bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister terecht uitgegaan van onderduiken, omdat eiser wist dat er een aansluitende vlucht was van München naar Kroatië en hij er voor heeft gekozen om het vliegveld te verlaten in plaats van de aansluitende vlucht te zoeken. Dat de fout van de Duitse autoriteiten door hem ter plaatse niet op te wachten niet aan eiser kan worden verweten kan de rechtbank wel volgen. Dit neemt echter niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank van eiser had mogen worden verwacht dat hij zichzelf op het vliegveld bij iemand meldde nadat was gebleken dat hij niet werd opgewacht om te vragen waar zijn aansluitende vlucht zou zijn. … De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat eiser zich wel degelijk aan het toezicht onttrekt sinds hij het vliegveld van München heeft verlaten. …
Concluderend overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de bedoeling had om de overdracht aan Kroatië te voorkomen. De minister mocht de uiterlijke overdrachtstermijn van eiser aan Kroatië verlengen.
Rb Roermond NL26.11825, 22.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13245
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uiterste overdrachtsdatum niet is opgeschort tijdens het verzet.
Er is een definitieve situatie ontstaan na de uitspraak in beroep. Het standpunt van de minister dat er pas sprake zou zijn van een definitieve beslissing in beroep na beëindiging van de verzetprocedure is onjuist. Er is immers ook niet pas sprake van een definitieve beslissing in beroep na de beëindiging van de hoger beroepsprocedure. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat ook het Informatiebericht van de minister zelf alleen spreekt over beroep en daarbij niet een definitieve beslissing in beroep na een verzetprocedure aanhaalt.
Rb Groningen NL26.30588, 3.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14759
Eiseres en haar echtgenoot zijn in het verleden vanuit Zwitserland samen naar Nederland gekomen en hebben zich samen gemeld. Eiseres en haar echtgenoot zijn daarna met onbekende bestemming vertrokken waardoor de uiterste overdrachtsdatum door de minister is verlengd. Eiseres is vervolgens in het vizier gekomen van de minister en uitgezet naar Zwitserland. De echtgenoot van eiseres heeft zich in de tussentijd niet gemeld.
Eiseres heeft in Zwitserland een asielprocedure doorlopen, waarin haar asielverzoek uiteindelijk is afgewezen, voordat zij weer naar Nederland kwam. Vervolgens hebben eiseres en haar echtgenoot zich samen gemeld voor het indienen van een asielaanvraag in Nederland. De uiterste overdrachtstermijn van de echtgenoot van eiseres aan Zwitserland was inmiddels verlopen, zodat hij moest worden opgenomen in de nationale procedure. Voor eiseres is Zwitserland verantwoordelijk.
De vraag of de minister eiseres desondanks (onverplicht) zou moeten toelaten in de nationale asielprocedure tezamen met haar echtgenoot, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Dat eiseres weer moet terugkeren naar Zwitserland zonder haar echtgenoot, is het gevolg van de door eiseres en haar echtgenoot in het verleden zelf gemaakte keuzes.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Rb zwolle NL26.20308, 22.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13183
Gebaseerd op de brief van 5 februari 2026 van Fedasil stelt de minister zich op het standpunt dat de opvang voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat (nood)opvang voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk beschikbaar is. … Het is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. … Daarom is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Het had op de weg van de minister gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.
De minister heeft zich op de zitting ook op het standpunt gesteld dat, indien eiser toch geen opvang krijgt, hij daarover kan klagen in België. … De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. …. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.
Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Beroep gegrond.
Rb Utrecht NL26.22624, 2.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14893
Verweerder heeft eiser voorafgaand aan het overdrachtsbesluit niet in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije naar voren te brengen. In het vertrekgesprek is aan eiser meegedeeld dat Bulgarije mogelijk de verantwoordelijkheid draagt voor zijn procedure en dat Nederland niet aan terugkeer zal werken naar Irak, maar naar Bulgarije. Eiser heeft verklaard liever te willen vertrekken naar zijn land van herkomst dan naar Bulgarije. Verweerder heeft verzuimd hier verder navraag naar te doen. De beroepsgrond slaagt.
Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond.
Rb Middelburg NL26.24883, 21.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13481
Italië neemt binnenkort weer asielzoekers terug die in Nederland asiel hebben aangevraagd, nadat zij eerder via Italië Europa waren binnengekomen. Dat gebeurt vanaf 12 juni, de dag dat het nieuwe Europese migratiepact in werking treedt. Mensen die vóór 12 juni via Italië naar Nederland komen, worden niet teruggestuurd.
De rechtbank oordeelt dat de minister, voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel ikv Dublin-overdracht, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht verzet.
Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, verklaard dat hij bang is om teruggestuurd te worden naar Kroatië. Hij zegt dat de omstandigheden daar slecht zijn en dat hij daar in de bossen veel heeft meegemaakt. Volgens eiser is hij, nadat hij eerder werd teruggestuurd naar Kroatië, daar opgewacht door de Kroatische politie. Eiser kreeg een adres van een opvangkamp, waar hij heeft verbleven in een container. Volgens eiser was het daar verschrikkelijk en werd hij uitgescholden als hij naar de supermarkt ging.
