In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. De minister moet bij de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vreemdelingen die na de machtsovername door de Taliban vanuit een westers land terugkeren naar Afghanistan, wel deugdelijk motiveren of met het verblijf in het Westen in onderlinge samenhang bezien met de andere individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade dreigt. …
De rechtbank heeft in niet onderkend dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde individuele omstandigheden dat hij geruime tijd in Nederland heeft verbleven, de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en een niet-praktiserende moslim is, terwijl de Taliban in Afghanistan van hem zal verwachten dat hij een baard zal laten staan, vijf keer per dag zal bidden, zal vasten en niet in het openbaar naar muziek zal luisteren, onvoldoende zijn voor het oordeel dat betrokkene daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De grieven slagen.
Het hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL24.35884, 3.12.24 is gegrond.
RvS 202407434/1/V1, 13.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:161
Aan de voorwaarden om het verzoek om heroverweging met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te kunnen afwijzen was voldaan. De minister moest daar alleen vanaf zien als dat tot een evident onredelijke uitkomst zou leiden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
De minister heeft gesteld dat seksuele gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt. De rechtbank volgt dat. Gezien de verleende verblijfsvergunning meent de minister dat eiser de gestelde seksuele gerichtheid heeft. Dat betekent dus dat de minister erkent dat eiser die tijdens de eerste procedure ook al had. Niettemin eist de minister in een geval als dit, waarin tijdens de eerste procedure niet overtuigend is verklaard maar in de tweede wel, dat de verklaringen afgelegd tijdens de tweede procedure nieuw zijn. Die zullen echter nooit nieuw zijn omdat in rechte vaststaat dat eiser die verklaringen ook tijdens de eerste procedure had kunnen afleggen.
Dat leidt ertoe dat de minister wel erkent dat eiser altijd de door hem gestelde seksuele gerichtheid heeft gehad, maar daaraan nimmer consequenties verbindt voor wat betreft de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel. De rechtbank is van oordeel dat dat evident onredelijk is. Zij betrekt daarbij verder dat de seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en erkenning daarvan door het verzoek om heroverweging in te willigen zwaarder weegt dan het belang dat de minister heeft bij het niet vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning.
De minister heeft het verzoek om heroverweging ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond.
De rechtbank neemt zelf een beslissing en zal het verzoek om heroverweging inwilligen en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel bepalen. De rechtbank de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepalen op de datum van eerste aanvraag van eiser.
Rb Zwolle NL25.14174, 13.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:672
Ondanks dat de termijn om over te dragen naar Polen is verstreken, heeft de minister nog steeds belang bij de beoordeling van het hoger beroep vanwege de precedentwerking.
De Afdeling overweegt als volgt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling weliswaar een medisch stuk heeft overgelegd, maar dat de minister hierop adequaat heeft gereageerd. Uit het overgelegde stuk volgt weliswaar dat de vreemdeling ziekenhuisafspraken heeft, maar niet dat hij onder specialistische medische behandeling staat of dat hij deze nodig heeft.
De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opvangvoorzieningen in Polen relevante systeemfouten bevatten. Uit het AIDA ‘Country Report: Poland 2023 update’ en 2024 update, blijkt weliswaar dat sommige vreemdelingen niet direct toegang hebben tot specialistische medische zorg en dat het soms maanden kan duren voordat zij deze zorg toch ontvangen, maar dit betekent niet dat asielzoekers structureel geen toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen. De vreemdeling heeft met zijn beroep op de AIDA-rapporten dus niet aannemelijk gemaakt dat er in Polen sprake is van zodanige structurele tekortkomingen met betrekking tot de toegang tot specialistische medische zorg, dat voor Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL24.25208, 28.8.24 gegrond.
ABRvS 202405640/1, 14.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:179
Betrokkenen zijn een gezin met minderjarige kinderen. De vader heeft de Turkse nationaliteit en de moeder en minderjarige kinderen de Moldavische nationaliteit. Eén kind is Oekraïens. Hun RTV-status is ingetrokken. ….
De Afdeling oordeelt dat de minister in een procedure over tijdelijke bescherming niet gehouden is om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Een afwijzing van een verzoek om tijdelijke bescherming is geen afwijzing van een asielaanvraag. In de asielprocedure heeft de minister de verplichting om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. De minister had daarnaast geen terugkeerbesluit genomen. De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Groningen NL23.26033 en NL23.26050, 4.1.25 is gegrond.
RvS 202400791/1/V2, 19.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:6236
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker te laat beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft verweerder erop gewezen dat zij zo nodig ambtshalve het beginsel van non-refoulement dient te betrekken bij de in het kader van dit verzoek te maken voorlopige beoordeling van het bestreden besluit dat tevens een terugkeerbesluit omvat. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat het COA heeft medegedeeld de Rva-verstrekkingen aan verzoeker niet te zullen beëindigen voordat uitspraak is gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen heeft gesteld over de verenigbaarheid van de wijze waarop sinds 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van asielrelazen wordt beoordeeld met het Unierecht en dat het Hof de rechtbank heeft geïnformeerd dat de vragen gevoegd zullen worden behandeld door de Tweede Kamer van het Hof.
