bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Eiser is afkomstig uit Mogadishu, dat onder controle staat van de Somalische overheid. Verweerder neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c. In de EUAA Guidelines van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld, zodat een lager niveau van individuele elementen nodig is om aan te tonen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een teruggekeerde burger een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer in de zin van artikel 15c. Verwezen wordt naar het aantal veiligheidsincidenten in de periode van 1 april 2023 tot 31 juli 2025. ….De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde EUAA Guidelines die van na het ambtsbericht 2025 dateren, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan in Mogadishu.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser op jonge leeftijd (16 jaar) Somalië heeft verlaten en in Europa verblijft, hij geen netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheidsclan waarvan de leden volgens algemene bronnen worden gediscrimineerd.
Eiser is ongeveer twintig jaar niet meer in Somalië geweest en is verwesterd. Uit het algemeen ambtsbericht 2023 en 2025 volgt dat terugkeerders uit westerse landen, in het bijzonder indien zij vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hebben verbleven, doorgaans eenvoudig herkenbaar zullen zijn. Zij worden bijvoorbeeld herkend vanwege een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen, gesticuleren of hun houding. Zij hebben vaak moeite om zich de dagelijkse gewoontes eigen te maken, zijn kwetsbaar voor afpersingen en overvallen, en kunnen met discriminatie en uitsluiting te maken krijgen. Ook meldt het ambtsbericht 2025 dat de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid is dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen, en vaak konden deze personen geen werk vinden.
Het standpunt van verweerder dat eiser niet verplicht is om zich in bepaalde districten op te houden en naar veiligere districten kan gaan, omdat hij niet gebonden is aan een sociaal netwerk, acht de rechtbank in het licht van deze informatie dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarmee miskent verweerder dat uit de door eiser aangehaalde bronnen juist blijkt dat het van belang is om een sociaal netwerk te hebben bij terugkeer om ernstige schade te voorkomen.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
Rb Haarlem NL25.43419 en NL25.43420, 30.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8167
zie ook Rb Roermond NL24.25742, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7555
De rechtbank is van oordeel dat de minister moet onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië geen risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst er terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht van juli 2025 volgt dat iemand die in 2024 vrijwillig terugkeerde naar Libië drie dagen na zijn terugkeer zou zijn opgepakt en begin mei 2025 nog steeds in detentie zat. Verder volgt uit het ambtsbericht dat twee Libische vrouwen die gedwongen terugkeerden vervolgens in een detentiecentrum in Radaa zijn geplaatst. Tot slot volgt uit het ambtsbericht dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie….
De rechtbank is van oordeel dat het op weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer dan wel nader te motiveren waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Rb Groningen NL25.50899, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7309
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 15c heeft volstaan met de vaststelling van het aantal dodelijke slachtoffers afgezet tegen de omvang van de bevolking. Verweerder heeft namelijk ook betrokken dat de geweldsincidenten in Amhara gevolgen hebben voor de humanitaire situatie aldaar, waaronder de gevolgen voor het gezondheidssysteem. Die zijn echter niet zodanig dat daarin een grond bestaat voor een ander oordeel over de algemene veiligheidssituatie in Amhara.
Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat humanitaire hulp (ondanks de nodige uitdagingen) mogelijk is dankzij de inzet van de Ethiopische overheid. Verder heeft verweerder het aantal ontheemden betrokken en hun leefsituatie, en geconcludeerd dat er wat dat betreft geen substantiële wijzigingen heeft plaatsgevonden ten opzichte van het AA 2024. Ook heeft verweerder betrokken dat de noodtoestand in 2024 is opgeheven en dat de regionale overheid maatregelen heeft genomen om de veiligheid te borgen. Verweerder heeft zijn oordeel over de 15c-situatie in Amhara op al deze elementen gebaseerd.
Beroep ongegrond.
Rb Rotterdam NL25.32698, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7219
Naar aanleiding van het nieuwe ambtsbericht is vastgesteld dat het verlaten van Eritrea tijdens de dienstplichtige leeftijd door de Eritrese autoriteiten als landverraad wordt beschouwd en dat hier straffen op staan. Dit betekent dat er in dergelijke gevallen sprake is van vervolging op grond van (toegedichte) politieke overtuiging. Gelet hierop heeft de Minister besloten om voor Eritreeërs die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor vervolging omdat zij het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd, aan te nemen dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging.
