De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen Zuid-Somalisch dialect spreekt. Wel is tussen partijen in geschil of verweerder er (met de taalanalist) terecht van uitgaat dat van eiser mag worden verwacht dat hij een Zuid-Somalisch dialect spreekt. In dit kader heeft eiser in beroep een rapport van Translators without Borders (thans Clear Global) overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat er in 2021 in Somalië 11 talen in gebruik zijn, waarvan het Noord-Somalisch de meest gesproken taal is als eerste taal (60% van de bevolking). Uit een “language map of Somalia” blijkt dat in de provincie Hiraan (waar eiser zegt vandaan te komen) 51% van de bevolking Noord-Somalisch spreekt. Verweerder heeft de betrouwbaarheid van dit rapport niet betwist maar stelt zich – onder verwijzing naar een weerwoord van TOELT - op het standpunt dat het rapport gaat over schrijftaal en dus niets zegt over de spreektaal.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Uit de kaart die is bijgevoegd maakt de rechtbank juist op dat het gaat om gesproken taal en niet, zoals verweerder stelt, om geschreven taal. …. Gelet hierop valt niet in te zien waarom verweerder (in navolging van de taalanalist) van eiser verwacht dat hij een Zuid-Somalisch dialect spreekt. Dat de provincie Hiraan in het deel van Somalië ligt dat doorgaans bestuurlijk als ‘Zuid-Somalië’ wordt aangeduid, is hiervoor onvoldoende verklarend.
Gelet hierop, in samenhang bezien met de door eiser goed beantwoorde herkomstvragen, heeft verweerder zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers herkomst en identiteit niet aannemelijk is. De beroepsgrond slaagt.
Rb Rotterdam NL25.46244, 4.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3082
Eiseres heeft in haar eerste aanvraag in 2018 al gesteld dat zij [naam] is, geboren op [geboortedatum] te Kinshasa in Congo Kinshasa. In het in rechte vaststaande eerste besluit is de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig gevonden, omdat eiseres bij de Poolse autoriteiten in Angelo een Schengenvisum had gevraagd op basis van een paspoort van Congo Brazzaville. Eiseres heeft destijds niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens in EU-VIS onjuist zijn. De minister is daarom uitgegaan van de nationaliteit Congo Brazzaville en vastgesteld dat eiseres niet heeft gesteld problemen te hebben ondervonden in Congo Brazzaville….
In de opvolgende aanvraag in 2024 heeft eiseres weer gesteld dat zij burger van Congo Kinshasa is. Zij heeft daarbij nieuwe documenten overgelegd: een verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville uit 2022, kaarten van Google maps, een originele geboorteakte, een vonnis rechtbank en een aanvraagformulier paspoort. …
De rechtbank is met de minister van oordeel dat het aan eiseres is om aan te tonen dat zij deze nationaliteit niet bezit. Uit de stukken blijkt dat eiseres in 2024 met verschillende documenten naar de ambassade van Congo Kinshasa in Brussel is geweest, maar dat zij daar geen paspoortaanvraag heeft mogen indienen, omdat op haar oude W-document de nationaliteit Congo-Brazzaville stond. …. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres wel degelijk een bevredigende verklaring heeft gegeven waarom een paspoort of een verklaring van de ambassade van Congo Kinshasa ontbreekt. De rechtbank is verder van oordeel dat, gezien de gegeven omstandigheden, een tweede poging bij voorbaat zinloos lijkt en dit dan ook niet aan eiseres mag worden tegengeworpen….
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw niet deugdelijk heeft gemotiveerd en deze ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen. …
De rechtbank volgt ook het betoog van eiseres dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk is ingegaan op de in de zienswijze genoemde artikelen over fraude met paspoorten uit Congo Brazzaville en het Poolse visa-schandaal. De rechtbank is het met eiseres eens dat deze artikelen de eerdere verklaringen van eiseres dat sprake is van fraude, dat het paspoort van Congo Brazzaville, waarvan slechts een kopie voorhanden is, vals is, dat zij het nooit in handen heeft gehad en dat een tussenpersoon het paspoort voor haar heeft geregeld, kunnen ondersteunen. …
De rechtbank stelt overigens vast dat de door eiseres overgelegde geboorteakte echt is bevonden. De geboorteakte is afgegeven door de officier van burgerlijke zaken in Congo Kinshasa. … Hoewel de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de geboorteakte geen identificerend document betreft, kan deze wel ondersteunend zijn bij een beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres en dient deze derhalve wel degelijk in de beoordeling te worden betrokken. Datzelfde geldt voor de daarmee samenhangende overgelegde verklaring rechtbank. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet gedaan. …
De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgronden van eiseres slagen.
