bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het huiselijk geweld dat eiseres heeft ondergaan als ernstige schade dan wel als daad van vervolging valt te kwalificeren. De rechtbank volgt de minister er niet in dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt hierbij dat er geen enkele indicatie is dat de ex-partner eiseres ook met rust zal laten als zij weer naar Mongolië zou terugkeren, dat er door slachtoffers van huiselijk geweld vaker geen aangifte wordt gedaan en dat het feit dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd niet afbreuk doet aan haar vrees omdat haar ex-partner in een deel van die periode ook (illegaal) naar Nederland kwam.
De rechtbank volgt de minister er voorts niet in dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat er voor eiseres binnenlandse bescherming aanwezig is. De Afdeling heeft meermaals overwogen dat als de minister voldoende heeft onderbouwd dat in het land van herkomst bescherming bij de autoriteiten kan worden gevraagd, het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat het land voor haar toch niet veilig is. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, twijfelt de rechtbank of de jurisprudentielijn van de Afdeling stand kan houden. Indien immers vaststaat dat een vrouw bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op vervolging of ernstige schade door haar ex-man, dan lijkt de jurisprudentie van het HvJ te vereisen dat de beslissingsautoriteit (in casu de minister) juist de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank stelt daarom de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ:
1) Brengt het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 met zich dat indien de beslissingsautoriteit aan een vreemdeling tegenwerpt dat zij bij terugkeer naar het land van herkomst de bescherming van de autoriteiten en ngo’s van dat land kan inroepen, het op de weg van de beslissingsautoriteit ligt om naast de theoretische beschikbaarheid van die bescherming, ook de effectiviteit ervan te beoordelen, en zo ja, hoe effectief moet die bescherming dan zijn en waar moet deze dan ten minste uit bestaan om met een beroep op artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 een asielaanvraag af te wijzen?
2) Maakt het voor het antwoord op vraag 1 nog verschil of de vreemdeling reeds eerder getracht heeft bescherming te verkrijgen, maar die bescherming niet voldoende is gebleken?
3) Mag daarbij van de vreemdeling worden verwacht eerst alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst te hebben uitgeput, ook als de reeds gezochte bescherming niet afdoende is gebleken?
Rb Zwolle NL24.35641, 23.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9736
Uit de door betrokkene overgelegde brieven van een psychiater van Kleur GGZ en van zijn casemanager bij Stichting Here to support / Queer to support volgt dat hij wegens zijn zwakbegaafdheid moeite heeft met lange zinnen, abstract en complex denken, het verwerken van veel informatie tegelijk en het onder woorden brengen van complexe gevoelens en gedachten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de tegenwerpingen van de minister dat betrokkene summier, oppervlakkig en wisselend over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard, mogelijk juist samenhangen met zijn zwakbegaafdheid. Zij heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom gedetailleerdere verklaringen van betrokkene verwacht mochten worden en het besluit daarom terecht vernietigd. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen, waarin hij de door betrokkene overgelegde stukken betrekt en hem indien nodig op een aangepaste manier opnieuw hoort.
Hoger beroep tegen Rb Utrecht NL25.5781, 14.11.25 ongegrond.
ABRvS BRS.25.002390, 15.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1998
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet voldoende van vergewist hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. De rechtbank baseert haar oordeel op het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2023 waaruit blijkt dat Libië wordt gecontroleerd door vele tientallen gewapende groepen die steun geven aan de rivaliserende politieke leiders. De macht ligt dus niet bij één centrale overheid waardoor het vergelijkingsmateriaal van Bureau Documenten mogelijk beperkt of niet geheel representatief is. Gelet op deze situatie heeft de minister het betoog van eiser, dat het arrestatiebevel door de gewapende militie [naam 2] is afgegeven, dan ook niet zonder meer terzijde kunnen schuiven. …
Beroep gegrond.
Rb Amsterdam NL25.56568, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8250
De Somalische vreemdeling stelt dat hij in Ethiopië is geboren en dat hij in 2011 verhuisd is naar Zuid-Somalië. De minister acht de Somalische nationaliteit ongeloofwaardig omdat hij geen documenten heeft en de taalanalyse van TOELT aangeeft dat er geen enkel element wijst op een verblijf in Zuid-Somalië.
De Afdeling overweegt als volgt. De minister heeft ten onrechte zijn standpunt over zijn Somalische nationaliteit gebaseerd op de taalanalyse van TOELT. Volgens de vakbijlage en werkinstructie van TOELT is een taalanalyse geen nationaliteitsonderzoek, maar alleen bedoeld om de herkomst of etniciteit te bevestigen. Aangezien de vreemdeling verklaarde opgegroeid te zijn in Ethiopië (en niet Somalië), en TOELT hem herleidde naar het Somalische deel van Ethiopië, zegt dit niets over de geloofwaardigheid van zijn Somalische nationaliteit.
