bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De rechtbank stelt vast dat voor alle documenten geldt dat Bureau Documenten de conclusies dat de legalisaties (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) frauduleus zijn verkregen baseert op de eigen oordeel omdat deze qua verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De Burundese ambassade heeft aangegeven minutieus onderzoek te hebben gedaan naar de documenten in samenwerking met de autoriteiten die bevoegd zijn tot opmaak en afgifte van de documenten en verklaart dat de documenten authentiek zijn. Niet valt in te zien dat de Burundese autoriteiten over minder vergelijkingsmateriaal zouden beschikken dan Bureau Documenten.
In de reactie gaat Bureau Documenten hier niet op in. Bureau Documenten stelt slechts dat de ambassade niet de juiste technieken heeft gebruikt omdat de ambassade niet beschikte over de originele documenten.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit deze reactie niet duidelijk wordt op welke technieken Bureau Documenten doelt. Daarnaast valt niet in te zien waarom andere technieken, waaronder verificatie bij de tot afgifte bevoegde instanties, niet zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de documenten wel authentiek zijn. Daar komt bij dat zoals eiseres er terecht op heeft gewezen dat haar de mogelijkheid is ontnomen om de originele stukken naar de Burundese ambassade te sturen voor nader onderzoek. De documenten liggen namelijk nog steeds bij Bureau Documenten en eiseres kan deze zelf niet opvragen, omdat Bureau Documenten deze enkel aan de minister of aan deskundigen verstuurt. …. Nu er voldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de door Bureau Documenten getrokken conclusies en deze niet inzichtelijk en concludent zijn, had de minister deze verklaringen van Bureau Documenten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Deze beroepsgrond slaagt.
Rb Zwolle NL25.44856, 3.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21711
De rechtbank stelt vast dat de minister aanneemt dat eisers de Somalische nationaliteit hebben, dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers geen Zuid-Somalisch dialect spreken en dat de taalanalyse op dat punt ook niet door eisers wordt bestreden. Wel is tussen partijen in geschil of de minister er (met de taalanalist) terecht van uitgaat dat van eisers mag worden verwacht dat zij een Zuid-Somalisch dialect spreken en, nu dat niet het geval is, de herkomst van eisers daardoor niet aannemelijk is.
De taalanalist van het TOELT heeft geconcludeerd dat het Somalisch van eisers in geen enkel opzicht overeen komt met een Somalisch dialect zoals gangbaar is in de regio Shabeellaha Hoose en Benaadir (Zuid-Somalië), maar geheel overeenkomst met het Somalisch zoals dat gangbaar is in de omgeving van Laascaanood (Noord-Somalië). Het Somalisch strookt volgens de taalanalyse dus niet met wat gangbaar is in het door eisers gestelde herkomstgebied.
Eisers hebben tegen de resultaten van het onderzoek geen contra-expertise ingebracht. Eiseres heeft toegelicht dat zij in Zuid-Somalië is geboren, maar ook lange tijd in Noord-Somalië heeft gewoond, waar haar ouders oorspronkelijk vandaan kwamen. Daarom spreekt eiseres, net als haar ouders, Noord-Somalisch. Eiser heeft verklaard dat hij in Noord-Somalië is geboren. Om die reden spreekt ook eiser Noord-Somalisch. Eisers hebben op ongeveer vijf jaar na samen altijd in Zuid-Somalië gewoond en de kleinkinderen hebben hun hele leven in Zuid-Somalië gewoond, maar zij spreken in de omgeving nog hun oorspronkelijke taal, Noord-Somalisch. Zo hebben de kinderen dit ook geleerd. Eisers hebben ook twee kaarten overgelegd van ‘Translators without borders’ waaruit volgt dat in het gebied in Zuid-Somalië waar zij vandaan stellen te komen ook door 22% van de bevolking Noord-Somalisch wordt gesproken. Ook hebben eisers verwezen naar bronnen over de (recente) taalontwikkeling in Somalië…. In de taalanalyse is niet op de kaartjes en de genoemde bronnen ingegaan omdat de minister deze informatie niet heeft voorgelegd aan het TOELT. …
De rechtbank is van oordeel dat de door eisers ingebrachte informatie over de taalontwikkeling in Somalië concrete aanknopingspunten voor twijfel biedt ten aanzien van het rapport van het TOELT. …
De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Zus: Rb Groningen NL26.14239 en NL26.14240, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21732
broer: Rb Groningen NL26.14241, 4.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21733
Het overgangsrecht van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Dit overgangsrecht is niet van toepassing omdat het in deze zaak gaat om de verlenging van de overdrachtstermijn en niet over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Die vaststelling heeft immers al plaatsgevonden.