Hoewel er in het geval van eiser wellicht onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Kroatië een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan. De rechtbank oordeelt dat daarom niet deugdelijk is gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt voor overdracht is. Omdat dit een voorwaarde is om eiser op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring te stellen, ziet de rechtbank geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Het beroep is gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 mei 2026.
Rb Groningen NL26.24877, 21.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12975
De bewaring van een vreemdeling moet, volgens VW200, achterwege blijven zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser beschikt over een geldig paspoort en niet is betwist dat voor hem een vlucht staat gepland op 8 april 2026, eiser zijn vertrekwens voldoende heeft geconcretiseerd.
Het betoog van verweerder dat de vertrekwens van eiser, gelet op het risico op onttrekking, als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser nimmer heeft getracht de locatie van zijn paspoort te verbergen en evenmin heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek dat eiser kort na zijn inbewaringstelling contact heeft gelegd met de IOM.
Onder deze omstandigheden had verweerder, vanaf het moment dat eiser in de gelegenheid was om zelfstandig te vertrekken, aanleiding moeten zien om de maatregel van bewaring op te heffen.
Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.16589, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11517
Appellant wijst erop dat niet duidelijk is op basis van welke aanwijzingen de minister aanneemt dat er een link is met Algerije. De minister heeft toegelicht dat appellant stelt dat hij uit een wijk komt die niet in de door hem genoemde regio in Marokko ligt. Bovendien vermoedt de regievoerder, die volgens de minister het Marokkaans Arabisch als moedertaal heeft, dat appellant op basis van zijn accent uit Algerije afkomstig kan zijn. Appellant wijst er terecht op dat niet is gebleken dat de regievoerder deskundig is en dat er geen taalanalyse is afgenomen.
Hoger beroep Tegen Rb Utrecht NL25.32548, 1.8.25, gegrond.
RvS BRS.25.001180, 8.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2633
Eiseres is geboren in 1956 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Ze heeft twee zoons, geboren in 1982 en 1988. Eiseres is in 1994 met haar zoons naar Nederland gereisd. De zoons hebben in 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ze heeft in 2023 een 8EVRM-aanvraag ingediend, die is afgewezen….
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State kan een eerder afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez worden vastgesteld op het moment dat daar rechtsgevolgen aan verbonden kunnen zijn. Dat is hier evident het geval, aangezien de belangenafweging onder artikel 8 van het EVRM daardoor anders zou kunnen uitvallen.
Het feit dat het arrest Chavez-Vilchez dateert van na het bereiken van de volwassen leeftijd van de zoons van eiseres, doet hier volgens de rechtbank niet aan af. Het arrest Chavez-Vilchez heeft vastgesteld welke rechten uit artikel 20 van het VWEU voortvloeien. Dat artikel was reeds van toepassing op het moment dat de zoons van eiseres Nederlandse staatsburgers werden.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoons in de periode tussen 1999 en 2006 het grondgebied van de Europese Unie hadden moeten verlaten als eiseres in die periode Nederland had moeten verlaten. Uit de door haar verstrekte stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de wettelijke, financiële en affectieve last, evenals de dagelijkse zorg, in overwegende mate bij eiseres lag. … Dat betekent volgens de rechtbank dat eiseres in de periode tussen 1999 en 2006 rechtmatig verblijf in Nederland had. Dit rechtmatig verblijf is door verweerder niet meegewogen in de besluitvorming. ….
Niet is betwist dat eiseres samenwoont met haar oudste zoon en dat haar jongste zoon zeer dichtbij woont. In ieder geval met haar oudste zoon bestaat dus een continue samenwoning vanaf het moment dat zij samen naar Nederland zijn gekomen. Vervolgens acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiseres financieel afhankelijk is van haar zoons.
Eiseres heeft een aanzienlijk aantal stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar zoons met permanente mentale problemen kampen en dat die een belangrijke rol spelen in hoe zij hun levens tot aan de dag van vandaag vormgeven. Hoewel er geen sprake is van mentale problemen die leiden tot permanente ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, is met name voor de gediagnosticeerde autistische spectrumstoornis een stabiele leefomgeving met duidelijke steunfiguren van groot belang. De rechtbank vindt dit een dermate bekend aspect van deze stoornis dat zij dit in deze procedure als een feit van algemene bekendheid beschouwt. Uit de stukken blijkt dat eiseres deze rol altijd heeft vervuld voor haar beide zoons en dat zij dat nog altijd doet. Hoewel de beide zoons zelfstandig zijn en tenminste ook deels hun eigen leven leiden, bestaan er in de huidige situatie naar het oordeel van de rechtbank vanuit de overgelegde diagnoses en de informatie over de band van beide volwassen zoons met hun moeder, in combinatie met de samenwoning en de financiële afhankelijkheid, voldoende bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen. Met andere woorden, uit de uitvoerige informatie die eiseres heeft verstrekt bij haar aanvraag en in beroep blijkt volgens de rechtbank van een band tussen eiseres en haar zoons die de gebruikelijke emotionele band tussen ouders en hun volwassen kinderen overstijgt. Het besluit is op dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Amsterdam NL25.6911c en NL24.8221, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11892