bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Nu eiser is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken, is op dit moment onbekend of hij nog op het grondgebied van de lidstaat Nederland verblijft. Zolang onduidelijk is of eiser op het grondgebied van lidstaat Nederland verblijft, is dan ook geen controle op bescherming tegen non-refoulement nodig. In het geval van weer opduiken op het grondgebied van lidstaat Nederland ligt dat wel anders, maar dat is op dit moment slecht hypothetisch. Het is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis of eiser ooit weer zal opduiken in Nederland. Daarmee blijft dus staan dat er geen procesbelang is zolang hierover onduidelijkheid bestaat vanwege het geen contact meer hebben met de gemachtigde over de procedure, de verblijfplaats op het grondgebied van lidstaat Nederland en er geen relevante feiten en omstandigheden zijn die maken dat sprake is van procesbelang. Dat de minister niet kan registreren of en zo ja, wanneer eiser niet langer op het grondgebied van Nederland verblijft als gevolg van het met onbekende bestemming vertrekken, kan niet voor rekening van de minister komen….
In het hypothetische geval dat eiser weer opduikt op het grondgebied van lidstaat Nederland en hem opnieuw de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn wordt gegeven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven dan wel aan hem een terugkeerbesluit wordt opgelegd om terug te keren naar Syrië, moet op dat moment weer actueel en volledig worden beoordeeld of het beginsel van refoulement wordt geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn.
Rb den Bosch 26.17344, 31.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21403
Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, vereist is.
Het betoog van appellant slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef. De minister heeft aangenomen dat appellant zijn hoofdverblijf in Portugal heeft. Verder is gesteld noch gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het besluit fysiek aanwezig was op het Nederlandse grondgebied. Daarom mocht de minister geen terugkeerbesluit nemen.
Het hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.44453, 18.12.25 is gegrond.
RvS BRS.26.000184, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:4180
Uit het dossier volgt dat eiser in 1950 is geboren en de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft. In 2002 is hij naar Nederland gekomenen heeft asiel gevraagd. In 2004 heeft de minister de aanvraag afgewezen. ….
Op 10 mei 2023 heeft hij een aanvraag ingediend vanwege gezins- en priveleven. Zijn dochter is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier, zij heeft twee kinderen die zijn geboren in 2009 en 2012. De zoon van eiser heeft verblijf in Nederland op grond van verblijf bij een Nederlands staatsburger, hij heeft twee kinderen. Een andere zoon van eiser heeft verblijf in Nederland bij een EU-burger, hij heeft één kind.…
De minister heeft aangenomen dat bij eiser sprake is van privéleven. De minister heeft daarom een belangenafweging gemaakt. … De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Eiser wijst er terecht op dat de minister geen initiatieven heeft genomen om eiser uit Nederland te verwijderen. Dit is echter wel een factor die moet worden meegewogen in de belangenafweging. …. De minister heeft er in het besluit, en ook ter zitting, op gewezen dat eiser meerdere keren een aanzegging heeft gekregen Nederland te verlaten. Daarmee is het handelen van overheid gedurende de periode van illegaal verblijf van eiser in Nederland echter onvoldoende bij de belangenafweging betrokken. De rechtbank heeft de minister ter zitting gevraagd op welke manier hij aan de terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan heeft gewerkt maar de minister moest het antwoord daarop schuldig blijven. De rechtbank acht duidelijkheid hierover wel van belang. Niet alleen in het kader van de belangenafweging, zoals hiervoor is overwogen, maar ook in het kader van de vraag of terugkeer van eiser naar Azerbeidzjan überhaupt mogelijk is, wat van betekenis kan zijn voor de vraag of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Rb Zwolle VK 25/15616, 13.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19415
Het BMA heeft geconcludeerd dat eiseres bekend is met PTSS en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Verder is sprake van verstandelijke beperkingen, morbide obesitas en prediabetes. Eiseres staat voor haar psychische klachten onder behandeling van een psychiater, psycholoog en een casemanager. Bij het uitblijven van deze behandeling verwacht het BMA dat op korte termijn (binnen drie tot zes maanden) een medische noodsituatie ontstaat. Volgens het BMA zijn de door eiseres benodigde behandeling en medicatie op basis van de beschikbare landeninformatie beschikbaar in Nigeria, haar land van herkomst en is deze behandeling voldoende om de verwachte medische noodbehandeling te voorkomen. Verder vermeldt het advies dat eiseres niet kan reizen naar Nigeria, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht plaatsvindt….
