Nieuws

WBV 2022/26 : landenbeleid Jemen

Het huidige 15c-beleid ten aanzien van Jemen wordt gehandhaafd.
De Muhammasheen, Christenen, Joden, Baha’i en LHBTI-asielzoekers uit Jemen worden beschouwd als risicogroep.

WBV 2022/26, 28.10.22 in Staatscourant 29801, 9.11.22
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-29801.html

Rb: Armenië geen veilig land van herkomst voor slachtoffers huiselijk geweld

Eiseres heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat Armenië in haar geval niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Eiseres heeft in dit kader gewezen op de passages in het Algemeen Ambtsbericht Armenië waarin is vermeld dat hulp voor vrouwen die slachtoffer van geweld zijn vrijwel uitsluitend door ngo’s wordt geboden met ondersteuning van internationale organisaties. Tevens vermeldt het AAB dat de politie zich terughoudend opstelt bij het afhandelen van geweldszaken tegen vrouwen en zetten daders vrouwen vaak onder druk om de aanklacht in te trekken. Eiseres heeft ook gewezen op de passage in het AAB waarin is vermeld dat de politie onvoldoende bescherming biedt aan ngo’s die zich inzetten voor vrouwenrechten en doelwitten waren van intimidatie en bedreigingen.

De rechtbank overweegt dat gelet op de door eiseres overgelegde informatie over de positie van vrouwen die slachtoffer zijn van seksueel geweld en de straffeloosheid van deze misdrijven, de tegenwerping dat eiseres de relatie tussen de dader die een vermogend man is met criminele antecedenten en de mogelijkheid bescherming tegen deze man te vragen niet aannemelijk heeft gemaakt, geen stand kan houden

Verweerder heeft gelet op het AAB, de overige overgelegde algemene informatie en de geloofwaardig geachte verklaringen van eiseres onvoldoende onderbouwd dat van eiseres verwacht had mogen worden dat zij haar aangifte, ondanks dat zij op weg naar het politiebureau is gevolgd, had doorgezet en deze aangifte zou leiden tot vervolging en tot het stoppen van de bedreigingen en daarom niet bij voorbaat zinloos is te achten.

Ook de tegenwerping dat eiseres bij “de hogere autoriteiten” had moeten klagen kan zonder nadere motivering geen stand houden. De rechtbank overweegt hierbij dat klagen bij de Ombudsman en het Openbaar Ministerie, zoals door verweerder bij wijze van voorbeeld is genoemd, geen adequate wijze om acuut dreigend gevaar te voorkomen is, waarbij overigens te gelden heeft dat de Ombudsman niet bevoegd is om tot vervolging over te gaan en verweerder niet heeft gemotiveerd dat een burger toegang heeft tot het Openbaar Ministerie omdat doorgaans de burger zich dient te wenden tot de politie om aangifte te doen en het Openbaar Ministerie vervolgens beslist over vervolging.

Verweerder zal nader dienen te motiveren waarom van eiseres, gelet op al deze omstandigheden, verwacht mag worden dat zij nogmaals zou pogen om bescherming te vragen bij de politie en aangifte zou doen van twee geloofwaardig geachte bedreigingen.

Rb den Bosch NL22.15067, 9.11.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11899

RvS: ook afvalligheid beoordelen van vreemdeling die nooit geloofde, risico bij terugkeer

De staatssecretaris heeft in deze zaak niet geloofwaardig geacht dat de vreemdeling afvallig is. Daarbij heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling nooit in de islam heeft geloofd, waardoor geen moment van afwending kan worden geduid. Ook heeft hij niet geloofwaardig geacht dat de vreemdeling afvalligheid wordt toegedicht, omdat hij altijd al een desinteresse in de islam heeft gehad en zijn passieve en afzijdige houding tegenover de islam nooit eerder problemen met de Iraanse autoriteiten heeft veroorzaakt.