Het verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn dateert van 26 juni 2026, en daarmee ná de inwerkingtreding van de AMBV. Gelet op de onmiddellijke werking van de AMBV is die verordening dus van toepassing.
Rb Utrecht NL26.36897, 3.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22329
De rechtbank is van oordeel dat er al geruime tijd zorgen zijn over de situatie in de asielopvang, de omstandigheden in detentiecentra en de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije. … De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat ten aanzien van de toegankelijkheid van rechtsbijstand in Bulgarije sprake is van een wezenlijke verslechtering.
De rechtbank stelt vast dat de rechtsbijstand aan asielzoekers die tot voor kort werd verleend, vanaf 1 januari 2026 c.q. 30 juni 2026 is beëindigd. ... De rechtbank volgt eiser dan ook in de stelling dat hij na zijn overdracht aan Bulgarije een opvolgende asielaanvraag moet indienen en dat hij dan problemen zal ondervinden vanwege het ontbreken van (gratis) rechtsbijstand. Deze verslechtering is niet door de Afdeling in de uitspraak van 17 november 2025 betrokken. … Het standpunt van verweerder dat eiser over die omstandigheden kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, volgt de rechtbank niet. Het ontbreken van hulporganisaties die rechtsbijstand verlenen, kan immers ook van invloed zijn op de mogelijkheid voor eiser om over deze omstandigheden te klagen.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL26.20326 en NL26.20327, 10.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21688
Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker een Griekse asielstatus heeft. Verzoeker heeft inmiddels de opvanglocatie verlaten en de advocaat heeft geen contact meer. Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. …
Op grond van vaste rechtspraak zou de rechtbank verzoeker vanwege de mob-melding niet-ontvankelijk moeten verklaren. Indien de rechtbank echter het beroep inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Dat kan namelijk ook als verweerder niet onverwijld in staat is om een verblijfsvergunning aan verzoeker te geven omdat hij “mob is”.
De rechtbank vraagt het Hof daarom of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep in afwachting van het arrest van het Hof.
Rb Roermond NL25.25896, 14.8.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22813
Eiseres is geboren en getogen in Nederland. Zij heeft als minderjarige gedeeld in de naturalisatie van haar ouders en zodoende de Nederlandse nationaliteit gekregen. Eiseres verblijft sinds 2009 in Marokko. Zij heeft haar Nederlandse nationaliteit verloren. Haar aanvraag is gericht op wedertoelating als oud-Nederlander. …
De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde voor wedertoelating is dat de vreemdeling een in (Europees) Nederland geboren en getogen oud-Nederlander betreft. De rechtbank overweegt dat de extra eis ‘Als Nederlander geboren’ enkel volgt uit de aanhef van paragraaf B9/2.1 van de Vc “2.1. Als Nederlander in Nederland geboren en getogen oud-Nederlanders”. Voor zover dit al moet worden opgevat als beleid, wordt hiermee het wettelijk kader uit het Vb dus onjuist geïnterpreteerd en overschreden. Aan verweerder is niet de bevoegdheid toegekend om af te wijken van een wettelijk vereiste. De rechtbank overweegt dat beleid buiten toepassing moet worden gelaten voor zover dit in strijd is met een hogere regeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanhef van paragraaf B9/2.1 onverbindend is, omdat deze aanhef in strijd is met artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb.
De beroepsgrond slaagt.