In het bestreden besluit in de zaak van verzoeker zijn een of meer van de door verweerder onderscheiden asielmotieven ongeloofwaardig geacht op grond van deze geloofwaardigheids-beoordeling. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van verzoeker zal aanhouden in afwachting van het arrest van het Hof.
Daarom heeft verzoeker er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat het beroep ondanks de termijnoverschrijding een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd gelet op de verwijzing. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit zodat verzoeker de uitspraak op beroep in Nederland mag afwachten. Om elk misverstand te voorkomen bepaalt dat de voorzieningenrechter uitdrukkelijk dat dit ook betekent dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker niet mogen worden beëindigd en dat verzoeker niet uit de opvang mag worden gezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
Rb Roermond NL25.15524, 22.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25438
Eiser is 42 jaar geleden, als 11-jarig kind samen met zijn ouders Spanje ingereisd en aansluitend naar Nederland gekomen. Eiser heeft een verblijfsvergunning verkregen en op grond daarvan geruime tijd rechtmatig verblijf in Nederland gehad. De verblijfsvergunning is in 2014 ingetrokken vanwege meerdere veroordelingen voor strafbare feiten. Hij zit nu in detentie.….
De rechtbank overweegt dat verweerder geen enkele inspanning heeft geleverd om eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 te verwijderen, toen een LP beschikbaar was. De rechtbank overweegt dat uit deze handelwijze blijkt dat verweerder kennelijk niet een groot belang toekent aan de verwijdering van eiser. …. De rechtbank wijst er in dit verband uitdrukkelijk op dat eiser een vaste en geregistreerde woonplaats heeft en verweerder bij de voorgaande maatregel en de opheffing daarvan van de precieze adresgegevens van eiser op de hoogte was. ….
De rechtbank kan op grond van de maatregel, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of verweerder meent dat eiser nu wel zijn terugkeer kan bespoedigen. … De rechtbank overweegt dat de indruk ontstaat dat het opleggen van de maatregel meer een standaardmatige reactie is geweest op de overname uit de strafrechtketen van een illegaal verblijvende vreemdeling en dat hier niet het grondige onderzoek dat is vereist alvorens de vrijheid te ontnemen aan ten grondslag heeft gelegen. Deze indruk wordt versterkt door de summiere standaardmatige motivering in de maatregel, die de rechtbank mede daarom onvoldoende deugdelijk acht. De fysieke aanwezigheid van eiser in het DTC in Rotterdam is niet nodig om een vertrekgesprek te houden en om bij het consulaat in Amsterdam een nieuwe LP te vragen en de verlopen LP te overhandigen. ….
De rechtbank concludeert dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maatregel onrechtmatig is en dat de gronden om dit standpunt te onderbouwen slagen. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel bevel en de invrijheidstelling van eiser gelasten.
Rb Roermond NL25.62747, 2.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29
Eiser heeft de Eritrese nationaliteit. In een eerdere asielprocedure is zijn aanvraag afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vv. Hij heeft van 2005 tot 2012 gewerkt bij de special forces in Sawa en als trainer in de militaire kampen Wia en Meter, waar op grote schaal misdrijven tegen de menselijkheid werden gepleegd. Eiser kan niet worden uitgezet naar Eritrea, omdat hij daar een risico loopt op een onmenselijke behandeling. …
De uitzonderlijke ernst van deze feiten maakt dat de bedreiging die van eisers aanwezigheid uitgaat, zeer lang actueel blijft. Het gaat hierbij niet primair om het risico van herhaling, maar om de aanwezigheid van personen die zich aan dergelijke misdrijven schuldig hebben gemaakt. Dit ondermijnt de basisprincipes van de rechtvaardige samenleving en het gevoel van veiligheid en vertrouwen onder burgers. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte gewezen op het belang dat slachtoffers niet in Nederland met eiser worden geconfronteerd. …
Verweerder heeft het tijdsverloop en het uitblijven van strafbare feiten in Nederland expliciet bij de beoordeling betrokken, maar heeft hieraan geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Belangrijker is of eiser inzicht heeft getoond in zijn handelen, daarvoor verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont. De rechtbank stelt vast dat eiser dit op geen enkele wijze heeft gedaan….
Tegenover het zwaarwegende belang van de kinderen om met hun vader in Nederland op te groeien, staat een eveneens zwaarwegend algemeen belang. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat aan dit algemeen belang een uitzonderlijk gewicht toekomt. … De combinatie van de uitzonderlijke ernst van de misdrijven en de actuele dreiging die van eiser uitgaat, maakt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de inmenging in het gezinsleven van eiser noodzakelijk is in een democratische samenleving. Verweerder heeft dan ook de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Rb Haarlem NL24.32131 en NL24.32133, 14.11.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24949
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser actief HDP-lid was en is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten voor de HDP in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De rechtbank acht daarvoor van belang wat er in het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 is vermeld met betrekking tot leden van de HDP (thans: DEM). In de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland wordt ook naar dit ambtsbericht verwezen…..