Wat er ook zij van de geloofwaardigheid van de afvalligheid van de vreemdeling, de staatssecretaris is er bij zijn besluitvorming wel van uitgegaan dat de vreemdeling niet gelovig is. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet religieus is opgevoed, nooit in de islam heeft geloofd, een afzijdige houding tegenover de islam heeft en niet praktiseert. De vreemdeling betoogt terecht dat de staatssecretaris ook in dat geval niet kan volstaan met de vaststelling dat hij nooit eerder door zijn geloofsopvatting problemen heeft ondervonden met de Iraanse autoriteiten.

De situatie na terugkeer kan anders zijn omdat de vreemdeling dan ondervraagd kan worden door de autoriteiten en daarbij alsnog problemen kan ondervinden door zijn houding tegenover de islam. Door te volstaan met de vaststelling dat de vreemdeling in het verleden geen problemen heeft ondervonden met de autoriteiten, heeft de staatssecretaris ten onrechte niet onderzocht wat de ondervraging door de Iraanse autoriteiten betekent voor het risico op vervolging of onmenselijke behandeling. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbijgegaan.

De grief slaagt.
Het hoger beroep is gegrond. 
RvS 202205620/1/V3 en 202205620/2/V3, 14.11.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3267

Rb: geen schadevergoeding ondanks alsnog asielvergunning vanaf 1e aanvraag na herziening

De rechtbank stelt voorop dat het eerste afwijzende besluit in beroep door de rechtbank is beoordeeld en in stand gelaten, en ook in hoger beroep door de Afdeling in stand is gelaten. Evenmin heeft de staatssecretaris bij het heroverwegingsbesluit expliciet medegedeeld dat het eerste besluit onjuist was...

Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021 volgt dat ook later bekend geworden informatie waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning ertoe kan leiden dat de staatssecretaris van een eerder besluit moet terugkomen. Het criterium ‘later bekend geworden informatie’ moet echter breed worden gelezen en beperkt zich niet tot informatie die ziet op gebeurtenissen die zich vóór dat eerdere besluit hebben voorgedaan. Verzoeker heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat sprake is van geloofsontwikkeling. Deze ‘geloofsgroei’ is door de staatssecretaris geloofwaardig geacht en heeft geleid tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag. De rechtbank begrijpt het standpunt van de staatssecretaris zo dat de nu geloofwaardig geachte bekering moet worden gezien als later bekend geworden informatie die er, samen met de ontwikkeling in de beoordeling van bekeringszaken, toe heeft geleid dat bij de heroverweging aan verzoeker alsnog het voordeel van de twijfel is gegeven. De staatssecretaris heeft dus, naar aanleiding van later bekend geworden informatie, een ander oordeel gegeven over de vraag of de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet krijgen. Deze omstandigheid maakt een eerdere beslissing, waarbij dat voordeel van de twijfel niet of in mindere mate was gegeven, echter nog niet onrechtmatig.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Dat oordeel is voldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris geen schadevergoeding aan verzoeker hoeft te betalen.

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rb Arnhem NL22.14499, 9.11.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11721

Rb: buiten beeld is niet hetzelfde als onderduiken – Dublin-overdrachtstermijn onterecht verlengd

Dat eiser niet heeft meegewerkt aan zijn overdracht naar Duitsland, is niet aan te merken als 'onderduiken', omdat eiser daarmee niet doelbewust heeft gezorgd dat hij buiten het bereik is gebleven van de autoriteiten. Hij heeft immers onweersproken gesteld dat hij op of omstreeks die datum het AZC heeft verbleven. Hij bleef dus in beeld voor verweerder.

Ook uit verweerders eigen beleidsregels is niet af te leiden dat eisers weerstand tegen de feitelijke overdracht moet worden aangemerkt als een doelbewust 'buiten het bereik blijven'. De uitleg dat elke frustratie van de overdracht is aan te merken als een 'zich onttrekken' en daarmee als 'onderduiken', verdraagt zich niet met artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en de uitleg daarvan door het Hof van Justitie in de zaak Jawo.

