bezoek ook: www.noo.nl / www.meldpuntvreemdelingendetentie.nl / www.basicrights.nl / www.iLegalevrouw.nl
De Minister van Asiel en Migratie heeft de Tweede Kamer geïnformeerd dat hij voor Afghanistan een aantal provincies heeft aangewezen (Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangahar, Paktia, Paktika en Takhar) waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (15c). Voor hen geldt in principe dat een beschermingsalternatief elders in Afghanistan bestaat.
Verder heeft de minister gemeld dat een vrouw die stelt en aannemelijk maakt door discriminerende maatregelen van de Taliban te zijn of worden getroffen, in de regel een verblijfsvergunning wordt verleend. Wel blijft er een individuele toetsing plaatsvinden. Er wordt daarbij niet verlangd dat zij bij terugkeer haar levensstijl noodgedwongen aanpast aan deze regels. Als op grond van haar individuele asielrelaas is gebleken dat zij geen bescherming op grond van de discriminerende maatregelen van de Taliban nodig heeft, wordt geen asielbescherming verleend.Voor hen geldt dat van een binnenlands beschermingsalternatief geen sprake is.
Evenmin is er sprake van een binnenlands beschermingsalternatief in die gevallen waarin de actor van vervolging de Taliban is. Daar waar de vrees voor vervolging komt van de zijde van andere partijen, zoals ISKP, NRF, AFF of is gerelateerd aan bijvoorbeeld bloed en eerwraak, kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een binnenlands beschermingsalternatief.
WBV 2026/12, 4.6.26 in Staatscourant 19746, 5.6.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-19746.html
Zie ook KST 19637 nr. 3562, 28.5.26
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-1251316.pdf
De Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) bekijkt foto’s en contactenlijst op telefoons van asielzoekers zonder bevoegd te zijn. De Inspectie JenV benadrukt dat een betrouwbare overheid rechtmatig moet handelen.
De Inspectie JenV beveelt de minister van Asiel en Migratie (AenM) daarom aan snel te zorgen voor een wettelijke grondslag zoals hij de Tweede Kamer toezegde in maart van dit jaar.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister terecht uitgegaan van onderduiken, omdat eiser wist dat er een aansluitende vlucht was van München naar Kroatië en hij er voor heeft gekozen om het vliegveld te verlaten in plaats van de aansluitende vlucht te zoeken. Dat de fout van de Duitse autoriteiten door hem ter plaatse niet op te wachten niet aan eiser kan worden verweten kan de rechtbank wel volgen. Dit neemt echter niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank van eiser had mogen worden verwacht dat hij zichzelf op het vliegveld bij iemand meldde nadat was gebleken dat hij niet werd opgewacht om te vragen waar zijn aansluitende vlucht zou zijn. … De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat eiser zich wel degelijk aan het toezicht onttrekt sinds hij het vliegveld van München heeft verlaten. …
Concluderend overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de bedoeling had om de overdracht aan Kroatië te voorkomen. De minister mocht de uiterlijke overdrachtstermijn van eiser aan Kroatië verlengen.
Rb Roermond NL26.11825, 22.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13245
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uiterste overdrachtsdatum niet is opgeschort tijdens het verzet.
Er is een definitieve situatie ontstaan na de uitspraak in beroep. Het standpunt van de minister dat er pas sprake zou zijn van een definitieve beslissing in beroep na beëindiging van de verzetprocedure is onjuist. Er is immers ook niet pas sprake van een definitieve beslissing in beroep na de beëindiging van de hoger beroepsprocedure. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat ook het Informatiebericht van de minister zelf alleen spreekt over beroep en daarbij niet een definitieve beslissing in beroep na een verzetprocedure aanhaalt.
Rb Groningen NL26.30588, 3.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14759
Eiseres en haar echtgenoot zijn in het verleden vanuit Zwitserland samen naar Nederland gekomen en hebben zich samen gemeld. Eiseres en haar echtgenoot zijn daarna met onbekende bestemming vertrokken waardoor de uiterste overdrachtsdatum door de minister is verlengd. Eiseres is vervolgens in het vizier gekomen van de minister en uitgezet naar Zwitserland. De echtgenoot van eiseres heeft zich in de tussentijd niet gemeld.
