bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning niet te verlenen….
De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod.
Rb den Bosch AWB 25/24378, 30.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644
De minister heeft er terecht op gewezen dat het bij een verblijfsrecht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez erom gaat of haar Nederlandse zoon zodanig afhankelijk is van eiseres, dat hij het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan haar een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, aangezien eiseres procedureel rechtmatig verblijf heeft tijdens haar asielprocedure. Daarom is er geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez.
Rb Utrecht NL25.44389, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19361
De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Uit het deskundigenbericht vloeit voort dat tussen eiser en diens kinderen een vergaande afhankelijkheidsrelatie bestaat, die tot gevolg heeft dat als eiser fysiek van zijn kinderen gescheiden blijft, er een groot risico is dat de kinderen psychosociale of emotionele schade zullen ondervinden. Het in acht nemen van het hogere belang van het kind brengt mee dat dat risico moet worden uitgesloten. Om deze risico’s uit te sluiten is noodzakelijk dat referent, eiser en de kinderen in fysieke nabijheid, in gezinsverband, hun relatie kunnen voortzetten. Bij weigering van een afgeleid verblijfsrecht c.q. visum, betekent dit dat om voornoemde emotionele schade en risico’s voor het evenwicht van de kinderen te voorkomen, de kinderen samen met referent feitelijk genoopt zouden zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten om zo de gezinsrelatie in een ander land, samen met eiser, voort te zetten. Daarmee is voldaan aan het criterium dat bij de weigering van een verblijfsrecht het kind, dat Unieburger is, feitelijk genoopt zou zijn het grondgebied van de gehele Unie te verlaten. De minister heeft dan ook ten onrechte het gevraagde visum geweigerd.
De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke omstandigheden zoals die in het bijzonder uit het deskundigenbericht naar voren komen tot de conclusie moeten leiden dat eiser voldoet aan de Chavez-Vilchez-criteria. Dat betekent dat de rechtbank vaststelt dat eiser een verblijfsrecht in Nederland heeft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de minister binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser in het bezit moet stellen van een faciliterend visum op grond artikel 20 VWEU.
Rb Zwolle AWB 24/10923, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19414
Uit rechtspraak van de Afdeling komt het volgende kader voor het beoordelen van de insluitingsgrond naar voren. Verweerder moet een actuele beoordeling maken van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. UNWRA moet dan levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Verweerder moet zowel de eigen verklaringen van betrokkene als de actuele algemene informatie over de UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië bij haar besluit betrekken.
In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder geen inzicht gegeven in de maatstaf die hij hanteert bij beantwoording van de vraag in hoeverre de UNRWA in staat is aan zijn mandaat te voldoen. Uit de overlegde rapporten volgt dat ook in de nieuwe situatie, net als voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden. Verweerder is niet op deze rapporten ingegaan. Verweerder heeft ook niet op een andere manier duidelijk gemaakt dat UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. …
Het beroep is gegrond.
Rb Haarlem NL26.14698, 10.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18659
Appellant wijst erop dat haar verklaringen dat Al-Shabaab haar heeft opgeroepen wegens een beschuldiging van overspel, geloofwaardig zijn geacht door de minister. Daarom is het de vraag of er bij terugkeer een reëel risico bestaat op vervolging door Al-Shabaab.
Appellant heeft gewezen op het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, waarin staat dat de rechtbanken van Al-Shabaab recht spreken op basis van een strikte interpretatie van de sharia, ook buiten de door Al-Shabaab gecontroleerde gebieden. De bestraffing van deze rechtbanken kan bruut zijn. Verder wordt vermeld dat Al-Shabaab in staat en bereid is om rechterlijke uitspraken daadkrachtig en strikt te handhaven. In gebieden waar Al-Shabaab minder controle had, was de handhaving in handen van de veiligheidsdienst van Al-Shabaab. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister dit ook had moeten betrekken in zijn motivering en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant zich aan de oproep kan onttrekken en dat niets zou zijn gezegd over de schuld van appellant.
Verder staat in het rapport van het EUAA, ‘Somalia - Country Focus’, van mei 2025 dat overspel en seksueel wangedrag volgens een bron in de praktijk zelden worden overgelegd aan de staatsrechtbanken en shariarechtbanken. Het rapport meldt echter ook dat Al-Shabaab een aantal keren lijfstraffen heeft uitgevoerd buiten haar controlegebied wegens zulke feiten. In dat kader heeft de rechtbank niet onderkend dat de vrees van appellant voor een lijfstraf, zoals steniging, niet alleen is gebaseerd op haar eigen aannames, maar ook op landeninformatie. De minister had dit risico op ernstige lijfstraffen ook moeten betrekken in zijn besluit.
Het hoger beroep tegen Rb Arnhem NL25.12365, 21.11.25 is gegrond.
RvS BRS.25.002302, 6.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:3842
De minister heeft aangegeven dat in de oblasten Kharkiv, Luhansk, Donetsk, Zaporizhzhia, Kherson, Dnipropetrovs en Sumy sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld.
Uit de landeninformatie komt verder naar voren dat in de oblasten Mykolaiv en Chernihiv weliswaar sprake is van gevechtshandelingen of bezetting, maar dat het niveau van willekeurig geweld niet zodanig is dat eenieder enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Er kan echter niet worden uitgesloten dat in deze oblasten, dan wel in delen daarvan, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden maken dat vreemdelingen bij terugkeer naar die gebieden een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15 Kwalificatierichtlijn.