Rb Amsterdam NL25.29691, 21.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20549
idem Rb Amsterdam NL25.29692, 21.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20553
Verzoeker is vijf jaar oud en heeft een ernstige vorm van een autismespectrumstoornis. Uit het advies van het BMA blijkt onder meer dat bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie wordt verwacht, omdat verzoeker dan vanwege zijn stoornis een gevaar kan vormen voor zichzelf of voor de mensen in zijn omgeving. Verzoeker wordt momenteel driemaal per week, zes uur per dag, intensief behandeld in Venray. Gezien de voorgenomen plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel mag worden aangenomen dat deze behandeling niet kan worden voortgezet. Verzoeker wijst er overigens op dat de reisafstand van Ter Apel naar Venray (enkele reis) 4.5 uur bedraagt. Ook gelet op de intensieve behandeling die eiser ondergaat, acht de voorzieningenrechter het niet zonder meer aannemelijk dat verzoeker op korte termijn een vergelijkbare alternatieve behandeling kan krijgen in of vanuit Ter Apel. Een vrijheidsbeperkende locatie is bovendien geen wenselijke plek voor een minderjarige, en dat geldt nog sterker voor verzoeker, gezien zijn medische beperkingen. De minister heeft hier in het verweerschrift geen concrete belangen tegenover gesteld die een afwijzing van het verzoek rechtvaardigen. ….
De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat verzoeker (en zijn moeder) gedurende de bezwaarfase in de opvanglocatie van het COa in Grave mag blijven.
Rb Arnhem NL26.34733, 17.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20272
Volgens DT&V verbleven vorig jaar in totaal 570 vreemdelingen in de VBL in Ter Apel. Gezien de beschikbare capaciteit van 450 plaatsen en het feit dat men er in principe slechts maximaal 12 weken mag verblijven, is dat een vrij gering aantal te noemen.
De DT&V meldt verder dat In het afgelopen jaar in totaal 490 vreemdelingen zijn uitgestroomd uit de VBL. Hiervan zijn er ongeveer:
Dit betekent dat ongeveer de helft van de uitstroom uit de VBL bestaat uit terugkeer en doormigratie, een kwart met onbekende bestemming is vertrokken en bijna een kwart is doorgeplaatst naar een andere opvang van het COA of in vreemdelingenbewaring is gesteld.
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1570/uitstroom-uit-de-vbl-ter-apel-in-2025, 27.7.26
Dienst Terugkeer en Vertrek meldt dat in het eerste halfjaar 2026 totaal 340 mensen naar hun land van herkomst zijn uitgezet. De top 10 ziet er als volgt uit:
|
Nationaliteit |
Aantal |
|
Marokkaanse |
60 |
|
Algerijnse |
60 |
|
Surinaamse |
30 |
|
Turkse |
30 |
|
Nigeriaanse |
20 |
|
Albanese |
20 |
|
Colombiaanse |
20 |
|
Britse |
10 |
|
Georgische |
10 |
|
Tunesische |
10 |
Bron: antwoord van DT&V d.d. 21 juli 2026 op Woo-verzoek van INLIA
https://www.inlia.nl/nl/nieuws/1569/aantal-uitzettingen-in-het-eerste-halfjaar-van-2026, 22.7.26
Eiseres verblijft sinds haar asielaanvraag op 29 oktober 2008 in Nederland. Zij heeft verschillende aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning en voor uitstel van vertrek op medische gronden. Deze aanvragen zijn steeds afgewezen waardoor eiseres geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Niet betwist is echter dat eiseres zich al die tijd niet aan het toezicht heeft onttrokken en dat zij zich in elk geval de laatste periode elke twee weken bij de autoriteiten heeft gemeld. De minister wijst er weliswaar niet ten onrechte op dat in het verleden verschillende maatregelen zijn genomen om eiseres te bewegen Nederland te verlaten maar de rechtbank stelt ook vast dat die maatregelen sinds 2009 geen resultaat hebben gehad.
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat eiseres inmiddels 77 jaar is, voor diverse fysieke aandoeningen medisch-specialistische behandeling heeft, dat zij sinds 2015 feitelijk verzorgd wordt door stichting INLIA en aldaar vast onderdak heeft en zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken. Verder is van belang dat eiseres opnieuw uitstel op medische gronden heeft gevraagd en dat nog niet is beslist op het bezwaar dat is ingediend tegen de afwijzing daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, detentie onevenredig bezwarend is. Beroep gegrond.
Rb Groningen NL26.39339, 24.7.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20726