en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant zich aan de oproep kan onttrekken en dat niets zou zijn gezegd over de schuld van appellant.
Verder staat in het rapport van het EUAA, ‘Somalia - Country Focus’, van mei 2025 dat overspel en seksueel wangedrag volgens een bron in de praktijk zelden worden overgelegd aan de staatsrechtbanken en shariarechtbanken. Het rapport meldt echter ook dat Al-Shabaab een aantal keren lijfstraffen heeft uitgevoerd buiten haar controlegebied wegens zulke feiten. In dat kader heeft de rechtbank niet onderkend dat de vrees van appellant voor een lijfstraf, zoals steniging, niet alleen is gebaseerd op haar eigen aannames, maar ook op landeninformatie. De minister had dit risico op ernstige lijfstraffen ook moeten betrekken in zijn besluit.
Het hoger beroep tegen Rb Arnhem NL25.12365, 21.11.25 is gegrond.
RvS BRS.25.002302, 6.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:3842
De minister heeft aangegeven dat in de oblasten Kharkiv, Luhansk, Donetsk, Zaporizhzhia, Kherson, Dnipropetrovs en Sumy sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld.
Uit de landeninformatie komt verder naar voren dat in de oblasten Mykolaiv en Chernihiv weliswaar sprake is van gevechtshandelingen of bezetting, maar dat het niveau van willekeurig geweld niet zodanig is dat eenieder enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Er kan echter niet worden uitgesloten dat in deze oblasten, dan wel in delen daarvan, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden maken dat vreemdelingen bij terugkeer naar die gebieden een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15 Kwalificatierichtlijn.
In de overige delen van Oekraïne, waaronder begrepen de bezette gebieden Krim en Sevastopol, bestaat ook een risico op willekeurig geweld als gevolg van raket- en droneaanvallen, maar in geen van deze gebieden loopt een burger een reëel risico om slachtoffer te worden van dit geweld enkel door zijn aanwezigheid. De algemene humanitaire omstandigheden worden mede beïnvloed door de strijdende partijen, maar de gevolgen hiervan zijn niet zodanig ernstig dat dit voldoende aanleiding vormt om een hogere mate van willekeurig geweld aan te nemen. Deze gebieden, met uitzondering van de Krim en Sevastopol, zijn in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief voor personen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, Kwalificatieverordening.
WBV 2026/15, 6.7.26 in de Staatscourant 23550,7.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23550.html
Uit het nieuwe ambtsbericht blijkt dat prominente leden en leiders van de oppositie op verschillende manieren worden aangepakt en onder verhoogde negatieve aandacht van de autoriteiten kunnen staan. Gelet hierop heeft de minister besloten om prominente oppositieleden als risicoprofiel aan te merken.
Uit het ambtsbericht blijkt verder dat LHBTIQ+ in Guinee te maken kunnen krijgen met daden van vervolging van personen in hun eigen omgeving, maar ook van de autoriteiten, waartegen geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten en/of internationale organisaties kan worden geboden of verkregen. Gelet hierop heeft de minister besloten om LHBTIQ+ als risicoprofiel op te nemen.
Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht dat gedwongen huwelijken veelvoorkomend zijn in Guinee en dat hiertegen geen effectieve bescherming mogelijk is, heeft de minister besloten om voor vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor een gedwongen huwelijk aan te nemen dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen en dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is.
WBV 2026/17, 8.7.26 in Staatscourant 2026, 24782, 10.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24782.html
zie ook https://open.overheid.nl/details/5655cece-97b8-4574-95be-3c22edbe0e93, 2.7.26