bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Saoedi-Arabië geen nieuwe werkvergunning kan krijgen en met betrekking tot het terugkeerbesluit stelt hij zich op het standpunt dat hij bij terugkeer zal worden gedetineerd en daaropvolgend zal worden gedeporteerd.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk gemaakt heeft dat hij niet kan terugkeren naar Saoedi-Arabië. Hoewel uit de stukken wel blijkt dat het fenomeen van Saoedisering in eisers beroepsgroep gaande is, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om terug te keren naar Saoedi-Arabië en een nieuwe werkgever te vinden. Uit landeninformatie blijkt dat het voor personen zoals eiser wel mogelijk is om het beroep te veranderen op zijn vergunning. Eiser zal dan een nieuwe sponsor moeten vinden die hiervoor garant kan staan. …
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Saoedi-Arabië gedetineerd of gedeporteerd zal worden.
De beroepsgrond slaagt niet.
Rb Arnhem NL25.55965, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11039
Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft Ecuador voor appellant als veilig derde land beschouwd. Niet in geschil is dat appellant zes jaar lang legaal in Ecuador heeft verbleven. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij niet naar Ecuador wil terugkeren. …
De rechtbank overwogen dat het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn zo gelezen moet worden dat verwacht wordt dat de onderdaan van het derde land binnen de gestelde termijn uit zichzelf het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verlaat. Deze bepaling gaat daarom niet over de vraag of de betreffende persoon terug wil keren naar het derde land, aldus de rechtbank….
De Afdeling is op grond van het Terugkeerhandboek vooralsnog van oordeel dat de minister een derde land, anders dan het land van herkomst of een land van doorreis, alleen als land van terugkeer kan aanwijzen, als de onderdaan van een derde land te kennen heeft gegeven naar dit land terug te willen keren. …. Dit lijkt in strijd met het doel van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren. De Afdeling zal hierover daarom deze prejudiciële vraag stellen: Moet het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de doelstelling van die richtlijn om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te voeren en in samenhang met artikel 33, tweede lid, onder c, en artikel 38 van Richtlijn 2013/32/EU, zo worden uitgelegd dat dit verwijst naar de keuze van bestemming van de onderdaan van een derde land?
De behandeling van het hoger beroep zal worden geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
RvS 202303560/1/V3, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2660
De strafrechter heeft het volgende overwogen: “In het psychologisch pro-Justitiarapport is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een uitgebreide cognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel, late gevolgen van diffuus traumatisch hersenletsel met bewusteloosheid met blijvende ernstige lichamelijke beperkingen, een andere gespecificeerde schizofrenie-spectrum-stoornis- of andere psychotische stoornis (met wanen en hallucinaties), een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen en diverse psychosociale factoren die van invloed zijn op het functioneren. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. … Indien verdachte vrijkomt zonder interventies wordt het risico op recidive in geweld, ernstig lichamelijk letsel en/of acuut dreigend geweld ingeschat op matig tot hoog. De psycholoog heeft geadviseerd tot opname in een klinische behandelsetting, met kennis van niet-aangeboren hersenletsel, posttraumatische stressklachten en psychotische stoornissen, en dat op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast acht de psycholoog het van belang dat verdachte begeleid wordt in de opbouw van zijn zelfstandigheid, het ontwikkelen van werk/dagbesteding en het resocialiseren. Ook bij het opbouwen van vrijheden zal hij begeleiding nodig hebben.”
De strafrechter heeft het advies van de psycholoog overgenomen. … Eiser heeft vervolgens tot 29 mei 2025 in detentie doorgebracht en de periode daarna bij een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daar verblijft eiser momenteel nog steeds….
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. Vast staat immers dat eiser de delicten onder invloed van een psychose heeft gepleegd en dat de psychische problematiek van eiser door deze maatregel niet wordt opgelost. Ook eiser zelf zal door deze maatregel niet ineens ‘verdwijnen’; hij is immers niet uitzetbaar. Dat eiser op grond van de wet een zelfstandige vertrekplicht heeft, is bovendien tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat het eiser vrijstaat om de behandeling die als bijzondere voorwaarde door de strafrechter is opgelegd, in Nederland af te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het onthouden van de subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen.
Het beroep is gegrond.
Rb Amsterdam NL25.26011 en NL25.26012, 13.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11884
De vreemdeling stelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven moet worden en hem de mogelijkheid moet worden geboden om terug te keren naar stichting INLIA in Groningen totdat hij, als zijn psychische problemen zijn verholpen, weer zou vertrekken naar Benin.
De rechter concludeert dat deze procedure gaat over opheffing van de maatregel. Daarbij zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zich feiten en omstandigheden voordoen die van zodanig aard zijn dat voortduren van de maatregel niet langer op zijn plaats is. De vreemdeling wijst hierbij op het tijdsverloop, het feit dat zijn medische situatie meer gebaat is bij een verblijf bij INLIA en het feit dat INLIA ook bereid is hem weer op te nemen.
De minister heeft ten onrechte het bezwaar van de vreemdeling als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de relevante feiten en belangen. De vreemdeling verblijft al ruim een jaar op de vbl (terwijl de maximale termijn 12 weken is) en heeft medische zorg en begeleiding nodig, die volgens INLIA ook daar kunnen worden geboden. De minister had hem moeten horen over de mogelijkheid van opvang bij INLIA, waar hij eerder stabiel functioneerde en bereid was terug te keren naar Benin. Daardoor is het besluit op bezwaar in strijd met artikel 3:2 en 7:2 Awb en wordt het vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen, hem vooraf horen en opnieuw onderzoek doen, met name naar de verklaringen van INLIA.
Beroep gegrond.