De minister heeft verklaard dat eiseres met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is haar eigen inkomen te verdienen en dat de kosten voor de benodigde medische handeling in Nigeria hoog zijn. De minister heeft vervolgens aangegeven dat uit de door eiseres overgelegde e-mails naar verzekeraars blijkt dat zij inspanningen heeft geleverd om aannemelijk te maken dat het voor haar (financieel) niet mogelijk is om zich voor haar ziektekosten te verzekeren. Ook is met het traceerverzoek aan het Rode Kruis een start gemaakt met het aannemelijk maken dat zij (mogelijk) in Nigeria niet door familieleden kan worden ondersteund, maar een resultaat van dit onderzoek is nog niet binnen. Bovendien wordt in het traceerverzoek aangegeven dat eiseres op zoek is naar haar dochters, terwijl eiseres mogelijk een groter netwerk in Nigeria heeft. Verder mist volgens de minister nog een onderbouwing dat eiseres geen beroep kan doen op de overheid.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de toegang tot de beschikbare zorg in Nigeria voor haar niet toegankelijk is. … De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat de enkele omstandigheid dat eiseres niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat zij geen beroep kan doen op een sociaal netwerk in Nigeria of de overheid voor ondersteuning, maakt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen toegang kan krijgen tot de beschikbare zorg in Nigeria….
Ten aanzien van de eventuele ondersteuning door de overheid weegt de rechtbank mee dat alhoewel uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat eiseres in haar individuele geval geen ondersteuning kan krijgen, deze stukken wel aanwijzingen bieden dat het niet aannemelijk is dat personen met psychische klachten in Nigeria door de overheid worden ondersteund. Zo staat in het ‘Medical Country of Origin Information Report’ van april 2022 dat slechts 3,3% van het federale budget voor gezondheidszorg naar de geestelijke gezondheidszorg gaat. Ook staat hierin dat er geen programma’s voor financiële ondersteuning bij geestelijke gezondheidsproblemen bestaan en dat betaling uit eigen zak de meest voorkomende manier is waarop gezondheidszorg wordt verkregen.
Tot slot weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat eiseres blijkens de medische stukken een ernstige verstandelijke beperking en een zeer beperkt eigen doenvermogen heeft. Zo kan eiseres niet lezen of schrijven en heeft zij bij veel activiteiten hulp nodig. Daardoor is onzeker of eiseres, zelfs als ondersteuning door een sociaal netwerk of de overheid in Nigeria aanwezig is, in staat zou zijn van deze ondersteuning gebruik te maken.
Dit alles tezamen maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare zorg in Nigeria in haar individuele situatie niet feitelijk toegankelijk is.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL25.21285 en AWB 24/2964, 30.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21378
Uit de landeninformatie volgt dat in geheel Irak, ook in de KAR en in de regio Duhok waar eisers vandaan komen, nog altijd sterke tribale tradities gelden, vrouwen ondergeschikt zijn aan de man en vrouwen in zijn algemeenheid slachtoffer worden van gender gerelateerd geweld waarbij de daders vaak vrijuit gaan. Daarbij is ook sprake van eerwraak op vrouwen die zich niet naar de geldende tribale standaarden gedragen, zoals het hebben van relaties buiten het huwelijk. De instituties binnen de KAR, die de vrouwen zouden moeten beschermen, kiezen daarbij vaak partij voor de daders, ook in geval van eer gerelateerd geweld. Gelet op deze informatie en het gegeven dat ook binnen de stam van de moeder blijkens haar verklaringen voorbeelden van eer gerelateerd geweld bestaan, waaronder de verklaring over een nichtje dat dood gevonden is in een rivier, is het risico op vervolging dat de dochters bij terugkeer vanwege hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen lopen ook niet slechts een mogelijkheid, maar (meer dan) redelijk waarschijnlijk. Gelet op het arrest Ebilum, zoals hiervoor besproken, is daarmee de vereiste drempel voor een gegronde vrees voor vervolging behaald. In de tussenuitspraak is ook reeds overwogen dat de dochters niet beschikken over een binnenlands beschermingsalternatief. Dat betekent dat de dochters in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus….
Ten aanzien van de dochters zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de dochters internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus genieten per datum van de aanvraag…. Aangezien de dochters hun aanvraag om een verblijfsvergunning op minderjarige leeftijd hebben gedaan, komen de ouders en – via de ouders – de overige van rechtswege in aanmerking voor een verblijfstitel zolang aan de dochters internationale bescherming wordt verleend, en voor zover zij niet zelfstandig op andere gronden internationale bescherming genieten.