Daarentegen heeft de rechtbank ten onrechte van de minister geëist om de verschillen in EU-registraties van zijn nationaliteit nader te onderzoeken. …. Hoewel de minister namelijk erkende dat veel Somaliërs in die periode als vluchtelingen naar Ethiopië vluchtten, blijft het aan de vreemdeling om zijn nationaliteit aannemelijk te maken en is hem dit niet gelukt.
Hoger beroep tegen Rb Arnhem NL24.5168, 11.3.25 gegrond. Beroep ongegrond.
ABRvS 202501570/1, 15.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2025
De rechtbank heeft na het arrest Multan op 12 maart 2026 in een tussenuitspraak bepaald dat verweerder -zelf- kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser door tussenkomst van een ‘special advocate’ kennis moet kunnen nemen van al deze stukken. Verweerder heeft medegedeeld dat hij niet zal voldoen aan de tussenuitspraak, zodat de rechtbank nu een einduitspraak doet.
Omdat verweerder niet van de gehele inhoud van het dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd.
De rechtbank stelt na kennisname van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser.
De rechtbank overweegt voorts dat gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. De rechtbank kan dit thans onvoldoende grondig onderzoeken en kan thans ook niet beoordelen of eiser reeds vanwege deze wijze van onderzoek in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in overeenstemming met het Unierecht heeft kunnen uitoefenen.
Beroep gegrond.
Rb Roermond NL22.10458, 20.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9429
Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit gevangengezet was. De rechtbank overweegt dat nu de geplande overdracht van eiser wegens de gevangenzetting niet kon worden uitgevoerd, verweerder bevoegd was de overdrachtstermijn te verlengen tot maximaal een jaar.
Dat eiser mogelijk na afloop van de strafrechtelijke detentie nog binnen de reguliere termijn van zes maanden overgedragen had kunnen worden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder geen verlengingsbesluit had mogen nemen. Door de gevangenzetting was eiser op het geplande overdrachtsmoment immers niet beschikbaar voor een overdracht, waardoor het voor de Nederlandse autoriteiten materieel onmogelijk was om de overdracht van eiser uit te voeren.
Het beroep is ongegrond.
Rb Rotterdam NL25.64036, 11.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9591
De minister betoogt allereerst terecht dat, ook indien de wijze waarop de Bulgaarse autoriteiten de verzoeken van Turkse asielzoekers beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Bulgarije effectieve bescherming kan worden gezocht. … Van dit uitgangspunt mag alleen worden afgeweken als een vreemdeling aannemelijk maakt dat wat betreft de asielprocedure en de opvangvoorzieningen sprake is van systeemfouten waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Ook met zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat voor hem als Turkse asielzoeker in Bulgarije geen effectief rechtsmiddel openstaat tegen een mogelijke afwijzing van zijn asielverzoek.
De minister voert verder terecht aan dat een laag inwilligingspercentage op zichzelf niets zegt over de wijze waarop een lidstaat de asielverzoeken van een specifieke groep asielzoekers behandelt en over de vraag of die behandeling mogelijk gebreken vertoont. Het lage inwilligingspercentage vormt daarom op zichzelf geen aanwijzing dat er sprake is van een systeemfout bij de behandeling van aanvragen van Turkse asielzoekers. …
Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank niet heeft kunnen concluderen dat de minister niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor betrokkene mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije.
De grieven tegen Rb Haarlem NL24.36498, 12.11.24 slagen.
RvS BRS.24.000429, 20.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2133
De Oegandese vreemdeling stelt dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure voor LHBTIQ+-personen in Polen.
De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen.
Hoger beroep tegen Rb Amsterdam NL25.44452, 12.12.25 ongegrond.
ABRvS, BRS.25.002559, 15.4.26
De minister heeft de LVV-opvang van verzoeker beëindigd. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de minister had dienen te onderzoeken wat de gevolgen zijn voor verzoeker, die als kwetsbaar moet worden gezien nu de gemeente Amsterdam hem feitelijk opvang bleef verlenen, indien de opvang wordt beëindigd. Omdat het recente verleden heeft laten zien dat verzoeker het in zijn eentje op straat niet redt, is het namelijk een kwestie van tijd voordat verzoeker weer tijdelijke opvang zal moeten worden geboden om verdere achteruitgang tijdelijk tegen te gaan. Waarna verzoeker weer alleen op straat komt te staan et cetera, et cetera.
De voorzieningenrechter ziet de situatie waar verzoeker in verkeert aldus als een vicieuze cirkel, waarbij de vraag zich aandringt of daarmee geen sprake is van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verzoeker heeft in ieder geval groot belang bij het verlaten van deze cirkel en de voorzieningenrechter stelt vast dat de minister daarin tot op heden geen verantwoordelijkheid neemt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
Rb Amsterdam AWB 26/2656, 13.3.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6630