Uit het ambtsbericht volgt niet dat alleen hooggeplaatste DEM-leden te maken kunnen krijgen met vervolging. Uit de enkele overweging dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen de HDP een vooraanstaande rol had, heeft verweerder dus niet de conclusie mogen trekken dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Uit de door eiser afgelegde (en geloofwaardig geachte) verklaringen kan worden afgeleid dat eiser voor de HDP politieke activiteiten heeft verricht die in het ambtsbericht als risicovolle activiteiten worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder heeft aangenomen dat eisers vader een prominente rol had binnen de HDP en dat verweerder eerder aan een broer van eiser wel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.
Reeds hierom slaagt het beroep.
Rb Middelburg NL25.7784, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25489
Eiser komt uit Ruraal Damascus in Syrië en heeft in 2023 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank moet bepalen wat het niveau van willekeurig geweld is om te beoordelen of aan eiser door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ subsidiaire bescherming moet worden verleend….
De Afdeling heeft in procedures waarin het niveau van willekeurig geweld in Jemen onderwerp van geschil was geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict als relevante omstandigheid bij deze globale beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank is het eens met dit door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader.
In de onderhavige procedure stelt verweerder zich op het standpunt dat het actor-vereiste zodanig strikt moet worden uitgelegd dat alleen humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld dat is uitgeoefend door strijdende partijen die deelnemen aan het thans aan de gang zijnde conflict hoeven te worden betrokken bij 15c. Volgens verweerder is Assad door de val van zijn regime geen actor meer in het gewapende conflict en kunnen de humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt vóór de val van Assad daarom buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank vraagt zich af of deze strikte toepassing van het actor-vereiste verenigbaar is met de subsidiaire beschermingsregeling.
De strikte toepassing van het actor-vereiste, zoals door verweerder bepleit, brengt een onevenredige bewijslast voor eiser mee. Voor verweerder, die gelet op de samenwerkingsplicht gehouden is om zo nodig actief met eiser samen te werken, zal een strikte toepassing van het actor-vereiste tot vergelijkbare problemen leiden. De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is.
De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof om een einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen en doet het Hof een voorstel voor beantwoording van deze vraag. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.
Rb Roermond NL24.31749, 29.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25445
Wat betreft de activiteiten van eiser in Nederland heeft de minister onder andere geloofwaardig geacht dat eiser bij de protesten van IPOB een vlag draagt en mensen aanspreekt, heeft gedemonstreerd bij de Nigeriaanse ambassade en vaag herkenbaar op een foto staat op de Facebookpagina van [internetsite 1]. De minister volgt echter niet dat eiser hierdoor (al) in de negatieve belangstelling staat van de Nigeriaanse autoriteiten. ….
Uit de informatie van IRB van 2 juni 2022 blijkt dat het voor de Nigeriaanse regering heel makkelijk is geweest om de activiteiten van IPOB-leden te monitoren en de bron van hun financiering te achterhalen. Daar staat tegenover dat de Nigeriaanse regering niet over voldoende middelen beschikt om IPOB-leden die niet langer in Nigeria wonen, op te sporen en te monitoren. De informatie van IRB laat dus geen eenduidig beeld zien. Dat betekent echter niet dat de minister zonder meer uit mag geen van de verklaring van de journalist dat er weinig / geen monitoring in het buitenland plaatsvindt. De rechtbank acht het daarom niet onaannemelijk dat er ook in Nederland enige monitoring van IPOB plaatsvindt. Dat maakt de kans groter dat eiser al in de negatieve belangstelling staat. Bovendien heeft eiser terecht gesteld dat, als hij in Nigeria zijn activiteiten zou vervolgen, uit de landeninformatie blijkt dat hij dan (alsnog) in de negatieve belangstelling zou kunnen komen te staan.
De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn standpunt dat de activiteiten te marginaal zijn om aan te nemen dat eiser risico loopt bij terugkeer. … Bovendien heeft eiser verwezen naar landeninformatie, waaruit blijkt dat ook personen die er enkel van worden verdacht lid te zijn van IPOB problemen ondervinden. … De minister heeft hierover in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft aannemelijk gemaakt dat híj in de negatieve aandacht zal komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is deze beoordeling niet in overeenstemming met het arrest S en A. Daaruit volgt immers dat de minister de algemene context in het land van herkomst dient te betrekken. Dat uit de landeninformatie blijkt dat er geweld plaatsvindt tegen (vermeende) IPOB-leden en dat het dragen van een Biafra-vlag kan leiden tot arrestatie en mishandeling, is dus wel degelijk relevant voor iemand met het profiel van eiser. …. Ook heeft de minister op de zitting desgevraagd bevestigd dat ook als uit de bronnen volgt dat willekeurige niet-prominente IPOB-leden vervolgd worden, eiser dan alsnog aannemelijk moet maken dat hij daaronder valt. De rechtbank kan dat niet volgen, gelet op het beoordelingskader uit het arrest S en A. De minister acht de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig, en dat betekent dat de minister ook een onderzoeksplicht heeft en gemotiveerd moet ingaan op de landeninformatie. De minister heeft hier onvoldoende (kenbaar) aan voldaan.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Rb Utrecht NL25.24411, 16.9.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24738