Dit betekent dat, nu eerst nog een nader onderzoek ten aanzien van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” moet worden verricht, er ook nog geen geactualiseerd en uitputtend onderzoek kan worden gedaan naar de asielmotieven “vrees voor besnijdenis” en “vrees voor uithuwelijking” ten aanzien van de ouders en overige kinderen, omdat een risicobeoordeling op grond van deze motieven beïnvloed kan worden door de geloofwaardigheid van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking dochters”. Bijgevolg kan op dit moment nog niet definitief worden vastgesteld of de ouders en de overige kinderen op grond van zelfstandige asielmotieven voor internationale bescherming in aanmerking komen. Nu reeds is vastgesteld dat de dochters op grond van hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen internationale bescherming toekomt, betekent dit dat aan de ouders en overige kinderen op grond van het bepaalde in artikel 23 Verordening (EU) 2024/1347 een verblijfsrecht kan worden toegekend, zonder dat nog nader onderzoek naar de zelfstandige asielmotieven is vereist….
De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ouders en de overige kinderen een verblijfsrecht overeenkomstig artikel 23 Verordening (EU) 2024/1347 hebben en dat aan hen een verblijfsvergunning en verblijfstitel moet worden toegekend.
Rb Groningen NL23.29544, 23.39546 en 23.29548, 28.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21092
Een verzoek om heroverweging is iets anders dan een opvolgende aanvraag. Met een verzoek om heroverweging stelt de vreemdeling namelijk dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd, terwijl de vreemdeling met een opvolgende asielaanvraag stelt dat hij vanwege nieuwe feiten en bevindingen nu (wel) in aanmerking komt voor een asielstatus. Doet de vreemdeling tegelijkertijd een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging, dan moet de minister daar gelijktijdig op beslissen.
Eiser heeft er in deze zaak terecht op gewezen dat hij het arrest X en Y van het Hof van Justitie als zodanig als nieuw feit (‘novum’) aan zijn verzoek om heroverweging ten grondslag heeft gelegd. …. De minister heeft dat niet onderkend. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom hij het verzoek om heroverweging heeft afgewezen.
Het beroep is gegrond.
Rb Arnhem NL25.63074, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20021
NB: de minister is in HB gegaan en de RvS heeft een vovo toegewezen
BRS.26.003651, 29.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4361
De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht en de verduidelijking hiervan door het Hof geen enkele indicatie blijkt dat de rechter in eerste aanleg is beperkt in de omvang van de rechterlijke controle van een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming. Dat verweerder in de onderhavige opvolgende procedure meent bevoegd te zijn om de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en daardoor, naar eigen zeggen, de aangedragen nieuwe elementen en bevindingen niet inhoudelijk heeft beoordeeld doet hier niet aan af. De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten. Het kan immers niet zo zijn dat verweerder in staat moet worden geacht om de Unierechtelijke bevoegdheden van de rechter te beperken of te begrenzen.
De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 8 februari 2024 in de zaak A.A. (C-216/22, ECLI:EU:C:2024:122) en naar de Conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta van 19 maart 2026 in de gevoegde zaken Ramodi en Kirkuk (C-7/25 en C-8/25, ECLI:EU:C:2026:228)….
De rechtbank zal verweerder wel de gelegenheid bieden om nogmaals te beoordelen of de opvolgende asielaanvraag van eiser moet worden ingewilligd. Deze inhoudelijke beoordeling van alle aangedragen bewijsmiddelen kan namelijk ook leiden tot de inwilliging van de aanvraag. De rechtbank overweegt hierbij dat de verduidelijking die het Hof in haar arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. (C-921/19, ECLI:EU:C:2021:4780) heeft gegeven tot de conclusie leidt dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet kan afdoen als niet-ontvankelijk. …
De rechtbank wijst verweerder tot slot in deze fase van de procedure reeds op het arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur (C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257) en de einduitspraak van 6 mei 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats in de procedure die tot het arrest Tadmur heeft geleid (ECLI:NL:RBDHA:2026:10757). Uit dit arrest leidt de rechtbank onder meer af dat, kort gezegd, een terugkeerbesluit niet kan worden ‘gesplitst’ in een terugkeerverplichting voor de derdelander en een terugkeerverplichting voor verweerder. Uit het landgebonden beleid van verweerder volgt dat verwijdering naar Eritrea, zowel na legale als illegale uitreis, niet kan plaatsvinden vanwege het beginsel van non-refoulement en dat vrijwillige terugkeer alleen mogelijk is als de vreemdeling legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum is uitgereisd (paragraaf C9/13.8 Vc). De rechtbank geeft verweerder mee om in zijn nieuw te nemen besluit, indien verweerder niet tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag overgaat, uitdrukkelijk te motiveren waarom hij al dan niet een terugkeerbesluit oplegt.
