In beroep tegen de afgewezen Chavez-vergunning is vastgesteld dat sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek omdat geen onderzoek was gedaan naar de afhankelijkheidsverhouding.
Dat verzoekster gedurende haar strafrechtelijke detentie niet de feitelijke zorg over haar zoon kon dragen en dat dit werd overgenomen door Nidos en/of een pleeggezin, was tijdelijk. Voorafgaand aan deze detentie en na het beëindigen ervan was en is de zoon van verzoekster volledig afhankelijk van haar en uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat hij wist (en voor ogen hield) dat hij weer bij verzoekster zou gaan wonen. Als verzoekster geweigerd werd, zou de zoon van verzoekster als Nederlander gedwongen worden het grondgebied van Nederland en de Europese Unie als geheel te verlaten, wat volgens de Chavez-Vilchez rechtspraak reden is om verzoekster een afgeleid verblijfsrecht te geven, wat later - na onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) - ook gebeurd is. Als gevolg hiervan had verzoekster langer onrechtmatig verblijf in Nederland en kwam zij niet in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), waardoor zij langer strafrechtelijke detentie onderging.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een schadeveroorzakend onrechtmatig besluit, is de schade voldoende onderbouwd en wordt voldaan aan het causaliteitsvereiste en het relativiteitsvereiste. Hoogte schadevergoeding vastgesteld op €17.900,00 (hierbij is aansluiting gezocht bij de door het LOVS vastgestelde normbedragen in de strafsector voor onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregelen).
Rb Roermond AWB 23/4546 3.12.25
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27172
Uit het arrest Yön volgt dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vereist dat de regels voor de uitvoering van de verplichting voor een vreemdeling om vóór binnenkomst te beschikken over een visum, niet verder gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Onder bepaalde omstandigheden, waaronder een vanwege gezondheidsproblemen van een vreemdeling bijzondere afhankelijkheid van referent in combinatie met het feit dat een vreemdeling aan alle materiële vereisten voldoet, kan volgens het Hof toepassing van dit visumvereiste in strijd zijn met dit beginsel.
Concreet betekent dit het volgende. Indien een vreemdeling feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, moet de staatssecretaris beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste indien die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. … De vraag of een vreemdeling aan alle materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet kan in zo'n geval dus niet pas aan de orde komen nadat de staatssecretaris de vreemdeling heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste, maar speelt al een rol bij de beantwoording van de vraag of die vreemdeling van dat vereiste moet worden vrijgesteld.
De beoordeling voldoet daarmee niet aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets die het Hof voorschrijft. De beroepsgrond slaagt….
Eiser heeft bovendien erop gewezen dat het voor hem en referente niet veilig is in Iran en dat referente de Nederlandse nationaliteit en een zeer goede baan in Nederland heeft. … De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de veiligheidsrisico’s die eiser en referente bij terugkeer in Iran kunnen lopen en de objectieve belemmeringen die daaruit kunnen voortvloeien om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Eiser heeft gewezen op informatie uit het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 en informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten sinds de dood van Mahsa Amini strenger controleren wie het land in- en uitreizen. Ook blijkt daaruit dat Iraanse onderdanen in het buitenland worden gemonitord en dat Iraniërs die lang in het buitenland hebben verbleven en/of een dubbele nationaliteit hebben een verhoogd risico lopen op arrestatie en detentie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit verweerders motivering onvoldoende waarom deze omstandigheden geen objectieve belemmering opleveren om het gezinsleven in Iran te kunnen uitoefenen.
Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de belangenafweging niet blijkt welk gewicht is toegekend aan het feit dat referente in Nederland een goede baan heeft en waarom het belang bij het bewaken van het algemene economische welzijn van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt. De beroepsgrond slaagt….
Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht verweerder om in alle fasen van de terugkeerprocedure - dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit zoals verweerder in het primaire besluit heeft gedaan en bij het handhaven ervan in een besluit op bezwaar zoals in dit geval - het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder de plicht heeft om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen bij het vaststellen van een terugkeerbesluit. … Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder geen deugdelijke actuele refoulementbeoordeling heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL24.27169, 20.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1217
Uit openbare bronnen volgt dat de dienstplicht na de val van het regime Assad (in ieder geval) in het controlegebied van de overgangsregering is afgeschaft en er zijn geen aanwijzingen dat Syrische vreemdelingen die de militaire dienstplicht hebben ontdoken en illegaal zijn vertrokken bij terugkeer risico lopen als dienstplichtontduiker of deserteur te worden gezien.
Het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld is niet aannemelijk gemaakt.
Rb den Bosch 24.41930, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1454
In deze zaak ligt de vraag voor of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bescherming kan inroepen tegen dreigende vrouwelijke genitale verminking.
De minister heeft in dit verband niet zonder meer aan haar besluit ten grondslag mogen leggen dat vrouwelijke genitale verminking in Senegal bij wet verboden is en dat er ook vervolging plaatsvindt. Appellant voert namelijk terecht aan dat uit de landeninformatie blijkt dat in Senegal bij dreigende vrouwelijke genitale verminking geen, of in elk geval nauwelijks, vervolging plaatsvindt. Hoewel de minister in hoger beroep verwijst naar enkele gevallen waarin daders en familieleden zijn veroordeeld voor vrouwelijke genitale verminking, baseert zij zich daarbij op een bron die slechts vijf gevallen noemt over de periode 2004 tot en met 2010. Dat biedt weinig inzicht in het totaal aantal aangiftes in die periode, terwijl het aantal strafvervolgingen in elk geval gering is in verhouding tot het grote aantal vrouwelijke genitale verminkingen sinds het verbod daarop in 1999. Bovendien is de verslagperiode niet recent en waren de opgelegde straffen laag en veelal voorwaardelijk. Dit duidt er niet op dat de Senegalese autoriteiten redelijke maatregelen tot voorkoming van vrouwelijke genitale verminking treffen.
De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat het mogelijk is om een beroep te doen op de bescherming van ngo’s. Deze organisaties beperken zich grotendeels tot informatieverspreiding en bieden doorgaans geen langdurige materiële hulp. Daarnaast constateert de Afdeling dat de ngo’s kleinschalig en lokaal van aard zijn en bovendien vooral op minderjarigen gericht lijken. Met deze verwijzingen heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat appellant bij deze organisaties daadwerkelijk bescherming kan inroepen indien gerechtelijke vervolging uitblijft. Ook het bestaan van overheidsinstanties en nationale actieplannen die gericht zijn op het bestrijden van gedwongen uithuwelijking en/of vrouwelijke genitale verminking, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft niet toegelicht dat deze inzet daadwerkelijk voorziet in bescherming van vrouwen tegen dergelijke praktijken.
De grief slaagt.
Het hoger beroep tegen Rb den Haag NL24.27381, 20.8.24 is gegrond.
RvS 202405413/1/V1, 29.1.26
ECLI:NL:RVS:2026:516
Uit landeninformatie blijkt dat personen met HIV in Nigeria te maken krijgen met stigmatisering. Daarnaast blijkt uit het AAB15 dat leden van de LHBTI-gemeenschap het zwaar hebben in Nigeria: zowel nationale als islamitische strafwetgeving criminaliseren seks tussen individuen van dezelfde sekse en leden van de LHBTI-gemeenschap genieten geen juridische bescherming tegen discriminatie. Er is volgens het landenbeleid dan ook sprake van een risicoprofiel als iemand lid is van de LHBTI-gemeenschap. Uit andere landeninformatie blijkt een verband tussen de stigmatisering vanwege HIV en LHBTI16. Dit wijst erop dat dat eiser als HIV-besmette te maken kan krijgen met toegedichte homoseksualiteit.
Het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf bij terugkeer in Nigeria een homoseksuele geaardheid wordt toegedicht vanwege zijn HIV, is onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom eiser moet onderbouwen dat hij als persoon dit soort zaken zal meemaken.
