De rechtbank overweegt dat verweerder inzichtelijk moet maken op welke informatie en bronnen hij zijn besluit baseert en dit geldt te meer als verweerder zich baseert op meer bewijsmiddelen dan de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd. Dit betekent niet alleen dat algemene ambtsberichten niet kunnen worden achtergehouden, maar ook dat landeninformatie die niet wordt gepubliceerd in een algemeen ambtsbericht maar wel wordt betrokken in besluitvorming, bekend moet worden gemaakt, zowel als een besluit mede op die informatie wordt gebaseerd, als wanneer op grond van die informatie nog niet wordt beslist op een aanvraag.
De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat verweerder de resultaten van documentonderzoek door Bureau Documenten niet in het dossier opneemt maar als intern stuk beschouwt. Dit is onzorgvuldig als dit per ongeluk gebeurt en onaanvaardbaar als dit beleidsmatig geschiedt. De Afdeling heeft ook bevestigd dat -kort gezegd- de bevindingen van Bureau Documenten in het dossier moeten worden opgenomen zodat de vreemdeling de gelegenheid heeft om zich hier degelijk over te kunnen uitlaten.
De rechtbank overweegt dat verweerder -uit eigen beweging- volstrekt transparant moet zijn over alle feiten en omstandigheden die hij ten grondslag legt aan zijn beleid en besluitvorming en dat het niet zo kan zijn dat de vreemdeling en de rechter in het ongewisse worden gelaten of er soms nog méér informatie is die verweerder relevant acht maar pas wordt prijsgegeven als de rechter vraagt of het dossier compleet is.
De rechtbank zal een tussenuitspraak doen omdat verweerder moet toelichten welke openbare bronnen aan dit besluit ten grondslag liggen zodat eiser zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen en de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit ten volle kan beoordelen.
Rb Roermond NL24.3092 T, 12.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5114
Het ambtsbericht van 1 december is aanleiding om wijzigingen door te voeren in het landgebonden asielbeleid voor Soedan.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-8811.html, 9.3.26
zie ook https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-3520.html, 4.3.26
‘Gezien de recente ontwikkelingen in Iran zie ik vooralsnog geen aanleiding om de wijze waarop beslist wordt in lopende asielprocedures van vreemdelingen uit Iran te wijzigen.’
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-3518.html, 20.2.26
Maar begin maart bleek dat de minister toch beslissingen van Iraanse asielzoekers opschort.
Volkskrant: https://archive.li/pW4IE, 13.3.26
De Afdeling is van oordeel dat appellant met de door hem overgelegde landeninformatie voldoende twijfel heeft gezaaid over het standpunt van de minister dat hij bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging.
De door appellant overgelegde bronnen laten een ander beeld zien dan de informatie uit het ambtsbericht en zijn daarnaast grotendeels van een recentere datum. Uit deze bronnen komt naar voren dat er een gebrek is aan eenduidige informatie over de omstandigheden die van belang zijn om het terugkeerrisico voor atheïsten en afvalligen te kunnen inschatten. Zo volgt enerzijds uit het ambtsbericht dat afvalligen en atheïsten zelden bestraft worden en anderzijds uit de door appellant overgelegde bronnen dat zij steeds vaker te maken krijgen met mishandeling en de doodstraf. Het blijft daarmee onduidelijk hoe vaak, op welke wijze en om welke reden de autoriteiten optreden tegen afvalligen en atheïsten. De cijfers in de verschillende bronnen lopen uiteen en daarnaast volgt daaruit niet duidelijk hoe groot de kans is dat de autoriteiten op de hoogte zullen raken van het feit dat een vreemdeling afvallig of atheïstisch is, bijvoorbeeld door ondervragingen op het vliegveld of het monitoren van personen bij terugkeer.
De onduidelijkheid in de landeninformatie betreft niet alleen vreemdelingen die hun afvalligheid of atheïsme actief uitdragen. De bronnen laten ook een wisselend beeld zien van de situatie van vreemdelingen die hun (religieuze) overtuiging in beginsel terughoudend uiten. De Afdeling komt dan ook tot het oordeel dat de minister zich niet zonder nader onderzoek naar de situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran op het standpunt kan stellen dat appellant geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij terugkeer….
Het besluit is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, moet de minister nader onderzoek doen naar de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister zal vervolgens een nieuw besluit moeten nemen.
Het hoger beroep tegen Rb Haarlem NL24.23449, 8.7.24 is gegrond.
RvS 202404322/1/V2, 12.3.26
ECLI:NL:RVS:2026:1326
Zie ook RvS 202500442/1/V2, 12.3.26
ECLI:NL:RVS:2026:1439
Appellant heeft in beroep een mailwisseling overgelegd tussen [naam expert], assistent-professor antropologie aan [universiteit], gespecialiseerd in Afghanistan, en Vluchtelingenwerk Nederland. Volgens de expert kunnen ook Afghanen die door de Taliban worden gezocht tegen betaling gestempelde tazkera’s krijgen en legaal het land uitreizen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister appellant in de geloofwaardigheidsbeoordeling niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij legaal heeft kunnen uitreizen met een gestempelde tazkera….
Appellant klaagt over de overweging van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn verblijf in het Westen. Hij betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij uit een, in de ogen van de Taliban, ‘besmette’ familie komt, waarvan de vrouwen zijn opgekomen voor vrouwenrechten en waarvan zijn vader heeft samengewerkt met internationale organisaties. Appellant betoogt dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat deze factoren niet kenbaar zijn betrokken bij de risicobeoordeling.
Uit openbare informatie volgt dat familieleden van mensen die geassocieerd worden met de voormalige overheid of internationale organisaties, problemen met de Taliban kunnen krijgen.
De grieven tegen Rb Utrecht NL24.44913, 3.7.25 slagen.