De verlenging van de overdrachtstermijn is dan ook onrechtmatig.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
Rb Middelburg NL22.20008, 10.11.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12278
vgl ook: Rb Utrecht, NL22.18516, 9.11.22

Rb: geen Dublinoverdracht Italië van bijzonder kwetsbare vrouw met dochter uit verkrachting

Eiseres heeft verklaard dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Zij is door de man die haar naar Italië heeft gebracht in Italië acht of negen maanden opgesloten, in die periode gedwongen tot prostitutie en dagelijks door verschillende mannen verkracht. Zij is ongewenst zwanger geworden. Bij aankomst in Nederland was zij te laat voor abortus. Zij is in 2020 bevallen van een dochter. Eiseres gaat ervan uit dat de vader één van de verkrachters is.

Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat zij lijdt aan een ernstig trauma en PTSS, dat bij herbeleving leidt tot dissociatie. De traumabehandeling door Fier heeft niet plaatsgevonden omdat eiseres dat vanwege de heftigheid daarvan niet wilde. Wel krijgt zij nog steeds ondersteunende gesprekken.
Uit het SFH-rapport maakt de rechtbank op dat, indien een Dublin-terugkeerder (intensieve) psychische/psychiatrische zorg behoeft, deze zorgbehoefte niet kan worden gegarandeerd in de SAI- en CAS-opvangcentra. Gelet hierop en de ernst van het trauma van eiseres en de mogelijke gevolgen van herbelevingen bij eiseres indien zij wordt overgedragen aan Italië, waar haar trauma is ontstaan, dient verweerder nader te onderzoeken of, in de specifieke situatie van eiseres, Italië zijn internationale verplichtingen nakomt.

Het voorgaande klemt te meer nu, zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, de belangen van haar dochter niet zijn meegenomen in deze procedure. Verweerder betoogt dat de belangen van de minderjarige kinderen enkel betrokken hoeven te worden wanneer het gezin gescheiden dreigt te worden door de overdracht. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu in dit geval de kwetsbare psychische gesteldheid van eiseres ook gevolgen kan hebben voor het welzijn van haar dochter. Het besluit is daarom naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 6, eerste en derde lid onder b, van de Dublinverordening.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Haarlem NL20.2320, 5.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12132

Rb: mogelijk indirect refoulement door Zweden van Syrische asielzoeker

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de Zweedse migratiedienst de asielaanvraag van de Syrische vreemdeling heeft afgewezen en dat de behoefte van bescherming van de vreemdeling moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie in Damascus.

Niet in geschil is dat er een verschil in beschermingsbeleid bestaat tussen Nederland en Zweden met betrekking tot Syrische vreemdelingen. Uit een overgelegde e-mail van de chief legal officer van het Swedish Refugee Law Centre blijkt dat het standpunt van de migratiedienst, dat Damascus in sommige gevallen kan worden gezien als binnenlands vluchtalternatief, ongewijzigd is gebleven sinds 2019 en dat dit standpunt doorgaans is bevestigd door de Zweedse migratierechtbanken. ... Nu de vreemdeling aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan, lag het op de weg van de staatssecretaris om alle twijfel weg te nemen over een reëel risico op indirect refoulement bij overdracht naar Zweden.

Beroep gegrond.
Rb Arnhem, NL22.18655, 9.11.22

SvJ&V: DK zet geen Syriers met ingetrokken status uit, geen risico refoulement

Om het motiveringsgebrek te repareren heb ik bij de Deense autoriteiten nadere informatie opgevraagd over het Deense asielbeleid ten aanzien van Syriërs uit Damascus. In hun reactie hebben de Deense autoriteiten o.a. aangegeven dat in voorkomende gevallen asielverzoeken van Syrische asielzoekers uit de regio Damascus worden afgewezen, en reeds verleende vergunningen worden ingetrokken indien de vreemdeling zich enkel beroept op de algemene veiligheidssituatie. ... Personen van wie het asielverzoek wordt afgewezen/de eerder verleende asielvergunning wordt ingetrokken, worden evenwel niet gedwongen verwijderd uit Denemarken. De Deense regering heeft hiertoe besloten in het belang van het Deense buitenlandse beleid; een unilateraal Deens beleid inzake gedwongen terugkeer naar Syrië zou op dit moment kunnen worden opgevat als een legitimering van het Syrische regime.