Verweerder moet bovendien ingaan op de vraag of eiser vanwege de mogelijke stigmatisering dusdanig zal worden gediscrimineerd dat hij zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat het voor hem onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarbij is relevant op welke wijze eiser vanwege zijn HIV mogelijk zal worden gestigmatiseerd. Ook is relevant wat daarvan de mogelijke gevolgen zullen zijn, bijvoorbeeld voor wat betreft de toegang tot medische voorzieningen.
Eiser heeft op dit moment een verblijfsvergunning voor een jaar op medische gronden, dus een situatie dat eiser het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege het ontbreken van de noodzakelijke medische behandeling doet zich nu niet voor.
Deze beroepsgrond slaagt.
Rb Haarlem NL24.38136, 8.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:773
In Tripoli (Libië), waar de vreemdeling vandaan komt, is een mate van willekeurig geweld maar niet één die zo hoog is dat de vreemdeling alleen door zijn aanwezigheid gevaar zou lopen. …
Uit het AAB 2025 volgt dat een terugkeerder te maken kan krijgen met een ondervraging en daarbij risico loopt op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, of marteling. De minister stelt zich onterecht op het standpunt dat dit risico afhankelijk is van het profiel van het persoon dat terugkeert, nu dat niet uit het ambtsbericht blijkt. Daardoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de vreemdeling bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Beroep gegrond.
Rb Den Haag, NL25.36951, 13.1.26
Volgens verweerder blijkt uit het feit dat eiseres in Addis Abeba voor een periode van zes à zeven maanden een huis gehuurd heeft dat zij zich daar opnieuw kan vestigen. Eiseres heeft in de correcties en aanvullingen echter aangegeven dat zij in die periode zowel in [plaats 1] als in Addis Abeba verbleef, en dat zij in Addis Abeba geen bewonerspas had en binnen het illegale circuit een plek moest vinden om te slapen…. Eiseres heeft gewezen op het AAB over Ethiopië waarin over vestigingsmogelijkheden voor personen van buiten Addis Abeba het volgende staat: “Personen die zich buiten hun eigen regio wilden vestigen, moesten een brief van de oude kebele overleggen aan de nieuwe kebele. Zonder een dergelijke brief was het onmogelijk zich te registreren. Deze procedure werd in de praktijk bemoeilijkt door de vele conflicten, waardoor het vaak moeilijk of zelfs onmogelijk was om aan een dergelijke brief te komen.” Gelet op deze informatie en de verklaringen van eiseres over de wijze waarop zij in Addis Abeba verbleef, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres op veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot Addis Abeba.
Verweerder moet bovendien alle omstandigheden in samenhang beoordelen, waaronder de wijze waarop eiseres eerder in Addis Abeba heeft verbleven, haar problemen omdat zij als Buda wordt gezien, haar medische problemen, en het feit dat zij een weduwe is en uit algemene informatie blijkt dat ontheemde en teruggekeerde vrouwen, met name weduwen en gescheiden of gehandicapte vrouwen, behoren tot de meest kwetsbare groepen en vaak geconfronteerd worden met extra problemen die hen beletten om hun rechten op huisvesting, grond en eigendom uit te oefenen.
Beroep gegrond.
Rb den Haag NL25.51360 en NL25.51361, 9.1.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:675
De Oeigoerse vreemdeling stelt dat hij niet kan terugkeren naar China of Turkije omdat Turkije Oeigoeren terugstuurt naar China, waar zij worden bedreigd.
De rechtbank overweegt dat de Minister geen onderzoek heeft verricht dat gebaseerd is op recente landeninformatie, en niet kenbaar is ingegaan op de landeninformatie die door de vreemdeling is ingebracht. Uit deze landeninformatie kan worden opgemaakt dat de veiligheid van Oeigoerse vluchtelingen in Turkije de laatste jaren is afgenomen. De (trans)nationale druk van China op Turkije is toegenomen, Turkije trekt verblijfsvergunningen van Oeigoeren in, en Oeigoeren in Turkije worden in toenemende mate in de gaten gehouden wat leidt tot meer arrestaties, detenties en uitleveringen van Oeigoeren aan China.