RvS 202503880/1/V2, 4.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1181
Niet in geschil is, dat eiser niet meteen heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid en dat hij dit eerder zelfs heeft ontkend. …
De rechtbank maakt uit de motivering van het bestreden besluit op dat het feit dat eiser in eerste instantie heeft ontkend homoseksueel te zijn, in belangrijke mate heeft doorgewerkt in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de minister eisers asielrelaas met deze blik heeft bekeken. …
Gelet op al deze aangehaalde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de eerdere ontkenning van de homoseksualiteit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL 23.34216, 20.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3690
Mbt hasa’s: ‘Indien een iMMO-rapport wordt ontvangen in een opvolgende aanvraag, zal doorgaans niet worden overgegaan tot vergoeden van de kosten, ook indien het rapport aandeelhebbend is in de uiteindelijke inwilliging. Hierbij maakt het geen verschil op welk moment het iMMO-rapport is ingebracht. Ook indien een vreemdeling in beroep of na het voornemen een iMMO-rapport inbrengt, zal niet worden overgegaan tot vergoeding van de kosten. Hiervoor is gekozen omdat de betrokken vreemdeling het iMMO-rapport in de eerste procedure had kunnen en moeten inbrengen.’
Eiser is een christen uit Pakistan en jegens hem is een Fatwa uitgevaardigd. Verweerder legt aan zijn afwijzing van de asielaanvraag onder meer een door het Ministerie van Buitenlandse zaken opgesteld individueel ambtsbericht ten grondslag.
De rechtbank heeft in deze procedure prejudiciële vragen gesteld over de omvang van het dossier ten aanzien waarvan eiser zijn verdedigingsrechten moet kunnen uitoefenen en over de verplichting van de rechter die op het beroep beslist om van het hele dossier kennis te nemen om te waarborgen dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd.
Het Hof heeft de vragen van de rechtbank op 29 januari 2026 beantwoord en het arrest Multan gewezen. Uit dit arrest blijkt dat informatie over de wijze waarop BuZa onderzoek heeft verricht in Pakistan ook deel uitmaakt van ‘het dossier’. Uit dit arrest en het arrest GM van 22 september 2022 volgt dat eiser bijvoorbeeld middels een zogenoemde ‘special advocate’ toegang moet hebben tot alle relevante stukken. De rechtbank stelt vast dat een wettelijke basis hiervoor vooralsnog ontbreekt. Eiser heeft echter terecht gewezen op de verplichting van de rechtbank om te waarborgen dat het Unierecht zijn volle werking geniet.
De rechtbank zal kennisnemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de informatie over de wijze waarop BuZa het onderzoek in Pakistan heeft verricht en bepaalt dat verweerder ook kennis moet nemen van deze stukken. De rechtbank willigt tevens het verzoek van eiser in om ‘een special advocate’ te benoemen en bepaalt dat BuZa inzage in de stukken aan deze ‘special advocate’ zal moeten verlenen.
Rb Roermond NL22.10458 T, 12.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5065
Naar het oordeel van de rechtbank dient in alle fasen van de procedure voortvarend onderzoek te worden verricht om de periode waarin de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfssituatie in Nederland zo kort mogelijk te houden.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 26 april 2023 zijn asielaanvraag heeft ingediend. Eiser was toen 16 jaar oud. Uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten blijkt dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus in Bulgarije heeft.
De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat verweerder er lang over heeft gedaan om een besluit te nemen, namelijk ongeveer twee jaar en negen maanden. …. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld en niet heeft gemotiveerd op welke wijze in alle fasen van de procedure rekening is gehouden met de belangen van het kind. Daarbij komt dat verweerder niet heeft betrokken dat eiser slechts acht maanden in Bulgarije heeft verbleven en hij ten tijde van het bestreden besluit al bijna drie jaar in Nederland verblijft en er enkele familieleden van eiser in Nederland wonen terwijl in Bulgarije geen familieleden van eiser verblijven. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering aan eiser worden tegengeworpen dat hij een zodanige band met Bulgarije heeft dat het voor hem redelijk is om naar dat land terug te keren. De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL26.2411 en NL26.2412, 3.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4838
De rechtbank stelt vast dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat (een aankondiging van) een overdracht aan Kroatië een sterk negatief effect zal hebben op haar klachten, waaronder een sterk verhoogd suïciderisico. De rechtbank merkt dit aan als een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Uit het arrest C.K. volgt dat de autoriteiten, waaronder begrepen de rechterlijke autoriteiten, in dat geval iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidssituatie van de betrokken derdelander moeten wegnemen.
Mede onder verwijzing naar de onderbouwing van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond, is de rechtbank van oordeel dat de weerslag van de overdracht niet kan worden beperkt tot enkel de weerslag van de reis zelf. De weerslag van de overdracht en de gevolgen van de overdracht kunnen zich immers ook openbaren op een ander moment dan gedurende de feitelijke overdracht. Zoals tijdens de aankondiging van de feitelijke overdracht of in een onbewaakt moment voorafgaand aan de vlucht naar Kroatië….
Dat, zoals de minister heeft aangegeven, de Afdeling in de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft geoordeeld dat het arrest C.K. niet gaat over de aankondiging van de feitelijke overdracht op het moment dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft en die aankondiging gebeurt wanneer de vreemdeling nog in Nederland is en ook geen onderdeel is van de overdracht zelf, maakt het voorgaande dan niet anders. Door enkel te beoordelen of en hoe eieres naar Kroatië kan reizen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dus ten onrechte niet iedere ernstige twijfel weggenomen over de volledige weerslag van het nemen van het overdrachtsbesluit op de gezondheidssituatie van eiseres .
De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL25.5593, NL25.5598, NL25.5600, 25.5596, 3.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4416