Rb Groningen NL25.56007, 17.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3107
De doelstelling van spoor 2 is om groepen vreemdelingen wiens aanvraag in principe niet kansrijk is, efficiënt en snel door de procedure te geleiden en af te wijzen. In spoor 2 worden in elk geval aanvragen van de volgende categorieën vreemdelingen tenminste behandeld:
De rechtbank stelt voorop dat de minister voor Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser heeft onvoldoende inspanningen verricht om zijn rechten in Bulgarije te effectueren. Zo heeft hij geen hulp gezocht bij de autoriteiten daar en heeft hij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te klagen bij de autoriteiten. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit wel van eiser mocht worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister daarom terecht dat uit de afstandsverklaring volgt dat eiser onvoldoende noodzaak voelde om van de internationale bescherming in Bulgarije te blijven genieten.
De minister heeft de asielaanvraag overigens terecht afgewezen als ongegrond vanwege het ongeloofwaardige asielmotief.
Rb Groningen NL25.58417, 18.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3136
De vreemdelingen hebben een vluchtelingenstatus in Griekenland. De asielaanvragen in Nederland zijn inhoudelijk afgewezen, omdat uit de taalanalyse blijkt dat zij afkomstig zijn uit Noord-Somalië. De Griekse autoriteiten hebben geen herkomstonderzoek gedaan, waarmee de minister stelt af te kunnen wijken van de beslissingen van de Griekse autoriteiten. De asielmotieven van de vreemdelingen zijn niet inhoudelijk meer beoordeeld. Naar Griekenland worden statushouders niet uitgezet.
De rechtbank stelt de volgende prejudiciële vragen:
1. Moeten, in het geval dat een EU-statushouder niet teruggestuurd kan worden naar de andere lidstaat, bij de beoordeling van het asielverzoek … de relevante bepalingen uit de Procedurerichtlijn en de Kwalificatierichtlijn in het licht van het QY-arrest, aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de lidstaat in de beslissing tot afwijzing van het asielverzoek volstaat met de enkele verwijzing naar de uitkomst van een herkomstonderzoek, als de erkennende lidstaat dat onderzoek niet heeft gedaan?
2. Verzet het beginsel van non-refoulement zich tegen een terugkeerbesluit naar het land van herkomst van de verzoeker indien de verzoeker in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus is toegekend, maar de lidstaat waar hij thans verblijft het asielverzoek heeft afgewezen, terwijl de erkennende lidstaat de status nog niet heeft ingetrokken?
3. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, moet dan reeds bij de vaststelling van het terugkeerbesluit worden onderzocht of het beginsel van non-refoulement van toepassing is, met als gevolg dat er geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd?
Of moet noodzakelijkerwijs een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd en moet de verwijdering vervolgens worden uitgesteld tot het moment dat de erkennende lidstaat de statusheeft ingetrokken? En moet het uitstellen van de verwijdering schriftelijk worden bevestigd?
4. Verzetten het EU-Handvest en de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de de arresten AA en Ararat zich ertegen dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het non-refoulementbeginsel?
Rb Haarlem (MK) NL25.29729, 19.2.26
ECLI:NL:RBDHA:2026:3626
Eiser voert aan dat er nog een hoger beroep loopt in zijn procedure op grond van artikel 64 Vw. Dit hoger beroep is door de Afdeling aangehouden in afwachting van de uitkomst in andere zaken. Ook betoogt eiser dat de stichting INLIA garant staat voor een vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. Dat eiser niet staat ingeschreven in de BRP is inherent aan zijn verblijfsrechtelijke situatie. Hij is volledig beschikbaar voor alle diensten van de overheid. Gelet op zijn medische omstandigheden acht eiser het van belang om zijn verblijf bij INLIA te kunnen voortzetten. …
De beroepsgronden slagen niet. … Op eiser rust de rechtsplicht uit eigen beweging Nederland te verlaten. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf meer en daarom ook geen recht op opvang en voorzieningen. Ook staat eiser niet met een vaste woon- of verblijfplaats ingeschreven in de BRP en heeft hij ook geen eigen zelfstandige middelen van bestaan. De rechtbank benadrukt dat plaatsing in de VBL niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eiser daadwerkelijk werkt aan zijn vertrek, maar ook dat hiermee aan hem in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg. Buiten de VBL heeft eiser deze voorzieningen niet. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat de medische zorg in de VBL niet toereikend is en van mindere kwaliteit dan de zorg die hij eerder in Groningen heeft gekregen. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat plaatsing in de VBL geen geschikt middel is voor eiser. Gelet op al deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert en dat geen lichter middel kon worden opgelegd.
Het beroep is ongegrond.