Het rapport van Human Rights Watch van 12 november 2025 bevat de dringende oproep om Turkije niet als veilig derde land aan te merken voor Oeigoeren, ook voor Oeigoeren die daar een permanente verblijfsvergunning hebben. Uit dit rapport volgt ook dat Turkije in toenemende mate een anti immigratie beleid hanteert en “beperkingscodes” willekeurig toekent aan Oeigoeren. Hieruit lijkt te volgen dat Oeigoeren in Turkije alleen al vanwege hun afkomst in het vizier kunnen komen van de Turkse en Chinese autoriteiten. Daarnaast heeft de vreemdeling ook nog verklaard over specifieke problemen die zijn familie heeft ervaren door de transnationale druk van China op Turkije.
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam, NL25.55044, 23.1.26
De Pakistaanse vreemdeling legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat er aan hem een fatwa was uitgevaardigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een individueel ambtsbericht opgesteld. De vreemdeling stelt dat de minister het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden door hem geen volledige toegang te verlenen tot de onderliggende stukken. De prejudiciële vraag die voorligt is in welk geval de bevoegde rechter en de verzoeker om internationale bescherming toegang tot de informatie van het individueel ambtsbericht moeten krijgen.
Het Hof overweegt als volgt. Artikel 30 Procedurerichtlijn bevestigt dat er een risico op schending van het refoulementbeginsel kan ontstaan door de wijze waarop een nationale autoriteit een onderzoek heeft verricht in het land van herkomst van een verzoeker om internationale bescherming. Een vreemdeling moet in staat zijn om zijn recht op bescherming te doen gelden door zich te baseren op relevante informatie over de wijze waarop het onderzoek in zijn land van herkomst is verricht. De informatie die is opgenomen in de onderliggende stukken, waaronder het onderzoeksverslag, moeten worden beschouwd als „informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” in de zin van artikel 23 lid 1 Procedurerichtlijn, voor zover deze informatie relevant is voor 1) de toegang van de vreemdeling met het oog op de volwaardige uitoefening van zijn rechten van verdediging ten aanzien van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek en, 2) de beoordeling door de rechter waarbij beroep is ingesteld tegen een dergelijk besluit en of uiteindelijk het beginsel van non‑refoulement is nageleefd.
HvJEU (Multan) C‑431/24, 29.1.29
ECLI:EU:C:2026:53
The case concerns situations where a national judicial body makes a final decision on the substantive legality of a second transfer decision, adopted after a first transfer decision has been annulled, and remits the case to the competent administrative authority for re-examination. The Board asked the CJEU whether the six-month transfer time limit starts to run on the date of the final decision on the legality of the second transfer or on the date on which the first transfer decision was annulled.
The Court first noted that under Article 29 (1) DRIII, the time limit starts to run from the acceptance of the take charge or take back request by the other Member State or, where an appeal with suspensive effect has been lodged against the transfer decision, from the moment the judicial decision on the appeal has become final. … However, it’s clear that Article 27 (1) confers a right to an effective remedy against a transfer decision and earlier jurisprudence confirmed that the starting point of the transfer time limit is the final judicial decision on the merits that can no longer block implementation and not the provisional decision suspending the implementation of the transfer. Where national legislation allows annulment of a transfer decision and remittal for re-examination following new decisive circumstances, it is possible to have two transfer decisions and two separate appeals. The decision that annuls the first transfer decision must be understood as an interim decision that allows the authorities to examine the new circumstances but does not terminate the transfer procedure in a final manner.
Consequently, the Court found that the sixmonth period begins on the date of the final decision on the substantive legality of the second transfer decision, and both the second decision and the subsequent annulment must be rendered promptly to avoid unnecessary delays in the overall transfer procedure.
HvJ EU (Tang) C-560/23,18.12.25
https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?num=C-560/23