De rechtbank zal verweerder dus in de gelegenheid stellen om opnieuw op de opvolgende aanvraag van eiser te beslissen. Eiser zal een termijn van twee weken krijgen om te reageren op dit besluit. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Rb Roermond NL24.26068, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20142
De vreemdeling, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC) legt aan haar asielaanvraag in NL ten grondslag dat zij in de DRC en tijdens haar reis naar Nederland herhaaldelijk seksueel geweld heeft ondergaan en dat zij een reëel risico loopt op hernieuwd seksueel geweld als zij wordt teruggestuurd. Haar asielaanvraag is afgewezen omdat haar verklaringen inconsistent, onsamenhangend en vaag worden geacht. De vreemdeling stelt dat eventuele inconsistenties in haar verklaringen te wijten zijn aan trauma als gevolg van verkrachting en misbruik. Ter ondersteuning van haar beweringen heeft zij medische dossiers van haar arts overgelegd. Hoewel zij een forensisch medisch onderzoek had aangevraagd in overeenstemming met het Istanbul protocol, achtten de Nederlandse autoriteiten en rechtbanken een dergelijk onderzoek onnodig, omdat zij van mening waren dat haar verhaal niet geloofwaardig was.
Het EHRM heeft de partijen onder meer gevraagd of de Nederlandse autoriteiten hun procedurele verplichtingen uit hoofde van artikel 3EVRM zijn nagekomen bij de beoordeling van het asielverzoek gezien de beschuldigingen van seksueel geweld en de overgelegde medische bewijzen. Ook vraagt het Hof de partijen of zij voldoende rekening hebben gehouden met de mogelijke invloed van trauma op het vermogen van de vreemdeling om geloofwaardige, consistente en gedetailleerde verklaringen af te leggen.
EHRM, 7740/26 (Communicated Case), V.K. t. Nederland, 10.6.26
https://hudoc.echr.coe.int/?i=001-251344
Om onder de reikwijdte van artikel 9 van de Dublinverordening te vallen moet het gezinslid in de verzoekende lidstaat internationale bescherming genieten. … Niet in geschil is dat de echtgenoot in Nederland verblijft op grond van nareis en dus niet op grond van internationale bescherming. Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 9 van de Dublinverordening in dit geval niet van toepassing is. De eerste grief faalt….
De Afdeling overweegt verder dat artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening bedoeld is om het gezin bijeen te houden bij de overdracht van de minderjarige en zijn gezinsleden aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het door deze gezinsleden ingediende verzoek om internationale bescherming. De bepaling geeft geen materieel criterium op basis waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald. De minister handelt dan ook niet in strijd met die bepaling als hij appellant en haar kinderen overdraagt aan Spanje. Daarom falen de vierde en vijfde grief.
Hoger beroep tegen Rb Zwolle NL26.4220, 1.4.26, ongegrond.
RvS BRS.26.001762, 30.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4377
Rb: ook belang niet-erkend kind meewegen
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21241
Rb: moeder met kind niet naar Polen, want vader in NL in asielprocedure
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20538
Rb: moeder met kind van NLse vader wel naar Dld
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20047
Rb: onvoldoende rekening gehouden met belangen getraumatiseerde kinderen bij dreigende overdracht moeder naar Kroatië
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20224
De Afdeling overweegt dat uit het AIDA-rapport 2025 volgt dat Dublinclaimanten die nog wachten op de formalisering van hun asielaanvraag wel opvang ontvangen. … Betrokkene heeft in deze zaak geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hij daarop geen aanspraak zou kunnen maken. …. De grief slaagt….
De vraag die nog voorligt is of de ontslagbepalingen in de Sloveense International Protection Act afdoen aan het uitgangspunt dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Uit de ontslagbepalingen volgt dat een vluchtelingenadviseur door het ministerie van Justitie kan worden ontslagen indien wordt vastgesteld dat hij beschikt over kennis van de ware identiteit van de asielzoeker, in het bezit is van diens identiteitsdocumenten, op de hoogte is van de werkelijke leeftijd van een asielzoeker die stelt minderjarig te zijn, of kennis draagt van feiten op grond waarvan de asielzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en deze feiten niet meldt aan het directoraat Migratie. Hoewel deze ontslaggronden vragen oproepen over de mate waarin de door vluchtelingenadviseurs verleende rechtsbijstand te allen tijde onafhankelijk en vertrouwelijk is, heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport 2025 niet blijkt dat dit in de praktijk heeft geleid tot stelselmatige beperkingen van of problemen met de rechtsbijstand aan asielzoekers. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan wel sprake is. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de asielprocedure in Slovenië als geheel een fundamentele systeemfout bevat die de vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.
De grief slaagt.
Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat hij voor Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Hoger Beroep tegen Rb Amsterdam NL25.38678 en NL25.38679, 10.10.25 gegrond
BRS.25.001581, 29.7.26
ECLI:NL:RVS:2026:4375