Naar mijn mening biedt de door de Deense autoriteiten gegeven reactie voldoende handvatten om te beargumenteren dat een Dublinoverdracht van een (aldaar afgewezen) Syrische asielzoeker uit Damascus niet in strijd is met het verbod van indirect refoulement, nu de Deense autoriteiten onder meer expliciet hebben aangegeven dat het een bewuste beleidskeuze is om deze asielzoekers niet gedwongen te verwijderen. Daarmee is er in mijn optiek geen sprake van een reëel risico op indirect refoulement. De procedures tot overdracht van Syriërs uit de regio Damascus naar Denemarken op de voet van de Dublinverordening, worden dan ook hervat.

https://open.overheid.nl/repository/ronl-f6aa7a1aa0a62623755e288cdb85e86940426a5a/1/pdf/tk-diverse-onderwerpen-migratiebeleid.pdf, 7.11.22

Rb: mogelijk risico refoulement Eritreer, Duitse status ingetrokken ivm openbare orde

In deze zaak is een vluchtelingenstatus door Duitsland toegekend, maar deze vluchtelingenstatus is bij besluit van 12 juni 2021 ingetrokken vanwege openbare orde aspecten. Er is geen uitzettingsverbod van toepassing, waardoor niet uitgesloten kan worden dat het verbod op refoulement wordt geschonden. Dat Duitsland ook daadwerkelijk overgaat tot gedwongen uitzetting van Eritreeërs is al vastgesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht in de uitspraak van 4 januari 2021, welke uitspraak in rechte vast staat. Er zijn daarom in dit geval zulke sterke aanwijzingen dat er sprake is van een reëel risico op indirect refoulement, dat op zijn minst genomen de bewijslast bij verweerder is komen te liggen.

Voor de rechtbank is het niet mogelijk om te beoordelen of verweerder in dit specifieke geval kan volstaan met de verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder dat nader onderzoek wordt gedaan naar de strekking van het besluit tot intrekking van eisers vluchtelingenstatus, waarin kennelijk is opgenomen dat er geen sprake is van een uitzettingsverbod.... De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval op de weg van verweerder ligt om deze informatie te verkrijgen. Eiser heeft immers in het aanmeldgehoor meerdere keren consistent verklaard dat hij niet wist dat hem een vluchtelingenstatus was verleend en ook niet dat deze is ingetrokken. Verder volgt uit het dossier dat eiser geen advocaat had in Duitsland en dat het besluit kort na bekendmaking in rechte vast is komen te staan, zodat ervan uit kan worden gegaan dat daartegen niet is geprocedeerd. Voor (de gemachtigde van) eiser is het in die omstandigheden zeer lastig om de betreffende stukken te achterhalen, terwijl het voor verweerder, nu hij in Duitsland een liaisonofficier heeft die kennelijk toegang heeft tot de Duitse asielsystemen, gemakkelijk is om aan die informatie te komen.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Rb Haarlem NL22.13486 en NL22.13487, 10.10.22
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12140

IB 2022/100 : naturalisatie mogelijk voor jongeren met verblijfsvergunning zonder documenten

Gerede twijfel aan de gestelde identiteit en/of nationaliteit wordt niet langer tegengeworpen in de optie- en naturalisatieprocedure als deze gerede twijfel is ontstaan door onjuiste verklaringen van de ouders. Wanneer dit aan de orde is kunnen betrokkenen deze twijfel vaak niet zelfstandig wegnemen. Het onder deze omstandigheden niet kunnen verkrijgen van het Nederlanderschap, met in sommige situaties ook gevolgen voor de (eventuele toekomstige) kinderen van betrokkenen, wordt als onevenredig gezien. De SvJ&V heeft besloten om, wanneer specifiek deze omstandigheden aan de orde zijn, twijfel aan de identiteit en/of nationaliteit in de optie- en naturalisatieprocedure niet tegen te werpen. De beleidswijziging geldt met name voor RANOV-zaken maar ook als de desbetreffende persoon over een ander type vergunning beschikt.

Deze beleidswijziging zal per 1 januari 2023 ingaan.
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1295870_1/1/, 8.11.22

Pagina's