Bovendien is in voornoemd ambtsbericht vastgesteld dat er geen harde scheidslijn gemaakt kan worden tussen het militaire onderdeel en het civiele onderdeel van de nationale dienstplicht. Dit is vooral van belang voor de asielbeoordeling van Eritreeërs die niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de nationale dienstplicht hebben ontdoken of zijn gedeserteerd, maar bij terugkeer wel het risico lopen om de nationale dienstplicht te moeten vervullen. Dit zal vooral aan de orde kunnen komen bij personen met de Eritrese nationaliteit die nog nooit in Eritrea zijn geweest. Gelet hierop heeft de Minister geconcludeerd dat iedereen die de nationale dienstplicht moet vervullen risico loopt op ernstige schade ex art. 29 lid 1 onder b Vw.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-11202.html, 3.4.26
Zie ook kamerbrief https://open.overheid.nl/documenten/99fca114-0a7f-476d-b885-3ecb02baa67c/file, 1.4.26
Eiseres is samen met haar (inmiddels ex-) echtgenoot en de kinderen naar Nederland gekomen. In Nederland is zij van hem gescheiden. Haar voormalige echtgenoot bedreigt haar, stalkt haar en wil de kinderen meenemen naar Libië. …
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt op ernstige schade wegens eerwraak, huiselijk geweld en femicide. De tegenwerping dat de dreigementen uitsluitend online hebben plaatsgevonden en niet fysiek zijn uitgevoerd, kan geen stand houden omdat ook een bedreiging met ernstige schade een aanwijzing is dat de vrees van eiseres reëel is. De minister heeft niet kenbaar betrokken hetgeen door eiseres aan stukken is overgelegd, ter onderbouwing van huiselijk geweld wat in Libië en Nederland reeds heeft plaatsgevonden. De minister heeft voorts niet voldoende gemotiveerd welke goede redenen er zijn om aan te nemen dat ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
Voor zover de minister in het voornemen heeft gesteld dat eiseres zich voor bescherming tot de Algerijnse autoriteiten kan wenden, geldt immers dat de minister in de bestreden beschikking niet heeft betwist dat eerwraak, huiselijk geweld en femicide een probleem zijn in Algerije, en voor het overige niet is ingegaan op de bronnen die eiseres heeft aangedragen ter onderbouwing van haar betoog dat zij geen bescherming zal kunnen krijgen. Deze beroepsgrond slaagt….
Rb Zwolle NL25.25015, 31.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8065
The applicant applied for asylum in Sweden in 2015 relying on several grounds, including risks arising from his conversion to Christianity, his Hazara ethnicity, and his alleged “westernisation. …
The Court found that the domestic authorities’ assessment of the general situation in Afghanistan was insufficiently reasoned and therefore carried out its own ex nunc examination. It observed that, although the security and human rights situation remained serious and fragile, with widespread abuses and strict social control under the Taliban regime, the level of indiscriminate violence did not reach the threshold necessary to breach Article 3 of the Convention.
In assessing the applicant’s individual circumstances, the Court found that the domestic authorities had not carried out a cumulative assessment of all relevant risk factors. It observed that the applicant’s Hazara ethnicity, combined with his area of origin and intended return (Mazar-e Sharif, Balkh province), exposed him to heightened risks. As regards his alleged conversion, the Court recognised the risk extended to individuals perceived as apostates or as having abandoned Islam. Domestic authorities had also underestimated the risks associated with the applicant’s “westernisation’’. …
Thus, having regard to the cumulative effect of the applicant’s personal circumstances assessed in the light of the general human rights situation in Afghanistan, the Court concluded that there are substantial grounds for believing that the applicant would face a real risk of ill-treatment contrary to Article 3 ECHR upon return to Afghanistan.
EHRM D.M. v. Sweden (32694/23), 26.3.26
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-249223
De minister heeft de aanvraag op basis van het iMMO-rapport van de vreemdeling ingewilligd. Maar de minister weigert vergoeding omdat het iMMO-rapport door de vreemdeling zelf is opgesteld en ingebracht voordat de minister een besluit had genomen op de vierde asielaanvraag.
De rechtbank overweegt als volgt. … De kosten van een iMMO-rapport worden in opvolgende asielaanvragen doorgaans niet vergoed, ook als het rapport bijdraagt aan de inwilliging, tenzij er sprake is van uitzonderingen (bijv. als het rapport niet tijdig beschikbaar was of als redelijkerwijs niet van de vreemdeling kon worden verwacht het eerder in te dienen). Deze gedragslijn (IB 2025/4) is niet onredelijk, omdat er geen wettelijke verplichting is voor vergoeding en de minister maatwerk toepast bij uitzonderingen. Het onderscheid tussen eerste en opvolgende aanvragen wordt niet als onredelijk beschouwd. In dit geval heeft de vreemdeling geen aannemelijke feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij het iMMO-rapport redelijkerwijs niet eerder kon indienen.