Rb Groningen NL26.8835, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9813
Van de bijna 27 duizend asielzoekers die in 2014 instroomden in de COA-opvang zijn er 6 070 na 10,5 jaar weer vertrokken of hebben tijdelijk geen adres: dit is bijna 23 procent van het originele cohort. De meeste asielzoekers die vertrekken doen dit zelfstandig. Een deel van de asielzoekers vertrekt zonder toezicht, ook wel zelfstandig vertrek met onbekende bestemming genoemd: van het instroomcohort 2014 zijn dat er 2 055 na 10,5 jaar ofwel een derde van degenen die zijn vertrokken. Voor een klein deel van de asielzoekers die niet willen vertrekken en geen hulp van de overheid accepteren, gaat de Dienst Terugkeer & Vertrek over tot gedwongen vertrek: van cohort 2014 waren dit er 365 na 10,5 jaar.
Het Aroja-arrest maakte duidelijk dat de totale detentietermijn maximaal 18 maanden mag zijn. Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen. ...
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. …
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Antwoord kamervraag 1783, 24.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1783.html
De subsidiaire beschermingsstatus van deze Syrier, is vanwege een strafrechtelijke veroordeling ingetrokken. Daarbij is vermeld dat er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld vanwege het refoulementrisico. Wel is aan eiser een vertrekplicht opgelegd en is eiser gesignaleerd.
Uit het arrest Tadmur van 26 maart 2026 volgt dat, indien de derdelander niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het beginsel van non-refoulement en er geen ander derdeland is dat als land van terugkeer kan worden aangemerkt, er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Dit staat ook in de weg aan het opleggen van een vertrekplicht op grond van nationale wet- en regelgeving.
De rechtbank komt in de einduitspraak tot de conclusie dat de intrekking rechtmatig is. Verweerder zal wel opnieuw moeten beoordelen of hij ambtshalve een reguliere vergunning zal verlenen gelet op de omstandigheid dat aan eiser geen vertrekplicht kan worden opgelegd en hij op dit moment ook niet in staat is om (rechtmatig) Nederland te verlaten. De rechtbank heeft tot slot uitgelegd waarom de gronden tegen het besluit tot signalering niet slagen.
Beroep deels gegrond, deels ongegrond,
Rb Roermond NL24.24991, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10757
De rechtbank heeft overwogen dat het beleid voor slachtoffers mensenhandel in strijd is met het systeem van de Awb, omdat de politie of Kmar eerst een eigen beoordeling maakt voordat de aanvraag wordt doorgestuurd en dan pas leidt tot een verblijfsvergunning. In deze casus had het OM de aangifte al niet-ontvankelijk verklaard voordat de IND een vergunning had afgegeven.
De minister voert terecht aan dat het noodzakelijk is dat de politie of het OM eerst beoordeelt of de aangifte ook daadwerkelijk een aangifte van mensenhandel is en bijvoorbeeld niet een aangifte van een zedenmisdrijf. Daarbij ligt met het doen van die aangifte nog geen aanvraag voor. Die aanvraag ligt er pas zodra de minister van het bestaan van die aangifte op de hoogte is, dus zodra de minister het desbetreffende formulier heeft ontvangen.
Dat het moment van ontvangst van het Model M55-formulier bepalend is voor de vraag wanneer de aanvraag is gedaan en niet het moment waarop de aangifte is gedaan, en dat geen termijn is bepaald voor het doorsturen van het Model M55-formulier naar de minister, leidt niet tot het oordeel dat het beleid om die reden willekeurig is.
Het beleid is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het vereiste dat de minister het formulier moet hebben ontvangen om als aanvraag te worden aangemerkt, is zowel geschikt als noodzakelijk.
Hoger beroep tegen Rb Groningen NL23.36563, 10.7.24, gegrond.
RvS 202404183/1/V1, 6.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2528
Aanvragen voor het Chavez-verblijfsrecht worden in toenemende mate gedaan door gezinnen die in één huishouden samenwonen. Zo woonde in 2022 79% van de kinderen in de Chavez-procedure bij beide ouders, terwijl dit in 2018 nog om 50% ging. Bovendien zijn de kinderen van Chavez-aanvragers vaker in het huwelijk geboren, wat betekent dat er minder vaak sprake is van verwerving van de nationaliteit via erkenning. In 2018 had 43% van de kinderen in de Chavez-procedure de Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, wat in 2022 is gedaald naar 33%. Zijn de ouders gescheiden, dan wonen de kinderen bovendien vaker bij de Nederlandse ouder dan in 2018. Uit deze cijfers volgt dat Chavez-aanvragers en hun kinderen vaker gezinsleven hebben met de Nederlandse ouder. Van een schijnerkenning kan dan geen sprake zijn.
Wel is de stijging in het aantal vermoedens significant: 20 in 2022, 240 in 2024 en 410 in 2025. De stijging in het aantal vermoedens van fraude is in ieder geval niet terug te zien in het aantal kinderen dat de Nederlandse nationaliteit krijgt door erkenning, zo blijkt uit de cijfers van het CBS in de volgende tabel:
|
1999 |
2002 |
2016 |
2017 |
2018 |
2019 |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
|
802 |
729 |
202 |
202 |
216 |
161 |
230 |
348 |
369 |
318 |
304 |
Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, bron: CBS
https://verblijfblog.nl/laten-ouders-kinderen-erkennen-voor-verblijfsrechten/, 9.5.26
Vereenzelviging houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat de vreemdeling zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft zij niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard, maar ook over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken.
Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat bij de vreemdeling geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. De vreemdeling heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen dat de vreemdeling problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor.
Hoger beroep tegen Rb Middelburg NL23.38739, 15.5.24 gegrond.
ABRvS 202403099/1, 30.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2475