Eiseres heeft in Zwitserland een asielprocedure doorlopen, waarin haar asielverzoek uiteindelijk is afgewezen, voordat zij weer naar Nederland kwam. Vervolgens hebben eiseres en haar echtgenoot zich samen gemeld voor het indienen van een asielaanvraag in Nederland. De uiterste overdrachtstermijn van de echtgenoot van eiseres aan Zwitserland was inmiddels verlopen, zodat hij moest worden opgenomen in de nationale procedure. Voor eiseres is Zwitserland verantwoordelijk.
De vraag of de minister eiseres desondanks (onverplicht) zou moeten toelaten in de nationale asielprocedure tezamen met haar echtgenoot, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Dat eiseres weer moet terugkeren naar Zwitserland zonder haar echtgenoot, is het gevolg van de door eiseres en haar echtgenoot in het verleden zelf gemaakte keuzes.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Rb zwolle NL26.20308, 22.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13183
Gebaseerd op de brief van 5 februari 2026 van Fedasil stelt de minister zich op het standpunt dat de opvang voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat (nood)opvang voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk beschikbaar is. … Het is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. … Daarom is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Het had op de weg van de minister gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.
De minister heeft zich op de zitting ook op het standpunt gesteld dat, indien eiser toch geen opvang krijgt, hij daarover kan klagen in België. … De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. …. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.
Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Beroep gegrond.
Rb Utrecht NL26.22624, 2.6.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14893
Verweerder heeft eiser voorafgaand aan het overdrachtsbesluit niet in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije naar voren te brengen. In het vertrekgesprek is aan eiser meegedeeld dat Bulgarije mogelijk de verantwoordelijkheid draagt voor zijn procedure en dat Nederland niet aan terugkeer zal werken naar Irak, maar naar Bulgarije. Eiser heeft verklaard liever te willen vertrekken naar zijn land van herkomst dan naar Bulgarije. Verweerder heeft verzuimd hier verder navraag naar te doen. De beroepsgrond slaagt.
Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond.
Rb Middelburg NL26.24883, 21.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13481
Italië neemt binnenkort weer asielzoekers terug die in Nederland asiel hebben aangevraagd, nadat zij eerder via Italië Europa waren binnengekomen. Dat gebeurt vanaf 12 juni, de dag dat het nieuwe Europese migratiepact in werking treedt. Mensen die vóór 12 juni via Italië naar Nederland komen, worden niet teruggestuurd.
De rechtbank oordeelt dat de minister, voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel ikv Dublin-overdracht, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht verzet.
Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, verklaard dat hij bang is om teruggestuurd te worden naar Kroatië. Hij zegt dat de omstandigheden daar slecht zijn en dat hij daar in de bossen veel heeft meegemaakt. Volgens eiser is hij, nadat hij eerder werd teruggestuurd naar Kroatië, daar opgewacht door de Kroatische politie. Eiser kreeg een adres van een opvangkamp, waar hij heeft verbleven in een container. Volgens eiser was het daar verschrikkelijk en werd hij uitgescholden als hij naar de supermarkt ging.
Hoewel er in het geval van eiser wellicht onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Kroatië een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan. De rechtbank oordeelt dat daarom niet deugdelijk is gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt voor overdracht is. Omdat dit een voorwaarde is om eiser op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring te stellen, ziet de rechtbank geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Het beroep is gegrond en de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 mei 2026.
Rb Groningen NL26.24877, 21.5.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12975
De bewaring van een vreemdeling moet, volgens VW200, achterwege blijven zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser beschikt over een geldig paspoort en niet is betwist dat voor hem een vlucht staat gepland op 8 april 2026, eiser zijn vertrekwens voldoende heeft geconcretiseerd.
Het betoog van verweerder dat de vertrekwens van eiser, gelet op het risico op onttrekking, als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser nimmer heeft getracht de locatie van zijn paspoort te verbergen en evenmin heeft aangegeven niet uit eigen beweging te zullen vertrekken. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek dat eiser kort na zijn inbewaringstelling contact heeft gelegd met de IOM.
Onder deze omstandigheden had verweerder, vanaf het moment dat eiser in de gelegenheid was om zelfstandig te vertrekken, aanleiding moeten zien om de maatregel van bewaring op te heffen.
Het beroep is gegrond.
Rb Rotterdam NL26.16589, 2.4.26
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11517