Beroep ongegrond.
Rb Utrecht, NL25.30419, 2.4.26
MediFirst heeft in het rapport van 2021 aangegeven dat bij eiser beperkingen aanwezig zijn waarmee de hoormedewerkers rekening moeten houden. Uit de rapporten van de gehoren blijkt dat deze adviezen zijn opgevolgd. Het standpunt van eiser dat tijdens de gehoren op geen enkele wijze rekening is gehouden met een mogelijke lichtverstandelijke beperking deelt de rechtbank daarom niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen die eiser tijdens zijn gehoren heeft afgelegd door de minister gebruikt konden worden bij de beoordeling van eisers asielaanvraag. …
Daarbij acht de rechtbank van belang dat de deskundige aangeeft dat het intelligentieonderzoek informatie geeft over wat er op dat moment, onder de op dat moment geldende omstandigheden, van eiser verwacht kan worden. Het onderzoek heeft in 2025 plaatsgevonden, ruim twee jaar na afname van het laatste gehoor. In de toelichting schrijft de deskundige dat het intelligentieniveau bij volwassenen doorgaans stabiel blijft gedurende het leven, maar anderzijds staat in het onderzoeksrapport ook dat stress en drugsgebruik van invloed kunnen zijn op de uitslag. Uit het advies van MediFirst blijkt dat hij marihuana (wiet) gebruikt. De rechtbank concludeert hieruit dat niet vaststaat dat de uitkomst van het onderzoek gelijk zou zijn geweest, zou deze in 2022 zijn afgenomen en dat dus niet vaststaat dat eiser op dat moment niet goed heeft kunnen verklaren.
Het beroep is ongegrond
Rb Zwolle NL23.23048, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8123
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat betrokkene bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3EVRM. Voor het toepassen van de Bahaddar-exceptie geldt echter het criterium dat zich feiten en omstandigheden moeten voordoen die onmiskenbaar zouden leiden tot een schending van artikel 3EVRM bij terugkeer van betrokkene naar Italië. Dit criterium moet worden toegepast omdat de advocaat in beroep geen gronden had ingediend.
De minister voert terecht aan dat betrokkene bij terugkeer naar Italië niet onmiskenbaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3EVRM. De minister mag voor statushouders, zoals betrokkene, nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling onderkent de moeilijke positie van statushouders in Italië, maar dit leidt nog niet tot de conclusie dat de situatie voor statushouders in Italië onmiskenbaar in strijd is met artikel 3EVRM.
Het hoger beroep tegen Rb Middelburg NL24.50799, 12.3.25 is gegrond.
RvS 202501593/1/V1, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1877
NB: op dezelfde datum sprak Rb Arnhem uit dat er wel een 3EVRM-risico dreigt
Rb Arnhem NL25.44247, 3.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8408
Verzoekster heeft, na een afwijzing van haar asielverzoek, in 2023 verzocht om uitstel van vertrek omdat zij lijdt aan sikkelcelziekte met ernstige pijnklachten die specialistische behandeling en medicatie, zoals oxybutynine, vereisen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling daarvoor in Nigeria beschikbaar is, maar dit wordt in bezwaar door verzoekster gemotiveerd betwist. Naar aanleiding hiervan heeft de minister zich nogmaals tot het Bureau Medische Advisering gewend. De minister verzet zich er niet tegen dat verzoekster in afwachting daarvan en van de beslissing op bezwaar, in Nederland mag blijven.
Verzoekster heeft, ondanks dat haar asielaanvraag is afgewezen, opvang van het COa gekregen, ook nadat haar verzoek om uitstel van vertrek was afgewezen en zij eigenlijk geen recht op COa-opvang meer had. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure recht behoudt op die opvang. Daarmee heeft zij een duidelijk en zwaarwegend belang bij toewijzing. De minister heeft geen concrete tegenbelangen gesteld die een afwijzing rechtvaardigen. In dit geval ziet de voorzieningenrechter voldoende reden om te bepalen dat verzoekster voorlopig in COa-opvang moet kunnen blijven, omdat zij minderjarig is, een vrijheidsbeperkende locatie geen wenselijk plek voor minderjarigen is, de beslissing op het bezwaar al lang op zich laat wachten en omdat de minister onlangs heeft besloten om het BMA om nader advies te vragen en zich ook niet verzet tegen een voorlopig verblijf van verzoekster in Nederland.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Rb Arnhem NL24.4143, 12.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5212