Rb Groningen NL25.62427, 10.2.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2459
De rechtbank oordeelt dat de minister tijdens het gehoor onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven dat hij een vriendin heeft, dat hij bij haar verblijft, dat zijn advocaat papieren heeft en dat zij een aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in orde aan het maken zijn. Naar oordeel van de rechtbank had de minister op basis van deze verklaringen door moeten vragen naar de verblijfsrechtelijke status van eiser, bijvoorbeeld door eiser in de gelegenheid te stellen om documenten te overleggen ter staving van dit verblijfsrecht. Dat de minister dit niet heeft gedaan, betekent dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. De beroepsgrond slaagt.
Het beroep is reeds hierom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
Rb Utrecht NL25.58718, 19.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27241
De Afdeling benadrukt dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring dat er zicht op uitzetting bestaat, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. Dat is anders wanneer de rechter in een procedure over een terugkeerbesluit moet beoordelen of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. Dit verschil in toetsing vloeit voort uit het feit dat een maatregel van bewaring, anders dan een terugkeerbesluit, een ernstige inmenging is in het recht op vrijheid van een vreemdeling en dus een vergaande dwangmaatregel in de terugkeerprocedure is. Om die reden moet de bewaringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting en daarmee het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt, de betrokken vreemdeling onmiddellijk in vrijheid stellen. Zie het arrest Adrar.….
Het Hof overweegt in arrest Adrar dat het arrest geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, maar alleen op de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. Dat neemt niet weg dat een terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring nauw samenhangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting van een vreemdeling uitsluitend worden opgelegd indien de minister voorafgaand aan of gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit heeft genomen. Het terugkeerbesluit is dus een vereiste voor het opleggen van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting….
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt echter ook dat ambtshalve toetsing of beoordeling er niet toe mag leiden dat de rechter buiten de grenzen van het geding treedt. Zo’n situatie doet zich voor als de rechter de rechtmatigheid van een ander besluit toetst of beoordeelt dan van het besluit waartegen beroep is ingesteld. Dat betekent ook na het arrest Adrar nog altijd dat de bewaringsrechter niet mag oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. ….
In dit geval heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene buiten behandeling gesteld. Dat besluit geldt ook als terugkeerbesluit en staat in rechte vast. De rechtbank had in dit geval de motivering in de maatregel van bewaring moeten beoordelen.
In dit geval heeft de minister in het gehoor voorafgaand aan de bewaring gevraagd aan betrokkene of hij wil en kan terugkeren naar Marokko. Daarop heeft hij geantwoord dat hij niet wil terugkeren, omdat hij daar niets te eten en geen onderdak heeft. …. Het is de Afdeling op basis van het dossier, wat betrokkene heeft aangevoerd en de nadere schriftelijke inlichtingen niet gebleken dat in dit geval tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, het zicht op uitzetting ontbrak omdat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzette. De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb Roermond NL25.13967, 11.4.25 is gegrond.
RvS BRS.25.000423, 12.2.26
ECLI:NL:RVS:2026:329
Eiseres heeft de Colombiaanse nationaliteit. Verweerder heeft haar een terugkeerbesluit opgelegd en dit in het SIS gesignaleerd. …..
Alhoewel niet ter discussie staat dat eiseres zich tijdens de staandehouding nog in haar vrije termijn bevond, mocht verweerder eiseres tegenwerpen dat zij op dat moment niet over voldoende middelen van bestaan beschikte. Verder mocht verweerder aan eisers tegenwerpen dat zij arbeid heeft verricht in strijd met de Wav.
Vanwege het voorgaande mocht verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opleggen. Van het verwijderen van de SIS-signalering is dan ook geen sprake.
Rb den Haag NL24.25301, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1496
Op 5 december 2018 oordeelde de Raad van State dat het hebben van een inreisverbod (IRV) de aanvraag van een reguliere verblijfsvergunning niet in de weg staat als de vreemdeling het grondgebied van de EU+ nog niet heeft verlaten. Artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw blijft dan buiten toepassing. In deze situatie is het IRV nog niet in werking getreden: er is sprake van een niet-actief inreisverbod. Het inreisverbod wordt namelijk pas actief wanneer de vreemdeling de EU+ heeft verlaten.
Het IRV staat rechtmatig verblijf wél in de weg als de vreemdeling de EU+ heeft verlaten en de EU+ vervolgens weer is ingereisd, terwijl het IRV nog niet is verstreken en ook niet is opgeheven. De vreemdeling heeft in dit geval een actief inreisverbod en had niet mogen inreizen: het inreisverbod is immers actief geworden op het moment van uitreis uit de EU+. In dat geval geldt art. 66a, zesde en zevende lid, Vw. Het indienen van een nieuwe reguliere aanvraag of een nieuwe aanvraag voor een EU-document leidt in deze situatie niet tot rechtmatig verblijf.