In de overige delen van Oekraïne, waaronder begrepen de bezette gebieden Krim en Sevastopol, bestaat ook een risico op willekeurig geweld als gevolg van raket- en droneaanvallen, maar in geen van deze gebieden loopt een burger een reëel risico om slachtoffer te worden van dit geweld enkel door zijn aanwezigheid. De algemene humanitaire omstandigheden worden mede beïnvloed door de strijdende partijen, maar de gevolgen hiervan zijn niet zodanig ernstig dat dit voldoende aanleiding vormt om een hogere mate van willekeurig geweld aan te nemen. Deze gebieden, met uitzondering van de Krim en Sevastopol, zijn in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief voor personen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, Kwalificatieverordening.
WBV 2026/15, 6.7.26 in de Staatscourant 23550,7.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23550.html
Uit het nieuwe ambtsbericht blijkt dat prominente leden en leiders van de oppositie op verschillende manieren worden aangepakt en onder verhoogde negatieve aandacht van de autoriteiten kunnen staan. Gelet hierop heeft de minister besloten om prominente oppositieleden als risicoprofiel aan te merken.
Uit het ambtsbericht blijkt verder dat LHBTIQ+ in Guinee te maken kunnen krijgen met daden van vervolging van personen in hun eigen omgeving, maar ook van de autoriteiten, waartegen geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten en/of internationale organisaties kan worden geboden of verkregen. Gelet hierop heeft de minister besloten om LHBTIQ+ als risicoprofiel op te nemen.
Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht dat gedwongen huwelijken veelvoorkomend zijn in Guinee en dat hiertegen geen effectieve bescherming mogelijk is, heeft de minister besloten om voor vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor een gedwongen huwelijk aan te nemen dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen en dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is.
WBV 2026/17, 8.7.26 in Staatscourant 2026, 24782, 10.7.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24782.html
zie ook https://open.overheid.nl/details/5655cece-97b8-4574-95be-3c22edbe0e93, 2.7.26
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. De minister heeft er op gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat het doen van aangifte mogelijk is in Colombia, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat aangiften in zijn algemeen ook worden opgevolgd door de autoriteiten. … De rechtbank overweegt dat de informatie uit het ambtsbericht er juist op wijst dat opvolging van aangiften in Colombia minimaal is. De rechtbank leest net als eiser in het ambtsbericht, dat zowel openbare als vertrouwelijke bronnen spreken over de hoge mate van straffeloosheid voor wat betreft de opvolging van aangiftes…. De vraag om bescherming, onder andere vanwege het grote aantal aanvragen en het beperkte budget, is volgens het ambtsbericht groter dan wat de Colombiaanse overheid kan bieden aan bescherming.
Het voorgaande betekent dat de minister nader dient te onderzoeken en te motiveren aan de hand van recente beschikbare landeninformatie of in Colombia in het algemeen bescherming wordt geboden, inhoudende dat de Colombiaanse autoriteiten redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade.
Indien de minister in het nieuw te nemen besluit opnieuw het standpunt inneemt dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden, dient hij deugdelijk te motiveren waarom eiser in zijn specifieke situatie bescherming kan verkrijgen tegen de problemen met ELN. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit voor eiser gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos zal zijn. … De mogelijkheden tot bescherming vanwege eisers problemen met ELN dienen daarbij in samenhang te worden bezien met het profiel van eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser Afro-Colombiaans is en als homoseksueel wordt gezien. Eiser heeft in de aanvullende gronden op gewezen dat deze factoren hem extra kwetsbaar maken en in samenhang bezien moeten worden.
Rb Amsterdam NL25.19222, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18483
Mensenhandel is een ernstig strafbaar feit in Nederland. De Nederlandse overheid is volgens diverse internationale verdragen gehouden tot de bestrijding van mensenhandel. De IND draagt daar aan bij. In dit kader dienen medewerkers van de IND alert te zijn op signalen van daders en slachtoffers van mensenhandel. De registratie van deze signalen helpt de opsporing van daders en criminele netwerken en biedt daarnaast mogelijkheden tot bescherming van slachtoffers.
Mensenhandel kan ook als asielmotief worden aangedragen. In dat verband hebben hoor- en beslismedewerkers (hierna: de asielmedewerker) naast het signaleren ook een andere rol te vervullen, namelijk de beoordeling of dat motief grond is voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Is dat niet het geval dan beoordelen deze medewerkers ambtshalve of er reden is om een reguliere verblijfsvergunning voor mensenhandel te verlenen https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1416874_1/1/, 16.6.26
Uit de gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), blijkt dat de Nederlandse Staat niet alleen probeert om hem te laten vertrekken naar Bangladesh of Pakistan (de landen die in het terugkeerbesluit zijn genoemd), maar dat zij ook proberen een LP te krijgen voor Myanmar. Hieruit kan worden afgeleid dat verweerder inmiddels denkt dat eiser mogelijk toch uit Myanmar komt, terwijl de eerdere asielaanvraag juist is afgewezen omdat eisers stelling dat hij uit dat land komt, ongeloofwaardig is bevonden. Daarnaast hebben de autoriteiten van Bangladesh en Pakistan inmiddels formeel laten weten dat zij eiser geen LP zullen verstrekken zodat vertrek naar die landen ook daadwerkelijk niet meer tot de mogelijkheden behoort.
Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat DTenV pogingen doet om toelating voor eiser te verkrijgen in Myanmar omdat hij zelf stelt dat hij daar vandaan komt, nog niet maakt dat daaruit kan worden afgeleid dat verweerder nu anders denkt over eisers identiteit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het mogelijk om een vreemdeling te laten terugkeren naar een land waarmee hij zelf stelt banden te hebben, ook als de asielaanvraag is afgewezen omdat het herkomstland niet wordt geloofd
Rb Middelburg NL25.45412, 2.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19471